Mattheüs 27:39-43 'En die voorbijgingen, lasterden Hem' ds. K. Bokhorst

Den Verlosser aan het kruis.

PREDIKATIE DOOR DS. K. BOKHORST

Ps. 25:10.
Lezen: Matth. 27 : 33-44.
Ps. 69:9.
Ps. 116:2, 3.
Ps. 89:9.
Ps. 2:7

En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hunne hoofden, en zeggende: Gij, die den tempel af-
breekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van het kruis. Enz. Matth. 27 : 39-43.

Onder de vele en heerlijke beloften, welke de Heere door middel van Zijn profeten aan Zijn volk Israël gegeven heeft, vindt gij ook dit woord: „Er zal een Verlosser tot Zion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jacob".
Er zal een Verlosser komen. Deze toezegging, gedaan aan een volk, dat al in druk zuchtte en later nog zwaarder getroffen zou worden, mag wel genoemd een lichtende ster der hope in den donkeren nacht van ellende. Gewis en zeker zijn er ook geweest onder dat volk, die zich aan dit woord hebben vastgehouden of anders gezegd, die door dit woord werden vastgegrepen, toen de weg met het volk in zijn geheel steeds meer naar de diepte ging. Toen het zaad van Abraham in de dagen welke aan de komst van den Verlosser voorafgingen, zoo zeer gezonken «gas, dat het scheen onder te gaan in het zoeken van vleeselijk genot of wel in de vormen van een eigenwilligen godsdienst, was er immers nog een Simeon, wien, door Goddelijke openbaring de verzekering was gegeven, dat hij niet sterven zou, eer hij den Christus des Heeren, den beloofden Verlosser voor Zion zou zien. Spoedig zou Deze komen.
Dit was zijn troost in druk hem, toegelegd,
Dit leerde zijn ziel God achterna te kleven.
Zoo waren er nog enkelen verspreid onder de stammen Israëls, die uitziende waren naar het heil door God hen toegezegd.
Edoch, deze allen vertoonden ook het kenmerk door des Heeren \Voord genoemd van degenen, voor wie de Verlosser kwam. Zij bekeerden zich van de overtreding in Jacob. Zij hadden door de ontdekking des Geestes kennis gekregen aan de diepe ellende waarin ook Israël zich gestort had. Zij zagen ook de oorzaak der ellende, dat is de zonde. Zij maakten de belijdenis van één van Israëls zangers tot hun eigen belijdenis:
Wij hebben God op 't hoogst misdaan,
Wij zijn van 't heilspoor afgegaan,
Ja, wij, en onze vaad'ren tevens.
Dit deed deze belijders ook buigen onder het oordeel Gods. Maar in de diepte van smart en zelfveroordeling werd de zucht geboren: Och, dat Israëls verlossing uit Zion kwam. Och,
dat de hemelen scheurden. Dat de Verlosser tot Zion kwame. Voor dezulken was er geen groter blijdschap, geen inniger zieleweelde denkbaar, dan te horen, dat de Verlosser was gekomen. Zij vielen voor Hem neer en aanbaden Hem, toen de Geest des Heeren hen leerde: Deze is de Christus, de Zone
Gods, Die in de wereld komen zou.
Evenwel, het waren er maar enkelen. De grote massa der Joden erkende den Verlosser niet. Hij is gekomen tot liet Zijne, maar de Zijnen hebben 1-lcm niet aangenomen. Omdat Hij afstand vroeg van de wereld, van de zonde, daarom gingen de rnensen voor het merendeel aan Hem voorbij. Omdat er geen rechte kennis was aan de sterkste band, dat is de band vaan satan we reld en eigen vlees, daarom had deze Verlosser zo weinig betekenis voor hen. Toen de beloofde Verlosser in Zijn liefde en genade Zichzelf aan het volk aanbood, werd Hij uitgeworpen.
Verachtelijk sprak men van Hem: wij willen niet, dat deze Koning over ons zal zijn. Hij kan de Verlosser niet zijn, want Hij moge dan anderen hebben verlost, Zichzelven kan Hij niet verlossen.
Een Verlosser die zich aan het kruis laat nagelen, die dus smaadheid lijdt en smaadheid moet ondergaan, is niet naar onze begeerte, daarom': Weg met Hem!
Maar al verwerpen de Joden in hun dwaasheid dezen Verlosser, Hij is ei blijft toch de Enige Redder der wereld.
Hier wensen wij ook thans aan herinnerd te worden uit het Woord des Heeren.
GEBED.
Zingen Psalm 116 :2, 3.
Aan het kruis hebben de wrede soldaten Jezus genageld.
Maar ook aan dit kruis hangend, bleef Hij liefdevolle en medelijdende Hoogepriester. Voor de overtreders bad Hij: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen".
Vertederde deze liefde het hart van de moordenaren? Kwam het volk, in zijn geheel genomen, tot inkeer? Het tegendeel wordt ons door het Woord des Heerera gemeld. Terstond nadat ons is medegedeeld, hoe Jezus voor de overtreders bad, bad voor degenen, die niet wisten wat zij deden, lezen wij in de evangeliën, dat de vreselijkste hoon en smaad op dien biddenden Heiland werd geworpen. Schimpend noemde men Hem een Verlosser, die niet verlossen kan. De lijdende
Zaligmaker werd gesmaad, werd niet begrepen, doch .zweeg onder dit alles stil. Dit hopen wij u nader aan te tonen als wij u wijzen op
Den Verlosser aan hel kruis.
Deze hing daar:
1. Als een gesmade Verlosser.
2. Als een onbegrepen Verlosser.
3. Als een zwijgende Verlosser.
1. Als een gesmade Verlosser.
Als een gesmade Verlosser heeft Jezus aan het kruis gehangen. Men lasterde Hem, men schudde het hoofd over Hem, men bespotte Hem. Vele waren de smaders.
Vooreerst varen het degenen die voorbijgingen en met een, verachtelijken blik op den gekruisigde, lasterden: „Gij, die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos u zelven".
Dit was lastering, want Jezus had niet gezegd, dat Hij den steen en tempel zou afbreken. Hij had slechts gesproken over Zijn eigen lichaam. Echter, lasteraars nemen het niet zoo nauw. Met een weinig verdraaien, of een verkeerden zin in iemands woorden leggen, kan een lasteraar dodend pijnigen. Bij deze lasterende voorbijgangers noemt ons Mattheus nog met name de Overpriesters, de Schriftgeleerden, de Ouderlingen en de Farizeën. Het was niet alleen het gepeupel, de mindere klasse des volks, belust op een relletje, waardoor den Zoon des mensen de ziel met lasteringen werd doorsneden. Het waren ook de getabberde mannen, het waren de deftige Joden, die zich in andere gevallen zoo hoog boven de schare, die de wet niet weet, waanden. Opmerkelijk, als het maar tegen Jezus gaat en tegen Zijn werk en ook tegen Zijn volk, dan schijnt vaak alles geoorloofd. Als het tegen het werk des Heeren gaat, dan willen de voormannen des volks zich wel verlagen.
Zelfs de „godsdienstige" mens doet mee om Jezus van Nazareth te smaden., De Overpriesters en ouderlingen, de ambtsdragers, geven eenzelfde geluid als de man van de straat, die zich niet den gekruisigde vermaakt.
Uit aller keel vloeien de spotredenen. Hun woorden zijn als pijlen, op Jezus hart afgeschoten. De haat wordt op Hem' gekoeld.
Waarom toch die haat van al deze mensen?
M.G., het ging op het beslissend moment in Jezus' leven aan. Nog enkele ogenblikken dan zou het over deze, om onzer zonden wille vervloekte aarde ruisen: „Het is volbracht".
Dat is, de strijd is gestreden, de Satan is overwonnen, de dood is verslonden, de verlossing is aangebracht.
En als voelde Satan en zijn volgelingen, dat dit ogenblik nabij was, zoo spanden zij al hun krachten in tot een laatsten aanval om den Verlosser van Zijn loopbaan af te voeren. De vijandschap, waarover de Heere reeds gesproken had in het Paradijs, bereikte hier op Golgotha haar toppunt. De hel heeft al haar machten samengetrokken, om, kon het zijn de Zoon des Vaders, Die zaad der vrouw werd, dodelijk te treffen.
De Vorst der duisternis maakt gebruik van de heidense Romeinen, die niet weten van een .verlossing door lijden. Voor den Romein is alleen een verlossing denkbaar door het zwaard. Het kruis is voor den Romein, evenals voor den Griek, een dwaasheid. Daarom laat deze zich gemakkelijk door Satan mobiliseren voor den strijd tegen Jezus.
Maar Satan heeft in het bijzonder gebruik gemaakt van het volk des Verbonds. Van hen, die dicht bij het heil leefden. Van hen, die voorwerpelijk gedacht, genoemd moeten worden „het uitverkoren' volk"..
Satan voer in Judas, die zoo langen tijd met Jezus op aarde verkeerde, die niet verre was van het Koninkrijk Gods. - Maar, helaas, er toch toe kwam om den Koning van dit Rijk te verraden.
Hij vond zijn handlangers onder de Overpriesters en de ouderlingen, onder de Schriftgeleerden en de Farizeën.
Dit waren de mensen, die leiding moesten geven aan, het volk. Zij waren geroepen om de woorden Gods te verklaren. Van den inhoud dezer woorden hebben zij echter weinig begrip. Zij verstaan niet de wijsheid Gods. Zij mogen dan Schriftgeleerden zijn, zij kennen niet den Christus der Schriften. Zij mogen ook het volk wijzen op den Verlosser die komen zal, zij hebben een geheel verkeerde voorstelling ,van dien Verlosser. Zij stooten Hem van zich. Waarom? Omdat Christus alleen Verlosser kan en wil zijn voor armen, ellendigen, mensen die zich zelf niet meer helpen kunnen.
Nooddruftigen zal Hij verschoonen,
Aan armen, uit gena,
Zijn hulpe ter verlossing,toonen.
Boven Zijn hoofd stond Zijn naam geschreven: Jezus, dat is Zaligmaker, Verlosser. Maar dan alleen kan en wil Hij Verlosser zijn, als alles, maar dan ook alles, in Hem gevonden wordt wat tot verlossing en redding nodig is.

Dan moet voor Hem de dienst der zonde worden opgezegd. De wereld een scheidbrief gegeven. Zelfs afstand gedaan - van de meest begeerde zonden.
Maar niet minder is het nodig ook het streven om door een eigenwillige godsdienst, door offeranden en gebeden, door plichten en dankzeggingen, tot de vrijheid te komen, als onvoldoende, ja, als schade en drek te achten om, de uitnemendheid van Christus Jezus.
Dit was meer dan de doorsnee-Israëliet wilde. Een bewijs, dat bij al hun godsdienst hun hart nog onbekeerd, onvernieuwd, onwedergeboren was. Zij waren nog in het vlees en bedachten de dingen des vleeses, en het bedenken des vleeses is vijandschap tegen God. Vijandschap ook tegen den door Hem gegeven Verlosser. Die vijandschap breekt naar buiten uit als de Christus hangt aan het kruis. Zo worden ze dan instrumenten in Satans hand om den Heiland te doen lijden.
Davids profetie wordt vervuld:
Versmaadheid breekt en scheurt mij 't hart vanéén,
Ik ben zeer zwak, de lasteringen snijden
Mij door de ziel.
En deze smaad wordt den Heiland aangedaan door de zonen Zijns volks.
Hij is den broederen vreemd geworden en onbekend aan Zijner moeders kinderen.
Voor ons, die verkeren onder de prediking van den gekruiste Heiland een ernstige waarschuwing om toch niet den uitwendige vormendienst voor zaligmakende genade aam te zien.
Als de Joden in Jezus' dagen mogen wij genoemd worden: ,,het volk des Verbonds". Het is mogelijk onder dit volk een voorname plaats in te nemen, terwijl het hart nog in vijandschap tegen den Christus der Schriften is.
Dit komt niet altijd zo helder aan het licht, als op Golgotha aan den voet van het kruis, doch de Heere merkt het wel, want Hij ziet niet aan wat voor ogen is, Hij ziet het hart aan.
Het kan zelfs wel tijdelijk schijnen, dat wij achter Jezus aan komen en Hem als den Gezondene des Vaders erkennen.
Het „Hosanna" klinkt wellicht uit onzen mond. Maar is het vrucht van wederbarende genade? Dit zal hierin uitkomen, of wij Jezus aanvaarden met het kruis. D.w.z. dat wij Zijn versmaadheid willen dragen. Liever niet Christus en Zijn volk kwalijk behandeld willen worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben. Mozes achtte de versmaadheid van Christus zelfs groteren rijkdom, dan de schatten van Egypte. Gij, die dit hoort, gaat het u ook zoo als Mozes?
Zalig, kunnen wij zeggen, zalig, die aan Christus niet zal geërgerd worden. Zalig, die den Heiland leert kennen als de Verlosser, ook zoals Hij hing aan het kruis, ja, zelfs juist omdat Hij hing aan het kruis.
De grote schare, welke spottend stond rondom het kruis, zag den Heiland, helaas, niet. Uit hun woorden is ons duidelijk, dat zij niet verstonden, welk een Verlosser er hing aan het hout. Daar hing, zoals wij in de tweede plaats kunnen zien,
2. Een onbegrepen Verlosser.
De spottaal, welke Jezus moest aanhoren, toont zonneklaar, dat Zijn persoon en werk door het onherboren hart niet wordt begrepen. De spottaal, welke Jezus uit den mond der vijanden moest horen, kunnen wij wel samenvatten in, dit woord: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Dat de Heiland een meer dan gewoon mens was, althans bijzondere krachten vertoonde, konden de bitterste vijanden niet tegenspreken. Zij erkenden, dat Hij anderen heeft verlost. Zij wilden daarmee zeggen, dat Jezus mensen van de kwalen des lichaams en des geestes heeft losgemaakt. Zij dachten daarbij niet aan de verlossing van de zonde, of aan de vrijmaking uit Satans macht, maar aan de verlossing uit het lijden.
Deze verlossing uit het lijden door een wondere kracht, hadden Joden en Heidenen aanschouwd. Van, allerlei kwalen genas de grote Medicijnmeester. Het was gezien, dat Jezus melaatsen reinigde, dat Hij blinden het gezicht gaf, dat Hij; zelfs duivelen uitwierp. Wel was er van gemaakt: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebub, den overste der duivelen, maar desniettemin, de ongelukkigen, die van duivelen bezeten waren, werden verlost. Ontkennen ging niet!
Dan echter schimpten de vijanden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Zij stelden de taak aldus: „als die kracht, welke openbaar kwam in het doen van wonderen, nu werkelijk eigen kracht of wel Goddelijke kracht was, dan zal deze toch in de eerste plaats wel tot eigen nut worden aangewend.
De spotters rondom het kruis beweerden, dat als Jezus waarlijk de Zoon van God is en Goddelijke' kracht bezit, dan zal Hij Zich toch niet aan het kruis laten nagelen.
Jezus wordt niet begrepen. Men denkt van Hem', dat Hij eerst voor Zichzelf zal zorgen en daarna voor anderen. Zoo is het echter niet. De Zaligmaker denkt, leeft, sterft niet in de eerste plaats voor Zichzelf. Hij denkt alleen aan de ere Gods en aan de verlossing van zondaren. Daarom verloochent de Heiland Zijn' eigen wil. Hij beleeft, wat Hij bad in Gethsémané: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede,
Dit begrijpt de natuurlijke mens niet, die door zelfzucht en eigenbelang geleid wordt. Jezus' belagers, al zijn ze ook Schriftgeleerde of Ouderling, begrepen 4iet .ziet. Ze maken hier eenvoudig uit dat jezus Zichzelf niet kan verlossen en dat Hij ook van God geen hulp heeft te verwachten. Hij heeft op God vertrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil! Want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. Daarmee beweren de spotters dat God Hem niet wil, niet erkent als Zijn Zoon en ook niet verlossen zal.
Onbegrepen hangt de Heiland aan het hout dit blijkt uit al de spottaal, die samen te vatten is in: Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelf niet verlossen.
Een treffend, een eigenaardig woord:
Leugen is het en eigenlijk ook weer waarheid.
Leugen is :iet ,aangemerkt van de zijde der vijanden.
Waarheid is het, gezien van de zijde Gods.
Leugen is het, in dien zin, alsof des Heilands macht en kracht te klein zou zijn om uit de handen der moordenaren los te komen. O, als de Heere slechts wilde, Hij kon Zich wreken aan Zijn vijanden, die Hem ten speelaal kozen, gelijk Simson zich eens wreekte aan zijn vijanden, de Filistijnen, over zijn twee ogen. Simson moest toen eerst nog vragen aan God om kracht.
Jezus is Zelf de Machtige, de Leeuw uit Juda's stam. J
Daarenboven kon Hij den Vader bidden, Die zou Hem meer dan twaalf legioenen van engelen bijzender ja, hemel en aaide, Engelen en machten staan den Zone Gods ten dienste, om, als
Hij wilde, los te komen uit de klauwen van den geweldenaar. Dus wat dit betreft, laad Jezus Zichzelf wel kunnen verlossen.
Maar toch is het ook weer waarheid, dat Hij Zichzelf niet kan verlossen. Waarom? Wel, juist omdat Hij is de Zone Gods, dus de Waarheid, de Getrouwe, Die niet liegen kan. Omdat Hij is de Onveranderlijke, bij Wien geen verandering is of schaduw van omkering.
De Zone Gods had Zich vrijwillig aangeboden om, Borg, om Verlosser te zijn voor zondaren, voor schuldenaren. Hij werst mens om Zich niet Zijn leven Borg te stellen. Zijn strijd zal Hij ten einde toe strijden. De losprijs zal Hij volkomen betalen. De vijanden meenden, dat Jezus, als Hij was de Zone Gods, wel af zou komen van het kruis, de werkelijkheid echter is, dat Hij, juist omdat Hij is de Zone Gods, de Waarachtige en Onveranderlijke, de plaats aan het vloekhout niet kan verlaten.
De Satan, wiens stem wij beluisteren in de spottaal der vijanden, zou wel graag gewild hebben, dat ezus afgekomen was en Zijn lijdensweg, had geëindigd.
De Satan had er al de Koninkrijken der wereld wel voor willen geven, gelijk de overste dezer wereld ook reeds vroeger bij de verzoeking in de woestijn den Zaligmaker voorstelde.
Maar wat zou er dan van de verlossing zijn gekomen? Van de verlossing uit de macht der zonde en uit de klauwen des doods.? Immers niets!
De verlossing was alleen mogelijk door plaatsbekleding.
De rechtvaardige God had gesproken, dat 'de ziel, die zondigt, den dood sterven zou, dus komen in de macht des doods. Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Dit woord staat als in marmer gegraveerd. Onuitwisbaar is de waarschuwing. De mens heeft echter, niettegenstaande deze waarschuwing en bedreiging, toch gezondigd, maar is toen ook in den dood gekomen.
Hij ligt gekneld in banden van den dood.
De vloek, de dood moest komen, is gekomen; de dood gis doorgegaan over alle mensen, ook over degenen die niet gezondigd hadden in gelijkheid der overtreding van Adam Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Evenwel, uit dit gevallen geslacht verkoos de Heere, naar Zijn eeuwig en ondoorgrondelijk welbehagen, nog weer een volk ten eeuwigen leven. Niet om dit volk, want zij zijn van nature ook vijanden, kinderen des toorns. Het is enkel des Heeren ontferming.
Welnu, voor dit volk bood de Zoon des Vaders Zich aan als Verlosser, Redder, Behouder. De Vader had Zijn welbehagen in den Zoon en in Zijn aanbieding.
Maar nu moest ook de rechtvaardige toorn Gods zich kéren tegen den Zoon, Die Zich stelde in de plaats van doemwaardigen.
Het behaagde den Heere Hem, te verbrijzelen. Hij heeft Hem krank gemaakt. Hij heeft Hem den dood ingezonden.
Zo bezien, bemerken wij over en achter de joden en Romeinen, welke Jezus aan het kruis brachten en Hem met spotredenen en lastertaal het hart doorboorden, nog de hand Gods, welke opgeheven is tegen den Zoon als Borg voor zondaren.
Daar aan het kruis wordt des Heilands aanhaling uit de profetie bevestigd. Het woord, gesproken na de Avondmaalsviering, in den Paasnacht, wordt vervuld. „Zwaard, ontwaak tegen den Herder en tegen den man, die mijn medgezel is". Hier is het zwaard opgeheven en zal neerkomen op den Herder. Zo neer gekomen, dat Hij dood ter aarde valt. Niet alleen een lijdende Heiland, maar meer nog, een gestrafte Heiland hangt aan het kruis. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem'. De
rechtvaardige God straft den Borg. Daarom, van deze zijde bezien, kan Jezus niet van het kruis af. O, hadden die Joden en die Romeinen ook maar iets begrepen van het feit dat Jezus Zichzelf niet kan verlossen, ze zouden in aanbidding zijn neergevallen bij de aanschouwing van de liefde van den Goeden Herder, die Zijn leven gaf voor Zijne schapen.
Helaas, zij begrepen het niet.
M.G. Begrijpen wij het?
Het overgrote deel des mensen bemoeit zich feitelijk met Jezus niet. Dat er eens een Zaligmaker, een Verlosser aan het kruis heeft gehangen, om daardoor verlossing van zonde aan te brengen, laat de grote massa koud.
Om de eenvoudige reden dat ze niet los van de zonde willen. De zonde is het element van het onwedergeboren hart. In allerlei vorm, in bruutheid en grove zin, of anders, in meer verfijnden vorm, zoekt het natuurlijk hart de zonde. Hoevelen zijn er die de zonde indrinken als water. Ook zelfs nog wel mensen, die des Zondags een keer in de kerk komen. Die echter de zonde doet, moge bedenken, dat de bezoldiging der zonde de dood is. Als de toorn Gods tegen de zonde zoo groot is, dat Hij die, eer Hij ze ongestraft liet blijven, aan Zijn lieven Zoon Christus Jezus gestraft heeft, met den bitteren dood des kruises!vat zal dan het einde zijn van de werkers der ongerechtigheid?
Het oordeel Gods kan niet dan vreselijk wezen.
Maar het natuurlijk hart verstaat het niet, kan het niet verstaan, wil het niet verstaan. Daarom, begrijpt het ook den Verlosser aan het kruis niet.
En wij, begrijpen wij het? Misschien kunnen wij den weg ter verlossing verstandelijk wel uitéén zetten. Veel beter dan de Schriftgeleerden, die bij het kruis stonden. Wij zijn ook zooveel verder in de geschiedenis. Wij leven ook onder meerder licht, De Joden leefden bij de profetie, wij leven in den tijd der vervulling. Doch is daarmee nog niet gezegd, dat wij nu ook recht verstaan, dat Jezus Zichzelf niet kon verlossen. Om dit te begrijpen is nodig rechte kennis aan de grootheid onzer schuld tegenover de rechtvaardigheid Gods. Door ontdekkend licht des Geestes erkennen, dat wij verdiend hebben in den eeuwigen vloekdood onder te gaan. Daar hing Jezus aan het hout! tussen hemel en aarde. In geen van beide kon Hij een plaats krijgen. Zoo is het met den zondaar. De hemel is verzondigd, want daar kan niet inkomen dat onrein is en de ongerechtigheid doet. De aarde is verbeurd, want het rentmeesterschap is niet recht behartigd. Dus én den hemel én de aarde is de zondaar onwaardig. Wie dit leert, bevindelijk leert, moet en zal eigen vonnis ondertekenen.
Maar, o zalig uur, als dan door Gods Geest tot zulk een ziel gezegd wordt, dat Ik voor u, daar gij anders den eeuwigen dood had moeten sterven, in den dood ging. Dat doet de Apostel spreken en schrijven: Ik wens niet anders te weten dan Jezus Christus en Dien gekruist. Jezus Christus, Die ons van God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing.
Hoe schoon, hoe groot leert zulk een ontdekte ziel Jezus zien, ook aan het kruis.
Groot en schoon ook in hit zwijgen van dezen Verlosser op al de spottaal welke Hij moet horen, want Hij hangt, zoals wij in de derde plaats nog willen nagaan
3. Als eest zwijgende Verlosser.
Toen Jezus voor den rechterstoel van Pilatus stond en de vijanden allerlei beschuldigingen bij elkaar zochten ,of uitdachten, zweeg Jezus stil. Hij antwoordde niet op alle leugenen, die
tegen Hem ingebracht werden.
Ook bij de bespotting aan liet kruis kunnen we wei aan tekenen : Doch Jezus zweeg stil. Hij zweeg stil op al de woorden, waarmede men Hem pijnigde.
In zooverre Jezus gesproken heeft aan het kruis, was Zijn spreken geen afkeren van hoon en spot. Slechts bidden, zorgen, troosten, heeft Hij temidden der smarten gedaan. Hij bad voor degenen, die niet wisten, wat zij deden. Hij zorgde voor Zijn Moeder, die met een zwaard door haar ziel bij het kruis stond.
Hij troostte den moordenaar, die in berouw om genade smeekte, niet de woorden: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
Maar op het spotwoord der voorbijgangers en de hoon van de Schriftgeleerden zwijgt de Heiland. Dit zwijgen is geen bewijs van zwakheid. Neen, dit zwijgen is uiting van welbewuste kracht. Het is aanvaarden, gewillig aanvaarden, bewust aanvaarden van den weg, waarop Hij door God, Zijn Vader, is geleid. De Verlosser laat Zich door geen lasteringen, door geen verzoekingen van het voorgestelde doel afbrengen. Zelfs niet door de belofte: „wij zullen in U geloven, als Gij van het kruis afkomt". Dit zeiden immers de Joden: Kom af van het kruis en wij zullen in U geloven.
Wat blijkt het ook hier, dat de natuurlijke mens geen begrip heeft van Jezus, doch ook niet van zichzelf. Want in de woorden: wij zullen in U geloven, ligt uitgedrukt dat liet in des mensen eigen wil en macht zou liggen, al of niet in Jezus te geloven. Terwijl Gods Woord leert dat het geloof is een
gave Gods. Het is ook immers door de ervaring van alle oprechten van hart, dat het geloof in den Zoon iets is, dat van boven geschonken moet worden.
Juist zij, die de noodzakelijkheid van het geloof in Jezus Christus verstaan, hebben er zooveel strijd mee om tot dit geloof in Hem te komen. Deze mensen bij het kruis durven echter zoo wel zeggen: wij zullen geloven, als Gij maar afkomt.
De Heiland laat Zich evenwel door niets van het rechte pad afvoeren. Hij weerstaat de verzoeking. Hij antwoordt er zelfs niet op Jezus zweeg stil.
Zwijgende buigt Hij het hoofd onder de woorden van spot. Hij weet het, dat het den sprekers door haat en nijd is ingegeven. Hij Boort er de klanken uit de hel in.
Maar de Heiland weet ook, dat er geen andere weg ter verlossing is, dan over het kruis. Zoo kan Hij alleen de Verlosser zijn, die tot Zion komt voor degenen die zich van de ongerechtigheid in Jacob bekeren in Gethsémané heeft Jezus nog gebeden: Indien het mogelijk ware, laat dezen drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Zijn onderworpenheid legde Hij echter ook toen terstond vast in de bijvoeging: ,,Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede". Welnu, waar het de wil des Vaders is, dat de drinkbeker tot den bodem toe geledigd wordt, daar erkent Hij de waarheid in de leugen. Hij kan Zichzelf niet verlossen.
Het zwijgen des Heilands is heerlijke openbaring van Zijn volkomen gehoorzaamheid aan den Vader. Lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid. Lijdelijke gehoorzaamheid, want Jezus zal Zichzelf niet verlossen. Hij zal niet afkomen. Integendeel, al zal het ook gaan door Godsverlating heen. Hij zal niet eindigen voor „het is volbracht".
Laat het tot troost zijn van allen, die ontdekt aan hun schuld, zichzelf veroordelen moeten.
Ook dadelijke gehoorzaamheid is er te zien in Jezus aan het kruis. Zijn lijden is niet maar enkel een ondergaan, een over Zich heen laten gaan, zoals wij mensen vaak lijden, het is bij den Heiland daad, handeling strijd.
Hij doet daarin den wil des Vaders, Die Hem' gezonden heeft. Het zij tot bemoediging van allen, die niet smart in de ziel moeten ondervinden, dat, als zij het goede willen, het kwade hen bijligt. Hoort den Zaligmaker spreken in Davids psalm: „Toen zeide ik: zie, ik kom, in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, ;o mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uwe wet is in het midden mijns ingewands".
Als wij den Verlosser aan het kruis zoo mogen zien, dan wordt Hij dierbaar, steeds dierbaarder ook in Zijn zwijgen aan het kruis. Want zoo zwijgende betoont Hij Zich de Held, die verlossen kan, verlossen wil, verlossen zal.
Al is het ook, dat Hij ais een worm in het stof moet kruipen, zo is Hij toch ook de Leeuw uit Juda's stam, die al Zijn vijanden onder Zijn voet verplettert. Hij is de Held, dien wij in den 89sten psalm getekend vinden:
Gij hebt weleer van Hem, dien Gij geheiligd hadt,
Gezegd in een gezicht, dat zooveel troost bevat:
„Ik heb bij eenen held voor Isrel hulp beschoren,
„Hem uit het volk verhoogd; hem had Ik uitverkoren.
„'k Heb David, Mijnen knecht, Mijn gunsteling gevonden,
„En hem met heil'ge zalf aan Mij en 't rijk verbonden".
Psalm 89 : 9.
Later, wij dit vers samen zingen.
Jezus Christus, Die aan het kruishout werd genageld, is dus, M.G., de Verlosser, de enige, maar ook de volkomen Verlosser. Of schijnt u dit soms wat vreemd toe? Het zou niet te verwonderen zijn, want, verlossing door een mens, die aan het kruis hangt, die daar is als een machteloze, als een speelbal der volken, het is geheel tegen onze menselijke natuur in. De gekruiste Christus is den. Joden een ergernis en den Grieken een dwaasheid, en den doorsnee-mens van onzen tijd niet de moeite waard om er ernstig rekening mee te houden.
Er wordt meer verwacht van een sterke, geweldige figuur, die zich aan het hoofd van de massa wil stellen en zoo tot eer en roem, tot grootheid wil brengen. Dit komt, omdat een mens van nature geen besef heeft van de geestelijke banden waarin hij is gebonden. Hij is zoo blind, dat hij zijn blindheid niet opmerkt. Hij is zoo gebonden, dat hij zijn banden niet voelt. Althans de geestelijke banden. Ellendigheid, nood en druk ondergaat de mens nog wel. Wat gevoelt ook menig onbekeerd mens in dezen crisistijd, dat er veel banden knellen. Is het getal niet groot, dat nergens meer uitkomst ziet en tot doffe moedeloosheid, of erger nog, tot wanhoop en levensmoeheid vervalt?
Maar de ergste band, d.i. het gevangen zitten in de macht van Satan, zonde en dood, ach, dit beseft de natuurlijke mens niet. Daarom verlangt hij ook geen verlossing.
Als er maar iemand kwam, die de ellende van dit aardse leven kon wegnemen, of anders hem van de ellende verlote, was liet al goed. Er is in onzen veelbewogen tijd al uitermate sterk een vragen om, een uitzien naar een Verlosser. Er is een begeerte naar een uithelper. Wat zoekt men echter: een verlosser van en uit den nood of een verlosser van en uit de oorzaak van den nood? Op den bodem aller vragen en ook achter al den nood van dit leven, ligt toch der wereld zondeschuld ? Wie echter op deze
oorzaak, op deze schuld wijst, krijgt weinig gehoor. Wie ziet nu zichzelf als de schuldige ? Wie ziet zijn zonde, als de oorzaak der ellende Als het leven maar wat ruimer, makkelijker, fleuriger werd, zouden de meeste mensen het wel goed vinden. Er, uit de algemene ellende kan naar het oordeel van het menselijk verstand alleen voeren een krachtmens, een geweldenaar.
Dit dachten ook de Joden in Jezus' dagen. Maar toen Jezus naar het kruis ging, zeiden ze: We bedanken voor een Verlosser die aan het kruis hangt; zulk een mens kan ons niet verlossen.
En toch, wonderlijk evangelie, van zulk een mens is nu juist het heil te verwachten, omdat niet de aardse druk, doch de geestelijke doodstaat de vreselijkste band is.
Voor alle dingen is het nodig uit deze band verlost te worden, want indien dit hier in den tijd der genade niet geschiedt, wordt het straks bij het sterven, wie weet hoe spoedig, een eeuwig gebonden zijn in Satans wacht.
Wij liggen in den dood en zijn daarom, verloren. Het is zelfs niet zoo, dat wij straks verloren zullen gaan. Neen, wij zijn verloren. Hoe is het feitelijk met 'een onwedergeboren mens? Hij is te vergelijken met een bloem, die van de plant is afgesneden. Een bloem, die gij misschien op uw tafel hebt staan en die gij zoo mooi vindt.
Deze bloemen schijnen nog te leven. Zij kunnen ook enigen tijd in bloei gehouden worden. Echter, het duurt niet lang. Hoogstens, met allerlei kunstmiddelen, enige dagen. Ten dode gedoemd zijn de schoonste rozen, als ze los van de stam zijn. Zij worden spoedig achteloos en Waardeloos weggeworpen.
Ook de mens, die Jos van God is, is ten dode opgeschreven, al zou het ook zijn, dat hij zich tijdelijk in blakende gezondheid verheugt. De uiterlijke bloei is maar schijn. Vroeg of laat verwelkt de mens vanwege de macht des doods. Waardeloos wordt hij weggeworpen. Ja, indien ook maar weggeworpen. Het is veel erger. Wij moeten allen geopenbaard worden voor den, Rechterstoel van Christus.
Wij zullen voor God verschijnen, en als de Verlosser, de Borg aan het kruis niet onze persoonlijke Verlosser is geworden met Wien we, door het van God geschonken geloof, één werden, dan zullen wij het rechtvaardig oordeel Gods ondergaan,
Dan voor eeuwig in den dood, waar niets of niemand ons meer uit verlossen kan of zal, want als wij het bloed des Nieuwen Testaments onrein achten, blijft er geen slachtoffer meer over voor onze zonde.
O, gij allen, die de roepstem, des Heeren hoort, haast u om uws levens wil. Heden, terwijl gij Zijne stemme hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden. Nu is het nog de welaangename tijd. Nu is het nog de dag der zaligheid. De Heere laat u Zijn Zoon nog als den Enigen Verlosser prediken. In Zijn nederhuigende goedheid komt de God aller genade thans nog tot u. Hij zegt, wijzende op Zijn Zoon aan het kruis, tot zondaren, schuldenaren, tot des doods schuldigen: Deze is Mijn Geliefde Zoon, in denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem. Neemt Zijn gena ootmoedig aan. Laat Meriba, laat Massa u ten afschrik wezen.
Er is ook een volk, dat kennis kreeg aan de banden des doods en de macht der hel. Dat volk zingt menigmaal:
Ik lag gekneld in banden van den dood,
Daar de angst der hel mij allen troost deed missen.
Er zijn er onder dat volk die niet goed durven zingen, ik lag gekneld in banden, maar dan brengen ze een kleine wijziging aan en zingen: Ik lig gekneld.
Overdrevenheid, kleinzieligheid, zegt misschien deze of gene grote Christen van onzen tijd, die echter van kermen geen verstand heeft. Maar de worstelaar aan Gods genadetroon legt i n deze Woorden zijn zielsgesteldheid voor God bloot. Hij ligt gebonden in, de banden des doods. En, wat zo benauwt, is dit, dat er bij den worstelaar, den smekeling geen kracht is om uit de banden te geraken. Hoogstens kan hij een S.O.S.-bericht uitzenden. Een korte kreet: „Redt onze zielen". Of, zoals het in Psalm 116 staat: Och, Heere, och, wierd mijn ziel door U gered.
Zie, voor dezulken is er geen .heerlijker evangelie, dan te horen, dat er een Verlosser is, zo machtig, dat zelfs de vijanden van Hem moeten zeggen: Anderen heeft Hij verlost Verlossing, welk een heerlijke klank heeft dit in uw oren, o moegestreden, moegebeden smekeling aan Gods genadetroon.
Vele en sterke banden doen u zuchten.
Satan grijpt u gedurig aan. Hij laat zijn prooi niet zoo goedschiks los. Als een sterk gewapende bewaakt hij zijn vaten. Bij verlies tracht hij ze telkens weer terug te rooven. De vrees kan het hart wel bekruipen: Ik zal nog een der dagen door dezen helschen vorst omkomen.
O, gij, verdrukte door onweder voortgedrevene, ongetrooste weet het: Uw Verlosser ,is sterk. Heere der heirscharen is Zijn Naam. Hij is Degene, Die volkomen kan zaligmaken, d.i. verlossen van het grootste kwaad en brengen tot het hoogste goed. Hij kan volkomen zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan.
De zonde is ook een sterke band. Het woord van Paulus is alle oprechten uit het hart gegrepen: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam der zonde en des doods? Maar die in Paulus' woord hun nood en dood getekend vinden, dat ze ook luisteren naar wat deze dienstknecht van Jezus Christus er onmiddellijk op laat volgen: Ik dank God door Jezus Christus. Is het niet, alsof de Apostel het oog gericht heeft op den Verlosser aan het kruis, of wel, over het kruis heen op den Verhoogden Middelaar aan Gods Rechterhand, Die daar altijd leeft om voor Zijn duurgekochte Kerk te bidden?
Gewis, de vijanden zijn sterk. Maar sterker dan alle vijanden, dan alle machten van hel en dood, is de Verlosser, Die aan het kruis hing.
Dat dan het oog gericht moge worden op dien sterken Held, Die door Zijn lijden en sterven, door Zijn dood teniet heeft gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is de duivel. Met Zijn lijden en sterven draagt deze Held ook de zonde weg voor berouwhebbende zondaren, zoo ver, dat God ze zelfs niet meer ziet. Komen de verzoenden door Jezus' bloed niet voor God te staan, als hadden ze nooit zonde gehad of gedaan? Ja, als hadden zij al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor hen volbracht heeft? De behoefte der ziel en het smeekend oog ga dan heen naar dien Heiland, Die gebonden werd, zooils het formulier de H. Avondmaals zegt, opdat Hij ons zou ontbinden; ontallijke smaadheden geleden heeft, opdat wij van het oordeel Gods zouden vrijgesproken worden.
Er is geen andere Naam onder den hemel gegeven, waardoor een zondaar zalig kan worden. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. In Hem is het leven.
Door Hem, zoo schreef Paulus eens aan -zijn geestelijken zoon Timotheus, door Hem is de dood te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. De dood teniet gedaan, d.w.z. den dood al zijn macht én kracht ontnomen, zodat voor hem, die in Christus Jezus gevonden wordt, de dood geen dood meer is, maar een doorgang tot het eeuwige leven.
Zoekt dan den Heere en - leeft.
In Hem is ook alleen de kracht ,om te strijden den strijd des geloofs. Zonder Christus kunt gij niets doen.
In Christus kan geroemd worden: „Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft". Wanneer een dienstknecht als zijn Meester dezelfde spottaal moet horen van den vijand:
Waar is God op Wien gij bouwdet?
En aan Wien g' uw zaak vertrouwdet?
dan zal ook een gelovig zien top Christus kracht geven om zichzelf te verloochenen, het kruis op zich te nemen en Hem te volgen.
Moge dan ons aller leven maar zijn dicht bij Hemd: Die is de Verlosser, Die tot Zion is gekomen, n.l. voor degenen, die zich bekeren van de overtreding in Jacob, want:
Welzalig zij, die naar .Zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen,
Die Zions Vorst erkennen voor hun Heer',
Welzalig zij, die vast pp Hem betrouwen.
AMEN.
Psalm 2 : 7.


Maart 1934