Mattheüs 22:4b 'De nodiging tot de bruiloft', prof. G. Wisse

DE NODIGING TOT DE BRUILOFT

Predikatie bij de bediening van het Heilig Avondmaal

PROF. G. WISSE

Psalm 84:5
Lezen Lucas 14 : 16-24
Gebed
Psalm 111: 3 en 5
Lezen van het Formulier
Aan de tafels:
Psalm 147: 2
Psalm 23: 2
Psalm 138: 4
Psalm 105:24

Geliefden!
We bedoelen deze morgen niet een al te uitgewerkte preek te houden, maar toch een woord te spreken ter toeleiding tot de heilige dis. Ditmaal naar Mattheus 22 : 4b:

Alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.

Dus geen tweede voorbereidingspredikatie, maar toch wel ná deze voorbereidingsweek een dringende oproep. Want het Heilig Avondmaal is ingesteld om de dood des Heeren te verkondigen als de bron van ons leven; en dierhalve niet maar om een heel enkele maal, maar gedurig, geregeld te gebruiken. Zo dikwijls - zegt de apostel - als gij dit zult doen. We hebben deze dis hoog heilig te houden, niet door er af te blijven, maar juist door een geregeld gebruik; doch in de vreze Gods. Gelijk de apostel aan Corinthe vermaant om zichzelf recht te beproeven om aan te gaan. Niet wegblijven is het doel der zelfbeproeving; maar de mens beproeve zichzelf en ete alzo. Dus zelfbeproeving tot een godvruchtig gebruik -vandaar de nodiging in onze tekst: „Alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft". We hebben dus uw gewijde aandacht te vragen voor

DE NODIGING TOT DE BRUILOFT.

Een enkel woord over de volgende punten:

I. De dis gereed.
II. De dis veracht.
III. De dis gevuld.
IV. De dis gezuiverd.

om dan ditmaal het toepasselijk gedeelte door de verklaring heen te werken.

I.
De dis gereed.
„Alle dingen zijn gereed", zo 'klonk de boodschap van 's konings knechten. Het was in het Oosten bij dergelijke grote feestmalen gebruikelijk, dat de gasten acht dagen tevoren al een uitnodiging thuis kregen; op de dag zelf gingen de bedienden dan de gasten ophalen. En zo kwamen zij, net als nu hier is geschied, na acht dagen zeggen, dat ze verwacht werden. Want alle dingen waren gereed. Dat staat voorop, daarna: Komt. Stelt u toch eens voor, dat de tafels niet gereed waren, en inmiddels de gasten al aanliepen voor niets! Maar alles, alles was en is gereed. Daar is goed voor gezorgd. Vóór alles toch - daar gaat niets van af - gaat niet de vraag, of gij gereed zijt, maar of bij de Heere alles gereed is.
„Alle dingen zijn gereed". Maar eer het zover was! Daar was wat inspanning, zorg en geld mee gemoeid geweest. Zo ook hier. Dat heeft wat gekost, eer die tafel des Heeren hier stond. Daarvoor moeten we terug naar de onbegonnen eeuwigheid, naar het eeuwig welbehagen en het raadsplan der verlossing; naar Bethlehem en Golgotha, naar de hemelvaart en troonsbestijging. En eer Hij van de aarde verhoogd is, heeft Christus deze dis ingesteld, opdat Hij op uw woestijnreis manna rondom uw tent deed regenen; opdat Zijn erve zou verkwikt worden als zij mat geworden was (Psalm 68). En thans alles gereed; nu behoeft gij u niet te bekommeren, of er voor hongerigen wel spijze zou zijn. Ja, Koninklijke lekkernijen staan gereed. Al de verbondsweldaden uit een drieënig God staan hier uitgestald. Gij behoeft dus niets mee te brengen. Hier is het de Heere, Die alles geeft en doet. En dus is de enige juiste conclusie: „Komt tot de bruiloft".
Want dat zou wat wezen, neen, niet voor u in de eerste plaats, maar voor de Koning, als deze dingen werden veracht.
Let er op, ten Avondmaal gaan is een feestgang, een bruiloftsmaaltijd. Of is het dat niet, als toch hier de Heere zegt: Armen zullen met goederen vervuld en hongerige monden met hemelse spijze verzadigd worden?
Ziende op uzelf, kniel dan wenend in het stof; maar ziende op die Koning, hef dan uw hoofd omhoog en zing: „Zij komen aan, door Godd'lijk licht geleid". Hoe ernstig behoort in dit licht het aankomen te zijn, maar niet minder: hoe vreselijk om zulke dingen gering te achten, zodat ge ze zoudt verachten en niet aankomen. Hoort wat de gelijkenis zegt.
II.
De dis veracht.
Toen des konings knechten dan de genodigden opriepen, o jammerlijk, toen waren er, die met voornaam gebaar bedankten. De één had land te bearbeiden, de ander ossen te beproeven, enz. Kortom, dat waren de mensen, die niet zo zeer in spanning, in strijd en bezwaar waren, maar die excuses, verontschuldigingen hadden. Neen, ze durfden wel niet direct die feestdis beneden hun waarde achten, of de goede bedoelingen des konings openlijk verdenken, maar zij hadden zelf wat; de één had, de ander had, zij hadden wat zij meer van node en waarde achtten dan de bruiloft.
Wat een blindheid! O, ge weet niet wat ge veracht, weigeraars. Wat een roekeloosheid, wat een schrikkelijke schuld laadt ge in zulk een weigering op u! Hoe schaadt ge u zelf, ja, en wat nog meer zegt: hoe onteert ge de Koninklijke Gastheer.
Zeer zeker, men kan zich een oordeel eten indien men aankomt, maar zonder bruiloftskleed; doch vergeet niet, men kan zich ook een oordeel afblijven. Lucas vermeldt in zijn Evangelie, hoe de koning straks zijn krijgsheir zond, met bevel om deze weigeraars te straffen en hun stad met vuur te verbranden.
Met dat al, op die manier werd het geen bruiloftsfeest. Een zaal met alle heerlijke dingen vol, en dan geen gasten, maar ledige stoelen, dat was voor de koning en diens zoon, ter ere van wie alles was gereed gemaakt, een ontoelaatbare ontering. Daar is maar één oplossing nog: als dan de genodigden het niet waard waren, mijn dienstknechten, gaat dan uit en roept ze maar van de straten en uit de wijken, onverschillig al zien ze er mogelijk niet al te aanlokkelijk uit. Want de dis mag niet ledig blijven.
III.
De dis gevuld.
En daar gingen de knechten uit, en daar vonden ze armen, kreupelen, verminkten, blinden, kortom, nu niet direct figuren voor een koninklijk festijn!
Deze mensen hadden geen excuses zo zeer, maar wel ware er bezwaar te maken. Zij toch „hadden" niets, maar zij misten juist wat; ogen, ledematen enz. Zulk gemis maakte hen in het oog der mensen ongeschikt. Maar daar zou het nu juist wel eens des te meer aan besteed kunnen zijn. Zij, die overigens een min of meer armzalig leven moesten lijden, dat zij nu eens op zulk een bruiloft werden genood!
Blijf dus niet weg, al is er een „ondanks". De eerste groep bleef weg „wegens"; deze groep wordt genodigd „ondanks"! Zij hadden niet zo zeer excuses, dan wel meer bepaald bezwaren. Hier komt het alles er op aan, of ge uw ellendige toestand hebt verstaan, en. .. . of ge desniettemin des Konings woord gelooft. Neen, zij namen niet zelf een zekere vrijmoedigheid, maar er werd vrijmoedigheid geboren uit 's konings welgemeende nodiging.
En nu wordt de poort van de feestzaal geopend voor een verminkte David (Bathséba), voor een kreupele Mefibóseth, voor een blinde Bartimeus, en tel ze maar op; en ook voor u, die door genade mocht hebben geleerd en het ook beoefent en betracht: Heere, in mij is veel kracht tot verdoemenis, maar in U is meer kracht tot behoudenis. Calvijn zegt het zo schoon: Zie ik eerst op Christus, en dan op mezelf, ach dan acht ik het niet mogelijk; maar zie ik eerst op mezelf en dan op Christus, dan kan het wel, zalige mogelijkheid!
De bruiloftszaal werd nu al meer gevuld. Ja, hier paste dan ook niet een woord, gelijk we zo menigmaal horen: ik zou niet durven komen. "Als de Koning nu dezulken als gij zijt, juist
ernstig nodigt, dan, ik zou haast durven uitroepen: dan moet ge toch een brutale vrijmoedigheid hebben om te bedanken.
En inderdaad, als er maar ware armoede, blindheid, verlamming (geestelijke onmacht), ellende gekend wordt, dan zal de ziel tenslotte zich laten zakken in de armen van deze hemelse Nodiger.
Het is één van beide: óf ge kent uw ellende en onmacht en algehele onwaardigheid niet recht; óf ge kunt en zult en moogt op den duur het niet uithouden om in Jezus' dierbare Borgarmen u over te geven.
En onderzoek u op dit punt ook zeer nauw, of namelijk uw geloof wel recht werkzaam is. Want ja, veelal blijft men - ook in de preek helaas soms - staan bij dit ene punt:: als ik maar recht ontdekt ben enz. Maar men stelt zijn ziel niet in een zelfde mate voor de vraag: wat doe ik nu toch met zulk een gewillige, Zich geheel en al beschikbaar stellende Christus?
O, het is zo erg: „vroom" ongeloof kan ons afhouden van 's Heeren dis. Wij vermanen u: o, onteer de Koning ten deze toch niet langer.
„Alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft".
En de zaal vulde zich. En toch....!
O, het behoort ook tot een stuk van onze ellende, dat we. vlugger zijn in het onszelf veroordelen, dan.... in het geloven. Het gaat ons gemakkelijker af, om te klagen, dan om uit te roepen: „Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp". Onderzoeken we ons op dit punt maar zeer nauw.
De zaal vulde zich, en toch kwamen de dienaren tot de koning terug om te zeggen: en daar is nóg plaats. Let wel, dit was het rapport van de lakeien, die uitgezonden waren geweest. En daarop was des konings hoogst verrassend antwoord: gaat dan uit buiten de stad, op de landwegen, en haalt ze op van onder de struikgewassen; dus landlopers en struikrovers. De knechten zullen verbluft hebben gestaan. Was dit aanbod niet een te ruim? Ach, arme prediker, die alleen voor een reeds 'gelovige ziel een boodschap hebt. Uw boodschap moet een boodschap zijn van het „alle dingen zijn gereed". Dan volgt het: „dwingt ze om in te gaan" vanzelf!
Vagebonden en struikrovers geroepen! O zalige opdracht! Nu krijgen de Kananese vrouw, de moordenaar aan het kruis, de stokbewaarder - en ach, zeg het er maar bij: ik ook - nu krijgen dezen een kans.
Een kans? Foei, wat een woord. Neen, hier zijn geen kansen; die zijn in de loterij; maar hier krijgen deze genoemden een beurt.
En nu eerst - o zalig! - kon de bruiloft aanvangen.
Wat had de koning daar een genot in. Want zo staat er: hij kwam om de aanzittende gasten te overzien.
En toen gebeurde er iets, wat ook tot de waardigheid en heerlijkheid van zulk een feestmaaltijd behoorde, namelijk:
IV.
De dis gezuiverd.
Leest het goed. Neen, de koning trad niet binnen om te controleren, om te zien óf er geen onwaardige gasten waren; dan had er moeten staan: om de gasten te bezien; maar nu staat er: om de aanzittende gasten te overzien, dat is: om zich in die aanblik te verlustigen, hoe, zijn zoon ter eer (let daarop), die feestzaal vol was, en hoe al die gasten daar stralend van vreugde en heil aanzaten.
En dat zou voor de koning ook een feestmoment zijn. Maar ziet! o, terwijl zijn zich verlustigend oog daar over al die blijde gezichten weidde, o ontzettend, plots, wat een verschrikking) daar zat er één tussen al die gasten, die in het oog viel; een man zonder bruiloftskleed. Die het zich de moeite niet nodig had geacht om een passend gewaad aan te trekken. Die was daar zó maar in zijn bedelaarsplunje mee naar binnen gestapt; wat een onsmakelijke figuur temidden van die anderen. Dat moest opvallen; en zonder pardon werd de man uitgeworpen in de buitenste duisternis.
Geen bruiloftskleed, geen bevindelijke kennis van ontdekking, verlossing en dankbaarheid. De raad aan Laodicéa niet opgevolgd: dat ge van Mij koopt witte klederen om uw naaktheid te bedekken. Hij is het beeld van hen, die de heilige dis durven benaderen zonder ooit geestelijke honger te hebben gekend; zonder ooit de vodden van hun eigengerechtigheid en zelfgenoegzaamheid voor de mallen en de vledermuizen te hebben leren werpen; zonder ooit enige betrekking op een Drieënig Verbondsgod tot een praktijk van godsvrucht te hebben ervaren. Kortom: Avondmaal vieren zonder van God gerechtigd te zijn. Hij had geen passende kledij. Dat is: zonder het boetekleed van Psalm 51. Zonder de mantel van Christus' gerechtigheid. Zonder de klederen des heils.
Maar, zegt ge mogelijk: hoe kon die man ook een passend kleed aan hebben, zo'n arme landloper! Maar weet dan, dat naast de eetzaal ook een klederzaal was; eer men de eetzaal binnen ging, gingen destijds de gasten zich daar verkleden. Daar werd hun namelijk gratis een gelegenheidskleed voor die feesture verschaft. Hij had dus een passend feestkleed kunnen hebben, maar hij had die kleedkamer veracht.
Deswege werd zijn plaats niet langer in de feestzaal gevonden, maar in de buitenste duisternis, waar God en Christus en Gods volk niet aanwezig zijn.
O, dat de Heere deze dingen u diep ernstig doe inzien, opdat ge zonder dit kleed niet aantreedt. Bedenk het: de heilige dingen zijn voor de heiligen.
Deze man had zijn eigen goedgekeurd gewaad niet willen afleggen. O, daar zijn er, die zelfs opgeven van hun zogenaamd geloof, maar die niets kennen van het eerst ontkleed worden. En daar moet het toch eerst komen; eerst ontkleed en ontledigd worden. Alleen armen worden met goed verzadigd. Die nood van het ongenoegzame, ja verachtelijke van onze kledij, hoe vroom soms er uitziende, kennen zij niet. Daarom geen behoefte aan de kleedzaal des Konings, en daarom vrijpostig aangezeten; daarom.... straks uitgeworpen in de buitenste duisternis
Laat het zover niet komen; vraag de Heere om de ware ontdekking en.... ontkleding en ontlediging, opdat er plaats kome voor het kleed, dat Christus verworven heeft. En de Heere Zelf u leide naar de kleedkamer op Golgotha. Dan is ook voor u de boodschap: „Alle dingen zijn gereed; kom tot de bruiloft". Zij ons antwoord dan: Op Uw nodiging, Heere, zal ik komen; och, zorg Gij Zelf voor Uw eer, en geef, dat als ge daar dan tot mij zult zeggen: vriend, hoe zijt gij hier binnen gekomen? ik dan, Uw Naam, Uw roem ter eer, moge antwoorden: omdat Gij, Heere, weet, dat ik zonder en buiten U geen leven heb; en omdat Uw Woord mij te sterk is geworden.
En gebruik dit heilig sacrament dan, uw harten hemelwaarts verheffende, in de diepe doorleving, dat de Heere God u hier uitreikt een onderpand van Zijn eeuwige liefde en trouw. Amen.

Psalm 40: 8.

Juni 1957