2 Samuël 24:17 'De Engel des verderfs over Nederland' ds. M. Baan (Watersnoodramp 1953)

DE ENGEL DES VERDERFS OVER STEDEN EN DORPEN VAN NEDERLAND

Tijdpredikatie gehouden door Ds. M. Baan, Chr. Geref. Pred. te Dordrecht, op de Zondag van gebed en boete in verband met de Watersnood Zondag 8 Febr. '53, nm.

Liturgie Ps. 66 :2
Lezen 1 Kron. 21: 1-19
Ps. 119: 38 en 69
Ps. 103: 5 en 4
Ps, 84 : 6

,En David als hij de Engel zag, die het volk sloeg, sprak tot de Heere en zeide : „Zie ik, ik heb gezondigd".
„En David bouwde aldaar de Heere een altaar en offerde brandofferen en dankofferen.
Alzo werd de Heere den lande verbeden, en deze plage van over Israel opgehouden".
2 Sam. 24: 17 a. en vs. 25
Heel ons volk is wel zeer zwaar getroffen.
Hoevele dijken zijn er nu al reeds doorbroken.
Hoeveel vruchtbaar polderland verwoest.
Hoeveel kostbaar bezit is nu al reeds verloren.
Hoevele mensenlevens vonden in het water de dood. Nu gaat 't er maar om, .is er bij ons opmerking!
Hoe zien wij dat alles nu?
Is dat alles nu een soort noodlot? Een z.g.n. natuurramp waar men niets tegen doen kan? Of verstaan wij, wat wij in onze vorige predikatie gehoord hebben: Des Heeren weg is in wervelwind en storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten,
Wie merkt niet uit al deze dingen, dat de hand des Heeren dit doet
David had er iets van geleerd, om in het oordeel de hand Gods op te merken.
Toen over zijn land eenmaal het oordeel kwam, toen zag hij de Engel des oordeels, de Engel des Verderfs op de dorsvloer van Arauna staan, en toen hij die Engel zag, met het uitgetrokken zwaard in de hand, toen 'riep hij het uit : „Ik, Ik heb gezondigd!.. En wat deed hij vervolgens?
Hij bouwde een altaar, en bij dat altaar heeft hij 't ervaren, dat de Heere een God is, die het oordeel doet komen, en het oordeel ook weer doet ophouden, een God die de zonde straft, maar ook vergeeft.
Moge de Heere ook ons dan een plaats geven, schuldbelijdend bij dat altaar als wij tot u moeten spreken over :
DE ENGEL DES VERDERFS OVER STEDEN EN DORPEN VAN NEDERLAND.
en dan predikt die Engel ons
le. het oordeel
2e. schuld
3e. het Offer
4e. Verzoening
I. Toen David die Engel zag kreeg hij in de eerste plaats een prediking van het oordeel.
Wat immers was het geval?
Wel David had, gedreven door een zondige hoogmoed des harten, het volk geteld. God onteerd!
Zijn theocratisch Koningschap uit het oog verloren en toen.... toen kwam het oordeel!
Of drie jaren honger.
Of drie maanden vluchten voor het aangezicht van de vijand. Of drie dagen pest onder het volk.
En wat deed David toen?
,,Mij is zeer bange, zo riep hij uit, Laat mij toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen".
En toen kwam die Engel des verderfs, hij stond volgens I Kron. 21 tussen de hemel en de aarde, en hij sloeg de stad Jeruzalem, met een verschrikkelijke pestalentie.
Zó vreselijk was deze pestalentie, dat op één dag, binnen de korte tijd van negen uren, stierven er 70.000 mensen.
Denk het u eens in 70.000 mensen onverwachts naar de eeuwigheid, onverwachts overvallen door de dood!
Wij lezen in Gods Woord, toen die Engel des Verderfs Egypte sloeg, met de dood van alle eerstgeborenen, toen was er een groot geschrei in gans Egypteland, hoe groot moet het geschrei dan niet geweest zijn in Jeruzalem toen daar op één dag 70.000 mensen overvallen werden door de dood.
En nu denken wij ook weer aan wat er in ons land is gebeurd.
Die Engel des Verderfs immers kwam ook tot ons.
Hij strekte zijn hand uit, over onze lage landen, onze steden en dorpen toen kwam de wind, toen kwam de storm, toen kwam het water, toen kwam de watersnood!
Polders liepen onder water.
Steden en dorpen werden overspoeld.
Duizenden mensen werden van huis en haard verdreven. Bijna 1400 mensen vonden in het water de dood!
O wat een leed moet er zijn geleden.
Wat een angsten zijn er doorstaan.
Ouders, die hun kinderen zagen verdrinken.
Kinderen, die hun Ouders zagen worstelen met de dood. Was het geschrei in Egypteland groot.
Was het geschrei in Jeruzalem groot.
Hoe groot moet het geschrei ook bij ons niet zijn, bij het^ overdenken van zoveel leed, van zoveel ellende.
O, God, zo mogen wij dan wel uitroepen,
hoe hebben wij getreurd,
Door U verstoten en gescheurd,
Gij zijt op ons vergramd geweest,
Keer weer tot ons, wij zijn bevreesd.
Gij hebt o Heer' het ganse land,
Geschud, gespleten door Uw hand,
Het wankelt, het gevoelt Uw slagen,
Ai red, genees het van zijn plagen.
De Engel des Verderfs over Steden en Dorpen van Nederland.
Nu komt het er maar op aan, hebben wij in dat ontzaggelijk oordeel, die Engel der Verderfs gezien?
David zag hem.
Hij sloeg, zo staat in I Kron. 21, zijn ogen op, en zag de Engel des Heeren, staande tussen hemel en aarde met het uitgetrokken zwaard in de hand, uitgestrekt over Jeruzalem. En toen hij die Engel zag, kreeg hij een prediking van het oordeel, en die prediking was zo levendig en krachtig, dat zij werd voor David als een tweesnijdend scherp zwaard, zij drong door, tot in de verdeling der ziel en des mergs, en werd tot veroordeling van zijn gedachten.
Geen wonder, dat wij daarom van David lezen: „Toen viel David en de oudsten, bedekt met zakken op hunne aangezichten". En hier staat in ons tekstwoord: „En David als hij de Engel zag, die het volk sloeg, sprak tot de Heere en zeide: Zie, ik, ik heb gezondigd".
Welnu, zo komt dan vanzelf de vraag tot ons: ,,hebben wij die Engel des verderfs ook gezien.?"
Is ook ons hart door die prediking van het oordeel zó aangeraakt, dat wij het hoofd hebben leren buigen, met David hebben leren belijden: ik, ik heb gezondigd!
Die Engel des verderfs immers geeft niet allen een prediking van het oordeel, maar ook een prediking van schuld.
II. Ik, ik heb gezondigd, zo sprak David, Dat woordje ik, wordt hier tweemaal genoemd.
Dat wordt hier dus beklemtoond.
't Is alsof David hier wil zeggen, nu mag er nog zoveel schuld liggen bij mijn volk, maar de meeste, de ergste, de grootste schuld ligt bij mij. Over de schuld van zijn volk spreekt David niet eens, neen hij spreekt alleen over zijn eigen schuld: Ik, Ik heb gezondigd.
Had Israel dan geen schuld?
O zeker lees 't maar in vs I, daar immers staat geschreven „En de toorn des Heeren voer voort te ontsteken tegen Israel!"
Israel had dus ook gezondigd.
Israel had de Heere óók in menig opzicht onteerd.
Maar.... toen die prediking van het oordeel bij David insloeg, kreeg hij zóveel met zichzelf te doen, dat over de schuld van zijn volk kon hij niet spreken, durfde hij niet spreken. Neen, toen werd David de voornaamste der zondaren, voor een heilig en rechtvaardig God.
„Ik, Ik heb gezondigd, zo riep hij uit, m.a.w. ik, ik heb het oordeel van de pestalentie verdiend, maar ach — wat hebben deze schapen gedaan; Uw hand o Heere, zij tegen mij, en tegen mijns yaders huis".
En zo viel David het oordeel toe.
Zo keurde David het oordeel goed.
Hebt u daar ook iets van geleerd?
De Engel des verderfs kwam ook tot ons met een prediking het een van oordeel, maar ook met
prediking van schuld!
Nu kunnen wij die schuld wel hiér gaan zoeken, dáár gaan zoeken, maar 't allerbelangrijkste is, dat wij op deze dag van gebed en boete de schuld leren zoeken bij onszelf!
O zeker, 't valt niet te ontkennen, daar ligt een grote schuld bij ons land en volk. Wij hebben daar reeds iets van gezegd.
Vooral de laatste jaren, na de grote wereldoorlog, waren jaren van geestelijk verval.
Jaren van openlijke bespotting en negering van God en van Zijn dienst. Jaren van twist en tweedracht, scheuring en oppervlakkigheid bij de kerk. Ja nogmaals, dan ligt er een grote schuld bij ons land, ons volk, en ook bij de kerk, Maar, als wij nu net als David, die Engel des verderfs zien staan, en die prediking van het oordeel slaat in, wel dan wordt die gemeenschappelijke schuld onze persoonlijke schuld.
Dan praten wij niet meer over deze of over die, maar dan slaan wij onszelf op de borst en roepen het uit: Ik, Ik heb gezondigd.
Dan vallen wij de God des oordeels toe.
Dan keuren wij het oordeel goed.
Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig Heer'
Uw oordeel rust op de allerbeste wetten,
Uw loon, uw straf, beantwoord aan uw eer,
Gij eist van ons, dat wij op uw waarheid letten. Hoe moeilijk is dat in de beleving.
Gaan wij daar iets van beleven, dan blijft er niets meer van onszelf over. Dan blijft er niets meer van onze grootheid, hoogheid en eigengerechtigheid over. Dan blijft er niets meer over van ons geld, van o-ns goed, van ons aards bezit. Dan leggen wij met David het „hoofd op het blok" in de belijdenis : Ik, Ik heb gezondigd.
Ik, ik heb de dood, 't verderf, een eeuwige ondergang verdiend.
Ik ben uw gramschap dubbel waardig.
Heere hier ben ik!
'k Heb niets meer te vertellen over m'n vrouw, m'n kinderen, m'n huis, m'n geld en goed, over al m'n aards bezit... Heere'... 't ligt alles in uw hand....
Hoe moeilijk is dat in de beleving en toch.... hoe God- verheerlijkend als wij daar iets van leren, hoe profeitelijk ook voor het zondaarshart, want dan is die Engel des verderfs niet alleen een prediker van het oordeel, niet alleen een prediker van schuld, maar ook een prediker van het Offer!
Lees 't maar in I Kron. 21:18,
Daar immers lezen wij : „Toen zeide de Engel des Heeren tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan en de Heere een altaar op zou richten. En Gad, zo lezen wij vervolgens, kwam tot David op diezelfde dag en zeide tot hem: Ga op, richt de Heere een altaar op, op de dorsvloer van Arauna de Jebusiet.
En David, zo staat hier in vs 25, bouwde aldaar de Heere een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen".
III. Wordt hier gesproken over een altaar, dan vanzelf denken wij aan een Offer.
Onder het Oude Verbond werden vele offers gebracht en bij het brengen van elk offer vloeide het bloed.
Dat bloed predikte de uitstorting van leven.
't Leven werd bij elk offer geëist.
't Leven werd in dat bloed gegeven.
Die offercultus van de Ouden dag was ` echter maar symbolisch, had een schaduwachtige betekenis.
't Bloed van stieren en van bokken kon geen enkele zonde wegnemen. Geen slachtvee, geen altaren, vol spijs ten offer waren, het voorwerp van Gods lust.
Dat symbolische, schaduwachtige offer, riep om een ander offer, om het offer namelijk van de Heere Jezus. Om 't offer van Hem, die Zijn leven, Zijn bloed zou geven tot een rantsoen voor velen.
Daarom al die offeraltaren van de Ouden dag, wezen heen naar het grote offeraltaar van Christus!
Zo ook dat offeraltaar van David.
Daar lag schuld.
Schuld bij David.
Schuld bij zijn volk.
En die schuld moest betaald.
God wilde dat aan zijn recht genoeg geschiedde.
En nu zien wij in gedachten, David bouwen aan zijn offeraltaar. Hij offerde daarop brandofferen en dankofferen, zo lezen wij, maar ook dat offer van David kon de zonden, de schuld niet wegnemen.
Dat offeraltaar van David moeten wij dan ook zien, als een afschaduwing van dat grote Offeraltaar van Golgotha.
Op dat Offeraltaar wilde Christus eenmaal zijn bloed, zijn leven opofferen aan God Zijn Vader, de Rechter van hemel en van aarde.
O denk het u eens in.
In de hof van Gethsemane, vloeide reeds dat Borgtochtelijke bloed.
In het Rechthuis van Pilatus, vloeide ook eenmaal dat Borgtochtelijke'bloed.
Maar op de kruisheuvel Golgotha, vloeide vooral dat bloed.
Na zijn leven te hebben afgelegd, werd Hij doorstoken met een speer en terstond vloeide er bloed en water uit.
Ja toen, toen was Het Offer gebracht.
Toen was de betaling van die hemelhoge zondeschuld geschied.
Toen klonk het als het rijkste Evangelie van Golgotha's heuveltop: Komt dan en laat ons te samen richten, al waren uwe zonden zo rood als scharlaken zij zullen worden zo wit als de wol, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden zo wit als de sneeuw.
Wat een wonder Gel, dat die Engel des verderfs, of laat ik het zo maar zeggen, dat die Rechter van hemel en van aarde, nu niet alleen het oordeel, niet alleen schuld, maar dat die Rechter van hemel en van aarde arme, gebrokenen van hart, schuldbelijdende mensen ook nog op dat Offer van Golgotha
wil wijzen.
Wat een wonder, dat die Engel des verderfs, wiens hand uitgestrekt was over Steden en Dorpen van Nederland, ook ons nog wil wijzen op dat offer!
Zie, Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
Bij dat altaar van Golgotha is er alzo alleen maar hope, voor een mens, voor een land, voor een volk, dat leeft onder de openbaring van het oordeel.
Ja zo alleen kan het oordeel nog afgewend worden.
Maar dan moeten wij allen naar dat Altaar.
Dan moeten wij allen leren schuilen bij dat offer van Jezus' bloed.
De doodslager onder Israel moest vluchten naar de Vrijstad.
De kinderen Israels in Egypte moesten het bloed strijken aan de posten van het huis.
David moest een altaar bouwen,
En zó, zo zullen wij moeten leren vluchten, naar dat Offeraltaar dat God zelf eenmaal gebouwd heeft, en waarop die meerdere David Christus Jezus Zichzelf geofferd heeft.
Naar 't altaar van Golgotha.
Naar het bloed des Verbonds.
Naar het bloed van de Heere Jezus, dat betere dingen spreekt' dan het bloed van Abel.
Bij dat Altaar, bij dat bloed wil de Heere nog doen ervaren:
Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,
Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden
Hij is het, die ons Zijne vriendschap biedt,.
Hij handelt nooit met ons naar onze zonden,
Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,
Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
Ps. 103 :5 en 4.
IV. Zo predikt die Engel des verderfs het oordeel; schuld; het offer, maar ook verzoening.
Lees het maar in het laatste gedeelte van vs 25: „Alzo werd de Heere, de lande verbeden, en deze plaag van over Israel opgehouden".
Zo heeft David dus ervaren:
Hij handelt nooit met ons naar onze zonden,
Hoe zwaar, hoe lang wij ook zijn wetten schonden,
Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
Neen!
Drie dagen pestilentie immers was David toegezegd, en zie, na ongeveer negen uren, deed de Heere de plaag al ophouden.
Gestel dat die plaag eens doorgegaan had, drie dagen lang.
Hoevele mensen waren er dan niet omgekomen.
In negen uren tijds, waren er al 70.000.
In drie dagen tijds, waren er dan zeker geweest, meer dan 500.000.
Maar toen de Heere dat altaar zag.
Toen de Heere dat offer zag, toen werd de plaag onverwachts opgehouden.
`t Had feitelijk nog erger moeten worden.
't Had feitelijk nog drie dagen door moeten gaan.
Maar te midden van de toorn, was de Heere des ontfermens gedachtig, alzo werd de Heere de lande verbeden, en deed de plaag van over Israel ophouden-.
Deze prediking van verzoening komt nu ook tot ons.
Als vrucht van dat altaar, dat offer van Golgotha.
Als vrucht daarvan is het dat wij vandaag nog een dag van
gebed en boete mogen houden.
Als vrucht daarvan is het, dat wij nog niet vernield zijn.
klad de Heere gedaan naar waardigheid en verdienste, dan had het water onze stad, onze kerk, ons huis, ons leven, heel ons land moeten overspoelen.
Dan had het dodencijfer nog veel en veel hoger moeten zijn. Maar nu greep de Heere in.
De storm ging weer liggen.
't Water ging weer zakken.
Honderden, duizenden- mensen konden van de dood worden bevrijd.
Zo schittert te midden van veel donkerheid nog een licht. 't Licht der verzoening!
Vrucht van het Altaar.
Vrucht van het Offer van Golgotha!
O als wij dat licht zien, dan mogen wij 't wel in de vernedering en vertedering des harten uit gaan roepen: O Heere, Gij zijt toch goed!
Ik weet, o Heere, dat Uw gerichten zijn,
Gerechtigheid en Gij mij liet verdrukken,
Uit enkele trouw, Och, dat Uw gunst verschijn,
Om mij uit angst en nijpend leed te rukken,
Troost mij Uw knecht, die nu angstvallig kwijn,
Mij is die troost beloofd in ongelukken.
De Heere brenge u, de Heere brenge mij, de Heere brenge ons allen op deze plaats en dan mogen, niet alleen de oordelen, maar vooral deze goedertierenheden des Heeren, ons tot bekering leiden.
Tot waarachtige bekering!
En dan begint elke waarachtige bekering altijd met het: Ik, Ik heb gezondigd,
Dan zien wij niet meer op deze of die.
Dan praten wij ook niet meer over een ander, maar dan "wij werk met onszelf. Dan worden wij de voornaamste van de zondaren.
Maar wat een voorrecht, wij hebben er iets van gehoord, dan kan uit zulk een waarachtig schuldbelijden nog iets goeds geboren worden.
Die Engel des verderfs immers predikt het oordeel, predikt de schuld, maar predikt ook het offer en de verzoening door middel van dat offer.
Welnu, sta er dan naar, en bidt er om, om op die plaats te komen.
Die plaats is heilzaam voor uw eigen leven, voor het gezinsleven, voor het gemeentelijk, voor het kerkelijk leven, is heilzaam ook voor ons volksleven.
Weet wel, zouden wij op die plaats niet komen, zouden wij ondanks alles toch voortgaan met onszelf te handhaven, met onszelf weer te herstellen buiten God .... De Heere heeft nog veel meer pijlen op Zijn boog.
Niet alleen de pijl van de wervelwind en storm.
Niet alleen de pijl van de watersnood.
Maar de Heere heeft nog veel en veel meer pijlen, ja dan zegt de Schrift: 't éne wee is weggegaan, maar het andere zal welhaast komen.
Daarom, hoor de roede en wie ze besteld heeft.
Vlucht, Vlucht als zondaar, als schuldenaar naar de plaats van het Altaar, naar de plaats van het Offer, naar die plaats, waar de Heere de gouden schepter van verzoening nog toereikt aan gans schuldigen, opdat ook voor u, voor ons land, voor ons volk mag gelden wat hier staat: Alzo werd de Heere de
lande verbeden en werd de plaag van over Israel opgehouden.
Amen.