Markus 9:25 'De genezing van de maanzieke jongeling' ds. W. Bijleveld

De genezing van de maanzieke jongeling.

Peedikatie van wijlen Ds. W. BIJLEVELD.

Ps. 26 : 8
Lezen: Marc. 9 : 14~29
Ps. 24 : 4
Ps. 68 : 14, 17
Ps. 27:7
Ps. 2:7

En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte de onreine geest, zeggende tot hem: Gij stomme en dove geest 1 Ik beveel u, ga uit van hem en kom niet meer in hem.
Marcus 9 : 25.

De moderne wereld zit met de Heere Jezus verlegen. Zij weet niet van waar Hij komt, noch wie Hij is, De kerk des Heeren daarentegen mag omtrent de Middelaar belijden met Johannes, de Apostel der liefde, dat de Zoon van God gekomen is, opdat Hij de werken des duivels zoude verbreken. De duivel is rusteloos bezig. Zijn werk is doelbewust zondigen. Dat werk is hij reeds in de hemel aangevangen. Daar deed hij een greep naar de macht. Hij duld niet, dat God de leiding had en de opper-ere ontving en nu stelde hij alles in het werk om zelf de teugels van het bewind in handen te krijgen, opdat hij de ere zou ontvangen. Doch zijn poging mislukte, want God slingerde hem met geheel zijn aanhang uit de hemelse woning en verwees hem naar de helse duisternis. Doch kon hij God in de hemel niet treffen, dan zou hij trachten God op aarde te bestrijden. Gij hebt zeker wel eens gehoord of gelezen, hoe in vroeger eeuw de Spaanse macht Willem van Oranje oftewel Willem de Zwijger trachtte te doden, doch toen dat mislukte, nam men zijn oudste zoon gevangen, om zodoende de vader in zijn kind te benadelen. Nu, zo deed de satan ook. Waar hij machteloos stond tegen God van de hemel, daar trachtte hij Gods zoon, Adam, gevangen te nemen, om zodoende God te treffen in Zijn kind. Hij zette Adam op tot zondigen tegen God, wat hem maar al te zeer gelukt is, want de eerste mens heeft gedaan, wat God verboden had. En om zijn ongehoorzaamheid is Adam uit de hof van Eden verdreven. Sinds dat uur rust satan niet meer, maar zet zijn duivelse arbeid voort. Hoe openbaarde hij zich in het leven van een Job. In diens leven ging de strijd tussen God en satan. Gelijk de opgeworpen aarde ons tekent het werk en het pad van de mol onder de grond, zo zien wij ook achter alles wat in Jobs leven teleurstelt de werking des satans, opdat Job God maar zal vloeken. Ook in Davids leven komt zijn werking zo bijzonder uit. Hij toch porde David aan tot de vreselijke zonde van de volkstelling, welke telling zelfs Zeruja's wilde zoon Joab hem ten sterkst ontried. En om nu niet meer te noemen, denk nog aan Jezus' voorspelling aan Petrus en de andere discipelen: „Simon, Simon, de satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoud." Wie van Gods kinderen moet dan ook niet met de Apostel getuigen, dat satans listen hem niet onbekend zijn. Wie onzer is tegen hem bestand. Zijn verstand is zo scherp; zijn macht is zo groot; zijn tactiek is zo veranderlijk, zodat wij wel geduriglijk mogen vragen, wat de Heere ons heeft leren bidden :
„Verlos ons uit des bozen macht;
Bescherm en sterk ons door uw kracht;
Wij zijn toch zwak, zijn sterkt' is groot;
Dus zijn we elk ogenblik in nood;
Hier komt nog vlees en wereld bij,
Ai help ons dan en maak ons vrij."
Niemand die in eigen kracht satan verwinnen kan. Hoe sterk was toch een Simson; hij kon wel een leeuw vaneen scheuren gelijk men een geitenbokje vaneen scheurt, maar tegen de helse leeuw moest hij het afleggen; deze bracht hem tot diepe val. David vermocht wel in het strijden tegen de reus Goliath, maar als de reus der duisternis op hem afkomt, dan moet hij het onderspit delven. Zelfs geen engel uit de hemel kan voor ons de heidraak verslaan, want in de strijd om het lichaam van Mozes, durfde Michaël de Archangel, geen oordeel der lastering tegen satan uit te spreken en zeide: De Heere schelde u gij satan. Als er dan van boven ook geen Godsheld gekomen was, die sterker was dan alle schepselen, dan zouden wij eeuwig in satansklauw, waarin wij ons moed- en vrijwillig geworpen hebben, blijven. Doch God lof, hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels zoude verbreken. Hij zou de zonde verzoenen; Hij zou de invloed van satan knotten, Hij zou de kerk uit satans klauw verlossen; Hij zou als de sterkere in het huis des sterken ingaan en hem zijn vaten ontroven, ja Hij zou de kop van de heldraak vermorzelen. In Quarantaniës woestijn heeft Hij veertig dagen met satan gestreden, welke strijd in 't laatst haar hoogtepunt in een drietal verzoekingen bereikte en Christus bleef meester van het terrein. De engelen Gods dienden Hem en de satan week voor een tijd. In Gethsémané heeft hij evenwel zijn aanval verwoeder herhaald, doch ook hier mocht Christus hem verslaan in zijn middelaarsbede: „Niet Mijn wil, maar Gods wil geschiede." Terwijl op Golgotha de overwinningskreet over satan weerklonk: „Het is volbracht." Zo heeft de Heere Jezus Zich de meerdere van de duivel betoond en wel van het begin zijner menswording tot het einde zijns levens. Laat ons daarvan heden een proeve aanschouwen, als wij gaan overdenken de genezing van de maanzieke jongeling.
Gebed.
Zingen Ps. 68 : 14 en 17.
Tekst: Marcus 9 : 25.
Jezus had Zijn drie bijzonderste discipelen met Zich genomen op de berg, waar Hij verheerlijkt zou worden. Hier werd Hij van gedaante veranderd, en kwamen tot Hem Mozes en Elia; de eerste de middelaar, door wien God Zijn wet aan Israël gaf en de tweede, die aan Israël de wet predikte en handhaafde. Zij spraken met Hem over Zijn uitgang naar Jeruzalem. Jezus was gekomen aan het eind van Zijn aardse loopbaan en nu kon en mocht Hij de hemel der heerlijkheid met dit tweetal binnengaan, want Hij was de ganse tijd Zijns levens zonder enige zonde geweest. Hij kiest evenwel de weg over Golgotha, opdat Hij mede door Zijn lijdelijke gehoorzaamheid de lossing van Zijn kerk zoude bewerken, opdat zij straks met Hem zoude worden verheerlijkt voor 's Vaders troon. De jongeren waren verbaasd en bevreesd bij 't gezicht dezer heerlijkheid en Petrus stelde voor om drie tabernakelen te maken, opdat Christus met Zijn bezoekers een woonstede op de berg zoude hebben. Doch de hemel kan wel eens laag dalen op deze zondige aarde, maar het is nooit om hier te blijven. Hoe wordt dat ook ondervonden door al Gods ware volk; vandaar dat ze dan ook met. het oog op die gewijde ogenblikken getuigen, dat 't zijn uren van korte duur. Of zo 't ook wel wordt uitgedrukt: zo genoten en zo weer weggesloten. ja juist weggesloten. Men kan er met inspanning van alle krachten niet meer bij komen. Een wolk overschaduwde Christus en het tweetal hemelingen, en de stem des Vaders werd uit de hoogwaardige heerlijkheid vernomen: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort hem! En als daarna de jongeren de ogen weer opheffen, zien ze niemand dan Jezus alleen; hierna verlaat Jezus de berg weer om terug te keren tot de jongeren, die Hij achter gelaten heeft aan Thabors voet. Hier wacht Hem weer satans werk. Ook hier wordt het spreekwoord bewaarheid: Waar God Zijn Kerk bouwt, bouwt satan zijn kapel. Op hemelgenieting volgt dikwerf in het leven des christens helleduister. Vandaar dit spreekwoord. Nu, ook in dezen is Jezus de Zijnen gelijk geworden. Want als Hij komt aan de voet des bergs, dan is daar een verlegen discipelenkring, een onrustige schare, twistende Schriftgeleerden, een radeloze vader en een maanzieke jongeling, en in en achter allen speelt satan zijn duister spel. God zij dank evenwel, want Christus betoont Zich de meerdere van de hel en Hij geneest tot Zijns Vaders ere, en de duivel ten spijt, de kranke knaap met de woorden : Gij stomme en dove geest 1 ga uit van hem en kom niet meer in hem. Overdenken wij dan:
„DE GENEZING VAN DE MAANZIEKE JONGELING."
Wij wijzen u achtereenvolgens:
I. Op de hopeloze ellende;
II. Op de enige Redder;
III. Op de volkomene genezing.
I. De hopeloze ellende.
Wij gaan in gedachten naar het Noorden van Palestina en wel naar de voet van het gebergte Thabor. Wij bevinden ons hier in een zeer schone omgeving. Zingen we wel niet eens in Gods huis van dit gebergte ? Getuigt de dichter er niet van: „Thabor en Hermon juichen in uwen naam!" Doch hoe schoon het hier ook is, 't is geen Paradijs. Sommige mensen durven hun schone buitens nog wel Paradijzen te noemen of sieren het op met de rijke naam „Hof van Eden", maar zulk spreken is leugen. Immers, Eden is van de aarde vergaan; het Paradijs zal hier niet meer worden teruggevonden in deze bedeling. In elke schone landstreek en in elk schoon tijdvak van ons leven kruipt de paradijsslang, om haar vergif verradelijk ons te doen gevoelen. Zo ook hier bij Thabor. Er is n.l. een vader met zijn zoon gekomen, voor wien hij genezing zoekt van een nameloze ellende. Deze knaap is in de macht van een onreine geest. Door die inwoning is de knaap stom en doof. Menigmaal werpt die duivel hem in het vuur of in het water, om hem te verderven en dan weer is de jongeling geheel verdord. En als Jezus straks aan de vader vraagt, hoe lange tijd hem dit is overkomen, dan antwoordt de bedroefde en beproefde vader : „van zijne kindsheld af." Hier is een geval van vreselijke ellende, maar ook een hopeloze ellende. Want wat zal deze vader niet geprobeerd hebben bij medicijnmeesters, maar 't heeft niet mogen baten. Hoe zal die man niet gesidderd hebben bij 't aanschouwen van dat bittere lijden, dat zijn enigst kind moest doorstaan. Hoe werd zijn lieveling soms gescheurd van de geest uit de afgrond en lag dan al schuimende zich te wentelen op de aarde. En nu heeft deze vader van de Heere Jezus gehoord en zich op weg begeven om genezing te zoeken bij de Profeet van Nazareth, die het land doorging goeddoende en genezende alle kwaal, waarmee de mensen ook behept waren. Doch zijn hoop wordt op een zware proef gesteld, want als hij tot de Thabor gereisd is, is de Heere Jezus Zelf niet aanwezig wegens Zijn tocht naar Thabors top en als hij zijn laatste hoop op Jezus' discipelen heeft gesteld, wordt ook die verwachting de bodem ingeslagen, want al proberen zij het, om de duivel uit te werpen, 't mag hun niet gelukken. De jongeren hadden anders wel opdracht gekregen, om zieken te genezen en duivelen uit te werpen, doch zij staan thans niet in levendig contact met de Heere Jezus. Hun geloof kwijnt. Wij weten niet waardoor, maar misschien is 't wel, omdat ze vol jaloezie zijn tegenover de drie discipelen, die Jezus met Zich nam naar de berg, terwijl zij achter gelaten worden. En in zonde zijnde, vermogen ze geen geloofswerken. Hierover verblijden zich de Schriftgeleerden en vallen de jongeren met schampere woorden aan, zodat ook hierin de duivel zijn hels genoegen kan vinden. De vader evenwel is zielsbedroefd en zijn zoon ziet hij liggen in een hopeloze ellende.
Die knaap nu, mijne gel., is het beeld van de natuurlijke mens in geestelijk opzicht. Eens stond de mens in de hof van Eden in dienst van God. Toen was hij versierd met het deugdenbeeld. Gods, en sprak als profeet tot ere van God, zijn Schepper en Formeerder. Toen hoorde hij naar het gebod Gods en de liefdevolle woorden Gods, die hem werden toegevoegd als God in de avondkoelte tot hem kwam. Elke polsslag van zijn leven was tot ere Gods. Doch toen is satan gekomen en heeft de mens tot de zonde verleid, en de mens heeft God de rug toegekeerd en is daarin een prooi geworden van zijn verleider satan. Daardoor heeft nu de mens dat beeld Gods verloren en is doof en stom geworden. De mens spreekt namelijk niet meer tot ere Gods; want waar is onze mond vol van? Van alles en nog wat, maar niet van God en goddelijke zaken. Wat een ijdele, zondige, aardsgezinde woorden worden gesproken. En als de mens al van God spreekt, dan is dat nog niet met zijn hart en in liefde, maar enkel met een kil hart en zondige lippen. En als de mens tot God spreekt, dan is der goddelozen gebed de Heere een gruwel. Ook hoort de mens niet meer naar Gods stem, wel roept de Heere nog, maar de gevallene is doof geworden. Of klinkt daar niet 's Heeren roepstem in de natuur, waar de hemelen Gods ere verkondigen en het uitspansel 's Heeren handenwerk? Ook roept de Heere in oordelen en gerichten, die land en volk treffen of ons persoonlijk leven verdonkeren, maar ook hier heeft de mens geen oor voor. Soms kan het schijnbaar wel wat uitwerken als daar Gods roede wordt gevoeld, doch straks blijkt wel, dat de ontroering niet meer was dan de rimpeling van het water. Wanneer een steen in een beek of vliet geworpen wordt, ontstaat er een diepe kring in het water, die echter straks groter en groter wordt en eindelijk geheel weer vergaat, terwijl de golven haar gang weer voortzetten. Zo ontstaan er bij Gods ernstige roepstemmen wel eens indrukken, die na verloop van tijd echter weer vergaan ; en de stroom des levens zet zijn oude gang weer voort. Dat komt omdat het zielsoor gesloten is voor Gods stem. En eindelijk, hoe roept God ons allen door de prediking des evangelies, doch wij keren ons een iegelijk naar zijnen weg en horen niet eens wat tot onze eeuwige vrede is dienende.
Ja, wij zijn satans prooi geworden, wat Jezus ons zelf ook leert in Zijn gesprekken met de Farizeërs, wien Hij toevoegt : „gij zijt uit de vader de duivel en wilt de begeerten uws vaders doen, die was een moordenaar van de beginne." Nu is er nog wel onderscheid tussen zondaar en zondaar, maar dat is alleen maar gradueel, niet wezenlijk. Er zijn mensen, die als deze knaap zodanig door de satan worden geregeerd, dat ze zich wentelen in 't stof der zonde; ze zijn een afschuw voor een ander. Maar wat we dan ook van elkaar uitwendig mogen verschillen, hierin zijn allen gelijk, dat wij verward zijn in 't kwade. Da Costa moest tenminste bij zijn ontdekking er van zingen: „Reeds zolang heeft mij de aarde in mijn dorheid gedragen", en dat geldt van allen. want we zijn vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid, die in ons is. En eindelijk, hoor dan ook nog naar de klacht van de vader als hij zegt, dat zijn zoon reeds van zijn kindsheid al zo ellendig is en pas dat ook maar toe op de natuurlijke de gevallen mens, want als onze ogen er voor geopend zouden, worden we gewaar dat wij reeds van 't uur van onze ontvangenis af voorwerpen van Gods toorn zijn. De ellende in onze ellende is echter, dat wij niet weten noch willen weten, dat wij zo ellendig zijn. Dan moet de Heere ons eerst levend maken. Van te voren hebben wij een weg, die ons goed schijnt, hoewel het einde er van is de eeuwige dood. Van te voren menen wij, dat we nog zo slecht niet zijn; en al stemmen we toe, dat we niet volmaakt zijn, we hebben er nog al niet veel hinder van en hopen altijd nog op beterschap. Als God ons echter ontdekt dan leren we kennen onze stomheid en krijgen een mond, om er over te klagen. Dan leren wij beschreien onze doofheid en zoeken genezing. Dan leren wij vrezen voor de uitspattingen der zonde en de verleiding des satans. Dan leren we walgen van onze dorheid en krijgen inleiding in ons bedorven bestaan. Doch tevens komt dan ook het zoeken om genezing. Maar waar zoekt een ontdekte het? Helaas, zo dikwerf op de verkeerde plaats. Het gaat hem als de vader uit ons geschiedverhaal. Deze zal wel bij de beste Medicijnmeesters geweest zijn; en vraagt tenslotte de jongeren van Jezus. De ontdekte mens wil ook gaarne van zijn demonen af, die hem aanzetten tot de zonde en die hem gedurig onderdrukken. Maar hoe hij zich ook inspant, om de zonde te bestrijden, 't wordt eer minder dan beter met hem; welke beloften hij ook plechtig aflegt, ze worden telkens weer verbroken; welke voornemens ook gekoesterd worden, om in 's Heeren wegen te wandelen, ze worden geen van alle volbracht. De mens moet leren, dat, met al zijn inspanning, voorzichtigheid, voornemens, beloften en gebeden hij zichzelf niet van zijn duivelen kan verlossen. Maar wat hij zelf niet kan, dat kan ook geen ander schepsel. En toch zoekt men het dikwerf bij de mensen, die in dezen nog minder vermogen hebben dan Jezus' discipelen. Hoe dikwerf wordt de voorbede van Gods beproefde volk in deze weg ingeroepen of worden Gods keurlingen bezocht in de hoop nog eens opgebeurd te worden, maar ook elk ogenblik komen we bedrogen uit. Zoudt ge uw hoop op mensen bouwen ? Als Gods hand hun geest ontbindt, keren zij tot d' aarde weer, storten in hun aanslag neer. Maar eindelijk ook nog dit: de vader zoekt het bij Jezus, maar vindt Jezus niet en dan wordt 't hopeloos. Zo ook horen wij van Jezus spreken en getuigen van Zijn liefde, macht en genade en wij zoeken Hem in Zijn woord of bij Zijn volk of in Zijn huis, maar we komen teleurgesteld uit, zodat geen vrede in 't leven komt, maar veeleer droefenis vanwege onze hopeloze toestand. Doch :
„'t Behoeftig volk in hunne noden,
In hun ellend' en pijn,
Gans hulpeloos tot Hem gevloden,
Zal Hij ten redder zijn."
II. De enige Redder.
Ziet, terwijl daar de vader hopeloos is over de ellende zijns zoons, daalt Jezus van de berg af en. zal de duivel uitwerpen.
Hoe kunnen wij hieruit leren, dat Jezus altijd de eerste is. Want de vader zoekt Jezus en vindt Hem niet, maar Jezus zoekt hem en zijn zoon, en vindt hem, om hen te verrassen. Doch, als de schare Jezus ziet nederdalen, gaan zij Hem tegemoet en Hem ziende worden zij verbaasd. Waarover zou die verbazing geweest zijn? We lezen het niet, maar zou het gedurfd zijn, om te denken, dat Jezus aangezicht blonk van hemelse heerlijkheid? Als Mozes geweest is op de Horeb en hij heeft God aldaar gezien, dan is er ook glans op zijn aangezicht en kan Israël hem niet sterk aanzien. Nu heeft Jezus heerlijkheid des hemels genoten en zou er nog niet iets van nagloeien op Zijn gezegend gelaat, zodat de schare daarover verbaasd is, terwijl ze Hem begroet? Dan vraagt Hij de Schriftgeleerden, als Hij hun houding ziet jegens Zijn discipelen, wat zij met hen hebben te twisten. Doch dan komt de bedroefde vader naar voren en zegt: „Meester, ik heb mijne zoon tot U gebracht, die ene stomme geest heeft, en waar hij hem grijpt, zo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijne tanden en verdort en ik heb Uwe discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund." De vader vertelt alles aan de Heiland; hij stort zijn hart uit, deelt de ellende zijns kinds mee, maar ook zijn teleurstelling bij de jongeren. Ziet, als Jezus tot hem komt, komt hij tot Jezus en vindt bij Jezus een toegenegen oor. Zo ook moeten wij vragen in onze zielsellende, of de Heere Zich aan ons wil openbaren en hebben wij in de weg des gebeds onze noden en behoeften Hem bekend te maken en wij zullen bij de Heere niet beschaamd uitkomen. Op het horen van de oorzaak van de twist van de Schriftgeleerden, antwoordt Jezus met een klacht, en zegt: „o, ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen?" Dat woord mochten allereerst de Schriftgeleerden zich wel aantrekken; want zij geloofden niet in Jezus en verheugden zich er over, dat in Jezus' naam geen wonder met deze zoon geschiedde. Maar ook de schare, die zo dikwijls Jezus beluisterde en toch nog zo traag was om te geloven, voelt de pijl, die Jezus afschiet. Doch niet het minst treft ook de discipelen zelf Jezus' klacht, want zij waren weleer uitgezonden, om in Zijn Naam tekenen en wonderen te doen en dat hadden ze vervuld en nu konden ze vanwege hun ongeloof ook geen krachten meer doen. Zo moet de Heere nog heden ten dage klagen, en wel over de wereld, omdat zij Zijn woord verwerpt; over de Joden, omdat Hij gekomen is tot het zijne en de zijnen hebben Hem niet aangenomen; over de kerk, naar Zijne naam genoemd, omdat er zoveel uitwendig volgen bestaat, terwijl het hart zo koel tegenover Hem is, en ook over Zijn kinderen, waar ze menigwerf zover van huis ronddolen. Zijne Geest wordt nog zo meningwerf smart aangedaan door het dwalen van de Herder der kudde; door het egoïsme, dat telkens gevoed wordt; en niet in 't minst door de ongelovigheid en hardigheid des harten. O, gemeente, laat u toch bewegen door een klagende Jezus, opdat gij nog eens u zelf moogt aanklagen vanwege uwe verkeerdheid; in die weg van aanklacht toch is er hoop op genezing.
Als dan de onmacht der discipelen gebleken is, gebiedt Jezus: „Breng hem tot Mij." Voor Jezus is er geen hopeloos geval. Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Breng hem tot Mij! Welk een woord. - Een woord ook nu nog van zoveel betekenis. - Hebt gij misschien een ziekte in uw lichaam of in uw familie, waar de doctoren geen raad mee weten? Wel, zeg het Jezus en zo Hij wil, Hij kan u genezen. Hebt ge misschien een zoon of dochter, die zich overgeeft aan de leidingen en invloeden der demonen, zodat gij er geen raad mee weet, breng hem of haar in de weg des gebeds aan de voeten van Jezus. Bij Hem is hoop. Hebt gij misschien zelf te strijden met een zonde, die zich telkens weer openbaart en die ge met geen macht ter wereld kwijt kunt raken? Breng die zonde tot de Heiland en Hij weet er raad mee. Zijn er moeilijkheden in de arbeid van Gods Koninkrijk, in uwe gemeente of in de Kerk of ten opzichte van evangelisatie of zending, moeilijkheden, die gij niet weg kunt werken? Geen nood, de Heere weet de moeilijkste dingen op te lossen, Zijn naam ten prijs en u en de uwen tot heil. Maar bovenal gij, die met uwe zielsnoden te kampen hebt en uzelven verloren ziet Voor een eeuwigheid, die bij de mensen en bij uzelven ten einde zijt, hoor de roepstem des Heeren uit dit verhaal, breng uw hopeloosheid bij de Heere en
„Hoopt op de Heer, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen
Zijn goedheid is zeer groot."
Doch voor die verlossing er is, zal satan zich nog eens geducht roeren. In het verhaal toch lezen we: „En zij brachten denzelven tot Hem, en als hij Hem zag, scheurde hem terstond de geest en hij vallende op de aarde wentelde zich al schuimende." De satan ziet, dat hij terrein verliest en daarom zal hij zijn laatste krachten nog inspannen en zijn duivelse lusten botvieren aan de knaap. Hierop smeekt de vader: „zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons." Twee zaken vragen in die bede onze aandacht. Allereerst, „zo Gij iets kunt." 't Is de moedeloosheid, die hem die woorden ingeeft. Hij is zo menigmaal teleurgesteld bij de medicijnmeesters en pas nog bij die discipelen, die voorheen zulke tekenen deden, dat hij wankelmoedig is in zijn geloof aan Jezus' almacht.
In de tweede plaats let op dat woord „ons". Hij zegt niet „help hem" of „help mij", maar „help ons." Hij gevoelt zich één met de ellende van zijn kind. Voorbeeld voor ons in het bidden ook om de bekering van ons zaad - wij zijn toch één met hen in de val - zij zijn zondig, omdat zij uit ons zijn geboren, zij zijn geboren naar ons beeld en onze gelijkenis. Dat zij dan ook onbekeerd zijn en
krankheden moeten dulden en straks moeten sterven, is omdat zij van ons de erfschuld en smet gekregen hebben.
Hoe past het dan ook alle ouders, om al hun zaad tot Jezus te dragen in de weg des gebeds, met de bede : „help ons", of zoals de dichter het bidt:
„Help ons barmhartig Heer,
Uw grote naam ter eer,
Uw trouw koom' ons te stade,
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult,
Bewijs ons eens genade."
Nu dan, heeft hij tot de Heere gezegd: „Zo Gij kunt”, Jezus zal hem evenzo tegemoet treden en zeggen: „Zo gij kunt geloven." Alle dingen zijn mogelijk, degene die gelooft. Geloof immers verenigt met de Heere Jezus en Hij vermag alle dingen. Doch de vader heeft zoveel last van zijn ongelovigheid, dat hij haast niet kan geloven en daarom klaagt en roept hij onder tranen uit: „Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp." Hij gelooft in 's Heeren macht en liefde en genade en hij hoopt, maar hij wordt tevens van alle zijden besprongen door satan en zijn eigen ongelovig hart, zodat hij 's Heeren hulp inroept in zijn geloofsstrijd. Hoe verstaat Gods kerk van alle eeuwen dit woord van de vader. Geloof en ongeloof worstelen zo dikwerf in 't hart van Gods volk. Men gelooft, dat God, God is, en toch, hoe komt men aan dien twijfel, soms is er nog een vraag in de ziel of er wel een God bestaat. In die benauwdheid bidt de oprechte: Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp." Het ongeloof is der ziel niet aangenaam, maar een walg, doch hoe komt men er af ? Als de Heere niet ter hulpe komt, dan zou men er in stikken. De ongelovige wereld wil niet geloven, maar Gods volk, dat ontdekt is, kan niet geloven. De wereld wil gaarne, dat er geen God is, en zal al haar best dan ook doen, om te bewijzen, dat er geen God is, maar de levende kerk schreeuwt naar God, aan Wien ze twijfelt, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen. Ik geloof in Gods Woord, maar Heere kom mijn ongelovigheid te hulp. De moderne wereld wil van geen Gods Woord weten en haat Gods Woord met een wreveligen haat, maar Gods volk voelt soms in zich opklimmen de twijfelmoedigheid of de Bijbel wel Gods Woord is; doch zij schreien er bij, als de vader des zoons en bidden: „Kom mijn ongelovigheid te hulp. Ik geloof Heere", ziedaar ook dikwerf de uitroep met 't oog op eigen zaligheid, och kom mijn ongelovigheid te hulp, want er is zoveel, dat zich er tegen verheft. Nu Gel. zo wij met onze hopeloze gevallen, al is 't ook met een zwak en heftig bestreden geloof tot de Heere mogen vluchten, als tot de enige Redder, dan wil Hij op Zijn tijd de genezing doen rijzen.
III. De volkomene genezing.
Ziet, de schare dringt hoe langer hoe meer op Jezus aan en nu wordt het 's Heilands tijd, om in te grijpen. Dat is de beste tijd. Dan is de nood op het hoogst en de redding nabij. Dat is de tijd des welbehagens van God. Die tijd zal voor iedere ware zoeker, voor iedere oprechte bidder, voor ieder werkelijk ontdekte aanbreken. Naar die ure der genezing kan soms jaren worden uitgezien, en om die ure kan soms jaren hartstochtelijk worden gebeden, maar God komt op Zijn tijd. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade mogen vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Die tijd is er eerst dan, als alle hoop van menselijke zijde ten einde is, want dan kan en mag en moet God het alleen doen en zal de Heere ook alleen de ere ontvangen.
Jezus dan zegt: „Gij stomme en onreine geest! Ik beveel u, ga uit van hem." Dat woord is een scheppingswoord, d.w.z. een machtwoord. In den beginne sprak God en 't was er, Hij gebood en het stond er. God roept de dingen die niet zijn, alsof ze waren. Zo gebood Hij hier en de duivel moest zich gewonnen geven. Zo kan God ook met één woord te spreken onze duisternis verjagen; onze zonde uitbannen ; ons van des duivels heerschappij verlossen; ons vrijspreken van schuld en straf en een recht geven ten eeuwigen leven. En dat verlossende woord zal Hij eens spreken, al zal het ook aan het einde zijn, want:
„Hij kan en wil en zal in°nood,
Zelfs bij het naad'ren van de dood,
Volkomen uitkomst geven."
„En kom niet meer in hem", zo zegt de Heere er bij. We kennen de gelijkenis van dat huis, waaruit een demon getrokken was, doch als hij straks terugkeert, en het huis met bezemen gekeerd vindt, trekt hij naar de woeste plaats en neemt met zich zeven andere duivelen, erger dan hij zelf, en dan trekken ze in dat verlatene huis. En het laatste van dat huis was erger dan het eerste. Zo kan het ook gaan met de mens, maar niet met de mens, door Jezus verlost, want als Jezus onze ziel redt van het verderf en de voeten van aanstoot, dan zegt Hij tot de hel, gelijk hier bij deze maanzieke knaap: „En kom niet meer in hem." Hij gebiedt zelfs de duivelen, zodat ze al sidderende hebben te vluchten.
Doch nog een laatste aanval zal dan de satan wagen. Terwijl hij heengaat roept hij ergerlijk en scheurt dat kind nog eens dooreen, zodat de knaap als dood ter aarde valt. Velen zeiden dan ook, dat het kind gestorven was. Doch dit laatste was onmogelijk. Bij Jezus, de Levensvorst, is nog nimmer iemand gestorven. Wel stierf Jezus' vriend Lazarus, maar toen was Jezus ook afwezig, en als Hij uit Perea komt te Bethanië, dan wekt Hij de dode weer op. En als gij nog met mij wilt denken aan de moordenaar aan het kruis, die toch naast Christus hing en stierf, dan herinneren wij er u en onszelf
aan, dat voordat de moordenaar naar het Paradijs Gods reisde, Jezus reeds gestorven was. Neen, bij Jezus kan geen mens omkomen en heeft de dood geen macht. Daar moet de hel en haar gevolg
wijken en wordt het blijde leven gezien. Jezus grijpt dan ook de jongen, die daar als dood is, bij zijn hand en er gaat kracht van Jezus uit om: te genezen, en de jongen staat op en is genezen.
Zijn doofheid is gevloden, zijn stomheid is voorbij, zijn zwakte is in kracht veranderd; zijn gevaren in vuur en water is hij te boven, zijn ontzinde gelaat draagt het stempel des vredes en zijn dorheid is veranderd in levendigheid. Grote, gezegende verandering in het leven van vader en zoon, waar Jezus zich in Zijn macht en goedheid openbaart. Nu diezelfde is Hij nog, want Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, en in der eeuwigheid. Bij Hem is nog vrede in onrust; balsem in wonden; licht in duister; genade in schuld; liefde voor vijanden; barmhartigheid voor goddelozen, en Hij werkt nog om de werken des duivels te verbreken.
Die gezegende verandering doet Hij nog ervaren, zodat genoten wordt: „Voor een doorn zal een dennenboom opgaan en voor een distel zal een mirtenboom opgaan en het zal de Heere wezen tot een
Naam en tot een teken, dat niet uitgegroeid zal worden." Gij dan, die God zoekt in al uw zielsverdriet, ulieder hart zal leven. Want Zijn belofte aan u is: „Wie zoekt, die vindt, en wie klopt, die zal opengedaan worden, en wie bidt, die ontvangt." En al is het, dat gij nu reeds jaren uitziet naar de verlossing, die in Christus Jezus is, geen nood, want Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven.
Want immers gij moogt uwe ellende wel eens onder tranen Hem bekend maken, en u zoals gij zijt aan Zijn voeten nederleggen met de betuiging: „Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp."
Nu dat geloof zal niet beschaamd worden, reden waarom de zanger in Psalm 27 vs. 7 mocht aanheffen ook tot uwe bemoediging:
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op de Heer, godvruchte schaar, houd moed;
Hij is getrouw, de bron van alle goed ;
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid. neer,
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de Heer.
Wanneer wij nu nog een ogenblik terug zien in dit verhaal, dan treffen wij daar allereerst aan een beklagenswaardigen jongeling, die gebonden is van de satan en wij zien in hem ons aller beeld van nature. Wij allen zijn in satans dienst en zijn gewillige werktuigen. Doch nu heeft God de Heere met ons het verbond der genade opgericht en ons het doopsel als een onderpand geschonken, dat de Verbondsmiddelaar ons uit alle geweld des duivels verlossen kan en wil. En nu is het waar, dat wij ons zelf niet kunnen verlossen, maar 't is ook waar, dat Christus het kan. Laat ons dan roepen, zolang er nog adem in onze neusgaten is, of het Christus nog eens believen mocht, om ons te leren, satans dienst en weg te verlaten en Hem nederig te volgen. Want indien wij niet van satans juk worden bevrijd, dan zullen wij eens eeuwig in zijn woonstede met zijn gebondenen moeten verkeren. Dan zullen wij delen in zijn lot, n.l. het dragen van Gods oneindigen toorn, eeuwiglijk en altoos. Zo wij echter door Christus worden gegrepen, om zijn gevangene te worden, dan zullen wij hier reeds bij aanvang ervaren, dat zijn juk zacht en zijn last licht is, om dan storeloos te genieten van de volkomene genezing van alle letsels der zonde en der heerschappij des duivels. Bidt dan de Heere, of Hij op u legge de hand der genade als op de maanzieke en gij zult leven en u verlustigen in des Heeren goed.
In de tweede plaats trekt ook nog de vader onze aandacht. Zijn zielsworsteling openbaarde zich in zijn belijdenis : Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. Hebt gij ook kennis aan zulk een strijd? Dan zijt gij gelukkig, want de Farizeën wisten van zulk een strijd niet af. Als gij ziet op uw dodelijke onmacht, dan zijt ge verslagen en hopeloos, maar als uw oog dan weer geslagen wordt op de Almachtige Zaligmaker, dan moogt ge weer geloven, dat in Hem het nog niet hopeloos is. Als ge ziet uw afstand van de Heere, hoe gij Hem hebt vergeten en verlaten en het omzwerven hebt liefgehad, dan zijt gij zonder hoop voor de toekomst, maar als ge dan weer aanschouwt hoe Christus hemeltroon en kroon heeft willen verlaten, om te zoeken wat verloren is, dan schept ge weer moed en bidt
Ai zoek uw knecht, schoon hij uw wetten schond: want hij volhardt naar uw geboón te horen. En als gij ook ziet uw schuld en zonde, die oorzaak zijn van de scheiding tussen u en de Heere, en gij merkt uwe geestelijke armoede, zodat gij moet klagen, dat gij geen penning hebt om te betalen, o dan verstaat gij die vader zo in zijn wankeling. Maar als dan uw oog weer open gaat voor de milde handen en vriendelijke ogen, die bij de Heere gevonden worden en gij moogt weer roepen om die genade, die toch zo grondeloos diep en mateloos groot is, dan herleeft weer de hoop op Hem, die uw redder wil zijn. Zalig, zo die beginselen des nieuwen levens in u worden gevonden, want een goede zaak wint het in 't einde. Gij hebt allen zeker wel eens gelezen, hoe Christen geleid werd in het huis van de uitlegger. Daar zag hij in een der kamers een groot vuur branden, waarop door iemand telkens water werd gegoten, en nochtans bleef het vuur branden. Toen hij daarna in een andere kamer werd gevoerd, zag hij, hoe daar iemand stond, die door een opening in de wand telkens olie in de vlammen wierp, zodat het vuur telkens nieuw voedsel kreeg en kon blijven branden. Zo handelt de Heere ook met het vuur der genade, dat Hij ontstoken heeft in ons hart. Waar de duivel al zijn krachten inspant om dat vuur
te blussen, daar druppelt de Heere ook anderzijds telkens weer die olie des Heiligen Geestes in ons hart, zodat de vijand de overhand niet behoudt. Houdt dan aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven ;
nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet, nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. Ziet het bij deze vader. De Heere kroonde zijn geloof luisterrijk en alzo zal Hij ook uwe noden lenigen, en uwe
begeerten vervullen op Zijn tijd en op Zijn wijze.
In de derde plaats denk ik ook nog terug aan de twistende Schriftgeleerden. Zij waren grote vijanden van Christus en Zijne discipelen. Zij juichten over de tegenslag der jongeren! Zouden er ook nog zulke vijanden in ons midden zijn ? Helaas wel, Gel. Die vijandschap komt direct niet zo openbaar, maar te zijner tijd wordt ze toch gezien. Gelijk ze onder Jezus' prediking kwamen, zo komen ze nog onder de samenkomsten van Gods volk. Wel hebben ze enige uiterlijke kennis van de waarheid, maar geen behoefte aan genade. Wel zijn ze alleszins godsdienstig, maar de God van de dienst missen ze. Wel hebben ze een uiterlijk netten levenswandel, maar van binnen zijn ze dood en vol van venijn. Wit gepleisterde, mooie graven noemt Jezus ze, maar onder dat mooie heerst toch de dood. Het buitenste des drinkbekers wordt gereinigd, maar het binnenste is vol van vervloekingen. Als de eis van Gods heilig recht wordt gepredikt, dan komt de wrevel van 't hart in actie. Men hoort liever van goedertierenheid, dan van recht zingen. Wanneer de nette kerkmens op één lijn gesteld wordt met de huichelaar en overspeler, dief en moordenaar, dan wordt de haat der Farizeën en Schriftgeleerden levendig en zij willen zich verzetten tegen de Heilige Geest, gelijk hunne vaderen altijd deden. Als de vrije genade Gods als enigste grond van zaligworden wordt voorgehouden, dan wil de hoogmoedige niet buigen en verzet zich tegen de prediking des Evangelies. M.H., zo gij nu in uw hart gevoelt, dat uw naam daarin is genoemd, bedenk dat Christus nu nog de redder is, maar dat Hij eens de Rechter zal zijn. Val dien Redder nog te voet, en bid of Hij u bekeren wil tot Hem toe, opdat Hij u straks niet in
stukken zal stoten gelijk een pottenbakkersvat. Nog is het heden der genade, en zowel tollenaren en Schriftgeleerden worden genood tot Hem, om zich door Hem te laten zaligen. Doe gij dan gelijk de
jongeren des Heilands deden, na de genezing van de knaap. Deze gingen met Jezus in huis om hunne vragen Hem te stellen en Zijn onderwijs te ontvangen.
Dat wij zo nu ook na deze prediking ons begeven in onze woning, om de Heere aan te roepen om genade en vrede, om onderwijs en leiding. De discipelen dan vragen Jezus, waarom zij de duivel niet hebben kunnen uitwerpen. Ze komen dus met hun eigen onmacht en ellende op de goede plaats. Waren zij door hun ongeloofswandel niet oorzaak, dat Christus' zaak smaadheid werd aangedaan ? Laten de discipelen ons waarschuwende voorbeelden zijn, om voorzichtelijk te wandelen, te midden van een krom en verdraaid geslacht, opdat Gods Naam niet om onzentwil worde gelasterd en gesmaad. Nemen wij daartoe dan ook ter harte het antwoord, dat Jezus hun geeft: dit geslacht gaat nergens door uit, dan door bidden en vasten. De jongeren hadden te weinig gebeden, te kort gevast. En wat doen wij nu minder dan bidden en vasten, waar bidden en Godverheerlijkend vasten? Laat ons dan, om dat bidden bidden, en tot dat vasten vasten, opdat de satan aan ons geen voordeel behaal en Gods naam om onzentwil niet worde onteerd: Bidden is het venster naar Jeruzalem openen en alle noden en behoeften de Heere bekend maken. En vasten is de deur naar de wereld sluiten. En hoe menigwerf is nu het gebedsvenster gesloten en de deur naar de wereld en hare aanlokselen open. Is 't dan wonder, dat wij met machteloosheid geslagen worden? De Heere leert Zijn kerk, in deze geesteloze tijden en wereldgelijkvormige dagen, waarin zo weinig van de kracht van het levend geloof openbaar komt, te bidden en te vasten, opdat de hel benadeeld worde en de hemel bestormd. We moeten weer eindigen, maar zij dan onze laatste blik op de Heere Jezus Christus. Wij hebben Hem gezien in hemelse blankheid, maar verlatend die heerlijkheid om te dalen van Thabors top en te komen aan Thabors voet. Hier was de hel bezig haar slag te slaan, maar Christus heeft satan zijn prooi ontrukt, opdat Zijn nederdalen ten zegen zou strekken voor de maanzieke knaap. Is die gang en daad van Christus niet een beeld van Zijn komst uit de hemel en Zijn dalen in de hel, opdat Hij ons van de hellediepte zou bevrijden door Zelf hellepijn te smaken, opdat wij in Zijn plaats zouden komen met Hem in die heerlijkheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd? In die zaligheid zal geen twist en wraak meer zijn, zal ook geen onmacht tot genezing meer wezen, zal geen zijn geloofswankeling en strijd meer worden doorworsteld; zal ook geen duivel ons meer bestoken en alle gevolgen der zonde zullen dan voor eeuwig achter blijven. Worde die zaligheid u en mij eens in Christus uit genade geschonken.
Amen.
Ps. 2 : 7.


Augustus 1954