2 Samuël 12:14 'Een veelzeggend nochtans', ds. J.C. van Ravenswaay

Een veelzeggend nochtans

Predikatie over 2 Samuël 12 : 14

Door: Ds. J. C. VAN RAVENSWAAY

Psalm 32 : 1
Lezen: Romeinen 5 : 1-11
Psalm 4 : 4
Psalm 72 : 2 en 4
Psalm 103: 6
Lofzang van Zacharias : 4 en 5

Tekst 2 Samuël 12 : 14: Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des Heeren grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, de dood sterven.

Hebt u al eens nagedacht over de oordeelsdag? Dan moet er toch wel iets door u heen gegaan zijn. Eenmaal komt die dag voor u en mij, en dan zullen wij geoordeeld worden. Dan zal de Heere ons alles voorstellen wat wij gedaan hebben, ook die zaken, die wij wellicht reeds vergeten zijn. Niets zal Hij echter vergeten.
Dikwijls, hoe vaak, we weten het niet meer, zijn we door Gods verkeerstekens heen gereden. Eenmaal komt echter het grote stopteken, het stopteken van de eeuwigheid. Door dit verkeersteken kan niemand heen rijden, want het is gesteld door de eeuwige God. Dan zegt de Heere: Halt! En luistert naar de geluidsband waarop al uw woorden en gedachten zijn vastgelegd. Het is om in elkaar te krimpen!
Tenzij! Ja, er is een tenzij. Tenzij wij het gericht van God achter ons hebben liggen, hebben meegemaakt aan, deze zijde van het graf.
Laat u waarschuwen door de Schrift, die ons zegt, dat ook Gods kinderen worden gewaarschuwd als zij paden inslaan, die de zaak van God trachten te bederven.
We willen u aan de hand van Gods Woord doen luisteren naar: „Een veelzeggend nochtans". Want na de vergeving der zonden blijft en komt de vrucht der zonden.
Doch ook: Verandert de Heere de bittere vrucht in zalige zoetheid.
Is het niet een smartelijke teleurstelling voor David, als Nathan eerst zegt: „Uw zonden zijn u vergeven" en daarop laat volgen: „Maar dewijl gij de vijanden des Heeren hebt doen lasteren, zal uw kind sterven"? Als God de zonde vergeeft, dan is zij ook radioaal weg. 'Hoe strookt het dan daarmede, dat Hij haar nochtans straft? Is dat niet een tegenstrijdigheid? Is God dan niet met zichzelf in strijd? Indien de gevolgen der zonde even smartelijk zijn, alsof zij niet vergeven was, wordt daardoor dan het woord der vergeving niet geheel verduisterd? Inderdaad, dit zou zo zijn, indien men dit gericht als een uitvloeisel van Gods toorn moest beschouwen. Waar ook slechts een schaduw van toom is, daar kan zeker geen vergeving zijn. Wie zingen en zeggen kan: „Mij is barmhartigheid geschied", die beschouwt God als een zuivere bron van liefde, weldadigheid en goedertierenheid. Zo moet dus ook deze tucht over de zonde een uitvloeisel van Gods liefde zijn.
En zo is het, en juist dit toont ons het leven van koning David op de duidelijkste wijze. Laat ons toch bedenken, dat God juist Zijn liefste kinderen met dubbele strengheid behandelen moet. Zij vallen dieper dan de kinderen der wereld, want zij stonden hoger. Groter is daarom ook hun schuld, groter de ergernis, die zij geven. Dit moet hun diep ingeprent worden. David had niet slechts tegen God, niet slechts tegen zichzelf gezondigd, neen, hij had in uitgestrekte kringen verwarring teweeg gebracht. Hij had door zijn zonde ook de vijanden van Gods volk, die hij meer en meer tot aanbidding van de Heere moest bewegen, doen lasteren. Hij, op wie alle heidenen het oog vestigden, hij, die zoveel onheil kon stichten als geen ander mens, hij had gehandeld als een blinde heiden. Het moest voor de gehele wereld blijken, dat de God van David die niet ongewroken liet.
Gij hebt wel eens horen zeggen: „Dat kind van God heeft mij toch bedrogen, en die oprechte vrome heeft onwaarheid gesproken". Met zorgvuldigheid sommen de ongelovigen op deze wijze al de zonden van Gods kinderen op. Zij verbeelden zich, daardoor het bewijs te leveren, dat de gelovigen in hun zedelijk leven niet beter zijn dan al de anderen. Daarmee zou dan zeker het vonnis over het geloof zijn uitgesproken; want indien het Evangelie de mensen niet beter maakt, dan is het niets waard.
Maar bewijzen die woorden niet juist het tegendeel van hetgeen zij moeten bewijzen? Zijn zij niet juist een bewijs voor de hogere zedelijke geest van de christenen? Waarom zegt men dan niet: die en die is geen atheïst, en toch heeft hij een valse wissel afgegeven"; of: ,;die en die is een materialist, en nochtans een dronkaard"; of: „die en die is een vrijzinnige, en toch heeft hij geen hart voor de armen?" Nietwaar? Zo spreekt niemand. En indien iemand zo sprak, dan zouden niet slechts de kinderen Gods, maar ook de godloochenaars henaars en materialisten hier om lachen. Waarom dan? Nu, omdat dezen het zeer goed weten, dat het ongeloof geen macht tegen de zonde is, maar veeleer een krachtige aansporing om er weinig bezwaar in te zien. Daarentegen beseffen ook de kinderen dezer wereld zeer juist, dat iedere onzedelijkheid met het geloof in strijd lis, en dat uit het geloof, als zijn natuurlijke vrucht, iedere deugd geboren wordt.
Daarom spreken zij zoals zij spreken. Daarom wenden zich ongelovige lieden, als zij barmhartigheid zoeken, het liefst tot degenen, die van Gods barmhartigheid iets weten te zeggen
zelfs degenen, die het christendom verworpen en de humaniteit daarvoor in de plaats gesteld hebben, zoeken nochtans, wanneer zij werkelijk humane, barmhartige, lankmoedige, geduldige, zachtmoedige, onbaatzuchtige mensen nodig hebben, hen niet in de rijen dergenen, die slechts humaan zijn en niet christelijk, maar in de rijen van hen, die eenvoudig slechts christelijk zijn en niet humaan, dat wil zeggen: wie het genoeg is het eigendom van Christus te zijn, en die er juist daarom geen behoefte aan gevoelen, om van hun humaniteit zoveel ophef te maken. Zou het b.v. de hele wereld niet als iets belachelijks beschouwen, aanhangers van beroemde filosofen als bestuurders van instellingen voor' gedegenereerden laan te stellen? Neen, daar moeten ze christenen voor hebben; dezen hebben alleen het nodige geduld.
Kortom, dat de jongeren van Christus, indien zij dit werkelijk zijn, een hogere zedelijkheid bezitten, is aan geen twijfel onderhevig. Maar juist daarom stichten zij ook met hun zonden zoveel te meer nadeel en geven daardoor aanleiding tot uitdrukkingen als ,deze: „Och, zij zijn in de grond der zaak niet anders dan wij; men ziet wel, het is geheel onverschillig wat men gelooft; in de praktijk komt alles op hetzelfde uit". De christenen moeten het licht der wereld zijn; zij moeten de vuurtorens zijn, die de door storm verstrooide scheepjes op de duistere zee dezer wereld de veilige haven wijzen, en nu doen zij hen van de rechte koers afdwalen door vals vuur.
Geen wonder derhalve, dat het oordeel begint van het huis Gods, geen wonder, dat juist de uitverkorene vreemdelingen in de verstrooiing de gestrengheid van Gods heiligheid ondervinden moeten. Slechts uit dit gezichtspunt kan men het begrijpen waarom God zo streng met Mozes in het gericht treedt. Hij, de vriend des Heeren, die getrouw was in het gehele huis van God; moet nochtans, omdat hij een enkele maal ontrouw was geweest, ten grave dalen, voordat hij de bodem van het vurig verlangde Kanaän betreedt. En welke lange jaren, ja tientallen van jaren moeten Jacob en zijn moeder Rebekka de gevolgen hunner misdaad ondergaan. O, denkt daarover na, gij die u Gods kinderen noemt! Juist u moet God met dubbele gestrengheid behandelen.
David is daarvan het treffendste voorbeeld. Ofschoon hem vergeving van zijn zonden geschonken is, moet hij het nochtans tot aan het einde van zijn leven ondervinden: „waarmede iemand zondigt, daarmede wordt hij gestraft". In de eerste plaats kondigt Nathan hem, in ons tekstwoord, aan, dat het kind der zonde sterven zal. De gehele wereld moet hierin een oordeel Gods over Davids zonde zien. Hoe zwaar dit bijzondere strafgericht nu echter ook was, zo zijn toch die vruchten der zonde, die om zo te zeggen een natuurlijk gevolg daarvan zijn, nog veel ontzettender. Die schrikkelijke gebeurtenissen, waarmede Nathan de koning bedreigde (10-12), voordat hij zijn zonde beleed, zij hebben in weerwil van Davids berouw en in weerwil van de Goddelijke vergeving alle plaats. Wie het verdere leven van David met ,opmerkzaamheid gadeslaat, die zal ontdekken, dat David in zijn eigen huis het roer niet meer in handen heeft. In het bewustzijn van zijn eigen zware schuld heeft hij de vastheid van geest en van handelen verloren, durft hij zijn volwassen kinderen niet met nadruk bestraffen en moet nu ;dingen beleven, (die zo ontzettend zijn, dat men ze slechts kan aanstippen. In de kring zijner eigen kinderen wordt bloedschande en moord gepleegd, ja eindelijk komt Absalom, de zoon, in opstand tegen zijn vader David. Alle familiebanden schijnen verbroken, sedert de vader zo diep gevallen was. En evenzeer als vader, heeft David ook als koning gezag en kracht verloren. Het volk, dat hem alles te danken had, staat tegen hem op, en in de hevige vlammen van de burgeroorlog moet David zijn kroon als het ware opnieuw veroveren. Het zedenbederf schijnt tot alles doorgedrongen te zijn, sedert de koning zulk een diepe val heeft gemaakt. Maar (zegt gij) David had !toch ook door zijn diep berouw doen zien, welk een schrikkelijke zaak de zonde is. Waarom nemen de mensen dat dan niet ter harte? Waarom laten zij zich dan zijn berouw niet bot 'voorbeeld dienen? O mijn vriend en vriendin! Dan kent ge de wereld slecht. Voor de oprechten heeft deze zijn droefheid naar God zeker een grote zegen opgeleverd en doet dit nog; ik hoop, ook voor hen die dit lezen. Maar bij de grote menigte was het toen evenals tegenwoordig: de zonden der vromen dienen haar tot dekmantel van haar lichtzinnigheid en losbandigheid. Op het berouw der vromen, dat wil dan zeggen op hun protest, haat en strijd tegen de zonde, slaan zij echter geen acht. Waarom niet? Nu, omdat het hun niet aangenaam is daarop acht te slaan, of ook omdat zij 'daarvan werkelijk niets begrijpen. Kortom, men maakt zichzelf diets, of gelooft werkelijk, dat hetgeen de kinderen Gods schuldgevoel of bekering noemen, niets anders dan maskerade is.
Zo moeten dan ook voor David de gevolgen der zonde hun natuurlijk verloop hebben, opdat hij in deze beproeving aan de wereld zou kunnen tonen, wat de bekering is, en dat het werkelijk iets anders is, wanneer een kind van God valt, dan wanneer de natuurlijke mens Gods gebod versmaadt.
Ook wij allen, zo velen van ons in het geloof leven, moeten op velerlei wijze ondervinden, dat de tijdelijke gevolgen der zonde nooit achterwege blijven, ofschoon wij vergeving van God ontvangen hebben. Ik wil er hier niet over schrijven, dat ieder tijdelijk en inzonderheid ieder lichamelijk lijden, totdat ons hart in de dood breekt, niets anders is dan de bezoldiging der zonde. De kerk is verloste van Jezus Christus, en toch moet zij hier lijden, alsof zij niet verlost is. Zij is tot het eeuwige leven geroepen, en toch komt voor haar de nacht des doods. Dat wij in het lijden en de dood niet blijven, dat is wel onze troost; maar dat is een zaak des geloofs en niet des aanschouwens. Zoals ik zeide, dit willen we hier slechts aanroeren. Maar moeten wij ook niet dikwijls in het leven zien, ja aan onszelf ondervinden, dat zware zonden ook zware onheilen na zich slepen, onverschillig of wij ons al dan niet na het plegen der zonde bekeerd hebben?
Zie daar een kind Gods, die voorheen niets van het leven der zaligheid kende en eens een valse wissel schreef, waarvoor hij gevangenisstraf kreeg. Reeds lange tijd kent hij de genade van de ontfermende God. Maar nu nog, jaren na dat feit, moet hij als hij om een betrekking vraagt, dit woord horen: O ja, u bent die persoon! Het spijt me, dat ik u niet kan helpen. Ik zie daar een ander, die een zeer gelukkige bruidegom was. Daar hij echter ook een kind des Heeren was, melende hij zijn bruid een misstap van zijn vroegere leven te moeten bekennen. Het gevolg was, dat het meisje hem op hetzelfde ogenblik de rug toekeerde. Ginds zien wij de geliefde christen, door de gevolgen van de zonden zijner jeugd naar lichaam en ziel geknakt, en !zo zal hij zijn levensreis moeten voortzetten, totdat hij ingaat in de rust, die nog overblijft voor het volk van God. Of treedt met mij in een tehuis voor gevallen meisjes. Daar zijn er, die reeds lange tijd bewezen hebben, dat het oude is voorbij 'gegaan, en alles, alles nieuw geworden is. Maar hoeveel zij ook reeds geleden hebben door de gevolgen van hun zonden, zullen zij nochtans, wanneer zij de wereld intreden, die tegelijk een sadduceese en farizeese is, meest altijd moeten ondervinden, dat het juist voor haar ontzettend moeilijk is, een eervolle betrekking te vinden, ofschoon juist zij het vertrouwen verdienen. Geen zonden straffen zichzelf meer, dan die tegen 's mensen eigen lichaam zijn gepleegd. Voornamelijk echter moeten vrouwelijke personen, als zij de beschermende grenzen overschrijden, welke God haar reeds door haar natuur heeft aangewezen, levenslang daaronder lijden.
Ik heb eenvoudige, in het oog vallende voorbeelden aangehaald. Het zijn werkelijke geschiedenissen uit het leven, maar deze geschiedenissen zijn gelijkenissen van datgene, wat ieder ogenblik rondom ons plaats heeft. Ja, zijn wij allen niet zelf persoonlijke getuigen voor de waarheid van onze tekst? Hebben wij allen niet dikwijls ondervonden, dat wij de gevolgen onzer zonden, ook van die zonden, waarvan we reeds lang afstand hebben gedaan, nochtans onder bittere smarten moesten en gedeeltelijk nog moeten dragen.
Zonden, waarvan wij afstand hebben gedaan! Is dat wel naar Gods Woord? Geliefde lezers, het zal u bekend zijn wat de Heere doet, als Hij de zonde ontdekt, vergeeft en bedekt? Om te beginnen moet ik dan allereerst uw aandacht vestigen - nog eens - op wat de Heere doet. In Zijn majesteitelijk doen gaat Hij beginnen met Zijn arbeid aan de ziel van de zondaar. Dat komt niet van de mens, ook niet op aanvraag van de mens, maar dit gaat zelfstandig van de Heere uit. Dat wil Hij. Hoe gelukkig is dat en onuitsprekelijk groot. Hij wil en kan dat omdat Hij de souvereine Majesteit is en tot dit doen altijd redenen neemt uit zichzelf. Zijn doen neemt tot voorwerp in het werk der zaligheid een doodschuldige zondaar, die voor God onmogelijk kan bestaan. En omdat Hij de zondaar lief heeft, gaat Hij in Zijn doen die zondaar aan zijn zonde ontdekken. Hij laat hem een weinigje zien wie hij eigenlijk is, en tegelijk komt hij te weten, wie God is - alles nog maar weinig - en dat God ook weet wie de zondaar is. Het heilige licht van Gods deugden schijnt in zijn zwarte zondaarsbestaan. Het licht schijnt in de duisternis. Zijn grote zonde(n) worden ontdekt. Hij kan ze niet meer ontkennen, maar moet erkennen, dat God gelijk heeft.
Het is niet onze bedoeling op allerlei onderdelen verder in te gaan, maar wel om er op terug te komen dat we van zonden (niet zondigen) afstand hebben gedaan. Als God wat gaat doen, dan gaat de zondaar ook wat doen. Wat dan? Wel, de Schrift zegt: „Werkt uwszelfs zaligheid met vrezen en beven, want het is God, Die in u werkt, beide het willen en werken naar Zijn welbehagen". Hij gaat tegen de zonden strijden, die hem ontdekt werden, want hij leerde tegen God gezondigd te hebben. En die God is waardig geëerd, gediend en gevreesd te worden. Hij kan ook niet anders dan tegen ontdekte zonden strijden, omdat de anderen hem onbekend zijn en omdat hij daar geen last van kan hebben. Hij rekent met die ontdekte zonden af. Ja, maar hij moet leren, dat voor die zonden betaald is. En dat weet hij nog niet, al heeft hij het honderdmaal in de preken gehoord. Van de zonden afstand doen, wil niet zeggen, dat we hen de baas zijn en zij niet de minste invloed meer op ons uitoefenen; het is wel de wil van God, omdat voor al de zonden van de bruid het bloed van Zijn geliefde Zoon heeft gevloeid. En de wil van God wordt door genade hun wil; ze gaan willen wat God wil, en daarom geven zij de zonden een scheidbrief. Vooral in de dadelijke heiligmaking leren ze duidelijk, dat Christus hun heiligheid is, en dat Hij voor hen zonde werd gemaakt, opdat zij gerechtigheid zouden worden. Hij nam hun zonde aan en over, en zij hebben de zonden vaarwel gezegd, er afstand van gedaan. In Christus zijn zij vrij, maar ook gebonden. Ook deze binding moet hun geen vreemde zaak zijn, dat zij afgerekend hebben met de zonde. Immers, Christus nam die zonden op zich en rekende er mee af, voor eeuwig. Zalig, die dit mogen weten door het geschenk des geloofs. Christus nam de zonden van Zijn volk mee in de strijd
tegen de eeuwige dood naar de rampzaligheid, en werd daar volkomen tot een doem voor de Zijnen.
Hij maakt alle dingen nieuw en alles voor u klaar. Niet de tranenoogst, niet uw berouw, hoe eerlijk het ook wezen moge, baat u in dit opzicht iets. De wereld gelooft toch niet aan vernieuwing, die door het boetvaardig berouw uw eigendom werd. De wereld kan daaraan niet geloven, want zij begrijpt daarvan niets. Ook moet men eerlijk erkennen, dat de gifplanten der huichelarij, der valse bekering, zich zeer dikwijls onder de echte planten van God mengen. Werden nu met de vergeving der zonden ook haar gevolgen opgeheven, dan zou dat nog duizendmaal erger zijn. Ja, niemand zou tenslotte bij zichzelf nog recht kunnen onderscheiden wat in zijn boetvaardigheid geestelijk en wat vleselijk is. Ook de christenen moeten goed toezien, dat zij zich niet door hun wantrouwen „de rokende vlaswiek uitblussen en het gekrookte riet verbreken", dat zij niet één der geringsten ergeren en afstoten, die door genade in Jezus geloven mogen.
De gevolgen der zonde blijven dus niet achterwege. God kan en wil ze in de regel niet door een wonder afwenden en opheffen, maar Hij wil ze tot een smeltoven maken, waarin de verborgen slakken door ons gezien en door heilig vuur uitgesmolten worden. Nu eerst is het zo gezuiverde goud bruikbaar voor Gods kroon en heerlijkheid.
Zo hoog Zijn troon moog' boven d' aarde wezen,
zo groot is ook voor allen, die Hem vrezen,
de gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan;
zo ver het west verwijderd is van 't oosten,
zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten, v
an ons de schuld en zonden weggedaan.
David heeft eens gebeden: „Ik dank U, dat Gij mij verootmoedigt, want als Gij mij verootmoedigt, maakt Gij mij groot en helpt Gij mij". Dit gebed heeft hij in de smeltoven geleerd. Hij dankt God, dat Hij hem vernederd heeft, want juist in het, donker dal der vernedering heeft hij zijn God gevonden als nooit tevoren. Toen hij in deze donkerheid de hand, die hem tuchtigde, wilde kussen, vond hij haar zo dicht bij zijn lippen als nooit tevoren, en in zijn oor klonk een krachtige en zachte stem: „Ik heb u altijd lief gehad, daarom trek Ik u tot Mij (juist thans, juist zo) uit louter goedertierenheid".
Ziet daar de man, zoals hij met God worstelt om het leven van zijn zieke zoontje, dat Bathseba hem geschonken had. Maar hoe luid zijn smekingen ook zijn, die hij ten hemel doet stijgen, nochtans sterft het kind. Als David dit verneemt, richt hij zich op uit het stof, wast en zalft zich, trekt feestklederen aan en gaat in het huis des Heeren om daar te aanbidden. Hij aanbidt, dat is: hij maakt zich los van zichzelf en verdiept zich in zijn God, en in de wegen en wonderbare wijsheid van zijn God, hij offert zichzelf aan God, opdat God weer alles zou kunnen zijn in alles, wat hij doet en ondervindt. Iemand heeft eens gebeden: „Dood nu mijn wil en mijn zin; ruk mijn hart uit mijn hart, al moest het ook zijn met duizend smarten".
Wie het geestelijk leven uit eigen ervaring kent, die zal weten, dat zulk een smartelijke veroordeling van zichzelf de aanvang van het einde aller smarten is. Die zal het ook begrijpen, dat David met opgericht hoofd en vaste tred uit het huis des Heeren terug keert naar zijn huis, dat hij een veranderd man is, zelf vertroost en sterk genoeg om zijn treurende vrouw te troosten. De lieden van zijn omgeving begrijpen dit wonder niet, en zij kunnen het ook niet begrijpen, want het is een geheim der vromen. Wat anderen als de verkeerde wereld beschouwen, dat is helder en licht voor hen, die zich gewillig door God in de woestijn hebben laten leiden. Zodra het kind gestorven is, richt David zijn hoofd op, want nu ziet hij duidelijk in, wat God wil. En ofschoon zijn gebed ook niet zó verhoord is geworden als hij wenste, zo is het nochtans verhoord, want de biddende man heeft van boven de kracht ontvangen om God gelijk te geven.
Nu heet het: „Ik heb aan Gods hart en zin mijn hart en zin overgegeven". De zware tuchtiging is voor hem juist een bewijs, dat God aan hem denkt, dat Hij zijn ziel zoekt, dat Hij hem als een kind, en niet als een bastaard behandelt.
Gelijk het voor onze kleinen dikwijls een soort van zielsverluchtiging is, dat de ouders hun ondeugden straffen, zo is het ook met de kinderen van God. De vernederingen en smarten, die ons ten gevolge onzer zonden treffen, zijn voor ons dikwijls als lichtstralen, die door de duisternis heen breken en ons de groet der zon brengen. Hoezeer wij voor de tucht beven, zo zeggen wij toch: tucht moet er zijn.
De christen, die een verzoend God kent, zegt tucht in plaats van straf. Dat is schijnbaar een gering en toch in werkelijkheid een groot verschil; want Gods tucht is enkel liefde; zij wil slechts trekken, opvoeden voor het land der eeuwige vreugde. Heil hem, die het begrijpt.
Eens stond een vader, een christen, bij het graf van zijn geliefde vrouw. Zeven minderjarige kinderen stonden om het graf van hun moeder. En toen de aardkluiten dof en huiveringwekkend op de doodskist vielen, riep hij diepgeschokt uit: „O mijn zonde, mijn zonde". De vader, die het uitriep, was een hooggeplaatst persoon in het maatschappelijk leven, met een keurige levenswandel en handel. Daarom begrepen de meeste personen van de lijkstoet even weinig van zijn woorden, alsof hij Chinees had gesproken. En zij zouden nog minder begrepen hebben, wat dezelfde man later zacht zei: „Nooit was ik er zo vast van verzekerd een kind van God te zijn, en daarom was ik nooit zo verblijd als heden". Dat schijnt een doolhof van tegenstrijdigheden. Voor de kinderen van Gods huis behoeft men deze uitdrukkingen niet uit te leggen. Zij weten, dat tuchtiging niets anders is dan een roeping naar het vaderhuis. God zoekt ons daardoor naar huis te brengen, terug te brengen in het echte tehuis van onze ziel. En Zijn pogingen leiden zonder enige twijfel tot het doel, indien wij slechts ootmoedig op Hem door genade vertrouwen mogen en zonder morren ons stil aan Hem krijgen te onderwerpen.
Zo vroeg eens iemand aan een beproefd getuige van Jezus Christus, die reeds zeer lang en vooral op dat ogenblik door buitengewoon diepe dalen van lijden werd geleid: „Hoe gaat het met u?" Het antwoord luidde: „Goed, zeer goed, broertje; mijn Heere heeft mij al mijn zonden vergeven!" Daarbij vloeiden hete tranen over de wangen van de aan het ziekbed geboeide man en zijn stem beefde. Maar zijn oog schitterde wonderbaar, verhelderd door de vrede, die alle verstand te boven gaat. De eindeloos lange dalen der verootmoediging hadden hem dus zo weinig doen betwijfelen, dat God hem zijn zonden vergeven had, dat hij integendeel juist daardoor nog nader tot Gods hart was gekomen, en de polsslag Zijner heilige liefde zoveel te sterker had gevoeld.
Ach, hoe hemelsbreed van zulk een gezindheid verwijderd zijn verreweg de meesten ook van diegenen, die in goede dagen aanhoudend „Heere, Heere!" zeggen. Zij zeggen wel dart zij donor hun zonden de hel hebben verdiend, maar komt er een tegen- spoed, die zelfs in de verte niet op de hel gelijkt, dan stuiven zij op, alsof God Zich aan hen vergrepen had. Ja, in het ondergaan van de tegenspoed komt het werkelijke onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen (die anders zo dikwijls op elkander schijnen te gelijken) het sterkst aan de dag. Dezen knarsetanden of razen en tieren, zij zijn met een gevoelloze onderwerping in somber gepeins verzonken of zij twijfelen, terwijl dit alles zeer dicht aan elkander grenst. De eerstgenoemden daarentegen weten, dat juist thans hun God en Heere intrek in hun harten wil nemen en daarin woning maken, dat Hij hen juist thans volkomen sterken, bevestigen en funderen wil. Zij ondervinden het, dat het niet zozeer de vrouwen, maar de tegenspoeden zijn, die hemelse rozen vlechten en weven in het menselijk leven. De dwaasheid en heerlijkheid des Evangelies en de heerlijkheid daarvan komt nergens sterker uit, dan in. het denkbeeld, dat verdrukking tot heerlijkheid leidt, dat de kastijding een bewijs van Gods vaderlijke liefde, en het stil verdragen van de tucht een bewijs van het echte kindschap is. Hetgeen wij nog verder van David horen, zal hem ons vanzelf nog beter doen verstaan. Wij mogen namelijk een bijzonderheid uit Davids leven niet onopgemerkt laten, welke ons deze zo diep gevallen man in een grootheid vertoont, in een grootheid van zelfvernedering, die ons bijna ontstelt, en in elk geval diep beschaamt. Ik bedoel die gebeurtenis, toen de koning, vluchtende uit zijn residentie, vluchtende voor zijn eigen zoon en voor zijn eigen volk, op de schandelijkste wijze door Simeï wordt gesmaad.
Deze laaghartige mens loopt naast de koning, werpt hem met slijk en stenen, en vloekt onophoudelijk: „Weg, weg met u, gij bloedhond, gij booswicht!" Wij begrijpen het dat de mannen, die David vergezelden, in woede ontstoken deze mens willen doden. Maar begrijpen wij ook Davids woord: „Laat hem vloeken, want de Heere heeft het hem geboden"? Wij verwonderen ons niet, dat dit woord van David zowel door de Oudtestamentische „heidenen" in zijn gevolg, als ook door de hedendaagse lafaards als dwaas wordt beschouwd. Ja, ook geestelijk gezinde mensen moeten over de betekenis dezer woorden eerst recht nadenken, zo zij zich daaraan niet ergeren zullen.
Vooreerst moet men zeggen, dat David geenszins met een karakterloze slapheid het wanbedrijf van Simeï verontschuldigt: o neen, deze ontvangt later zijn verdiende straf. Maar nog minder wil David de Heere in de hemel voor de oorzaak van Simeï's zonde verklaren. De woorden: „De Heere heeft het hem geboden" willen slechts dit zeggen: „Daar Simeï nu eenmaal door eigen schuld is die hij is, zo ruw, zo goddeloos, zo heeft God de omstandigheden zo bestuurd, dat Simeï al zijn gif tegen mij moet uitbraken".
De boosaardige Simeï is dus voor David slechts de gerechtsbode van de goede God. Dat Simeï geen recht heeft om de koning te lasteren, dit komt bij David op dit ogenblik niet zozeer in aanmerking als de waarheid, die in het woord bloed hond ligt. Daar plaatst zich de vermoorde Uria voor Davids geest, en ach, deze bloedige burgeroorlog, die rondom hem woedt en de mensen bij duizenden verslindt, hij zou ook wel geen plaats hebben zonder die bloedschuld van David. Zo ziet David dan achter het voorhangsel der menselijke zonde de heilige hand van God. Daarom verzet hij zich niet tegen haar tucht; neen, hij drukt de prikkel slechts dieper in zijn hart, zodat het dit geheel doorvlijmt: Gij, mijn God, zijt rechtvaardig! Uw wil geschiede, betoon ons slechts Uw ontferming! Ziet daar, wat zielegrootheid en ziele-adel is. Men moet tegen over dit beeld zijn oog met diepe schaamte nederslaan, zo men zich herinnert hoe onbetamelijk en onstichtelijk men zelf in veel minder moeilijke omstandigheden gehandeld heeft. „Waardiglijk het Evangelie te wandelen" is een grote zaak, maar „waardiglijk het Evangelie te lijden" is het moeilijkste in deze wandel.
Onder de verschillende soorten van lijden nu worden die het zeldzaamst waardiglijk ondergaan, die ons door mensen berokkend worden. Ziekten, sterfgevallen en dergelijke onheilen komen, zo zegt men, rechtstreeks van God, maar de hand van God ook in der mensen hand op te merken, is weinigen gegeven. En toch is het van een onuitsprekelijk belang, deze Davids wijsheid te leren, want zeer vele van de smarten des levens worden ons door menselijke dwaasheid en slechtheid berokkend, hetzij door schandelijke schurkestreken, die ons van have en goed, van eer en goede naam beroven, hetzij door giftige spotternijen, die ons diep in het vlees snijden.
Wee ons, indien wij, daar slechts mensen zien, aan wie wij prijs gegeven zijn, en niet achter deze mensen de grote, heilige Opvoeder en Ontfermen Wie onzer moet echter niet bekennen, dat hij deze les nog slecht heeft geleerd? Ik wil gaarne de eerste zijn, die het erken, dat ik dikwijls zeer vergramd werd, wanneer onverstandige of zelfs boosaardige personen mij als predikant verguisden. Ik hoop in dit opzicht iets gevorderd te zijn, maar toch worden juist hier onze hartstochten het eerst in beweging gebracht, wanneer mensen ons bestrijden, die inderdaad voor hun eigen deur te vegen hebben.
Maar nu die hand achter het voorhangsel! Gelukkig hij, die haar opmerkt! Gelukkig hij, die thans tot zichzelf zegt: „De Heere heeft de lasteraar of spotter zo geboden! Die zou thans niet kunnen doen wat hij kan, zo de Heere het niet wilde. God wil het, en Hij wil daarmee dus iets zeggen".
Dat is toch de rijkdom van het christelijk leven, dat ge Hem overal vindt, op alle hoogten en in alle diepten van het aardse leven, alzo ook in deze diepte. En dat is de christelijke wijsheid, overal te leren verstaan en te behartigen, wat uw God u th zeggen heeft. Welaan, wat heeft God u dan thans te zeggen door uw Simeï? Gewis niet dit, dat de wereld zo slecht is en slat de mensen zo bedorven zijn. Dat wil. God u raker niet zeggen. Dus wat anders? Ja, wat dan? Nu, dat wat is een persoonlijke en bijzondere aangelegenheid tussen God en u, die slechts achter de deur der binnenkamer (maar daar ook zeker) in orde gebracht kan worden. En zeker zullen ook hier verscheidene personen zijn, die met mij zeggen moeten: „Mijn vijanden hebben tot bevordering mijner zelfkennis meer bijgedragen dan al mijn vrienden".
Zo spreekt echter slechts een christen. De natuurlijke mens wordt door de boosheid der mensen (ach, zeer dikwijls zelfs door hun rechtmatige berisping!) slechts verbitterd, vertoornd en alzo in het farizeërharnas gejaagd. Slechts de geestelijk gezinde zoekt ook in de vuilnis de korreltjes van de gouden waarheid.
Zo worden bijvoorbeeld tegenwoordig allen, die op het Evangelie prijs stellen, door de grote menigte voor stijve orthodoxen, bekrompen piëtisten, dompers, dwepers, onhandelbare dwars hoofden of zelfs voor huichelaars uitgekreten. Ik erken, dat zij, die zo spreken,daartoe volstrekt geen recht hebben. Zij liegen dikwijls tegen beter weten in, en indien dit het geval niet is, zo weten zij niet wat zij doen.
„Het moet zo gaan", want de wereld kent ons niet. Evenwel, denkt gij niet dat het u tot zeer heilzame ontdekkingen zou leiden, indien gij eens nauwkeurig onderzoeken wildet of er niet iets van het zuurdeeg der geestelijke stijfhoofdigheid, bekrompenheid, kleingeestigheid, ja ook schijnheiligheid in uw christelijk leven is ingeslopen?
En moest het aan de andere kant voor u, die ten gevolge van uw gehele ontwikkeling en ondervinding op een vrijer standpunt staat, moest het voor u niet zeer nuttig zijn de enigszins aanmatigende onverstandige oordeelvellingen van bekrompen christenen over uw persoon te horen? Als zij b.v. zeggen: „Hij is niet beslist", „niet recht bekeerd", „hij heult nog met de wereld" enz. Volgens mijn ervaring kan men overal iets leren.
Och, dat wij zo wijs werden als de bijen, die hun honing zelfs uit vergiftige planten halen!
Ernstige vragen zijn op grond van Gods Woord aan ons hart en geweten gedaan. Denkt daarover in stilte na. Thans moeten wij doen, zoals Maria deed: „Zij overlegde al deze woorden in haar hart". Geve God, dat uit zulke overleggingen iets voortkomt, dat ons in tijd en eeuwigheid doet zingen! En bedenkt, dat het Evangelie zonder lijden bestemd is voor de hemel; het lijden zonder Evangelie voor de hel; het Evangelie met lijden voor de aarde. Amen.


Mei 1963