Ruth 2:15-16 'Allengskens van de handvollen laten vallen' ds. J.C. van Ravenswaay

Allengskens van de handvollen laten vallen

Predikatie over Ruth 2 : 15-16

Door Ds. J. C. VAN RAVENSWAAY

Als zij nu opstond om op te lezen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.
ja, laat ook allengskens van de handvollen voor haar wat vallen, en laat het liggen, opdat zij het opleze, en bestraft haar niet.

A.O.W.! Het nieuwste woord in een wereld, die zich steeds meer verzekert. Een woord, in een land, dat zo dikwijls Gods verzekering en verzorging ondervond. Men zou haast geloven, dat de voorzienigheid Gods een frase is en milddadigheid een verzinsel.
Staan de naar God en Christus genoemden als christenen in de wereld? Zij zijn de rijken, die van de gekregen rijkdom anderen willen meedelen. Zij bezitten die rijkdom niet voor zichzelf alleen.
Toen de Pinkstergeest werd uitgestort, hebben de leden van Christus' kerk aan elkander milddadigheid betoond. Deze Geest bewerkt de verbinding tussen een wedergeboren hart en God, maar legt ook de band tussen de kinderen Gods onderling. Het bestaan van deze band moet uitkomen, omdat de Heilige Geest de Geest der beweging is naar het gelijkgezinde.
Kennen wij die beweging der milddadigheid in ons, die God door Zijn Geest in het hart van Zijn volk werkt en die ons brengt bij hen, die het nodig hebben?
Echte milddadigheid is tevens gehoorzaamheid aan God. Hij leert Zijn kerk hoe zij op dit terrein van het leven moet arbeiden.
Wie deze werkzaamheid op eigen manier ten uitvoer brengt, wordt door de mens wellicht mild genoemd, maar God heeft zo één als gierigaard te boek staan.
Voor Oud en Nieuw Verbond geldt: „Het is God, Die in u werkt beide het willen en volbrengen, naar Zijn welbehagen". De waarheid, die we nu met elkaar willen bezien, toont het klaar en duidelijk. Gods Geest maakt Boaz' hart mild ten opzichte van de arme Ruth. Wat hier geschiedt, heeft zijn betekenis nog niet verloren voor de levenspraktijk van heden.
Gods Woord zegt ons in deze tekst, dat de rijke Boaz beschikt over de arme Ruth.
l. Boaz betoont milddadigheid aan Ruth;
l l. Boaz en Ruth leren milddadigheid;
l l l. Ruth ondervindt milddadigheid van Boaz.
I.
Boaz betoont milddadigheid aan Ruth.
Dat is een daad. En we vragen: Hoe komt hij tot het doen van milddadigheid? Wat is hij voor een man?
Boaz wist dat Ruth gezegd had: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God". Dat was de taal naar zijn hart. Zijn oren hebben hiervoor open gestaan en deze uitspraak heeft weerklank gevonden in zijn eigen herboren hart. Hij trachtte voor alle medemensen goed te zijn, maar voor het volk, dat de tale Kanans kende, had hij een bijzondere eerbied en tot dat volk voelde hij zich sterk aangetrokken. Voorts wist hij hoe Ruth uit liefde voor haar schoonmoeder zorgde en dat deze liefde voortsproot uit het ware geloof. Hij wist, dat zij een heidin was, maar ook een heidin, die door Gods genade vroeg naar de God van Israël en die naar de wet van die God wenste te leven.
Boaz zal voor deze vrouw een eigen positie scheppen, wanneer zij als een arme op zijn veld achter de maaiers de aren opleest. Hij heeft een christin ontdekt, wier geloof spreekt uit de werken der liefde.
Boaz gaat echter niet eigenmachtig te werk. Hij had haar toch ook iedere dag een paar efa's gerst kunnen geven, dan was Ruth van dat lastige rapen afgeweest. Als Ruth een kind van God is, wat we allen geloven, mag zij dan niet een gemakkelijker leven hebben dan een onbekeerde? Wat moet daar nu op geantwoord? Laat ons lezen wat Gods Woord hiervan zegt, ja beveelt in Lev. 19 : 9-10: ,,Als ge de oogst uws lands inoogsten zult, zult gij dat van de oogst op te zamelen is, niet ganselijk opzamelen; de arme en de vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de Heere, uw God". Een bevel Gods, aan het adres van de rijke ten behoeve van de armen. Wij mogen dus niet naar eigen inzicht voor de armen zorgen? Neen, en evenmin een eigengereid onderscheid maken in het verzorgen van bekeerde en onbekeerde armen. Menig arm kind van God is door zo'n verkeerde verzorging in een geestelijke doolhof terecht gekomen. Niet weinigen hebben vleselijk geprofiteerd van hun geestelijke rijkdom. Voor Zijn volk heeft God gezegd: „Brood en water zijn gewis". En een kind van God is niet meer arm te noemen als het een gesmeerde en misschien óók nog belegde boterham heeft. Al zijn we arm, wil dat zeker nog niet zeggen - dat moeten we terdege onder de ogen zien - dat we nu niets meer behoeven te doen en niet de handen in de schoot kunnen gaan zitten; anderen zullen ons wel brengen wat we, nodig hebben, we zijn immers een kind van God. Een ieder. die nog werken kan. heeft de roeping deze plicht te vervu en Een kind van God toch zeker, Zo hebben Boaz en Ruth het ook gezien. Gods Woord normeerde hun leven. Wat zijn dat toch rijke mensen. Zij kunnen zingen:
Maak in Uw `Voord mijn gang en treden vast;
Opdat ik mij niet van Uw paan moog,' keren.
En wordt mijn ziel door 't kwade licht verrast,
Ai laat het mij toch nimmer overheren.
Ook voor het stoffelijke deel van het leven? Ja, wie op dit terrein niet zuiver is, is het zeker niet op geestelijk erf. Het laatste moet juist in orde zijn, zal het eerste in de praktijk van het leven kunnen blijken. Het zes dagen wreken is een lust en geen last voor de christen, als hij schriftuurlijk werkt in het stoffelijke. Gods oprechte kind is de meest vertrouwde arbeider en meest vlijtige werker op aarde.
Nu gebeurt het wel, dat Gods kind in de armoede komt; dat God die weg voor hem nodig acht om hem meer afhankelijk te maken van Hem, zonder Wiens wil zelfs geen haar van ons hoofd vallen kan. Maar dan zegt God niet: Ik zal het je thuis laten brengen. Neen, dan moet dat arm geworden kind van God toch werken. In het gebed moet hij de Heere voorleggen hoe zijn zaken er voorstaan - dat is het vouwen van de handen - maar de Heere heeft diezelfde handen gegeven om te werken. Bidden en werken met diezelfde handen, die biddend naar boven worden geheven, vergezeld met de roep des harten: „Heere, aanschouw mijn ellende, erbarm U mijner", maar die ook van God de gelegenheid krijgen en daarom die gelegenheid dienen aan te grijpen om te werken, om dan te stamelen: „Dank U, Heere, voor de heerlijke uitkomst". Gods volk is niet bang van het welk, maar dankbaar voor het werk.
In Leviticus 19 : 9-10 lag voor Ruth een aanwijzing en hier was voor Boaz een gebod. In deze organische weg wil God zorgen voor Zijn armen - op deze wijze toont Hij Boaz zijn taak. Naar dat woord van God mag Boaz het Ruth niet ongewoon gemakkelijk maken en Ruth mag de aanwijzing Gods niet in de wind slaan en denken: Boaz laat het mij wel thuis bezorgen.
Boaz wil deze vrouw weldoen zonder dat zij het weet. Hij zegt haar alleen wat zij weten moet. Zij mag gaan tot de vaten en mede aanzitten. Maar meer vertelt hij haar niet. Doch de maaiers krijgen bevel: „Laat wat vallen". Dat is nu het ware karakter van milddadigheid: opzettelijk wat laten vallen. Wij geven zo vaak toevallige giften. Wat is er blijven liggen? Wat we toch wel kwijt willen, of wat we voor ons fatsoen niet kunnen houden. Maar hier klinkt het: „Laat wat vallen". Opzettelijk. Hebben we zó wel eens iets laten vallen voor de dienst des Heeren en voor Zijn armen? Was het voor ons een liefdedienst, omdat de Heere ons zoveel gelaten had, waarover we uiteindelijk slechts rentmeester zijn? Opzettelijk laten vallen moet iets hebben van offeren.
Boaz had een mooie gelegenheid om met een vroom gezicht erg goddeloos te zijn. Wanneer hij zo opvallend en opzettelijk Ruth wat had laten toestoppen - wel, dan was hij de edele geweest, die straks zeker wel een bedankje had verdiend. Maar zó mag het niet. „Allengskens" moet er van de handvollen wat vallen. Ruth behoeft het niet te merken, dat het opzettelijk gebeurt - och neen, ware milddadigheid maakt de beweldadigde niet verlegen; ware milddadigheid is groot van hart en geeft geen aalmoes om een stuk burgerlijke eer van de arme af te trochelen; ware milddadigheid komt uit een open hart en daar is geen behoefte om het hart voor anderer eergevoel te sluiten. Waar Gods Geest werkt, daar hebben wij genoeg aan de vrede, die Hij in het hart geeft wanneer wij gehoorzaam zijn aan Zijn wetten, die God voor onze graanvelden, voor ons bezit, heeft gesteld.
Maar dan moet Ruth, ondanks al deze weldaden, toch blijven werken. De maaiers laten wat vallen. Maar Ruth moet het oprapen. Zij moet werkzaam blijven - zij moet blijven zoeken. Zij moet ook haar levensonderhoud zoeken waar het te vinden is, ook al heeft God aan de bezitter geboden voor haar onderhoud te zorgen. En zij doet dat trouw. Ze zoekt met vreugde. Werkelijk, die zich echt arm weet en die alleen hoopt op de verzorging door zijn God, die werkt liever, die zoekt liever aren op de afgemaaide akker, dan dat hij zijn hand ophoudt voor de steun, die hem als staatsburger wordt verstrekt. Waar het wachten op de trouwe zorg van de hemelse God bij de armen aanwezig is, daar blijft bij hen ook de drang om zoekend te mogen vinden datgene, wat die God op hun weg heeft uitgestrooid.
En wie nu zo zoekt, die zal van God ook ontvangen wat hij behoeft. En zulke trouwe armen op de akker van Israëls leven, moeten ontvangen wat zij voor hun leven behoeven. Milddadigheid moet betoond, vooral juist door u, die alleen van milddadigheid leven kunt.
Die alleen van milddadigheid leven kunt? Wat is dat? Zijn we allen armen? Moeten we stuk voor stuk door het leven zoals Ruth? Levende kerk, wat zegt ge daarvan? Mogen we bij de gratie van Boaz aren lezen op Zijn akker? Mij dunkt, over de stoffelijke zijde van deze waarheid hebben we voorlopig genoeg gezegd. Maar wat is nu de geestelijke bedoeling? Milddadigheid betoond, daar gaat het immers nog over?.
Christus spreekt in dit woord, dat ons openbaart het heil voor zondaren in de enige Zaligmaker.
II.
Hier wordt milddadigheid geleerd.
Zullen we verstaan hoe wij hier milddadigheid leren kunnen, dan moeten we ons afvragen hoe het mogelijk was, dat Boaz milddadig kon zijn.
Wat hier geschiedt, is niet iets, dat vanzelf komt. Er werkt iets in Boaz, omdat er iets in Israël werkt. En Israël is weer niet het volk, dat nu eenmaal zekere wetten mechanisch volbrengt, maar er leeft in Israël een kracht - die voor het natuurlijk oog niet merkbaar is, die zelfs menig Israëliet verloochent - doch die zich openbaart in het volk des verbonds als een geheimzinnig héénleven naar een bepaald doel, een gedragen worden door een mysterieuze sterkte. Hoe kan het anders voorkomen, dat er dichters zijn onder Israël, die vooruit beleven wat later door Eén, Die de vervulling van heel Israëls leven is, wordt nabeleefd? De klacht van de dichter van psalm 22, wanneer hij zucht over het verlaten zijn van God, wordt straks overgenomen door Christus, en dan is die klacht eerst in haar bange volheid beleefd; de rust van de belijder van psalm 31: „in Uw handen beveel ik mijn geest", is de profetische vooruitbeleving wat eerst in de grote Zoon van Israël volkomen uitblinken zou, héél de wereld door. Ja, Israëls historie is gedragen door Hem, Die de, Geest der profetie Zelf is - als het volk uitgaat uit Egypte, zal dat vervuld moeten worden nog eenmaal, wanneer de Zoon uit Egypte wordt geroepen.
Maar wanneer dan door dit volk wordt uitgeleefd een milddadigheid als die van Boaz, dan werkt óók diezelfde bondsgedachte in de zoon van dat volk, waarmede God Zijn verbond maakte. Daar werkt in hem Vorst Messias, Die de geheime kracht van dit volk is en Die uit dit volk groeien zal. Israël, dat niet kon sterven, omdat het ook in natuurlijke zin, en vleselijk gedacht, de Christus droeg, moest in zijn onvernietigbaar leven telkens weer leven uit die Christus, Die komen zou.
Maar dan verstaan we, dat het niet maar een voorbeeld enkel is, dat we hier zien, een voorbeeld, dat we dan christelijk moeten navolgen, neen, hier ontdekken we in Boaz' milddadigheid de werking van de Geest van Christus, ja de Christus Zelf. Doch dan wordt hier allereerst ons geleerd een milddadigheid, die van hoger orde is dan die, die wij kunnen en willen betonen in onze beste uren.
Dan zien we hier een profetie, dan vernemen we hier de taal van Hem, Die in Zijn volk het offer werkt, opdat Hij zo Zijn volk zal verlangend maken naar een beter offer, naar een betere milddadigheid, naar een mildheid, die eeuwig groot is, omdat er uit stroomt de eeuwige goedertierenheid Gods.
Milddadigheid, offerende liefde, die in Boaz werkte, moest uitgroeien. Milddadigheid van Boaz was alleen door deze liefde mogelijk, die er was in de Vorst, Die Davids Heere was en door Zijn Geest Zijn volk tot milddadigheid regeerde.
Maar dan worden we hier ook zo klaar gewezen op Hem, Die Zichzelf geheel geeft, opdat Zijn armen, die van honger en dorst zouden omkomen, worden verzadigd. Zijn liefdevol offer is het geheim, waaruit Boaz' milddadigheid is te verklaren. Maar dan mogen we ook niet van Boaz rechtstreeks komen tot onszelf, maar dan loopt de lijn, langs welke de lering, uit Boaz' daad te trekken, tot ons komt, langs het kruis van Christus.
De barmhatigheid van de Zaligmaker, Zijn Geest, Die milddadigheid. werkte en wekte, vindt in Boaz haar openbaring. Maar de vervulling van die openbaring is er één die voor zondaren van zoveel meer rijke inhoud is.
Immers we ontvangen dan hier de prediking, dat er Eén is, Die in Zijn onbegrijpelijk grote offervaardigheid Zichzelf gaf voor hen, die als bedelaars staan daar, waar Hij Zijn zegen wil doen nederdalen.
Zij, die als Ruth weten waar de akker is, die in gehoorzaamheid aan Gods ordinantie moet worden opgezocht, zal er hoop zijn op behoudenis des levens, zijn ook bereid, evenals Ruth, om in de geordende weg het heil des levens te zoeken. Daar is bij hem, in wie God door Zijn Geest werkte de drang naar het heil des Heeren, bereidwilligheid om in gehoorzaamheid aan Zijn oogstwet te zoeken wat tot redding van het leven nodig is.
De zoekende, levende kerk vind grote genade.
Die verstaat eerst wat milddadigheid is; die leert een hart vol van liefde kennen, zoals mensen het niet kunnen dromen. Het is het liefdevolle hart van onze Jezus.
Het is de eeuwige liefde van God in de hemel, Die zondaars, ja zondaars liefheef't.
Maar de deze barmhartigheid ondervinden, die leren eerst milddadigheid: De ware milddadigheid wordt geleerd bij de Meerdere dan Boaz bij Chrstus.
Het is zo nodig dat te zeggen in onze tijd, waarin het gevaar wel eens groot is, dat men alles mechanis gaat opvatten; waarin men eens schijnt te denken, dat alles moet komen door reglement en gebod; waarin men meent, dat Vadertje Staat of de kas van de burgelijke gemeente alles moet doen. Er is wel eens gevaar, dat in deze tijd de ware christelijke barmhartigheid, de gevende en schenkende milddadigheid, in het gedrang komt. En toch, als de levende kerk in de rechte verhouding staat tot haar Hoofd, dan zal er een ernstige drang zijn ook daarin de werking van Zijn Geest te mogen beleven, dat wij mild zijn, opdat we iets van Zijn overvloedig schenkende liefde in dit leven mogen weergeven in ons Glans van Zijn licht, weerkaatst in de bochtige spiegels van ons bestaan.
Dan is er ook de belijdenis, dat wij van Hem hebben te vragen wat wij met het onze zullen doen. Want Jezus is de Koning, ook over de oogst op de akkers van ons particuliere leven. Van Hem is alles wat wij met harde arbeid, of met kalm-onze-ganggaan, binnenhalen in onze schuren en in onze brandkast; wat we binnenhalen in onze beurs of in onze altijd veel te grote broodtrommel.
Het is van Christus, Die het voor ons vrijkocht uit de chaos, waarin satan koning wilde zijn - opdat wij in een geordende wereld, in de kosmos, zouden hebben wat we hebben, wat we behoeven. Maar dan zal Christus' werk ook in datgene, wat wij het onze noemen, openbaar moeten worden. Zowel in ons stoffelijk bezit als in ons geestelijk eigendom.
Zie, wij zijn zo spoedig geneigd de stroompjes van Gods zegeningen rustig te laten invloeien in ons bestaan. Maar we maken dan van ons leven zo graag een meertje, dat heel veel riviertjes opvangt, maar niets weg laat vloeien. Zo'n meertje, dat al maar krijgt en nooit iets loslaat - behalve datgene, wat de dampkring neemt; de dampkring, die nu eenmaal niet met de deuren is af te sluiten. Zo willen wij ook vaak zijn. Er verdampt wel iets van het onze - we moeten nu eenmaal bestaan en ons burgerlijk fatsoen verbiedt ons alles al te angstvallig vast te houden - maar overigens, wij willen het meer zijn, wijd, maar koel, en steeds het roepend: geef, geef, geef.... zoals de dochters van de bloedzuiger.... die het roepen tot de ander.... en tot zichzelf zeggen: houd, houd, houd....
Maar waar het rechte bezitten geleerd is, waar iets verstaan wordt van de christelijke milddadigheid, daar begrijpen we, dat Christus van de Zijnen geen stilstaande meertjes maken wil, maar stromende rivieren. Wij zullen de doorstroom zijn, waarlangs de klare wateren der genade doorvloeien; al maar levend en bewegend en verder trekkend, uit de Bron naar de Oceaan, dat is: uit Christus naar de eeuwigheid Gods. En hoe sneller die rivier stroomt, om af te geven wat ze ontving, aan de Oceaan, waarin ze uitmondt, hoe sneller de stroom van boven af vloeit, opdat nieuwe, in het licht glanzende en fonkelende, reine wateren worden aangevoerd.
In het meer vormen zich de hoekjes met kroos aan de moerassige oever. Maar de ruisende bergstroom houdt een rein bestaan; zij begeert niet zichzelf te vervullen, want zelfvervulling loopt uit op zelfvervuiling, maar zij begeert te dienen de wisselgang van de eeuwigheid: bron, stroom, oceaan, opstijging naar de hemel - en dan weer regen van de hemel, bron en nieuwe stroom. Of wilt ge het anders en zonder beeldspraak? Gods kind leert daar eerst het ware leven, waar het steeds wordt ervaren: „Uit God, door God en tot God zijn alle dingen".
Alle dingen - maar dan ook uw inkomen en bezit; dan ook uw leven en uw goed; dan ook alles, wat God van u vraagt, wanneer Hij de roepstem tot milddadigheid u doet horen.
En zo zijt ge in staat de lering te horen, die in de tekst tot u komt. Milddadigheid wordt hier geleerd - maar dat is dan eis tot milddadigheid, die betekent, dat Christus in ons woning moet maken door Zijn Geest.
De milddadigheid van Boaz - alleen mogelijk omdat de Messias profetisch in Boaz werkt.
De milddadigheid van ons - alleen mogelijk als Christus in ons werkt de navolging van Hem door het geloof.
Boaz' milddadigheid - een werk van Christus - voorafspiegeling van Zijn kruis.
Onze milddadigheid - een werk van Christus - naspiegeling van Zijn kruis.
Maar zie dan hoe wij bij het oefenen van milddadigheid behoren te handelen. Boaz' optreden kan ons dan tot een voorbeeld zijn. Zijn grote kiesheid en zijn trouwe zorg om de arme niet te kwetsen, is op zichzelf al een preek over oefening van de gemeenschap der heiligen met de armen van Christus' kerk.
En dan is hier nog iets.
Iets, dat een betekenis heeft voor allen, die Christus in Zijn gemeente heeft geroepen tot het oefenen van milddadigheid. Het is dit: de arbeiders van Boaz, die allengskens wat moesten laten vallen, waren tenslotte 's avonds er minder goed aan toe dan Ruth, die een 'hele efa gerst die dag° had gevonden. Maar zij hebben toch gehoorzaam te zijn en te doen wat de meester wil, dat met het zijne zal geschieden.
Wij denken zo vaak aan kritiek op de armen en op hun houding. Hoorders, laten we, voor we gaan vragen of we ons op enige wijze kunnen beklagen over de houding van de armen, liever afvragen of Christus ook heeft te klagen over onze houding; dat is een vraag van groter belang. En zó wordt Christus verheerlijkt. De Heere heeft een mild volk lief.
En dat milde volk, dat bij het rijke kruis in zijn armoede milddadigheid geleerd heeft, weet dat het goed is van die milddadigheid van Christus te roemen.
Maar die roem breekt door daar, waar dat volk Christus' werk als in een spiegel ziet in eigen offervaardigheid.
Het lied, dat het zingen doet - ik „doe U gewillig offeranden", is ook de psalm, die het de christen op de lippen legt: „Heere, ik ben Uw knecht.... " (Psalm 116 : 9 en 10):
Och Heer', ik ben, o ja, ik ben Uw knecht,
Uw dienstmaagds zoon; Gij slaaktet mijne banden.
Dies doe ik U gewillig' offeranden
Van lof en dank, U plechtig toegezegd.

Ik zal Uw Naam met dankerkentenis
Verheffen, U al mijn geloften brengen;
'k Zal liefd' en lof voor U ten offer mengen,
In 't heiligdom, waar 't volk vergaderd is.
III.
Milddadigheid ondervonden.
Zoals we zagen, mocht de arme in Israël aren gaan lezen op de akker van de landman, en deze moest zorgen, dat de oogst niet ganselijk opgezameld werd. Wilde de arme dat koren hebben, dan moest hij het oplezen. Hij moet gaan zoeken.
Tegenwoordig zoekt men weinig meer naar zijn brood. Allerlei verzekeringen en sociale wetgevingen staan het zoeken naar brood in de weg. De samenleving moet haar plicht doen en geeft die samenleving niet genoeg, dan komt men in opstand en verzet. Het liefst heeft men zijn brood thuisgebracht.
De oprechte christen staat niet gauw met een lege hand om te bedelen. Het is hem een oneer. Hij mag de Heere zien als de Heere van de akker en daarom voelt hij zich verplicht zijn roeping te vervullen en stil te zoeken naar het onderhoud van zijn leven. Voor dezulken laat de Heere werkelijk allengskens wat vallen. Op Zijn tijd en op Zijn akker.
Maar die houding moet er bij ons allen zijn...
Tenslotte heeft ieder, óók de rijke, zich te kennen als een arme, die op de akker van de milddadige Meester in getrouwheid aren leest. En als er die houding is, dan komt er vanzelf de nodige milddadigheid, bij de meer gegoeden ook. Dan is er een buigen voor Hem, Die alles bezit. En dan is er onder alle omstandigheden een overgave aan Zijn bestuur, dat steeds een bestel is van mildheid.
Maar hier is ook een beeld van het geestelijk leven.
Er ligt in datgene, wat Boaz doet, een uiting van geestelijk leven, en alleen als uiting van de gelovige Israëliet kunnen wij zijn daad verstaan. Het gaat ook bij ons geven en ontvangen, bij het bewijzen en genieten van milddadigheid onder ons, om dingen, die tenslotte een geestelijke grond en een geestelijk karakter hebben.
Maar zo gezien, is het dan ook allerminst vergeestelijking, wanneer we dan ook handelen van datgene, wat het volk van God verwacht en verwachten mag van de milddadigheid van de Heere in de hemel. En dus mogen wij ook spreken over hen, die zich als armen in zichzelf, als bidders en vragers kennen voor de troon van God.
De vraag komt tot u - en ik hoop, dat ieder aan zichzelf denkt - de vraag komt tot u, of gij, ook gij, uzelf hebt leren kennen als een arme, die alleen op de akker van de grote Meester kunt vinden het leven; die weet, dat daar armen, die smeken om de vervulling van Gods beloften voor bedelaars, zeker worden geholpen.
Ruth waagt het met wat God voor armen heeft willen doen. O, dat we het allen waagden met wat God in Zijn genade heeft beloofd. Alleen de zoekende zal vinden. Dat zoeken is genade Gods. Van nature zoeken we andere dingen en grijpen we armen vol onkruid, dat de vorst der duisternis op zijn akker laat vallen. Maar het verzadigt niet, het vergiftigt alleen. Het verzadigt niet eens het vlees, want dat blijft roepen; meer, meer, meer.
De van God begenadigde gaat zoeken omdat hij zonder het echte geestelijke voedsel niet meer leven kan. Soms wenend, dan weer zuchtend, maar soms ook rustig en beslist. Leven is leven en openbaart zich onder andere in het zoeken. Een dode doet zulks niet. Wat zou hij zoeken naar het levende Manna? Hij is te trots om te bukken voor God, en voor de duivel buigt hij in slaafse houding iedere dag, ieder ogenblik.
Iemand zegt: Ik zoek al zo lang! En hebt ge nooit iets gevonden? En toch werd ge geregeld opnieuw uitgedreven om te zoeken? Dan zult ge vinden. Met het zoeken zijn we niet klaar, ik weet het, maar het ware zoeken wordt beloond met het vinden van wat men nodig heeft. En de Heere laat u de weldaden vinden opdat Hij u leide naar de Weldoener, de meerdere Boaz. Allengksens laat Hij meer vallen, niet ineens. Beproefde en door onweder voortgedrevene, het wordt niet ineens van donkere nacht klare dag in de regel, de Heere weet het, hoe gij allengskens Zijn vertroostingen behoeft opdat gij werkzaam zoudt blijven met Zijn genadevrucht, met het opzamelen van Zijn genadegiften. De Heere geeft gave voor gave — zoals de aren allengskens vielen voor Ruths hand op Boaz' akker. Zie, dat is de oplossing vn het raadsel uit het leven van menigeen. O, wanneer gij dan soms ongeduldig wordt, wanneer gij vindt dat het alles zo langzaam gaat wanneer God het dag laat worden, weet, dat God in Zijn liefde uitdeelt Zijn gaven aan hen, die zoeken, nederig zoeken,
Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,
En door Zijn hand zich laten leiden.
En dit gevoelt ge als het blijde geheim van uw kracht toch ook telkens weer: dat ge door het geloof moogt weten, u door Zijn hand te mogen laten leiden.
Neen, gij hebt de gave niet te scheppen, gij hebt te zoeken slechts wat de Meester u toeschikt. En Hij weet wat goed is. En dat geeft zulk een grote rust.
Op Gods akker is het nooit kaal - daar is steeds wat te vinden. Of zou Hij, Die van Zijn volk vraagt de milddadigheid, Zelf niet oneindig zijn in goedertierenheid?
En ge vindt er wat gij nodig hebt. Precies wat gij behoeft - dat ligt op Gods akker op uw zoekersweg.
jezus Christus is de Meerdere dan Boaz…
Daarom moeten we met onze onreinheid gaan naar Hem, volk van God. Zo heeft de Heere het u geleerd. Alleen Hij maakt u rein; de zoekende kerk vindt heiligmaking bij Hem. Met onze armoede moeten we naar Hem, Die rijk was en arm werd om armen rijk te maken. In Gods grote Gave ligt het volle leven, een eeuwigheid vol liefde.
Zit ge vast aan de aarde, kunt gij zo weinig milddadig zijn? Kunt ge zo weinig wederliefde bewijzen?
Onder de aren, die ge moogt oplezen op de akker der genade, is ook die van het „tot alle werk Gods bekwamelijk toegerust worden". Smeek, dat ge uzelf al meer moogt loslaten, en ge zult milddadigheid kunnen betonen in uw leven, wanneer de bede om milddadig te mogen zijn, u ernst is.
Maar ik heb zo veel verdriet en ik zit zo in het duister en ik zie zo weinig de hand van God, die allengskens op mijn pad de weldaden vallen laat - wel, de Heere vraagt u: Wanneer Ik Mijn Zoon gaf, als bewijs van Mijn oneindige milddadigheid, zou Ik dan u niet geven datgene, wat goed voor u is? Ook in de smart is de hand van God. De akker der genade heeft velerlei vrucht. Ook vrucht, die bitter smaakt.
Toch is die bittere vrucht van smart en teleurstelling genadevrucht. Ook dat is koren oplezen op de genade-akker. De bedoeling Gods is u dichter bij Hem te brengen, Die de weg voor uw voeten banen moet.
Wie dat verstaat, dringt met zijn kruis al dichter tegen de Vader aan. En dan fluistert de kerk, dicht aan dat Vaderhart gedrukt, omdat Hij Zelf het u op de lippen legt:
Maar in dit smartelijk verdriet
Mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet.
En dan rijst daar, levende kerk, het kruis van Golgotha... Zijn Zoon niet gespaard .... Onbegrijpelijke goedheid .... Hij zal ons alles met Hem schenken .... Eeuwige milddadigheid.. En in stee van te klagen, gaat ge zingen met uw hart, dat aan 's Vaders hart rust:
Neen, 't zal zich in Uw heil verblijden. Ik zal de Heer' mijn lofzang wijden, Die mij genadig bijstand biedt.
Zo gaat het van de ellende naar de verlossing tot de dankbaarheid. God doet nimmer een half werk. Hij is niet karig, wel deelt Hij Zijn gaven oordeelkundig uit. Niet te veel, niet te weinig, precies genoeg, maar vol. En onder het bukken naar de aren, die Hij allengskens laat vallen, zingt het in de ziel:
Een volle beek van wellust maakt
Hier elk in liefde dronken.
Dan hebben we geen A.O.W.-ondersteuning meer nodig. Dan hebben we alles in God. In Hem is dan al ons heil. Vol is vol, daar hoeft en kan niets meer bij. De kerk van nu mocht dat meer en meer leren, haar blinde zielsogen mochten daarvoor opengaan. Wat heeft ze dan een rijke Heere, een getrouwe IK ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL. Dan wordt Gods grootste Naam echtheid voor de ziel en dan durft de kerk het niet meer met een ander te wagen. Al moeten de oordelen ons dan treffen, omdat we gedaan hebben dat kwaad is in de ogen des Heeren, dan zegt de ziel, als zij moet kiezen tussen de straffen Gods: Laat mij in de hand des Heeren vallen. Dat valt nooit tegen, wel altijd mee. Wie in de schuld mag komen voor God en wie zijn grote armoede beleeft, zal ondervinden, dat de meerdere Boaz niet te weinig heeft opgebracht door Zijn kruisverdiensten, doch een volheid, die niet uit te ledigen is. Des te meer die volheid zich verklaart aan en uitstort in de ziel, des te meer zullen wij onze dodelijke armoede erkennen en kennen en de toevlucht zoeken bij Hem, Die niet zal verwijten, maar liefderijk zal omarmen.
Amen


Januari 1958