2 Samuël 23:5 'Davids laatste woorden' ds. M.A. Kempeneers

111:3, 5
Lezen:2 Samuël 23:1-7
25:5
89:2, 8
17: 7, 8
105:6

Wij hechten veel waarde aan iemands laatste woorden. Als iemand is overleden, dan wordt nog weleens gevraagd: ‘Heeft hij nog iets gezegd? Wat waren haar laatste woorden?’
En zeker als het je man of vrouw betreft, of je vader of moeder, of iemand anders die je zo dierbaar is, dan zou je zo graag uit zijn of haar mond het getuigenis horen dat na de dood hen het leven is bereid. En dat ze nog een woord van bemoediging of waarschuwing voor de kinderen en kleinkinderen laten horen.

We gaan nu luisteren naar de laatste woorden van koning David. Naar wat wel genoemd wordt ‘het geestelijk testament van David’.

Het geestelijk testament van David, dat spreekt van
1 een ootmoedig terugzien (hoewel …bewaard is)
2 een blijmoedig vooruitzien (voorzeker …uitspruiten)

1 een ootmoedig terugzien
Het Woord van God verplaatst ons naar de laatste fase van het leven van David. Daar wordt ons in de Bijbel het een en ander van verteld, wat deze koning van Israël in de laatste periode van zijn leven nog heeft gezegd en gedaan.
De laatste hoofdstukken van het eerste boek van de Kronieken laten ons zien dat David toen allerlei maatregelen genomen heeft en de belangrijkste mensen van Israël bij elkaar geroepen heeft. Allerlei maatregelen heeft hij genomen en verordeningen afgekondigd. Hij heeft Salomo aangesteld als zijn opvolger, hij heeft met Salomo gesproken over de bouw van de tempel.
En zo is hij bezig om als koning afscheid te gaan nemen en dan komt het moment dat hij zijn laatste woorden gaat uitspreken.

Waarom zijn laatste woorden? Omdat het de mensen gezet is eenmaal te sterven. De ménsen. Ook al ben je koning van Israël. En God heeft het gezegd: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. En vandaar dat er woorden zijn waarvan gezegd wordt dat het de laatste woorden zijn.

David moet sterven. Want alle vlees is als gras. David weet dat. En hij heeft zich voorbereid. Voor hem is de angel ook al wel uit de dood verwijderd. Hij is bereid om te gaan. Heeft hij in de psalmen meerdere keren van gesproken. De liefelijkheen van het zalig hemelleven
Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven
En zo ligt David er voor, ook op zijn sterfbed. Zo kan hij afscheid nemen. Zo kan hij zijn laatste woorden spreken, zo kan hij allerlei regelingen treffen voor de tijd die komt, als hij er niet meer is.

Hebt u dat ook geleerd, gemeente, om u voor te bereiden?
De Heere roept er ons allemaal toe op. Geef bevel aan uw huis, want ge zult sterven en niet leven.
Wat gaat er door u heen, door jou heen, als daarover wordt gesproken?
U zegt: niet teveel aan denken. En jij zegt: dat schuif ik voor me uit. Dat maakt me zo somber.

Ach. Wat is het dwaas om zo te denken. Onszelf wijsmaken dat het nog wel een hele poos zal duren. Want je bent nog jong. En als je 60 bent dan ben je nog steeds jong. En als je 80 bent dan kun je nog wel 85 worden. En zo maak je jezelf eigenlijk wijs, dat het voor u of jou niet geldt. Sterven. Dat is voor een ander.
We leven van nature uit de geest van psalm 49
Al zegt zijn hart: "Mijn huis zal eeuwig staan;
Van kind tot kind gedurig overgaan";

Of leerden we er wel rekening mee houden? Heeft God ons zo onontkoombaar met de werkelijkheid in aanraking gebracht, zodat we er niet meer onderuit konden komen?
En zodat we er wel aan gingen denken. En zodat het voor ons echt een vraag werd. Te moeten sterven.
Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis. En waar zal dat eeuwige huis nu zijn? Niet alleen voor mijzelf. Maar als u van uw man, uw vrouw, uw kinderen houdt, ja dan zit u toch weleens met de vraag, waar zij de eeuwigheid gaan doorbrengen? Wat hun eeuwig huis zal zijn?

David is daar mee bezig geweest, ook dat vinden we terug in de psalmen.
O Heere ontdek mijn levenseind aan mij
Mijn dagen zijn bij U geteld
Ai leer mij hoe vergankelijk ik zij

Daar is moed voor nodig. Geestelijke moed. Om niet voor deze dingen weg te lopen, maar om ze eerlijk en voor Gods aangezicht in te zien.

David is er mee bezig geweest en het heeft hem uitgedreven naar de Heere. Hij heeft geweten van de schuld en van de zonde. Maar hij is er mee op de rechte plaats gekomen. Hij heeft leren bedelen om genade en God heeft hem ook antwoord gegeven.

5 Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld
David heeft het hier over een verbond. Een verbond dat God gemaakt heeft. Hij heeft mij een eeuwig verbond gesteld. Het gaat niet om een verbond dat van David uitgegaan is, dat hij gesloten heeft. Nee, het is van God uitgegaan. Hij heeft mij een eeuwig verbond gesteld. Gegeven. Daarin gaat alles van God uit. En David ontvangt alles. In dat verbond doet de zondaar niets maar krijgt hij alles.

En een verbond, dat wil zeggen daarin wordt er een verbinding gelegd. Er wordt een band gelegd tussen twee partijen die tegenover elkaar staan.
In een verbond gaat het om afspraken, in een verbond gaat het om overeenkomsten. Het gaat om rechten en om plichten. Om toezeggingen die gedaan worden.

Welnu om welke afspraken gaat het in dit verbond en welke toezeggingen zijn hier gedaan?
We zullen allereerst moeten denken aan wat we vinden in 2 Samuël 7. Daar wordt verteld dat David voor de Heere een huis, een tempel wilde bouwen. Maar God keurde dat plan van David niet goed. Niet omdat het een verkeerd plan is, maar omdat de Heere niet wil dat Zijn huis gebouwd wordt door een man die zoveel oorlog heeft gevoerd. Zijn zoon Salomo zal de tempelbouwer zijn. Een koning des vredes. Aan wiens handen geen bloed kleeft zoals bij David.

Maar dat is niet het enige. Nee, de Heere maakt aan David bekend dat Hij voor David een huis zal bouwen. Een koningshuis. Dat eeuwig zal regeren. De Heere belooft David dat er altijd één uit Davids huis zal zijn die op de troon zal zitten. De kroon zal altijd van kind tot kind worden overgedragen, totdat de kroon eeuwig zal bloeien op het hoofd van Davids grote Zoon.
Zoals we dat ook terugbinden in de woorden van de engel Gabriël tegen Maria: en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.

Dat allereerst is het verbond waar het hier over gaat. Maar dat is toch ook weer niet alles. Het gaat niet alleen om dit verbond, over het eeuwige koningschap. Maar behalve dat is er in dat verbond uiteindelijk nog iets veel persoonlijkers voor David.
Want nu gaat het in dat verbond ook om Davids zaligheid. Het gaat om die hele persoonlijke relatie die er tussen de Heere en David mocht zijn.

Dat was natuurlijk een relatie die er was tussen de Heere en elke Israëliet. Met alle kinderen van Abraham. Dat was toch het verbondsvolk, waar David ook bij hoorde. En de Heere had toch met het hele volk Zijn verbond opgericht. David mocht onder de toezeggingen van dat verbond leven.
Maar daar is het bij David niet bij gebleven.

Bij velen uit Israël bleef het daar wel bij. Die hadden ook niet meer dan de uiterlijke verbondsvoorrechten. Die hadden niet meer dan de toezeggingen. Die hadden nooit werkzaamheden gekregen met de toezeggingen.
Maar dat was bij David anders. Hij heeft van God de genade ontvangen om dat verbond in te willigen. Wat toegezegd was, dat is door het werk van de Heilige Geest door hem ook toegeëigend. Dat is toegepast in zijn leven. Datgene wat hem in de belofte was geschonken, daar heeft hij door het geloof ook deel aan gekregen.
En van dat verbond, het genadeverbond, gaat David spreken.

En dan noemt David drie kenmerken van dat verbond op.
1 het is een eeuwig verbond.
Dat heeft dus geen begin. En dat heeft ook geen einde.
Dat verbond komt op uit het eeuwig welbehagen.
God is niet in de tijd begonnen. Nee want God is eeuwig en Hij heeft van eeuwigheid aan de Zijnen gedacht.

En als we deel krijgen aan datgene wat in de belofte geschonken wordt, dan vindt dat zijn oorsprong in de eeuwigheid. Het is begonnen met het welbehagen.
Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde en daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

En omdat het van eeuwigheid af is, zal het ook tot in eeuwigheid duren. De zaligheid van David en van al Gods kinderen zal nooit meer eindigen. Het zal tot in eeuwigheid duren.

Leeft u uit dat verbond? Als je het over het verbond hebt, dan worden mensen voorzichtig. Want dat verbond… daar moet je mee oppassen.
Maar Calvijn zei, dat God alleen bondelingen zalig maakt.
Want als er geen verbond was, dan konden we niet zalig worden.
In de eeuwigheid heeft een drie-enig God aan Zichzelf verbonden om een zondaarsvolk zalig te maken. En dat volk dat in dat verbond mag liggen, dat ligt daarin voor eeuwig vast. Heere, het ligt niet bij mij, ligt gelukkig bij U.

2 Vervolgens zegt David dat dit verbond wel geordineerd is.
Alles in dat verbond staat op zijn plaats. Het verbond des vredes is met Goddelijke wijsheid gemaakt.
Het is met Goddelijke wijsheid in de eeuwigheid uitgedacht.
Met Goddelijke wijsheid worden de verbondsweldaden door Christus, Die het Hoofd en de Middelaar van het Verbond is, verworven. En met Goddelijke wijsheid worden die weldaden door de Geest in de harten van al Gods kinderen toegepast.
Dat is de orde van het verbond.
Het is wel geordineerd.

3 En niet alleen dat, David zegt dat het ook wel bewaard is.
Je kunt ook zeggen dat het verbond welbewaakt is. God bewaakt het verbond. Gelukkig maar, want als dat volk het moest doen, dan was het een verloren zaak.
Het is trouw al wat Hij ooit beval

En dat woordje ‘bewaard’ daarin zit ook opgesloten dat het verbond vast is. En zeker. Omdat God er een eed op gedaan heeft.
Zo staat het in Jesaja 54:
9 Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.
10 Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.

En dat wordt voor David allemaal zo’n groot wonder als hij bedenkt en beseft wie hij zelf is geweest. En hoe zijn leven is geweest. Hij zegt:
5 Hoewel mijn huis alzo niet is bij God.
Hij gebruikt het woordje ‘hoewel’. Dat geeft dus een tegenstelling aan.
Een tegenstelling met wat hij over het verbond zegt.
Maar ook een tegenstelling met het voorgaande hoofdstuk.
Daar zingt David van de goedheid van God. Over de trouwe zorg en liefde des Heeren over hem. Één loflied over Gods goedertierenheden over David en de zijnen.

En als hij daarop ziet. Hoe zou nu zijn leven geweest moeten zijn en hoe zou het leven van zijn huis moeten zijn?
Enkel zorg, enkel liefde, enkel genade.
Davids leven had één loflied moeten zijn op de goedheid Gods.
En dat huis van David dat had moeten uitblinken in Godzaligheid.

Maar alzo is het niet. En daarom begint hij met het woordje ´hoewel´.
5 Hoewel mijn huis alzo niet is bij God…
Dan kom je voor zo’n grote tegenstelling te staan. Dan wordt het zo’n onbegrijpelijke zaak.

Hij heeft het over zijn huis. Het zal daarin allereerst wel gaan om de vraag hoe David zelf is geweest. Hoe zijn leven is geweest? Wat is er in zijn leven nu van hem uitgegaan? Hoe heeft hij geleefd? En wat blijft er nu uiteindelijk over, als hij zo de balans van zijn leven opmaakt?

Als David op zijn sterfbed zo zijn hele leven aan zijn oog voorbij ziet glijden, dan kan hij maar tot één conclusie komen. Het is alles ver beneden de maat geweest. Het is niet geweest zoals het had moeten zijn. Zoals David het toch graag gewild had. En zoals de Heere het waard is. Zo is het niet geweest.
Hoe diep zinkt de man naar Gods hart hier weg in zijn eigen onwaardigheid. Hoe diep buigt David hier voor de heilige God in het stof.

Want heeft God ooit ontvangen waar Hij recht op had?
Voor het oog van mensen kan het nog wel wat geleken hebben.
Die konden wel een aantal mooie dingen in Davids leven aanwijzen. De wijze waarop hij Goliath had verslagen, de psalmen die hij gedicht heeft, de plannen voor de bouw van de tempel enzovoorts.

Maar weet u, dat valt voor David allemaal weg. Want David wist wel wie hij was. En wie hij gebleven was. En dat er achter die koninklijke mantel een hart zat, zo zwart van de zonde. En dat er tegenover die geloofsdaden zo onnoemlijk veel zonden en ongerechtigheden stonden.

Want er zijn van die inktzwarte bladzijden in dat leven van David geweest. Daar lag de zonde met Bathseba. Toen heeft David de Naam des Heeren smaadheid aangedaan. Hij heeft het volk des Heeren diep bedroefd. En de vijanden reden gegeven om de Naam des Heeren te lasteren.

En zeker David mocht wel weten dat de Heere die vreselijke zonden vergeven had. Die schuld was uit de Goddelijke boeken gedaan.
Maar David kon ze zichzelf niet vergeven.
En hij kon het maar niet vergeten ook.
Want ook op zijn sterfbed gaat heel dat leven aan zijn ogen voorbij.
O en dan komt het er zo diep uit.
O Heere, mijn huis is niet bij U.
Het is niet geweest zoals het had moeten zijn. Tegenover zoveel zegeningen, tegenover zoveel weldaden liggen daar al die zonden.

Een andere zwarte bladzijde uit zijn levensboek komt hem voor de aandacht. O hij heeft het eens gedaan, laten doen, het volk tellen. Wat een schuld. En ook deze zonde is hem vergeven. Maar zelf kan hij het niet. En daarom komt het er bij David diep uit.
Hoewel mijn huis alzo niet is bij God…

Verstaat u hoe David hier in zijn onwaardigheid op zijn sterfbed ligt?
En ik noemde alleen nog maar enkele in het oog lopende zonden.
Maar David spreekt in de psalmen ook over zijn verborgen zonden. Waar niemand van af wist, behalve hij en de Heere.
En daarom dat ootmoedige terugzien. En daarom dat woordje ´hoewel´.
Heere, U bent al mijn liefde zo waard, maar als ik de rekening opmaak, balans opmaken, dan blijft er een grote nul over.
En dat is een weldaad van de genade Gods, als je in het dal van de ootmoed komt.
Als je van genade moet gaan leven. Dat woord zegt het al. Genade Want dan ga je leren wie dat je zelf bent. En als je dan de balans opmaakt, dan is het één groot tekort.
Maar dan toch dat wonder. Dan toch dat verbond. En dan toch die weldaden? Ja want het is genade geweest. Loutere soevereine genade. Het is een eeuwig wonder.

Want stel dat er een punt stond. Dat niet verder liep. Als dat nou alles was, die constatering. Mijn huis is alzo niet bij God. Dan was verloren zaak. Maar dan lezen hier van het nochtans des geloofs.
De ladder van het nochtans waarlangs de zondaar opklimt uit de diepte van zijn onwaardigheid.

Behalve op Davids persoonlijke leven kunnen we zijn woorden ook betrekken op Davids huisgezín.
En Gods Woord is eerlijk genoeg om te weten dat er in dat gezin van David ook nogal wat mis was.
Er was incest geweest. Amnon die zijn zuster Thamar verkrachtte.
Er was moord geweest. Absalom die Amnon om het leven bracht.
Er was in Davids gezin afgunst. Absalom en later Adonia die door geweld koning wilden worden.

En als David dat allemaal op zich laat inwerken, en de vraag stelt: en waar komt dat nu allemaal vandaan? Dan moet hij zichzelf opnieuw beschuldigen. Want toen God Nathan stuurde met de boodschap dat het zwaard van Davids huis niet zou wijken, toen hield dat ergens verband mee. Toen had dat te maken met Davids zonden.
En als David naar zijn huisgezin kijkt. En met verdriet het gedrag van verschillende van zijn kinderen bekijkt. Als hij smart draagt vanwege het leven dat ze leven. En vooral als hij hoort van die zoon, die in zijn zonde is gestorven, dan roept hij het vol smart uit: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
Dan hoor je in die klacht van David de smart over zijn eigen zonde en zijn eigen ongerechtigheid. Had hij het goede voorbeeld nu wel gegeven? Ach hij heeft ook op dat terrein gefaald. Hij is ook als vader alles tekort geschoten.

En weer zeggen we dat David niet de enige is die dit zo beleven moet.
De één moet daar dieper doorheen dan de ander. En er zijn er die er wel heel diep doorheen gaan.
Ouders die smart hebben als ze de gang van hun kinderen zien.
Als ze het onverschillige en zelfs goddeloze gedrag van hun kinderen moeten meemaken. Als kinderen klein zijn, dan trappelen ze in je schoot, zo zei men vroeger wel. Maar als ze groot zijn, dan trappen ze soms op je hart.

Dat veroorzaakt smart. Diepe smart. Omdat het zo’n pijn doet om je kinderen en kleinkinderen de weg naar het verderf te zien gaan.
En omdat je daar zelf ook niet schoon onder uit komt. Want heb je wel altijd het goede voorbeeld gegeven? Is er nu eigenlijk wel zoveel van je uitgegaan? Is het ook wat dit betreft niet ver beneden de maat geweest?

O wat is er ten aanzien van de opvoeding een tekort. En wat een zonden. En waar je ook kijkt, het is allemaal ver beneden de maat geweest. Nergens is er iets te vinden waarmee je voor God kunt bestaan. Nergens kun je iets aanwijzen waar God reden heeft gevonden om naar je om te zien. Geen verdienste of waardigheid. Overal schuld.

En dan toch dat verbond. En dan toch die genade. En dan toch dat Godswerk. Is dat geen duidelijk bewijs van vrije gunst die eeuwig Hem bewoog? Is dat niet enkel Gods goedertierenheid? Is dat niet echt een eenzijdig Godswonder?
5 Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld…

Het lijkt wel alsof daar niks tussen ligt. Volgt zomaar op. Keurt zich af en direct daarna. Ligt niets tussen. Schijnbaar.
Tussen onwaardigheid en nochtans ligt zo machtig veel tussen.
Daar ligt tussen de eeuwige liefde. Waarmee God de Zijnen liefheeft.
Daar ligt tussen een offer. Van de dierbare Christus.
Daar ligt tussen de toepassende bediening des Geestes.
Daar ligt tussen een weg waarin een ziel aan zichzelf ontdekt wordt.
Daar ligt tussen wat David in psalm 116 verwoordt: Ik lag gekneld in banden van den dood / daar de angst der hel mij alle troost deed missen / Ik was benauwd, omringd door droefenissen / maar riep den Heere dus aan in al mijn nood / Och Heere, och wierd mijn ziel door U gered!

Tussen dat hoewel en dat nochtans ligt het moment dat het de Heere behaagde om Zijn zoon in mij te openbaren.

Wat een heerlijke tegenstelling. Stel dat er een punt stond. Dat het in deze zin niet verder liep. Mijn huis is alzo niet bij God. Als dat nou alles was. Dan was het verloren zaak.

Maar hier staat het gezegende nochtans des geloofs. Het nochtans dat wel genoemd wordt de ladder waarlangs arme verloren zondaren door het geschonken geloof opklimmen uit de diepte van de onwaardigheid.

Nog één ding. En dat kan ook niet anders. Daar moet het wel mee eindigen. Want als David zo zijn leven eens nagelopen heeft en heeft mogen eindigen in Gods genadeverbond, dan spreekt hij het uit:
5 …voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust…

2 een blijmoedig vooruitzien
Gods genadeverbond, dat betekende voor David zijn zaligheid.
En daarom is daarin voor hem ook al zijn lust in gelegen.
Dat voegt hij er aan toe. Daarin is al mijn heil en alle lust.
Daarin vindt Gods Kerk hun vermaak. Hun zielsvermaak. Dat kan toch niet anders? Want alle heil in leven en in sterven ligt in dat verbond. Voor lichaam en voor ziel. Je rechtvaardigmaking. Je heiligmaking. Je vrede. Je verzoening met God.

In de overdenking van Gods genadeverbond, daarin is David in zijn element. Daar kan hij zijn hart aan ophalen. Dat is voor hem genoeg, in zijn leven en in zijn sterven. En dat genadeverbond dat verschaft Gods Kerk bij tijden zo’n onuitsprekelijk vreugde. Dat geeft bij tijden een voorsmaak van het eeuwige zalige hemelleven.

Ook als ze weer terugdenken aan hun zonden en afmakingen. David weet er ook van. Van die open wond die er in zijn leven is. O ja de Heere had het hem vergeven. Maar David heeft het zichzelf nooit kunnen vergeven. En de zonden van zijn jeugd, o die waren allemaal toegedekt onder de mantel der gerechtigheid. Maar David en allen die genade kennen, hebben er op hun oude dag nog veel last van. Sla de zonde nimmer ga, die mijn jonkheid heeft bedreven…

Maar menigmaal heeft David het ook ervaren dat God hem er bovenuit heeft getild. Dat het verbond des vredes zoveel troost voor hem bevatte en zoveel vastheid, dat hij temidden van alle schuld en tekort, toch weleens blij kon zijn. Dat hij een vermaak had in de genade Gods.
Een stroom van ongerechtigheden / had de overhand op mij / maar ons weerspannig overtreden / verzoent en zuivert Gij.

En dat was genade alleen. Daar heeft hij niets toe bijgedragen. Hij heeft alleen maar tegengewerkt. Maar dankzij de onwederstandelijke kracht des Geestes is het toch doorgegaan in zijn leven.
En in dat eenzijdige Godswerk heeft David een vermaak gekregen. Hierin is al mijn heil en alle lust.
En al wordt het hier op aarde nog weleens verstoord. En al zijn het maar uurtjes van korte duurtjes, en is het zo genoten en zo weer toegesloten. Daar spreekt David ook van.
5 …hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.

Maar het volle heil dat komt. Ja, want de Heere zal geen half werk doen. En dan zal al datgene waar hij nu nog last van heeft van hem afvallen. Dan zullen al zijn zonden voor eeuwig zijn weggedaan. En dat lichaam dezes doods dat zal hem nooit meer hinderen. En niets zal hem dan nog herinneren aan dit Mesech der ellende, aan dit moeilijke leven.

Dan is hij voorgoed verlost en dan mag hij horen bij dat volk op wier hoofd eeuwige blijdschap wezen zal. En al spruit het nu nog niet allemaal uit, de Heere is zo getrouw als sterk en Hij zal Zijn werk voor mij volenden.

En u begrijpt het, daarom kan David straks zijn hoofd neerleggen. Op het vaste verbond van Gods genade. Daar zal hij nooit beschaamd mee uitkomen. Dan is sterven geen sterven meer. Nee, want het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin!

En wat als je dit nu allemaal niet kent? Als dit allemaal vreemd is?
Als je je heil en je lust in andere dingen zoekt?
In de dingen van de tijd? In de dingen van de wereld?
Misschien zelfs wel in de dingen van de zonde?

En de dienst des Heeren en het onderzoeken van Zijn Woord, dat vind je eigenlijk alleen maar vervelend. Het zegt je niets.
Noem ik uw naam? Is dit jouw beeld?
Wat staat er dan voor een boodschap in de Bijbel?
Als je behoort bij die categorie mensen waarvan psalm 17 zegt:
die 't ruim genot der wereld voor hun heilgoed achten;
Als je bij die mensen hoort voor wie de godsdienst alleen maar buitenkant is?

Wat staat je dan te wachten?
Ik lees u alleen maar de twee verzen die op onze tekst volgen
6 Maar de mannen Belials zullen altemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten;
7 Maar een iegelijk, die ze zal aantasten, voorziet zich met ijzer en het hout ener spies; en zij zullen ganselijk met vuur verbrand worden ter zelver plaats.

De mannen Belials. Dat zijn de mensen die de dienst van de Heere verachten. Die aan de Heere voorbij leven. Wier leven daarom leeg is.
Omdat de vreze Gods ontbreekt. Zulke mensen zullen vergaan.
Is dat dan uw vooruitzicht?

O bekeert u dan, terwijl het nog kan. Zoek de Heere terwijl Hij nog te vinden is. God heeft er een lust in en daarom zijn we er vanavond. En daarom horen we het vanavond nog. Omdat Hij lust heeft, niet in uw dood, maar in uw leven.

Gelukkig diegenen die met David op hun plaats komen en die hun schuld en zonde voor God leren belijden en bewenen.
Want zo is David bereid geworden om te sterven. En zo ligt hij op zijn dood te wachten.
En wat gaat er dan veel van zo´n sterfbed uit. Wat geeft dat een rust voor hemzelf, en voor degenen die om zijn bed heen staan.
Vrede in zijn hart, rust in zijn gemoed.

Leeft u nog altijd in de onrust van te moeten sterven en niet te kunnen sterven.
Ach, het is nog het heden der genade.
Het is nog de welaangename tijd, de dag der zaligheid.
De Heere neemt nog zondaars aan en Hij bewijst nog Zijn genade.
Die met hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing leren wenden.

Amen