Markus 4:26-29 'Het zaad dat uitspruit', prof. J.J. van der Schuit

Markus 4 : 26 - 29 prof. J.J. van der Schuit

DE ORGANISCHE GROOTHEID VAN HET GEESTELIJK LEVEN

Ps. 95: 4
Markus 4 : 1 - 23
Ps. 89 : 6, 7
Ps. 119 : 32
Ps. 126 : 3
Ps. 135: 11, 12

Ik wil aan de hand van deze gelijkenis met u gaan denken over:

De organische grootheid van het geestelijk leven.

Daarvan spreekt deze gelijkenis.
We gaan eens met elkander denken, vanmiddag, in het licht van deze gelijkenis, zoals ik het u al zei, als hoofdgedachte over de organische grootheid van alle geestelijk leven.

1. de levensaanvang
2. de levensvoortgang
3. de levensvrucht

Ziet daar het karakter tegelijk van die organische grootheid.

Kunt u zich denken het onderscheid dat er is tussen mechanisch en organisch? Hebt u daar wel eens over nagedacht? Een mechanisme, dat is een grootheid. Maar een organisme, dat is niet alleen een grootheid, maar een schoonheid. Mechanisme, dat is het product van mensenhand en menselijk denken. Organisme, met al zijn ideale kennis met zijn vingers (fikken) af. Organisme, daar doet een mens niets aan. Organisme is een scheppende grootheid.

We leven in een wereld van mechanisch kunnen.
We hebben geweldige overwinningen behaald. Ik denk weleens: Als vorige geslachten eens konden opstaan om te kijken in deze 20e eeuw. Ze zouden in een droomland verkeren en zeggen: Ach, we begrijpen het niet. Wij heersen in de sferen in de wereldruimte op een meest ideale wijze. We stijgen en we dalen en we heersen alzijdig met onze techniek, met onze bekwaamheid, met ons denken en ons durven, met ons kunnen en ons kennen. Geweldig zijn we mechanisch ontwikkeld. Maar organisch, daar doen wij geen steek aan, daar blijven we af. Het organisme, dat komt naar ons toe. Dat kunnen we alleen maar bewonderen,

Daar hebt u bijvoorbeeld nu, om het misschien wat duidelijker te brengen tot u een zaadkorreltje. Ik moet vanmiddag met u denken over het zaad.
Daar hebt u nu een zaadkorreltje. Wat is dat nu? Is dat nu een mechanisme, of is dat nu een organisme? Als het een mechanisme is, dan is het een voorwerp van menselijk denken. De mens kan dus iets zetten van het kunnen hier beneden. Als het een organisme is, dan is het een scheppende grootheid. Het zaad.
God vergelijkt Zijn Woord niet bij hetgeen wat een mens kan! maar bij hetgeen wat Gods schepping ons laat zien: een zaad.
Ik heb eens gelezen van een hoogleraar in de biologie. Dat was een man - gelovig - die vind je maar niet veel. Die zijn er maar sporadisch.
In de wetenschappelijke wereld noemt men het dikwijls heel wetenschappelijk als men niet gelooft. Maar er is geen wereld van gelovigen, dan juist in de wereld der niet-gelovigen. Daar moet je eens over nadenken.
Maar goed.
Hij geloofde niet in de Bijbel en zo meer. Ze geloven wel in wat anders. Dat moet je maar eens onderzoeken.
Maar goed - dit ene: deze man was een gelovige. Deze man knielde voor zijn God. Met ons beleed hij: "Ik geloof in God den Vader, Schepper des hemels en der aarde."
Deze professor komt op een morgen in zijn collegezaal en…. hij vindt daar zijn studenten. Hij zegt: “Mijne heren, ik heb vanmorgen eens wat zaadkorrels mee gebracht.”
En die legt hij op zijn handpalm. En hij zegt: “Als u nu deze zaadkorrels wil bekijken, zoals gij ze bekijken moet! dan hebt gij op uw handpalm hier het bewijs dat er een God bestaat!
Want hier is een organisme.
Dat er een God bestaat.
Immers, in die zaadkorrel treedt een levenskiem, een levenskracht die alle wetenschap en alle mannen van het genie te boven gaat.
We leven in een tijd, waarin het laboratorium alles kan onderzoeken. En nu denk ik mij, dat we eens gaan naar een laboratorium, met prachtige zaadkorrels. En dan kom je bij zo’n man van wetenschap, en dan zeg je: “kunt u voor mij die korrels eens onderzoeken.” En dan zegt die man: “jawel.” Het is natuurlijk een chemicus. Wat kan een chemicus tegenwoordig niet onderzoeken?!
Hij dringt in tot in de kleinste kleinigheden van de wereld van beneden. Hij onderzoekt nu alles.
Er bestaan bijna geen geheimen meer voor de microscoop. Hij dringt door tot in het allerkleinste toe. Hij zegt: “Jawel, dat kan ik wel onderzoeken. Komt u morgen maar terug, dan zal ik u het resultaat van de analyse wel geven.”
En als je dan wat korrels gebracht hebt, dan kom je morgen of overmorgen bij hem terug, en dan vraag je: “Wel, meneer, hoe is het uitgevallen?”
En dan zegt hij: "Wel het waren prachtige korrels. Het was zoveel procent hiervan, en zoveel procent daarvan.” Dat lezen ze allemaal zomaar in die korreltjes.
En dan kom je de volgende morgen weer bij hem terug, en dan zeg je: “Meneer, ik ben hier weer. Ik kom eens even met u praten. Ik heb zoveel procent hiervan, en zoveel procent daarvan. Maak me nu ook eens een zaadkorreltje.”
Dan zegt hij: ”Tja, een zaadkorreltje maken??”
Ja, hij kan wel zoiets in elkaar zetten. Hij kan natuurlijk wel zoiets in elkaar frommelen -
zoiets wat er op lijkt.
Maar, wat kan die man nu niet?
Hij kan er de levenskiem, het levensgeheim; hij kan de Godskracht niet in die kleine korrel brengen! Die scheppende grootheid die in zulk een zaadkorreltje ligt - daar is dat grote organisme met die grote diepte van Gods eigen organisch Wezen, die uit dat leven leven op wil roepen in de schepping.
Alle dingen zijn uit God, vrienden. En daarom is het voor mij zo’n rijke gedachte, als de Heere Jezus die gelijkenissen gaat spreken over het Woord, dat maar niet een hamer en een vuur is. Dat is het ook. Maar het is voor mij veel rijker, en veel diepere gedachte, dat het Woord vergeleken wordt, gelijk hier in de gelijkenis bij een zaadkorreltje, hoe klein ook.
Het is toch zo krachtig en zo groot, dat het alle wetenschap verre, mijlenver achter zich laat. En nu is dit zo schoon, dat hier deze gelijkenis ons gaat spreken van dat zaad. En het zaad is het Woord van God.
Want in zo’n zaadkorreltje, vrienden, schuilt een kracht! Een kracht, dat is juist het kenmerk van een organisme. Daar schuilt een kracht in.
Een mechanisme is een dood ding! Dat zet je op z’n plaats. Want de jongens die vanmiddag hier zijn, die weten wel wat een meccanodoos is. Ja, zo’n meccanodoos waar je wel zin in hebt. Prachtig. Het in elkaar zetten, en het uit elkaar halen, een hefboompje van maken. Maar het blijft op z’n plaats. Dat doen de kleine jongens, dat doen de grote genieën, ze zetten dingen op hun plaats. En dan staat het er.
Maar een organische grootheid vrienden, dat is een kracht dat zich ontwikkelt, naarmate je het de tijd geeft om het te laten groeien. Maar daarom schuilt er een kracht in. Macht is er bij een mens, maar kracht is er in een zaadkorrel. Dat is wat anders. Macht is de veelheid van de mensheid. Macht is de slag met het zwaard. Macht is de atoombom.
Maar een zaadkorreltje is meer waard dan een atoombom. Die prutsen de mensen in elkander. En die slaat de mensen uit elkander. En vermoordt de mensen samen bij tien maal tien maal duizendtallen.
Maar een zaadkorreltje is een kracht, een kracht Gods.
En nu kan ik begrijpen dat het Woord van God een zaad genoemd wordt; dat Het een kracht Gods tot zaligheid is.
Een kracht Gods, niet een macht! Macht is de veelheid. Kracht is de eenheid.
Macht is de uitwendigheid. Kracht is de innerlijkheid.
Macht zijn de duizendtallen. Maar kracht is de diepte.
En nu gaat het in het Koninkrijk van God niet om de macht, dan moet je bij de wereld zijn. Dan moet je bij de natie van vandaag zijn. Maar het gaat in het Koninkrijk Gods om de kracht. En die kracht die werkt, dat moet u altijd maar opmerken bij organische grootheden, die werkt in de diepte, en die werkt in de stilte.
Geestelijk leven gaat naar de diepte, en komt uit de diepte, uit de stilte, roepende en schreiende om de levende God.
Want, wat uit de God des levens is, roept om den God des levens.
Leven schreeuwt om het leven…… om in leven te blijven.
Nu spreekt dit woord van de gelijkenis. Dit woord spreekt ons ervan. “Een mens”, zegt de Heere Jezus: “die zaad in de aarde werpt." Daar gaat die man.
Levenskracht, levensgeheimenis, dat is het zaad. Maar het moet in aanraking komen met de aarde. Want hij strooit zaad in de aarde.
Het Woord van God is een kracht! (Maar) het moet in aanraking komen met……? Met….? Samen (met mij) meedenken! Met uw en mijn ziele-bodem. In aanraking komen met elkander.
Het moet niet naast u blijven liggen! Het moet (gelijk hier staat) in de aarde komen. Dat is: in de diepte komen. Kijk, je zou het zo kunnen zeggen, aan de hand van de gelijkenis: De zaaier werpt zaad.
En het moet! Want hij kan geen oogst verwachten, of hij moet zaaien. En toch….. aan het grote werk, waar het eigenlijk om gaat, daaraan doet die zaaier niets! De zaaier doet het werk tot op de grond - hij strooit. Maar het werk in de grond, in de diepte, waar dat organisch proces zich gaat ontwikkelen daar komt de hand van die zaaier niet bij.
Het werk in de diepte, dat houdt God voor Zichzelf in het natuurlijke en ook in het geestelijke.

Onze ouders die God vrezen, broeders en zusters, wat zouden ze gaarne kinderen zien groot worden, die met hen de Heere vrezen.
En hoe menige vader en moeder moet niet zijn tranen schreien om zijn zoon en dochter die op het pad der wereld gaan met versmading van het Woord.
Dan is er wel gezaaid. Daar is wel in die gezinnen gebeden. Daar is wel gelezen. Daar is wel gewaarschuwd. Maar het was het werk boven de grond nog maar.
Het was het werk niet in de grond, want mensen bekeren, vrienden, in de diepte van uw zielsdoorleven, dat houdt Gods Geest alleen aan Zichzelf.
Het werk in de diepte…..
Want als dat zaadkorreltje daar in die aarde ligt, dat het organisme zich daar gaat verplaatsen dan begint er een proces. Een levensdiep, een levensgeheimenis in stervenspijn en levensgroot. En dat zou je toch niet durven zeggen als je het niet ziet. Jezus zegt het Zelf ergens, als het zaad in de aarde niet sterft, dan brengt het geen vruchten voort.
Ik denk altijd als ik het grote natuurproces zie, en dat is altijd een geheimenis voor mij, maar
Het natuurlijke is altijd voor mij een beeld van het geestelijke, vrienden. Je moet de dingen leren zien! Het natuurlijke het beeld van het geestelijke. En het zichtbare het beeld van het onzichtbare. En het relatieve, het beeld van het absolute. U moet de dingen altijd zien in de kristallijne diepten van de eeuwigheid, zo moeten we het tijdelijke leren zien. Eerst het natuurlijke en dan het geestelijke.
Maar zo zou je ook kunnen zeggen: "Ja, je ziet het omdat je het weet." Nou ja, dat is de oppervlakkigheid van ons mensen, je loopt er langs heen.
Maar als je voor een akker staat, dan kun je zeggen, nou uit die akker der verrotting moet nu voortkomen de weelde van tien- en twintig- en dertig- en honderdvoudige vruchten. Nu zal je zeggen, maar dat kan toch niet. En toch is het zo. Het aards diepe waarin de zaadkorrel het sterven ondergaat, en tegelijk rijker begint te leven. Dat is het wondere geheimenis, stervende, en ziet wij leven, vrienden.
En daarom vind ik het zo prachtig in deze gelijkenis, dat de Heiland hier spreekt van een zaad dat valt in de aarde. En dan? Dat zaad, dat spruit uit, staat er. En dat wordt lang, dat het zelf niet wist hoe. Merkt u, hoe hier getekend wordt dat het langzaam procesmatig worden van al wat leven is? Leven, dat is een wonderlijke grootheid, broeders en zusters. Leven is een ongedeelde grootheid. Je kan leven niet in vakjes zetten. Daar moeten we heel voorzichtig mee wezen ten opzichte van ons geestelijk leven. We moeten de dingen niet naast elkaar zetten: dat is een vakje voor de wedergeboorte, dat is een vakje voor het geloof, en dat is een vakje voor de rechtvaardigmaking, en dat is het vakje voor de heiligmaking. Vroeger namen we dat vakje, en nu nemen we dat vakje, zo is het niet! Ik zie de dingen heel anders. Ik zie de dingen heus niet zo als men spreekt van verschuivingen, dat men kan zeggen, vroeger was het meer de wedergeboorte, en nu hebben we dat andere vakje. Nee, geestelijk leven is een totaliteit. Dat is alles tegelijk. Niet alles in dezelfde mate en in de grootte, maar het is alles tegelijk. Een kind dat geboren wordt, dat is een volmaakt mens, in die zin dat het een welgeschapen zoon of dochter is, dat is een volkomen mens. Alleen het moet nog wat ontwikkeld worden. Er moet iets bij komen. Dan moet je voor het leven in ongedeelde grootheid altijd denken en spreken.
Iemand werd eens gevraagd: Als nu God een mens bekeert, wat zal je dan het eerste doen? Zal dan het eerste wezen, dat hij gaat bidden? Zal dan het eerste wezen dat hij gaat geloven? Zal dan het eerste wezen, dat hij over rechtvaardigmaking gaat denken? Wat zal dan het eerste wezen?
Hij zegt: "Ik zal het je antwoorden. Je moet mij eens vertellen wat het eerste is, wanneer het wiel waarin zoveel spaken zitten, welke spaak van het wiel het eerste draait, wanneer het wiel in beweging gezet wordt?"
"Nou", hij zegt, "ze draaien allemaal tegelijk."
Zo is het ook met het geestelijk doorleven, vrienden. Het geestelijk doorleven dat is zulk een grootheid, dat gans uw ziele zal leven en uw persoonlijkheid daarin meegenomen wordt. En dat u in de Christus Gods de volheid van uw zaligheid leert zoeken, al duidelijker, al klaarder, al heerlijker, al vaster. De zaligheid is uw genade, waarin gij eerst geloofd hebt, het rijke ontwikkelingsproces door al wat geestelijk doorleven is, dat hij zelf niet wist hoe. En als u nu moest vertellen vanmiddag, hoe het daar van binnen toegaat als uw geest met Gods Geest getuigt, wat zou u dan vertellen? Dan zou u iets misschien kunnen vertellen, maar zoals het werkelijk is, vertelt u het nooit. Dat is een Godsgeheimenis van de ziel, broeders en zusters, dat alleen maar doorvoeld wordt, en doorleefd wordt door de mens die het doorleven kan en het mag. Niemand weet wat des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is. Niet het beredeneren van ons geloof, maar het geloven van dat geloof, dat wordt geloof vrienden. Het leven van het leven in de schreeuw om het Leven.

Nu staat er in deze tekst een wonderlijk woord. Daar staat iets dat men moeilijk, op de klank af althans, moeilijk kan vinden, misschien ook nu wanneer ik het begin te zeggen. Dat ik moeilijk kan vinden, moeilijk kan begrijpen ook. Daar staat in die gelijkenis: "Want de aarde
brengt vanzelf vrucht voort."
Vrucht, dat is wel een pracht ding.
Vrucht is al weer een beeld van organisch leven.
Vrucht kunnen de mensen niet maken. Daar moet men op wachten.
Vrucht is een ontwikkelingsproces.
Maar dat de aarde vanzelf vrucht voortbrengt…….
Dat weet ik niet; ik weet alleen dit, dat de aarde vanzelf distelen en doornen voortbrengt!
Dat weet ik wel. Maar dat de aarde vanzelf..... Wat vanzelf komt, vrienden?
U heeft misschien hier wel een tuintje om je huis. Ik zie dat hier wel. In de stad kennen wij dat niet, met alle flats. Maar jullie hebben een tuintje, hier. Bent u wel eens met vakantie geweest? En dan moet je na zes of acht weken, of nog korter, terug keren, dan moet je naar je tuintje kijken. Als er in die tijd niets aan gedaan is, dan zeg je: "Maar lieve mensen, wat ziet dat eruit!" Het staat vol met onkruid. Zo maar vanzelf schiet het uit de grond. Een woestenij is het. Je hebt er je handen vol aan, om het weer een beetje in orde te krijgen.
Want vanzelf komt vrienden, dat is toch geen vrucht?! Wat vanzelf bij een mens opkomt…….
vanzelf, uit zijn eigen persoonlijkheid, uit zijn eigen begeerlijkheid, uit zijn eigen winzucht. Uit zijn eigen driftzucht, uit zijn eigen seksuele aanleg, wat er uit die mens opkomt, zomaar vanzelf opkomt, wat er in die wereld van dromen opkomt, vrienden, wat is dat toch eigenlijk? Die wereld waarover u de correctie niet meer hebt, die wereld, waarin de remmen u uit uw handen worden genomen. Die wereld waarin de speelruimte is van uw begeerlijke geest, om het zo maar te zeggen. Wat is dat in die diepste diepte van een mens, wat daar begint te ontwaken? wat zo vanzelf uit de wereld van ons innerlijk streven en willen op komt? Dan zeg ik: "Heere, het is soms schandelijk om het te zeggen!" Je moet het maar niet zeggen ook.
Heb je jezelf zo leren kennen? Dan zal het je weleens gebeuren.
Ik zat eens een keer, ja jaren geleden al, bij een oude man. Ik was toen een jongeman. Ze noemen mij tegenwoordig ook al oud. Natuurlijk, ik ben het ook al. Maar goed, ik zat bij een oude man. Ik had veel respect voor hem. Een man midden uit het volk, met een geniale aanleg, met een rijke kijk in het Woord van God. Je hebt van die mensen met geniale gaven. Ik kom op een morgen bij hem. We hadden altijd gesprekken over dit en over dat. Ik herinner mij de beste uren aan zijn bed. Hij zegt: “het is toch zo mis.” Ik zeg tegen hem: “Wat is er mis? ”Hij zegt: “Ach, ik heb vannacht gezegd: "Heere, Heere, zou zulk één nog in de hemel kunnen komen?" Want dominee, wat er vannacht in mijn dromen afgespeeld heeft? Nu ben ik zo oud en heb gezegd: “Heere God, hoe is het toch mogelijk.”
Dan leert de mens zich ook kennen. Wat er zo vanzelf komt broeders en zusters. Dan zeg ik: "Heere, zou ik er straks nog éénmaal komen?"
Wat zullen we straks, als we eens gans doorlouterd zijn, als we eens binnenste buiten gekeerd kunnen worden. Als we eens dit mogen weten, dat het bloed van Christus ons dan reinigt van alle zonde. Wat zullen we dan in vlekkeloze schoonheid voor onze God staan.
Maar nu nog…. Ach, wat er vanzelf opkomt is toch zeker geen vrucht. Maar daar komt nog wat bij.
Vanzelf komt er ook niets ook! Er is altijd een diepere oorzaak. Er is altijd een wet der causaliteit (zou men kunnen zeggen). Die dringt naar buiten.
Vanzelf…..
Ik weet wel, we leven in een tijd….. Ik las dezer dagen nog in de courant van één of andere geleerde. Hij zegt: Ach, de aarde, de wereld bestaat zoveel miljard jaren.
Ja, natuurlijk, het komt op geen miljard aan. Wat kan het schelen?
En heel dat verbrandingsproces van die wereld in zijn ontstaan, dat is al zovele eeuwen en eeuwen en miljarden jaren geleden, waarin heel die wereld in chaotische conflicten met elkander was, en…..
Ja, best mooi gezegd. Maar: Hoe is dat ontstaan??
Ja, ontstaan?? Dat kun je niet anders denken. Dat is vanzelf.
Dat is makkelijk redeneren, op die manier. Als de wetenschap het antwoord niet meer weet, dan weten ze het altijd zo dat ze zeggen: “Het is vanzelf.”
Vanzelf.
Dat is ook een groot geloof. Er zijn geen grotere gelovigen, dan de ongelovigen - als je het maar goed doordenken kan.
Vanzelf komt er niets.
Ja, dominee, maar het staat er!
Maar….. wij moeten altijd goed begrijpen niet dat wij de Bijbel lezen, maar hoe wij de Bijbel lezen. Het gaat er maar niet om, om maar te zeggen: Het staat in de Bijbel, want dat doet de duivel ook. Die zegt ook het staat in de Bijbel. Er staat zoveel in de Bijbel. Maar omdat het in de Bijbel staat, dan aanvaard ik het nog niet zoals deze en gene het leest. Als het in de Bijbel staat, dan zeg ik niet het staat in de Bijbel, maar Hoe staat het in de Bijbel? Waar staat het in de Bijbel.
Wat is de omlijsting van het Woord van de Bijbel? Wanneer ik er dan over ga denken, dan zeg ik: “Het staat in de omlijsting, dit Woord…… Het staat niet op zichzelf. Maar het staat in de omlijsting van de gelijkenis. Ik moet het dus in die omlijsting van die gelijkenis zien. Ik moet het dus eerlijk, tegenover die gelijkenis staande, dus lezen van die mens, die zaad in die aarde werpt.
En als dat zaad in die aarde is, dan hoef ik er met mijn handen niet meer aan te komen! Dan gaat het vanzelf. Dat wil zeggen: “Mens blijf eraf! Laat dat nu eens aan God over.”
En daarom zeggen onze oude vromen weleens: Geestelijk leven dat is een vanzelfsheid of het wordt een onmogelijkheid. Eén van beide.
Het gaat vanzelf of het gaat helemaal niet.
Ik hoef, jonge mensen, als jullie waarachtig God vrezen, niet te zeggen, dat je bidden moet.
Ik hoef, als jullie de Heere waarachtig kennen en zoeken, niet te zeggen, dat je naar de kerk gaan moet. Ik hoef je niet te waarschuwen voor dit en voor dat.
Ik hoef aan de zon aan de hemel niet te zeggen: “Zon, ga toch alstublieft schijnen.”
Die schijnt altijd, al zie ik het niet altijd.
Dat behoort tot de aard van die zon.
Ik hoef tot een roos niet te zeggen, al geurt hij niet altijd op dezelfde manier: “Je moet geuren!” Want die roos geurt. Die is een roos!
En ik hoef tot een mens die God vreest, niet te zeggen, dat hij God moet zoeken. Hij zoekt God, al is het niet altijd op dezelfde manier. Ze hoeven mij ook niet te zeggen dat ik geloven moet. Ik geloof altijd, maar ik geloof niet altijd op dezelfde manier. Het gaat vanzelf.
Dat behoort bij de aard van het geestelijke leven.
Het gaat vanzelf.
Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God.
En welgelukzalig, wanneer we dat Godsgeheim mogen leren kennen, al kunnen we op alle vragen die gesteld worden, geen antwoord geven.
Eén ding weet ik, Heere, dat ik U niet meer kan missen!
Maar dat ik die wereld makkelijk kan verzaken, als ik U maar "mijn God!" mag noemen.
Welgelukzalig het hart, dat iets van dat geheimenis kent.
Het staat er zo prachtig! Eerst - en nu gaat het over het ontwikkelingsproces - eerst (staat er) eerst het kruid. Die kiem!
Het is niet direct de aar. Het is niet direct koren. Het is niet direct……
Het is eerst in het kleine; eerst de kiem. Eerst dat kiemen; dat kleine.
Ik liep eens met een boer bij zijn akker. Het was in het voorjaar. Ik zeg tot hem: “Is er al gezaaid?” Hij zegt: “Jazeker! Ja, er is gezaaid, hoor.”
Ik zeg: “Zo. Je kunt er niets van zien.”
De akker was nog zwart.
Hij zegt: “Kom maar eens mee.”
En ik liep met hem mee - zijn akker op en ik zie het hem nog doen, heel voorzichtig, zware Zeeuwse klei deed hij zo weg. En hij zei tegen mij: “Kijk nu eens. Kun je dat wel zien?”
Ik zei: “Ja.”
En daar zag ik dat zaadkorreltje, hoe het aan het kiemen was. Een hele kleine kiem begon zich daar onder de aarde al te ontwikkelen - de sprake van het leven in de donkerheid.
Hij zegt tegen mij: “Niet aankomen, hoor! want dan kun je het alleen maar beschadigen.”
Je kunt het alleen maar bewonderen.
Gods werk, vrienden, dat kun je alleen maar bewonderen.
En daarom, Gods kinderen leven in het wonder, om het wonder te bewonderen. En ik hoop, als we straks in de hemel zullen komen, mijn broeder en zuster, dat we alleen maar ons zullen kunnen verwonderen.
Alle waarachtig geestelijk leven begint met een wonder…. en het wonder om het te blijven bewonderen.
Je kan het alleen maar bewonderen zo’n kiem te zien, en te zeggen: “Heere God, wat is dat toch groot, wanneer uw machtige Majesteit spreekt.”
Geen mens, geen sterveling maakt het na.
Maar het spreekt voor zichzelf.
Geestelijk leven spreekt, hoe klein ook, hoe gering ook….. al staan we van verre
al kunnen we nog niets ons toe-eigenen, al durven we niet zeggen: "Ik ben des Heeren." Al kunnen we niet praten over rechtvaardigmaking en ik weet niet wat voor grote stukken. Maar geestelijk leven spreekt voor zichzelf, in zijn kiemverhouding, dat is in zijn zuchten, tranen naar God omhoog.
Mijn hart en mijn vlees roepen om de Heere.
En gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Dat is, hetgeen dat ik hier lees.
Eerst dat kleine, dat onbeduidende, maar dat is het begin van het zalig “alles”.
God begint met het kleine, om het grote ons straks te geven.
De wereld wil in het grote spreken en gaat straks in het niet ten onder.

Eerst het kruid……… daarna komt de aar.
Dat is een meer-rijker-ontwikkelingsproces.
Dan begint het al meer te spreken. De aar - wat is dat? Dat is geen kiem meer. Maar dat is ook geen koren. Dat is evenmin het koren.
Dat is het omhulsel; dat is de buitenkant van de binnenkant - laat ik het zo eens mogen zeggen. Dat is de aar. De buitenkant van de binnenkant.
De aar is het huisje (mag ik het zo eens zeggen?) waarin het koren bewaard wordt. Waarin dat koren zich kan ontwikkelen! Als die aar er niet was, dan zou dat koren door de wind her en derwaarts vliegen. Maar nu wordt het in die aar bewaard.
En als gij mij vraagt, wat dat is? dan zeg ik: Kijk, broeders en zusters, daar zie ik nu iets in…
als God u en mij geven wil en geven zal een goed inzicht, een helder begrip, een klaar verstand in de dingen van het geestelijk leven. Zeker, dat is de buitenkant.
Dat is nog niet het diepste diep. Maar ik acht het toch van het grootste belang.
U mag vrij weten: Ik behoor niet tot hen die zo gemakkelijk gaan zeggen: Het zit slechts hier. En het moet hier zitten.
Die tegenstellingen bestaan niet in het organisch, geestelijk doorleven.
Ik vind het van rijke zin, als God een mens gaven geeft, de één meer en de ander minder, maar dat Hij aan Zijn kinderen gaven geeft in de klaarheid van denken en in de juistheid van voorstelling. Dat moge de buitenkant zijn......
Ik neem twee reformatoren. Ik denk bijvoorbeeld aan Luther en Calvijn. Luther was een sentimenteel man. Luther was een man van het ogenblik. Luther was de man van de overrompeling! van het moment. Luther kon ogenblikken hebben, dat hij op de hoogte van
het leven stond om de grote jubel te laten horen. En hij kon ogenblikken kennen, dat hij als een Elia neergedoken lag en neer geslagen werd in de donkerheid en dat zijn gordijnen dicht gingen en zeggen: "God is voor mij dood. Ik weet het niet meer."
Dat was Calvijn niet. God had Calvijn een rustig, diep inzicht in Zijn waarheid gegeven. Calvijn was de rustige denker.
Om te graven in het Woord van God. Om niet zozeer in het sentiment te leven, maar de diepte van het kennen van de HEERE Heere.
En daarom acht ik dat van grote betekenis, als God ons die klaarheid van inzicht wil geven.
En als we dan dit hebben, dat zich daarin begint te ontwikkelen die rijkere mate van kennis, dat is het koren! Dat is het beeld van die mens die God, volzalig in al Zijn klaarheid, in al Zijn Godsbemoeienissen naar een verloren mensenhart zoekend, leert kennen en die voortgaat om de Heere te kennen, in het kennen van Zijn ordonnantiën, in het kennen van Zijn wegen, in het kennen van Zijn heiligheid, om de deugden te verkondigen van Degene Die ons geroepen heeft uit de duisternis tot de klaarheid van Zijn licht. Broeders en zusters, als we zien hoe in Gods diepe, rijke Wezen alles ontsprongen is, om een verloren mensenhart tot de zaligheid te brengen! dan wordt het u al groter en groter dat God Zich bemoeien wil met zulk één als gij en ik ben.
Dat koren, die voldragen vrucht dat zijn (laat ik het zo eens mogen zeggen) dat zijn weldoorgeleide kinderen Gods, die weten waar ze vandaan komen, hoe ze in Adamverloren liggen; hoe ze in Christus statelijk zijn gerechtvaardigd, en standelijk tot klaarheid komen, om te weten wat ze aan den Christus Gods in het rechtsgeding van God mogen hebben.
Heb je zulke mensen weleens ontmoet? Die tot zulk een klaarheid van zichzelven in het staat- en in het standleven van het geestelijk doorleven in den Christus gekomen zijn?
Dat zijn geen moeilijke mensen. Dat zijn heus geen moeilijke mensen. Dat zijn mensen die met de kleinsten in de genade kunnen praten.
Ik weet wel er zijn…… ja, ik weet niet of ze hier wonen. Maar ik weet wel: je hebt van die rare dragonders, ja, ook wel in ons kerkelijk leven, maar je hebt van die rare dragonders die alles zo’n beetje kapot slaan! En die zeggen: "Dat is niets! en dat is niets! En dat is ook niets!"
Ik heb ze wel gekend.
Het is allemaal niets.
Ze denken alleen aan d’r eigen. Weet je waar ik die mensen altijd mee vergelijk? Die vergelijk ik met zo’n bomensnoeier. Die hebt u weleens bezig gezien.
Hij is aan het hakken. Dan zit hij op een tak, en dan hakt hij dit weg en hij hakt dat weg. En hij hakt alles weg behalve de tak waarop hij zelf zit.
Zo is het met die mensen ook. Nee.
Dat zijn niet….
Gods kinderen zijn teer in de dingen van het geestelijk leven. Die zeggen niet: "Dit is niets en dat is niets."
Gods volk is een teder volk.
Vandaar dat de Heere Zelf zo teder is, dat Hij zegt: “Wie Mijn volk aanraakt, raakt Mijn oogappel aan.”
Nu, daar is niets teerder dan uw oogappel, vrienden. God maakt Zijn volk teer, omdat God zelf zo teder is.
En daarom, wanneer ge die kinderen Gods die een meer voldragen vrucht zijn (zou ik zeggen) die weten precies waar ze vandaan komen. Ze kunnen met de kleinste in de genade praten.
Als ze zo’n zuchter in Sion ontmoeten, zo’n kleine zien, die daar van verre staat - weet je wat ze dan zeggen? “Daar kom ik ook vandaan!”
Dan zeggen ze niet: "Dat is niets!" Dan zeggen ze: "Die tijd heb ik ook gekend, toen ik daar zo zuchtend was….. en vroeg: Heere, zou het wel waar zijn? Heere, ik weet het niet. Heere, ik heb toch zin om U te vrezen. Heere."
En dan kunnen ze bij elkaar komen! die kleine met die grote, die jonge met de oude. Dat kruid en die aar en dat koren en dat zaad.
Ze kunnen elkander ontmoeten! Die standelijkheden, dat gans organisch geestelijk doorleven.
En weet u: als ze elkaar mogen ontmoeten, dan kunnen ze verscheiden van elkander zijn, en onderscheiden in geestelijke mate. Dat geeft niet.
Maar met elkander kunnen ze één ding zingen! en ik hoop dat u het vanmiddag ook mag zingen, vrienden, zingen niet alleen met je lippen, maar zingen met je ganse hart: Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen en leven naar Uw Goddelijk bevel. O, Heere, hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen.

We zingen Psalm 119: 32

Nu levensvrucht en levensrijping….. want de oogstdag komt.
Het leven is geen worp van het toeval, is geen rollende golfslag in de zee.
Maar het leven heeft inhoud en bestemming.
Spinoza zei eens, en het was helemaal geen dominee gelijk u weet, Spinoza zei: “Het leven is er niet om het te belachen! En het leven is er niet om het te bewenen. Maar het leven is er, om het te verstaan!”
Inderdaad, om het te verstaan.
Jonge mensen: Onthoudt dat. Het is inhoudrijk gezegd.
Het leven is geen spel van het ogenblik, is geen balzaal van de pret, maar moet verstaan worden!
En dan weten we dat dit leven er is als een rijping! Gelijk ieder mens in de aanvang van zijn leven staat naar een ontplooiing, ieder op zijn manier, ieder in zijn vak, ieder in zijn studiegang - wat hij ook is - hij staat naar de ontplooiing.
Hij staat in de doelstelling. Hij wil dat leven niet leeg zien, jonge mensen, is het niet waar, wat ik u hier zeg? Dat is toch zo?! Als je tenminste geen vaatdoek wil zijn. Je hebt van die vaatdoeken die niets betekenen, maar daar reken ik jullie niet bij. Ik reken jullie tot jonge mensen die over de dingen nadenken.
Dan ga je naar de ontplooiing zoeken, de jongeling en de jonge dochter, met elkander, hoe dan ook. Dat is het rijpingsproces, wat wij leven noemen.
Zo gaat het feitelijk met heel de wereld. Heel de wereld rijpt! In de Openbaring vind ik dat machtige Woord - daar gaat het niet over de kerk - nee, u moet wat verder kijken in de grote wereldverbanden. Dan staat er, dat de oogst der aarde rijp is geworden! Hoort u dat wel? De oogst van de aarde - dat is van die mensen die in het café dansen, die daar vandaag op een dag als deze in het stadion zitten en in de handen klappen van tienduizend of zestigduizend. Dan is de stand 1 - 0 geworden. Nou.
Die oogst der aarde in zijn begeerlijkheid, in zijn wulpsheid, kijk, je zou dit kunnen zeggen: de satan en de zonde rijpt evengoed voor de toekomst dan dat God en Zijn werk rijpt voor de toekomst. Natuurlijk - satan krijgt van God de tijd om te ontplooien, wat die satan kan!
Dat zul je zien in de naaste toekomst.
Jonge mensen, jullie zullen nog in een wereld komen, waarvan je straks zult zeggen - onthoudt nu maar eens wat die oude man je vertelt - in een wereld komen, je kunt straks wel zeggen: Hier geldt een keuze: of links of rechts, of de meerderheid of de weinigheid.
Of bij de naamchristen, of bij de Christus der Schriften.
Aan de linkerkant ligt de ijdelheid voor u - in de waas en in de gedaante en in de lichtglans van een soort van waarheid in satanische verleidelijkheid.
Aan de rechterkant ligt de schoonheid der stilheid - want schoonheid en stilheid horen samen. We hebben de schoonheid der waarheid om God te zoeken.
Ik weet, jonge mensen, we leven in een tijd voor jullie, die ontzettend moeilijk is. Ik kom uit een gans andere wereld als jullie. Ik denk graag over jonge mensen na, tegenwoordig. Toen wij jong waren hadden wij die problemen niet, die jullie vandaag aan de dag hebben. Je staat op het ogenblik voor vraagstukken die ik in mijn jeugdjaren niet gekend heb. Daar wordt van jullie ontzettend veel gevraagd om….. om getrouw te zijn.
En toch zal ik zeggen: “Vreest God en doe….. wat je wilt.”
Ziedaar.
Maar dan dat eerste goed onderschrijven: de Heere vrezen. Niet maar Zijn Naam eens een keertje noemen, niet maar een keertje in de kerk en dan ook nog eens een keertje dit of dat… in de ontoelaatbaarheid der dingen. Nee, nee, de Heere in oprechtheid vrezen.
dan mag je voor mijn part doen wat je wilt, want je wil gaat uit om de Heere te vrezen, al moet je vaak over jezelf struikelen.
Maar welgelukzalig het hart dat bij aanvang deze dingen heeft leren kennen, vrienden. We staan in deze wereld met een apparatuur! die zo verleidelijk is, die ons zo mee troont en mee neemt op die paden van vleselijke geneugten, waarvan wij voorheen niet hebben kunnen dromen. Die ons meenemen naar alle kanten, die in onze huisgezinnen komen, die in onze binnenkamers komen, die in onze dromen komen.
We hebben een wereld rondom ons, waarin al meer en meer liederlijkheid en naaktheid zich ten toon zal spreiden! in de wellust van de toekomst.
Ik zeg hier geen woord teveel.
Wie zijn tijd kent, en wie de bladen leest die weet wel wat er is, en wat er aanstaande is.
Ik hoef ze hier niet bij name te noemen! De dingen die genoemd kunnen worden op seksueel gebied, en de verwording van de seks, ook bij de jonge mensen onderling.
Maar het zijn dingen die woelen aan het fundament van ons volksleven.
En, ach, de kerk zakt langzaam mee.
En daarom, jonge mensen, vreest God, dan kunt ge de oogsttijd afwachten. Want die komt zeker! de ure waarin dit leven uitgeblust wordt, en waarin dit leven met al zijn geneugten u niet gebracht heeft, wat ge ervan verwacht hebt.
Nee.
Ik zat (laat ik u dat nog eens zeggen) ik zat bij het sterfbed van onze dominee F. Bakker, waarvan u wel gelezen hebt. We zaten met elkander te spreken, zo makkelijk. Wat is het makkelijk als een mens in zijn stervensure boven de dood uitklimt. Wat is dat makkelijk.
Hij zei tegen mij: “Professor,” zegt hij - hij is een leerling van mij geweest - hij zei: “Ik heb geleefd……. maar nu worden al die tijdelijke dingen zo betrekkelijk. Ze gaan me zo allemaal ontzinken. Nu blijft er maar één ding over, dat ik het eigendom van de Heere ben.”
Dat is inderdaad zo. Als je dat niet bent, dan kom je aan het eind van het leven, en dan zeg je: “Eens was ik alles, en nu word ik niets.”
Maar zalig het hart, dat weet wat het is: Ik rijp voor de eeuwigheid der zaligheid en de zalige eeuwigheid, als halmen op de akker en niet als onkruid dat verbrand zal worden.
Ik rijp…..
Het staat er zo prachtig: Als de vrucht zich voordoet, als de vrucht het toelaat, is een duidelijkere vertaling ervan.
De vrucht is gerijpt; het is tijd dat de vruchten geplukt worden.
En nu weet ik wel, ach, dat hoeft u mij niet te zeggen: We staan soms voor het raadsel, dat we zeggen: "Heere God, is dat nu al de tijd voor de sikkel?
Moest ik, moest ik nu?"
Ik denk aan de ure, toen ik nog in Amsterdam stond als predikant, stond ik met een moeder….. bij het lijkje van haar kindje, en ze zei tegen mij: "Dominee, moest ik nu daarom zoveel lijden? Daar ligt het nu.”
Ze brak in smart.
Ik zei: “Ja, moeder, ik weet het ook niet. Het zal de tijd voor de sikkel geweest zijn. Maar ik zou zeggen: schrijf op dat lijkkleedje van je lieveling: Eer iets van dat kindje (van je) begon te leven, was ook dat in Gods boek geschreven.”
Ik denk bijvoorbeeld aan Stéfanus. Hij wordt zo ineens weggerukt.
Dan zeg je: “Heere God, moet dat nu?? Die man die tot zo rijke zegen kon worden. Is dat nu al rijp voor de sikkel? Moet dat nu weggeslagen worden? Heere God, kan dat nu niet anders?”
Zo staan we tegenover….. Maar welgelukzalig de mens en het hart dat weet, niet alleen dat er een sikkel is, maar dat weet (van) de doorboorde handen die bij de sikkel horen, en die het als oogst binnen brengen!
Want het staat er uitdrukkelijk: dan is de oogsttijd daar, en dan worden we als rijpe halmen eens binnen gedragen, hetzij als kinderen of als stokouden. Dan zullen we toch eenmaal daar zijn waar we het lied van de oogst zullen zingen. Het lied van de bruiloft van het Lam… het lied van de overwinning, mijn broeder en zuster.

En nu zou ik willen zeggen, we gaan scheiden. Ik zou nog heel wat kunnen zeggen, over karakter en gelijkenis enzovoort. Het hoeft niet.
Hebben wij nu iets gehoord van onszelf? U hebt iets gehoord van mechanisme en organisme, en wat dat al inhoudt. En het heeft inderdaad betekenis, maar zijt gij een orgaan van de Heilige Geest?? Dat wil zeggen: een scheppingsgrootheid uit de Heilige Geest??
Want zoals we van nature zijn, zijn we een wildernis. Maar God zegt mij in Zijn Woord: “De wildernis zal bloeien als een roos, en de woestijn zal worden als een hof des Heeren, en een vijand zal een vriend van God worden! Uit niets roept God Zijn wereld op! Uit de dood van een verloren Adamskind een schaap van Zijn weide, één wiens naam geschreven is in het boek des levens.
Welgelukzalig....
Bij het scheiden van deze gelijkenis zou ik willen zeggen: "Heere, laat ons met elkander maar zijn als een akker, als een akker die daar ligt te wachten. Een akker doet niets dan wachten. Als die akker stem had, dan zou die akker zeggen: Ik wacht, ik wacht op zaad, zeker, ik wacht op regen, ik wacht op zonneschijn. Ik wacht op de Heere!"
Dat zegt de akker u.
Welnu, mijn broeder en zuster, laat uw ziel en de mijne een akker zijn, die blijft wachten! Wachten op het zonlicht van Christus’ gerechtigheid. Wachten op de regen des Heiligen Geestes. Wachten op de kracht van Zijn Woord, wachten tot de ure daar is, dat God de sikkel slaat in uw en in mijn leven en dan het zal worden:

en met gejuich ter goeder uur
zijn schoven dragen in de schuur.

Amen.