Mattheüs 25:31 ds. P. van Zonneveld 'De Zoon des mensen zal komen in heerlijkheid'

De Zoon des mensen komt 18 dec. 1983

Preek door Ds. P. van Zonneveld te Doornspijk

Ps. 98 :4
Lezen: Daniël 7 : 1 - 14
Ps. 21 : 5, 8 en 9
Ps. 72:2
Avondzang: 1 en 4

„En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid."
Mattheus 25 : 31

Wij vinden het niet prettig om ergens de laatste te zijn.
Soms, als een broeder als laatste de kerkeraadskamer binnenkomt, maakt hijzelf de opmerking: zo, ik zie dat ik de laatste ben.
Zulk een konstatering geeft aan dat we het niet aangenaam achten de laatste te zijn.
Dat woord laatste kan ons ook doorhuiveren.
Bijvoorbeeld als we het verbinden met de dagen van ons huwelijk, van ons leven, van de wereld.
Spreekt u het maar uit: de laatste dag van mijn huwelijk, de laatste dag van mijn leven, de laatste dag van de wereld. Nu doortrekt ons een huivering.
Het is vandaag de laatste adventszondag.
Weldra gaan we herdenken het Kerstfeit.
God, de barmhartige God, Die Zijn Zoon neerlegde in de kribbe van Bethlehem, opdat er een blijde boodschap zou zijn, de boodschap van Gods ontfermende liefde.
Het is een ontroerende gedachte, gemeente, dat eens de laatste adventsdag was.
We kunnen spreken van een eerste adventsdag.
Dat was toen God had gesproken: „Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het verzenen vermorzelen". Adam en Eva werden adventskinderen.
Maar er was ook de laatste adventsdag.
Hoe heeft de kerk onder het Oude Testament uitgezien en verwacht!
Hoe is de adventsbede opgeklommen naar omhoog: „Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt!
Hoe heeft Simeon verwacht de vertroosting Israëls, en de oude Anna!
En de laatste adventsdag brak aan.
Toen werden Gods beloften heerlijk vervuld.
De laatste adventszondag is nu.
Maar ook: de laatste adventszondag zal zijn.
Die gedachte ontroert ook.
Ja - die kan ons doorhuiveren.
We mogen komst en wederkomst niet gaan scheiden.
Ze zijn te onderscheiden.
Dat wel, maar ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Wie aan komst denkt, moet ook aan wederkomst denken.
Ik bedoel slechts het Kerstfeest weg te halen uit die sfeer waar men vandaag Kerstfeest plaatst.
De Heere Jezus komt weder, en hoe verschillend zal die komst zijn met Zijn eerste komst.
Dan in glans en in majesteit, met al de engelen.
Dan op de troon, en voor die troon zullen u en ik geplaatst worden.
Gods Woord boodschapt u:
DE ZOON DES MENSEN KOMT.
Dit komen is:
1. in heerlijkheid
2. met de engelen
3. op de troon.
De tekst begint met de woorden: „Wanneer de Zoon des mensen komen zal".
Hier wordt gesproken van de Zoon des mensen.
Zo noemt de Heere Jezus zichzelf.
Hij is de Zoon des mensen.
Altijd weer valt op hoe dikwijls de Heere Jezus dat doet.
In het Evangelie naar de beschrijving van Mattheüs al zo'n 25 keer.
Die naam leest u ook in het boek Daniël.
In zijn nachtgezichten heeft Daniël zien komen Eén met de wolken des hemels, als eens mensen Zoon. Eerst heeft hij gehad dat visioen van de vier dieren.
Hij zag een leeuw met arendsvleugelen, een beer, een luipaard en een nameloos monster met tien hoornen op zijn kop.
Die vier dieren symboliseren vier wereldrijken, en met die dieren worden die rijken getekend in al hun macht, grootheid en vreselijkheid.
Evenwel de een na de ander gaat ten onder.
Er blijft niets over.
Want aan die Ene Die komt met de wolken des hemels, aan Die mensen Zoon wordt gegeven heerschappij, en eer en het koninkrijk; en Zijn heerschappij is een eeuwige, en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden.
Welnu - Jezus is die Zoon des mensen.
Daniël in zijn nachtgezicht heeft Hem reeds gezien; en Jezus heeft Zichzelf verkondigd: Ik ben het, Die Daniël zag in zijn nachtgezichten, Ik ben de Zoon des mensen.
Laat het uw aandacht niet ontgaan, dat Hij niet zegt: Ik ben een Zoon des mensen.
Zeker - Hij is echt mens geworden, zoals u en ik. Hij heeft ons vlees en bloed aangenomen.
Hij is geboren uit de maagd Maria.
Daarom een Zoon des mensen.
Echt mens, waarachtig mens.
Ons in alles gelijk geworden, uitgezonderd dan de zonde.
Echter - Hij noemt Zichzelf dé Zoon des mensen, en dat zegt meer dan alleen dat Hij mens is geworden.
Ik ga een voorbeeld gebruiken om het duidelijk te maken.
Er zit verschil in als we spreken van een heer des huizes of de heer des huizes, van een zoon des huizes of de zoon des huizes.
In het eerste geval drukken we er mee uit dat er meerdere Heeren of zonen zijn.
Met het laatste - door het gebruik van een lidwoord -, geven we aan dat er slechts één is.
De heer des huizes geeft aan dat er slechts één is, en dé zoon des huizes precies zo.
Wel - als de Heere Jezus Zichzelf noemt de Zoon des mensen, dan wijst dat aan het geheel enige van Hem. Er is niemand Hem gelijk.
Hij is de Enige.
Ik denk dat we hier niet zozeer moeten denken aan Zijn geboorte uit de maagd Maria,
Zijn ontvangen-zijn niet door Jozef, maar door de Heilige Geest, Zijn heilige geboorte.
O zeker - daarin is Hij ook de geheel Enige.
Wij allen in zonden ontvangen en geboren.
Hij alleen de Reine, de Zondeloze, het ware beeld Gods, de Profeet, de Priester en de Koning.
Daarom ook dé Zoon des mensen.
Maar ik denk dat we hier het meest hebben te denken aan Zijn Godheid.
Hij komt niet van beneden; Hij komt van boven.
Hij is de Zoon van God. Hij is de Mens met de twee naturen: de Goddelijke en de menselijke natuur, de God - de mens, de Zoon van God en de Zoon van Maria.
Daarom is Hij de Zoon des mensen.
Er is niemand Hem gelijk.
Hij is de enige.
De Zoon des mensen nu zal komen.
Let er op dat de Heere Jezus dit uitspreekt nadat Hij gekomen was.
Hij was op aarde toen Hij sprak over Zijn komst.
Derhalve is het duidelijk dat Hij hier spreekt over een tweede komst.
Hij, Die gekomen is, betuigt dat Hij wederkomt.
Als de kerk dus belijdt Zijn wederkomst dan is dat gefundeerd op Zijn woord.
De kerk gelooft dat Hij wederkomt, omdat Hij het heeft gezegd.
De wijze waarop Hij dit in de tekst zegt, is bevestigend.
„Wanneer de Zoon des mensen zal komen".
Er blijft hier geen ruimte over voor twijfel of onzekerheid.
Het is een uitspraak, een verklaring.
Hij zal komen.
Petrus in zijn zendbrief heeft het over mensen die er zullen zijn in het laatste der dagen.
Mensen die spottend vragen: „waar is de belofte Zijner toekomst?
Want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping".
Diezelfde Petrus weet dat er in de kerk mensen zijn die de Heere Jezus beschuldigen van traagheid in het vervullen van Zijn belofte.
Zij beschuldigen Hem van interesseloosheid.
Hij laat maar in de druk en in de benauwing.
Ja - zij beschuldigen Hem van machteloosheid.
Hij kan nog niet komen.
Het geschikte moment is er nog niet.
Heeft de Heere Jezus Zelf niet gezegd: Als de Zoon de mensen zal wederkomen, zal Hij dan nog geloof vinden?
En spreekt Hij in het teksthoofdstuk niet over een slapende kerk in de eindtijd?
Maar alle spotters, twijfelaars, beschuldigers en slapers ten spijt.
Hij zal komen.
Hij bevestigt dat hier.
Hij verklaart, spreekt uit.
Het is ontwijfelbaar zeker.
Hij komt als de Zoon des mensen.
Hoe komt Hij?
Op welke wijze, in welke gestalte?
Nu - dat wordt duidelijk gezegd: Hij komt in Zijn heerlijkheid.
Zijn heerlijkheid, de heerlijkheid die van Hem is.
Als Zoon van God heeft Hij heerlijkheid.
Als Zoon des mensen heeft Hij heerlijkheid ontvangen.
Hier is het loon dat Hij ontvangen heeft op Zijn middelaarsarbeid.
Omdat Hij Zich zo diep vernederd had, daarom heeft God Hem uitermate verhoogd.
In die heerlijkheid komt Hij.
Die heerlijkheid was eens zichtbaar.
Op de berg der verheerlijking.
Toen werd Jezus' gedaante veranderd en Zijn kleding wit en zeer blinkende.
Zo heeft ook Johannes op Patmos Hem aanschouwd.
In het midden van de zeven kandelaren ziet Hij Eén, de Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; en Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeien als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was gelijk als de zon schijnt in haar kracht.
Zie, gemeente, dat is de Zoon des mensen.
Zo zal Hij komen, komen in Zijn heerlijkheid, komen in Zijn schitterende majesteit.
Eens bad Mozes: „Toon mij Uw heerlijkheid".
Toen heeft God gezegd: „Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven".
We weten iets over stralingen.
De mensen in een kerncentrale zijn steeds op hun hoede.
Zij die dichtbij de kerncentrale wonen maken zich zorgen.
Groepen voeren actie om de kerncentrale te doen sluiten.
Er zijn gevaarlijke stralingen.
Er zijn zelfs stralingen waardoor een mens gedood kan worden.
Het beeld dat de Schrift zelf gebruikt, is het beeld van de zon.
Denkt u aan een zomerse dag, een wolkeloze hemel, de zon op middaghoogte.
Hoe gevoelen we dan de warmtestralen van de zon branden.
Zie, zo zal de Zoon des mensen komen, met uitstralende schittering.
Zo is het voorzegd door de profeten van het Oude Testament; zo heeft Hij het Zelf voorzegd; zo hebben de apostelen van het Nieuwe Testament het voorzegd.
In een en al glans en schittering, in uitstralende majesteit.
Zo zullen u en ik Hem zien.
Zo zal de jeugd Hem zien, en de kinderen.
Niemand uitgezonderd.
Welk een onderscheid is dat met Zijn eerste komst!
Toen ontluisterd, alle heerlijkheid afgelegd.
In Bethlehems krib.
Een zwak, een hulpeloos Kind.
Gekomen in dienstknechtsgestalte.
Bij de verheerlijking op de berg even de glans en de heerlijkheid.
Maar 't was zo weer weg.
Bij de koninklijke intocht te Jeruzalem leek het er weer even op.
Het volk raakte in extase, en wilde Hem tot de heerlijkheid brengen.
Echter Zijn gestalte werd niet anders.
Al het koninklijke verdween.
't Werd al meer zonder gedaante en zonder heerlijkheid.
't Werd de Man van smarten.
Die het volk naar z'n baldadig wensen beschimpen kon.
Herodes trekt Hem de koningsmantel aan, zet Hem een kroon op het hoofd en geeft een scepter in Zijn hand.
Maar 't is om met Hem te kunnen spotten; en Pilatus spijkert straks een bord boven het kruis met het opschrift: dit is de Koning der Joden.
Hij de Zoon des mensen uitgeworpen, verdoemd door God en de mensen; stervend als een misdadiger aan het kruis.
Hij was veracht, en de onwaardigste onder mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
Gemeente, wat is het onderscheid tussen Zijn eerste komst en Zijn tweede groot!
Verstaan wij het waarom?
De Joden zien nog altijd uit naar die komst in schittering, in heerlijkheid.
Wij ook.
Maar die tweede komst kan niet zonder de eerste.
Waarom moest Hij eerst komen ontluisterd, zonder heerlijkheid?
Omdat God God is.
O, als er slechts sprake zou zijn van niet de eerste komst maar alleen van die tweede, van die komst in heerlijkheid -, er zou niemand zalig kunnen worden, de hemel bleef leeg, op de nieuwe aarde kwam geen mens, allen verloren, voor eeuwig verloren.
We zouden straks allemaal roepen: bergen valt op ons, en heuvelen bedekt ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit.
Vreselijk, nietwaar?
Die eerste komst, het Kerstfeest is zo heerlijk.
Hij is arm geworden, hoewel Hij rijk was, opdat er een blijde boodschap zou zijn voor ons arme zondaren.
Zie - Hij vertoeft nog te komen in heerlijkheid, opdat Hij lankmoedig is over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
't Gaat om uw bekering, heel persoonlijk.
Daarom weer Kerstfeest; daarom weer de verkondiging van het Kerstevangelie, van die eerste komst, opdat u door Hem zoudt rijk worden, door Hem verzoend zoudt worden met de heilige God, opdat u niet zoudt beven en schrikken voor Zijn tweede komst.
U kunt het niet in orde krijgen met God, door niets van onszelf.
Maar Hij, de Zoon des mensen, maakt het in orde, geheel en al.
Vanwege Zijn komen in dienstknechtsgestalte,
Zijn hangen aan het vloekhout op Golgotha.
De Zoon des mensen komt in heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem.
We komen aan het tweede.
Hij komt met de engelen.
De tekst zegt, dat bij de komst van de Zoon des mensen in heerlijkheid, al de engelen met Hem komen.
Het eerste wat hier opvalt, is dat de Heere Jezus spreekt van heilige engelen.
Dat zal zijn om het onderscheid aan te geven met andere engelen, de gevallen engelen, de duivelen. Niet die, maar de heilige engelen komen met Hem.
Ze zijn heilig omdat ze komen uit de heilige hemel, om- dat ze komen uit de nabijheid van de heilige God.
Omdat ze komen van de troon van God, waar ze zingen: heilig, heilig is de Heere der heirscharen.
Voorts moet u erop letten, dat het al de engelen zijn.
Daniël in zijn nachtgezicht heeft ze gezien rond de troon van God.
Duizendmaal duizenden en tienduizendmaal tienduizenden.
Ook Johannes nadat hij de hemel heeft ingeblikt, noemt deze getallen.
Hun aantal is dus groot, zeer groot.
U weet wat in de Kerstnacht, in Efratha's veld geschied is.
Eerst die ene engel met die kostelijke boodschap: ,;Zie ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker".
Toen daarna een menigte van hemelse heirlegers. O de herders in Efratha's veld hebben verrukt gekeken naar dat hemelse schouwspel.
Ze hebben ademloos geluisterd naar het lied van de engelen, naar het overwinningslied van de engelen in de Kerstnacht, naar die soldaten van God die het overwinningslied zongen.
Echter 't was een menigte.
Ze waren er niet allemaal.
Maar straks als de Zoon des mensen komt, zijn ze er allemaal.
Heel de hemel wordt als het ware opengebroken.
Ik zeg het verkeerd.
De hemel wordt als weggerold.
Het gordijn tussen hemel en aarde wordt weggeschoven.
Dat gordijn is er tussen gekomen door de val van de mens in het paradijs, door de moedwillige ongehoorzaamheid.
Hemel en aarde zijn niet meer verenigd tesaam.
Er is de scheiding gekomen.
Als de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid zal de scheiding worden opgeheven.
Gemeente, welk een gezicht zal dat zijn, de Zoon des mensen omstuwd door alle engelen!
Hoe groots, hoe majestueus zal dat zijn!
En weer zeg ik: u en ik, jongens en meisjes en kinderen, wij allen zullen dat zien, niemand uitgezonderd.
Ze komen dus met Hem, de Zoon des mensen.
In het midden Hij, en al de heilige engelen om Hem heen.
Met Hem.
Niet voor Hem uit.
Niet na Hem.
Maar met Hem.
Daarom heb ik het woord omstuwen gebruikt.
Dat geeft het 't beste aan.
Hij heeft ze daartoe het bevel gegeven; en engelen, heilige engelen gehoorzamen.
Ze zijn immers gewillige dienstknechten?
Ze zijn niet als de gevallen engelen, ze zijn niet als de gevallen mens: ongehoorzaam, onwillig.
Ze gehoorzamen de stem van Zijn mond.
Dat is hun grootst vermaak: te doen wat de Heere wil.
Ze staan in Zijn dienst.
Zo was het onder het Oude Testament.
Dat was op grond van wat de Heere Jezus zou doen, op grond van Zijn lijden en sterven.
Na Zijn lijden en sterven zegt Hij: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Toen had Hij rechtens en bevoegdheid ook over de engelen.
Daarom komen ze op de dag van Zijn wederkomst allemaal met Hem mee.
Weer is er groot onderscheid met Zijn eerste komst.
Daar moet u acht opgeven.
Daar moeten we niet aan voorbijgaan.
U zegt: nu dat onderscheid zie ik niet zo.
Zelfs een kind kan zeggen: er is helemaal geen verschil.
Immers met de eerste komst waren er engelen, en met de tweede komst zullen er ook engelen zijn.
O, gemeente, er is een geweldig verschil, een machtig onderscheid.
U moet dat zien, u moet dat weten.
O neen - ik bedoel niet het verschil in aantal.
Ik bedoel niet -, toen waren er veel, straks allemaal.
Dat is niet zo belangrijk.
Er is iets wat uw aandacht niet mag ontgaan.
Wat dat is?
Wel - bij de tweede komst komen de engelen met Hem.
Maar kunt u dat ook van de eerste komst zeggen?
Kunt u zeggen dat ze toen ook met Hem kwamen?
Zeer beslist niet!
Ze kwamen na Hem.
Gaat u goed na hoe dat bij de eerste komst gegaan is.
Lukas gebruikt de woorden „van stonde aan".
Eerst vermeldt hij de geboorte van het Kind.
Daarna de komst van de engel met de Kerstboodschap.
Daarna de komst van de menigte hemelse legermachten.
Dus ze komen niet met de Heere Jezus; ze omstuwen Hem niet wanneer Hij uit de hemel komt; ze komen pas wanneer Zijn geboorte een feit is.
Ziet u nu één engel bij de kribbe van Bethlehem; ziet u nu engelen in Bethlehem?
Neen toch, niet één is er!
O zeker - maakt u die engelen in Efratha's veld niet los van het Kind van Bethlehem.
Ik zeg u: ze staan in dienst van het Kind van Bethlehem.
Opdat wij zouden weten wat daar in de Kerstnacht gebeurd is.
Door de dienst van de engelen wordt het ons opgeklaard.
Maar ze komen niet met Hem; ze komen na Hem.
De hemel boven Bethlehem breekt niet open, blijft gesloten.
Die ging slechts even open om Hem door te laten, om Hem uit te laten uit 's Vadershuis.
Geen hemels licht, geen hemelse heerlijkheid ging mee.
Het blijft daar aardedonker.
Hij onthoudt Zich der engelendienst.
Hij stelt ze in dienst van mensen.
Hij kan en mag dat reeds doen op grond van Zijn uitgang uit de hemel, op grond van wat Hij zal doen. Hij stelt ze in dienst van u, om u te laten verkondigen het heil door Zijn komst.
Hij als Kind in Bethlehems krib om daar in Efratha's veld voor de verbaasde blik van herders de hemel met de aarde te verbinden, om daar het Licht te doen opgaan in de duisternis, om het gordijn van de scheiding weg te schuiven, om daar mensen, zondige mensen, kinderen van Adam, zoals u en ik te overstralen en te omstralen met hemelse heerlijkheid, zodat elke duisternis, zodat zelfs elke schaduw van de duisternis weg is.
Hier is een voorspel, hier is een begin, hier is een profetie van wat komen gaat, van wat straks volle werkelijkheid zal worden.
Alle nacht, alle duisternis weg.
Hemel en aarde weer verenigd tesaam.
Straks als de Zoon des mensen wederkomt in heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem.
De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vrolijk op doen dagen
Het heil, hun toegezegd.
't Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door Zijnen arm gerukt;
Hij zal nooddruftigen bevrijden;
Verbrijz'len, wie verdrukt.
Psalm 72 : 2
We hebben gehoord dat de Zoon des mensen komt in heerlijkheid.
Toen dat Hij komt met al de heilige engelen.
Nu luisteren we nog naar Zijn komen op de troon.
De tekst zegt: „dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid".
Dus als Hij wederkomt dan gaat hij zitten op die troon.
Ik hoor u al vragen: daar zit Hij toch reeds op?
Spreken we over Zijn hemelvaart niet als Zijn troonsbestijging?
Zingen we niet graag op de hemelvaartsdag: „Hoe groot en schitt'rend is Zijn eer door 't heil aan Hem bewezen"?
Davids grote Zoon beklom toen toch de troon?
Belijden we als kerk niet: „opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen vaders"?
En heeft Stefanus Hem daar niet gezien toen hij de marteldood ging sterven?
En heeft Johannes op Patmos Hem niet gezien in het midden van de troon?
Ja - Hij zit op de troon.
De Schrift zegt het duidelijk: nadat Hij alles had volbracht, na Zijn opvaart, heeft God Hem uitermate verhoogd.
Toen is vervuld dat Schriftwoord: „De Heere heeft tot Mijn Heere gesproken: zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten".
Hij zit op Zijn troon.
Hij is gevaren boven alle macht en kracht.
Alles is Hem onderworpen.
Hij regeert.
Hij is de Koning der koningen, en de Heere der Heeren.
„Wat glans, wat majesteit hebt Gij, o God, die Vorst bereid".
Hij zit dus reeds op deze troon van Zijn heerlijkheid, en toch ook nog niet.
De troon, waarvan Hij spreekt in de tekst, is een troon die gezet wordt op de aarde.
Die troon op de aarde is er nu nog niet.
Die zal komen, en daarop zal Hij zitten.
Wat dit betekent?
Nu - alles op aarde is Hem nog niet onderworpen.
Buigen nu alle koningen voor Hem?
Buigen nu alle mensen voor Hem?
Eert ieder Hem als de Koning van Israëls God gegeven?
Vraagt ieder in de kerk naar Hem?
Is ieder in de kerk onderdaan van die Koning?
De psalmdichter roept er wel toe op: „Vreest 's Heeren macht en dient Zijn majesteit; juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen, en kust de Zoon, van ouds u toegezegd, eer u Zijn toorn verdelg' voor aller ogen".
Het is de begeerte van elke ambtsdrager dat ieder in de gemeente Hem dient, Hem vreest, naar Zijn wil leeft, in alles naar Zijn wil vraagt.
Maar de praktijk toont anders.
Hoevelen zitten niet op eigen troon?
Hoevelen willen de hals niet buigen onder het juk van Christus?
Hoevelen blijven niet staande tegenover Hem?
Hoevelen verwerpen Hem niet?
Straks echter - wanneer Hij gaat zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, dan zal alle knie zich voor Hem buigen.
Dan zal ieder erkennen dat Hij de Koning is van Israëls God gegeven.
Al 't heidendom zal Zijn lof getuigen.
Al wie vijand is gebleven van de Christus zal dan toch belijden dat Hij de Koning is.
Maar er is hier meer.
De troon hier in de tekst spreekt niet alleen van onderwerping en van heerschappij, maar ook van gericht.
Als de Heere Jezus zegt: dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, dan betekent dat het meest: nu begint het grote gericht, nu is de dag van het grote oordeel gekomen.
Dat is het wat ook Johannes op Patmos reeds heeft gezien: „En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken".
Dat is het waarvan ook de profeten van het Oude Testament geprofeteerd hebben.
„Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid; een dag der bazuin en des geklanks.
Dat is het wat ook de laatste profeet van het Oude Testament, Maleachi, heeft voorzegd: „Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel gijn, en de toekomstig dag zal ze in vlam zetten".
Dat is het wat ook het vers dat volgt op onze tekst zegt: „En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt".
Weer zeggen we, gemeente, welk een onderscheid met Zijn eerste komst.
Toen was de plaats waar Hij kwam een stal van dieren, een voederbak, de kribbe.
Zijn wieg was een kribbe en Zijn troon was een kruis! En dan straks Christus zittend op de troon van Zijn heerlijkheid.
Christus, Die komt met de wan in de hand om Zijn dorsvloer te doorzuiveren.
Christus met de bijl om alle boom die geen goede vruchten draagt uit te houwen en in het vuur te werpen.
Christus als de Rechter van het heelal.
Wij moeten allen geopenbaard worden voor Zijn rechterstoel.
We vieren ons Kerstfeest met het gelaat naar Zijn eerste komst, en we zingen: „U zijt wellecome Jesu lieve Heer".
Maar zingen we dat ook met het gelaat naar die tweede komst?
We hebben die eerste komst zo geplaatst in de sfeer van romatiek, van gevoel en van aandoening.
We worden innerlijk geroerd bij de aanblik van dat Kind in de kribbe, in een beestenstal, in een voederbak; en straks gaan we gewoon weer verder.
Het leven van elke dag eist ons weer op.
We hebben toch niets te vrezen van een kind; we hebben toch niets te duchten van een zwak en hulpeloos kind?
Maar weet dit: wie niet waarlijk Kerstfeest viert, wie niet leert buigen en aanbidden bij de kribbe van Bethlehem, die zal straks horen uit de mond van die grote Koning op Zijn troon: ,,Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is',.
Geeft u terdege acht op dat het Kind van Bethlehem dat Lam is geworden, dat is geslacht, dat de Koning is geworden ons zal richten.
Niet God, maar Hij.
Want het zal niet over de zonden, maar het zal daarover gaan: wat hebben wij met die Christus gedaan, Die ons aangeboden is in het Evangelie.
Hij komt immers niet eerder om op de troon te gaan zitten of aan alle volken moet het Evangelie gepredikt zijn.
Daarom - staan we in het geloof of in het ongeloof?
Zijn we staande gebleven of zijn we door de knieën gegaan?
Wijzen we af of leren we omhelzen?
Weet dit dat voor die grote troon ons geen schijn kan baten.
Met schijn, met wat godsdienst, met wat ernst kunnen we het hier redden, maar straks voor die troon niet!
Gemeente, we hebben geluisterd naar de boodschap: de Zoon des mensen komt.
Dit komen is in heerlijkheid, met de engelen, op de troon.
Zijn komen is nabij, zeer nabij.
Zegt u nu niet, dat dachten ze in het jaar 1000 ook al, en Luther heeft ook gedacht dat het nabij was. De tekenen wijzen erop.
Is het Evangelie niet verkondigd aan alle volken?
Kunt u nog een volk noemen waar we naar toe moeten om die ene Naam te verkondigen?
Nemen de ongerechtigheden niet toe?
Is de zonde veelal geen zonde meer?
Zien we niet dat er al vele staatshoofden zijn die het teken van Christus niet aan het voorhoofd hebben?
Zien we niet dat vele volken weer in de macht en in de ban van satan komen?
Satan die de volken tot één zal brengen om ze te doen oprukken tegen het Lam Gods.
We zeggen nogmaals: Zijn, Christus, komen is zeer nabij.
Weldra zal de troon des gerichts op de aarde staan.
Weldra zullen we vergaderd worden vóór die troon.
Kunnen we daar staan?
Kunnen we die dag tegemoet zien zonder vrezen, zonder beven?
Op de vraag: wat troost u de wederkomst van Christus? antwoordt de Heidelberger: „Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgericht hoofd even Dezelfde, die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwachte, die al zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal". Is dat ook uw belijdenis? Heeft Hij Zich om uwentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van u weggenomen?
De Heilige Geest plaatst vóór het grote gericht hier in het gericht.
Hij breekt af al mijn gerechtigheden, al mijn goeddoen, alles wat van mij zelf is.
De zonde wordt tot zonde, de schuld tot schuld. Ik houd over de straf, de vloek, de eeuwige dood.
Naar het rechtvaardig oordeel van God de rampzaligheid verdiend.
Kent u dat: al maar groter zondaar worden?
We zoeken zo naar vroomheid; we zoeken zo afbekeerd te worden?
Maar de Heilige Geest leert verstaan wie en wat ik geworden ben door mijn val in Adam.
Verdorven, onrein, onheilig, een arm zondaar, die al Gods geboden zwaar en menigmaal heeft overtreden.
Kunt u niet meer wegvluchten?
Kun u u nergens meer aan vastklemmen?
Leert u te zwijgen?
Erkent u de schuld die God tot straf moet bewegen?
Leert u te belijden: Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig?
Leert u uit te spreken: is er nog een middel om die welverdiende straf te ontkomen en weder tot genade te komen?
Het wordt Kerstfeest.
Daar in de kribbe ligt die Ander, de van God Gegevene, de Zaligmaker van arme zondaren.
De herders gingen met haast.
Haast u om uws levenswil!
Dat Kind om mijnentwil gevloekt, om mijnentwil aan het kruis de vloekdood stervend.
Dat is niet te groot.
Het kan niet anders.
Hier is het wonder van zaligworden.
Het is uit genade alleen, om niet, vanwege welbehagen, vanwege verkiezende liefde.
Dan heb ik niet te vrezen.
Dan blijdschap, grote blijdschap als de Zoon des mensen wederkomt.
Dan afbekeerd, dan volkomen.
Geen nacht meer, en geen zonde.
Eeuwig nabij Hem. Hem zien van aangezicht tot aangezicht.
Hem gelijk.
Mijn ziel verwacht.
Eens breekt de laatste adventsdag aan.
Dan de grote morgen.
Hun blijdschap zal dan onbepaald, door 't licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen.
Dan zullen we eeuwig bij de Heere zijn.
Dan eeuwig zingen van die goedertierenheên!
Amen.