Huppelend naar het Avondmaal?

Genesis 43:18
Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zeide hij tot dengene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten. Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden.

‘Als een lammetje huppelde ik naar het Avondmaal’, zo zei eens iemand tegen mij. Hij herkende zich niet in de woorden die het Avondmaalsformulier gebruikt: ‘…onze bezwaarde en verslagen harten’. En nog minder in de uitdrukking” ‘…dat wij middenin de dood liggen’. Want zo zei hij: ‘Jezus is toch voor ons gestorven? Waarom dan die sombere taal?’ Toen we wat gingen doorpraten, bekroop mij de vrees dat hij eigenlijk niet wist waarvoor de Heere Jezus was gestorven. Het ontbrak hem aan zondekennis. Hij vond ook dat het allemaal niet zo zwaar hoeft en snapte niet waar mensen zich druk om maken. ‘Je moet Jezus gewoon aannemen en dan is het goed’, zo zei hij. Zulke gedachten kan ik echter niet in de Bijbel terugvinden. Integendeel, de Bijbel veroordeelt dat. Dan onderscheid je het lichaam des Heeren niet, en eet en drink je jezelf een oordeel.

Met knikkende knieën zijn de broers naar Egypte teruggegaan. Laten we er niet gering over denken. Juda moest er rekening mee houden, dat hij zijn leven voor Benjamin zou moeten geven. En zouden ze Simeon nog zien? En wat zou die onderkoning zeggen over dat geld dat in hun zakken zat? Maar ze hadden geen keus. In Kanaän zouden ze van honger sterven. En als ze dan arriveren, worden de broers meegenomen, tot in het binnenste van Jozefs paleis. Daar beginnen ze zich te verontschuldigen tegenover de huismeester: ‘…Och, mijn heer! Wij weten echt niet hoe dat geld in onze zakken gekomen is, we hebben niet gestolen!’

De situatie waarin de broers gebracht worden, komen we op vele plaatsen in de Bijbel tegen. Situaties waarin mensen in het nauw zitten. Die met de rug tegen de muur komen te staan. Denk aan de knechten van Benhadad die met een strop om hun nek naar de koning van Israël gaan, als teken van schuld en overgave, met het gebed om genade (1 Koningen 20). Of denk aan de bloedvloeiende vrouw, die vanwege haar ziekte ceremonieel onrein was (Lukas 8). Ze gaat bevend naar Jezus toe, want de wet verbood haar om onder het volk te komen. Maar ze kon niet anders. Hij alleen kon haar helpen.

We vinden die zieletoestand ook in het Avondmaalsformulier. Gods kinderen herkennen dat. Ze zijn vaak zo bevreesd vanwege hun zonden. Bevreesd vanwege Gods heiligheid. Mefiboseth lag bevend voor koning David op de grond. Wat was die man bang. Hij was een nazaat van koning Saul en vreesde dat David wraak zou gaan nemen (2 Samuël 9).
Maar hoor eens, wat zegt David? Vrees niet. Wat zegt Jezus tegen die bloedvloeiende vrouw? Vrees niet. En de huismeester van Jozef gaat ook spreken. Iets wat hij ongetwijfeld in opdracht van zijn meester heeft gedaan. Vrede zij ulieden, vreest niet.

Het valt zo mee voor mensen die bekommerd zijn vanwege de zonde. Die bevreesd zijn vanwege Gods heiligheid. Dan kun je je zo arm voelen, zo neergebogen. Maar wat een wonder als God je dan laat horen dat er nog doen aan is. Vreest niet. God zendt Zijn huismeesters uit, Zijn dienaren, om armen het Evangelie te verkondigen.

Is dat ook geen bemoediging naar de tafel van de Koning toe? Het Avondmaalsformulier beschrijft mensen met ‘bezwaarde en verslagen harten’. Mensen die overal bezwaren en gevaren en zien. En die bezwaren zijn ook heel reëel. Want wie zijn zij? En Wie is die heilige Gastheer? Daar komt bij dat brood en wijn getuigen van Zijn gebroken lichaam en vergoten bloed. Christus heeft om hun schuld zo ontzaglijk zwaar moeten lijden. Zouden ze daar dan huppelend naar toe kunnen gaan? Nee, jonge mensen, dat kan ik in de Bijbel en het formulier nergens vinden.

Maar als je dan zo bent. Onwaardig en schuldig. En als het in je hart leeft: ‘Heere tot Wie zal ik heengaan, Gij hebt de Woorden des eeuwigen levens’ (Johannes 6). Als je ervan overtuigd bent, dat er buiten de Gastheer van de Avondmaalstafel geen leven is. Dan is er de ruime nodiging: kom dan maar. Met je zonden. En met je tekorten. En met alles wat je bezwaart en benauwt. Het valt bij deze Koning zo mee. Dat hebben de broers van Jozef ook ondervonden.

M.A. Kempeneers
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.