Richteren 7:7 'Gideon' ds. P. Roos

Preek over Richteren 7:7      door ds. P. Roos

Liturgie: Ps. 56:2

            Richt. 7:1-12  (schriftlezing in St. Vertaling)

            Ps. 18:9

            Ps. 60:4,7

            Ps. 68:1

            Ps.138:4

We leven in een tijd van kerkverlating. We verstaan hieronder de neiging van de massa om zich van de kerk af te wenden. Het proces kwam reeds lang geleden op gang. In een stad als Kampen moeten twee monumentale en bekende kerken afgestoten worden. In Kampen heeft de Gereformeerde prediking diepe sporen getrokken. Het blijft dus niet beperkt tot de grote steden. We kunnen wel zeggen dat vrijwel iedere stad en ieder dorp ermee te maken krijgt. Nog niet ieder kerkverband, maar hoe lang zal het nog duren, voordat Nederland één groot zendingsgebied wordt?

Ook ons eigen kerkelijke leven vertoont het proces van afkalving. Er zijn uitzonderingen op deze regel, maar het is wel de doorgaande lijn. We doen allemaal ons best om de mensen bij de kerk en bij de dienst des Heeren te behouden. De een doet het zus, de ander doet het zo. Moderne en ook traditionele pogingen genoeg. Maar we vrezen allen dat de stroom niet in te dammen is, op de lange duur…..

Kerkverlating!

Hebt u soms ook niet het gevoel, dat niet alleen veel mensen de kerk verlaten en reeds verlaten hebben, maar dat ook de Heere bezig is Zijn kerk te verlaten (Ezechiël 11)? We hopen van harte, dat dit niet het geval is.

De vraag klemt: àls er iets overblijft, wat blijft er dan over? Op hoeveel kunnen we dan nog rekenen? Als er nog maar twee of drie overblijven? Dat is niet veel. Maar de Heere Jezus heeft dat aantal genoemd. Met daaraan een belofte gekoppeld. Het moet dan wel een bijzonder tweetal zijn. Ze moeten in Zijn naam vergaderd zijn. Zij moeten vol van Hem zijn. Zij moeten ware christenen zijn. En bij die twee voegt Zich dan een Derde, namelijk de Heere Zèlf. “Ik ben daar in het midden”.

Blijven deze twee over? Zult u één van die twee zijn? Bij zulke vragen grijpt de angst ons bij de keel. Zal het uitlopen op zo’n fiasco? Nee, ik hoop dat er vele duizenden meer overblijven en dat de kerk nog een groeiperiode tegemoet gaat. Maar al zou het zijn dat er niet meer zou overblijven, als dan die twee of drie nog maar blijven staan!

Gideon heeft een soortgelijk proces meegemaakt. Het was zelfs de Heere Zèlf, die de massa naar huis stuurde. Er bleven er driehonderd over. En dat bleek genoeg, zelfs tegen een overmacht van honderddertig duizend vijanden.

Onze tekst spreekt daar over:

                                   ISRAEL GEMOBILISEERD

I de aanvoerder

II het leger

III de Bondgenoot

I De aanvoerder

De Richterentijd is een donkere periode uit Israëls geschiedenis.

Telkens wordt het land gekweld door invallende vijandelijke troepen. Zo ook nu.

Het zijn dit keer de Midianieten, die het volk kwellen. Zij komen tegen de tijd van de oogst en roven telkens weer alles mee. In grote menigten komen zij opzetten, zodat er geen verweer mogelijk is. Het volk van Gods beloften staat machteloos. Nog maar kort wonen zij in het land Kanaän en nu reeds lijkt dit land een bedreigd bezit.

De vijanden kwamen op Gods bevel. Want ook telkens bleek de zonde sterk onder het volk. Meermalen leest u daarvan: “ Het volk deed wat kwaad was in de ogen des Heeren”. In hun eigen oog was het goed, maar zonde is altijd zo te bezien: het is een kwaad in Gods oog.

Dit duurde nu reeds zeven lange jaren.

Aan het einde van die jaren gaat de Heere nu verlossing brengen. Eerst wordt de veldheer aangewezen, die de vijanden moet aangrijpen. Het is Gideon, de zoon van Joas. Een veldheer zonder leger en zonder…. moed. Hij gelooft stellig dat de Heere het land verlaten heeft en van zichzelf weet hij dat hij uitgerekend de minste en de kleinste is. De Heere zou geen slechtere keus kunnen maken.

Wat een pover begin! Zo begint de Heere heel vaak. Denk aan David, aan Mozes, aan Christus, Zijn eigen Zoon, die een rijsje was aan een afgehouwen tronk. Tegen die zwakke Gideon zegt de Heere nu: “Ga heen in dèze uw kracht”. De Heere noemt zijn zwakheid kracht! Die les moest Paulus ook leren.

De strijd wordt bij de aanvang van ons teksthoofdstuk aangevat. Eigenlijk was de strijd al eerder begonnen, toen Gideon op het dorpsplein van Ofra, waar hij zelf woonde, een revolutionaire daad moest verrichten. Het leek wel een soort guerrilla-activiteit, want het gebeurde ‘s nachts. Hij moest het Baälsaltaar afbreken dat van zijn eìgen vader was. Dat was een oorlogsdaad. Grote consternatie, toen het gebeurd was.

Het gehele dorp zocht hem te doden. Maar zijn vader verhoedde dit. We zien dat de strijd tegen de vijanden, die jaarlijks de oogst wegroofden, begon met de strijd tegen de afgoden. Eerst geestelijk orde op zaken stellen, daarna de vijand bestrijden.

Deze volgorde moeten we goed in het oog houden. Het betekent voor ons volk, dat er pas echt op alle terreinen verbetering gaat komen, als we primair de Heere weer gaan erkennen als de God van hemel en aarde. Het betekent tevens voor de kerk van Nederland, dat allerlei verwarring en afbraak, die ons gevangen houden, gaan verdwijnen als de zaak van geloof en bekering ook in de kerk weer alle aandacht krijgt. Het is schrijnend, als de kerk dat zelfs niet meer verstaat. Ervan uitgaande, dat het op dit terrein wel goed zit, maken we dan de geweldige vergissing dat we God erbuiten kunnen houden.

Nu dus de strijd tegen de vijandelijke legers. Ook dit jaar zijn ze in grote massa’s komen opzetten. Het zijn ongeveer 135.000 vijanden, die samen opgerukt zijn tegen het zwakke volk van Israël (8:10).

Gideon heeft inmiddels ook al een leger op de been gebracht. Vers 1 spreekt ervan. Het zijn er lang niet zoveel als de vele soldaten van de vijanden. Nee, het zal een zeer ongelijke strijd worden.

Gideon heeft de beschikking weten te krijgen over 32.000 strijders (7:3). Dit aantal, overal vandaan gerekruteerd, tegen een leger, dat ruim viermaal zo sterk is. Dat kan dus nooit!

Wat nu te doen? Het zijn er veel te weinig, die hem zullen bijstaan.

Maar dan komt de Heere en zegt tot Gideon: Het zijn er te véél! U ziet dan wel dat de Heere anders lijkt te tellen als wij. Onze berekeningen lijken absoluut niet overeen te komen met die van de Heere.

Dit woord van de Heere aan Gideon heeft ook voor ons nog grote gevolgen.

Te veel? Als dat waar is, dan geldt dat bijvoorbeeld ook nu nog van ònze getallen en voorraden. Stel maar eens dat de Heere tegen u en mij zou zeggen: Je hebt te veel geld. Dat zou wel hard aankomen.

Zo denken wij er meestal niet over.

Te veel…. medicijnen, te veel steunpunten, te veel vrienden, te veel beloften, te veel garanties, te veel zekerheden, te veel polissen…..

Tegen de geleerde zou de Heere kunnen zeggen: te veel kennis! Tegen de gemeente van Laodicea: te veel rijkdom. U bent niet arm genoeg, niet ellendig genoeg. U bent veel te rijk, u hebt te veel geld, te veel vertrouwen, te veel eigen bronnen.

Wat zou de Heere tegen ons eigenlijk te zeggen hebben? Zijn we ook niet vaak angstig aan het rekenen? Wordt er ook in de kerk niet te veel gerekend? Onze gemeente heeft zoveel leden, onze partij zoveel stemmers; er zijn tweehonderd Avondmaalgangers en er zijn nog meer belijders.

Het gaat ons aan het hart en het mòet ons aan het hart gaan als er mensen vetrekken uit de kerk. Dat is een ernstig verschijnsel.

Maar waarom zegt de Heere dat dan en hoe kan dit waar zijn?

Volgens het woord van God aan Gideon dreigt het gevaar van de eigen roem levensgroot. Het volk zal dan vast wel gaan zeggen: Dat hebben wij weer eens goed gedaan. We waren verreweg in de minderheid en toch hebben we gewonnen. Dan gaat Israël zich “tegen Mij” verheffen, zo zegt de Heere. U merkt: dat mag absoluut niet. Er is niets zo gevaarlijk voor een mens, dan dat hij zich gaat beroemen tègen de Heere. En dat zal zeker gebeuren met Israel. Dus feitelijk ook met mij en met u. Elk succes dat we bereiken, schrijven we op ons conto. Zo is een mens nu eenmaal. Zo bent ù nu eenmaal. We geven nooit de Heere de eer.

Dat is erg! We zullen altijd zeggen: Ik heb geloofd. Ik heb dit gedaan en ìk heb dat gegeven. Als we het niet zeggen, denken we het wel. We zijn dus allemaal Rooms. Maar dat mag niet. U moet nooit kunnen zeggen dat u dat gedaan hebt en daarom neemt de Heere u alles af. Dat gebeurt in het vervolg van onze tekst.

In twee fasen wordt het leger uitgedund. Eerst gaan er 22.000 naar huis, omdat zij bij nader inzien toch te weinig inzet tonen. Daarna vertrekken er nog eens bijna 10.000 mannen, die er door de Heere uitgeselecteerd worden. We komen daar nog wel op terug. Het gaat nu eerst om de aanvoerder.

Gideon ziet zijn reserves slinken. Er blijven er maar driehonderd over tegen zoveel vijanden, tegen honderd en vijfendertigduizend.

Wat zal deze Gideon gedacht hebben?

Wat betekent dit voor hem zelf? Hij blijft bijna alleen over. Het wordt volkomen hopeloos. Eén soldaat moet het straks opnemen tegen vierhonderdvijftig tegenstanders. Dan kan, menselijk gezien, nooit.

We zien dat de Heere Gideon al zijn steun ontneemt. Hij blijft vrijwel alleen over. Terwijl hij toch de verantwoordelijkheid heeft. We stuiten hier op een bekende zaak.

Hoe vaak ontneemt de Heere ons juist niet al ons eigen vertrouwen. Een zieke kan het meemaken dat alles volkomen afbreekt en er geen hoop overblijft. Je kunt het op school beleven, jongelui, dat je vooruitzichten al maar slechter worden voor dat examen.

Zo gaat dat in alledaagse omstandigheden. Zo handelt de Heere echter ook met de Zijnen, als Hij hen leert wat het zeggen wil om uit genade zalig te worden.

Ook inzake deze dingen steunen we zo graag op eigen mogelijkheden en zoeken we eigen eer en grootheid. Heilige zaken kunnen zo licht vermengd worden met onheilige. Tijdens de Reformatie bleek hoe belangrijk het is om niet te steunen op iets van de mens, maar zich te verlaten op de genade Gods in Christus. Daarin ligt het enige fundament. Dat is Gods werk en niet het onze.

Maar zelfs in de weg van geloof en bekering moet een mens het afleren om eigen mogelijkheden en krachten in het veld te brengen. De strijd is niet uwe, maar Godes, zo sprak Mozes tot het volk aan de Rode Zee. Eigen krachten te verachten, wordt op Jezus’ school geleerd.

Daartoe neemt de Heere ons alles af waarop we leunen en steunen. De Heere neemt bijvoorbeeld de grond weg uit onze eigen wil. We leren ons dan kennen als onwilligen, die niet eens één begeerte in zichzelf hebben. De Heere neemt de kracht van het gebed weg, opdat we zouden gaan zoeken buiten onszelf. Al onze legers moeten het veld ruimen. Daarvan sprak reeds de dichter vanouds, toen hij zei dat alle hulp hem gans ontviel en niemand zorgde voor zijn ziel. En wat kunnen de vijanden dan machtig zijn. Heeft God dan vergeten genadig te zijn? De Heere had deze Gideon toch Zijn duidelijke belofte en garantie gegeven, terwijl het nu wel lijkt dat hij regelrecht op een fiasco afstevent?

O, dan moeten we omkomen met ons geloof en met onze liefde en dan leidt de Heere ons in de onmogelijkheid. Zo diep komt het dan en zo ver kan het ook met u gaan. Dat is enerzijds een weg, die ons niet gelegen komt. Ieder mens wil zich graag verheffen, zoals de Heere hier zegt.

Maar als u in die situatie komt te verkeren, dan gaat er een groot wonder gebeuren. Dan heeft de Heere u toch niet doen omkomen in die dure tijd en hongersnood? Heeft de Heere toen in uw benauwde geest niet gegeven sieraad voor as en vreugdeolie voor treurigheid? Heeft de Heere niet buiten u een deur geopend ten leven en werd het niet groot voor de Zijnen dat er niets van hen bij behoefde te komen? In Zijn eigen Zoon heeft de Heere verzoening gevonden. Hij heeft alles alleen volbracht, zonder iets van de mens. Dat noemt de apostel nu: uit genade zalig worden, zonder de werken der wet. Door het geloof en dat niet uit u, want het is Gods gave.

En dat kan het alleen maar voortgaan omdat er Eén geweest is, Die werkelijk alleen overbleef. Niemand stond Hem terzijde, en zelfs Zijn eigen discipelen hebben Hem verlaten. Hij heeft naar het profetenwoord, de pers alleen getreden en er was geen helper en trooster. Hij moest alleen de vijand overwinnen. De ganse hellemacht stond tegenover Hem, maar Hij mocht door de kracht des Heeren overwinnen. Van Hem is deze Gideon een zwak voorbeeld. Gideon werd nog een driehonderdtal gelaten, maar de Heere Jezus heeft het alleen moeten doen. Hoe benauwd is Hem dat geweest, toen zelfs de discipelen sliepen in Gethsemané. Ze konden niet één uurtje met Hem waken. Dan wordt het waar voor Gods kerk: De Heere zal voor u strijden en gij zult stil zijn. Stilzitten en vertrouwen zal uw sterkte zijn.

Maar dat willen we niet. Het is ook een smartelijke zaak voor het vlees dat alles van ons wordt afgekeurd en we in de dood terechtkomen. Een moeilijke weg? Zeker, maar ook een gelukkige weg! Het is de onderstreping van de psalmregels: Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

 

Voor de aanvoerder is het een bijzondere ervaring geweest, maar ook voor II het leger.

Wat waren dat nu voor mensen? Het waren natuurlijk mensen met een hazenhart, angstig voor het minste en geringste? Immers, toen daar de legers van de vijanden zichtbaar werden en zij voor de mogelijkheid gesteld werden om terug te keren, namen zij onmiddellijk hun kans waar en vluchtten naar huis. “Blode en versaagt”, zegt onze vertaling. Je zou gedacht hebben dat zijn leger door deze woorden beledigd zou zijn geweest, nu Gideon durft veronderstellen dat ze zo bang zijn. Maar nee, zij schamen er zich niet voor dat ze bij het zien van de grote menigte der vijanden benauwd zijn geworden.

Geen mensen met een sterk karakter? Toch, zeg dat niet te snel. Het zijn er twee en twintigduizend, die naar huis gaan. De meererheid denkt zo! U zou er wellicht ook bij geweest kunnen zijn?

Ja, want deze mensen waren aanvankelijk wel komen opzetten. Ver verwijderd van het slagveld, zagen ze het wel en geloofden ze wel in de overwinning. Dat getuigde van moed en durf, ook van inzet en vertrouwen. Ze lieten Gideon er niet alleen voor staan. Geen lafaards zonder meer dus.

Maar, weet u, als het er eens echt op aan komt. Als daar de legers der vijanden zich vertonen als het zand der zee, als de wateren van de Rode Zee hun schuimende golven laten zien…., dan verandert het bij hen. We kunnen best spreken over de enige troost in leven en sterven, maar als het doodszweet ons zou uitbreken, als de vrees zich vermenigvuldigt, als de duivel schrik inboezemt en zegt: Ge hebt geen heil bij God, wat dan? Er zijn er die het evangelie met vreugde aannemen, doch het is voor een tijd. Als verdrukking of vervolging komt, worden zij terstond geërgerd, zegt de Heiland. Daar schrik je van. Hoe zou het met mij gaan? Zijt niet hooggevoelende, maar vreest. Verheug u, maar met beving! Daar verstaat Gods ware volk wel iets van. Hoe vaak denken ze niet een huichelaar te zijn. Hij zou, met de beloften Gods op zak, nog een dezer dagen omkomen door de hand van Saul, zo vreesde David. Als het er eens op aan komt?

De Heere kan geen vreesachtigen gebruiken, zo blijkt hier. Ze zullen ook niet inkomen in het nieuwe Jeruzalem, zo zegt het laatste Bijbelblad.

Dan slaat u misschien de schrik nog eens extra om het hart. Hoe vaak vreest u niet? Hoorden we het zoëven trouwens ook niet van mensen als David en Gideon en heeft ook Christus de vrees niet gekend?

Hier worden dus geen mensen bedoeld die nooit beangst en benauwd zijn. Integendeel, de vrees behoort tot de wapenrusting van Gods kind. Deze vrees kan heel diep zijn en we kunnen er ook gedurig nog weer last van hebben. Er is zoveel reden tot vrees. Maar als het erop aankomt, blijkt dat juist zij die vrezen, moed en kracht verkrijgen. Dat geldt ook van David en Gideon. Van de Heere Jezus, Die onbevreesd, omdat Hij verhoord is geworden uit de vreze, de dood tegen ging.

Weet u wat de Heere heel vaak zegt tegen Zijn kerk? Het zijn deze bekende woorden: “Vrees niet!”. Dan is er toch vrees aanwezig? We zien hier echter ook in dat de Heere deze vrees wegneemt. En dat gebeurt ècht. Ten dage als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen, zegt de dichter. Juist deze vrees leidt heen tot de overwinning, want de Heere neemt de vrees Zelf weg.

Er was ooit een martelaar, die verbrand zou worden op het schavot. De dag voor zijn dood hield hij zijn vinger in een vlammetje en toen trok hij hem snel terug. Maar wat gebeurde? De volgende dag was hij op weg naar het schavot en toen mocht hij blijmoedig uitroepen: “Hij is gekomen, Hij is gekomen”. Daar hebt u het. Wij zullen in onszelf echt geen leeuwenmoed tonen. Maar de Heere heeft voor de Zijnen ook de vrees overwonnen en dan blijkt ook dat zij moedig zijn als jonge leeuwen. Dan vreest Eliza de menigte der vijanden niet die rond Dothan gelegerd zijn. Dan vreest David Goliath niet en dan zullen zij àllen in de Heere dappere daden doen.

Maar met deze manschappen is dat niet gebeurd. Zij lieten Gods zaak aan anderen over. Zij lieten zich geheel overwinnen door hun angst. Dan weet je toch dat je verkeerd uit komt? Dan weet je toch ook dat je buiten de kracht van de Allerhoogste God handelt? Als de vrees ons geheel overwint en gevangen houdt, is er geen uitkomst. Deze vrees moet nood worden!

De eerste schifting is een feit geworden. Later, in hoofdstuk 8 blijkt, dat deze afgekeurde lichting toch nog weer mag meehelpen, om de laatste vijanden te overwinnen. Ook dat is genade geweest.

De tweede schifting komt nu. De overgebleven tienduizend moeten afgaan naar het water en daar gaan drinken. Aan de manier waarop zij dat doen, zal blijken wie de Heere kan gebruiken.

Zij drinken verschillend. Er zijn er die dat doen als een hond, zonder bijvoorbeeld te letten op hun kledij. Er zijn er ook die teveel zorg lijken te besteden aan hun tuniek; ze zijn te voorzichtig.

Het is ons niet geheel duidelijk hoe precies het onderscheid is geweest. Maar het komt aan op de woorden, die de Heere Zelf dan spreekt: “Van wie Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zàl met u trekken”.

Waar komt het dus op neer? De Heere Zèlf wijst de mensen aan. Hij spreekt Zijn machtswoord. Hij maakt de keus.

Dat is ernstig. De Heere alleen kent ieders hart, ook het uwe. Hij is op de hoogte van uw diepste motieven. De Heere zegt: Die gaat mee en Hij zegt ook: Deze gaat nìet mee. Wat zal de Heere van u en mij zeggen?

Deze mensen waren opgekomen om te strijden; ze waren nìet naar huis gegaan, toen het ging om angst. Ze zijn dus ook niet bang. En toch keurt de Heere hen af. Hoe kàn dat? Voor ons voldoen zij aan de hoogste normen. Hoe dat kan? Dat weet alleen de Heere. Maar wij kunnen het zelf ook aan de weet komen. Wat moet dit ons opnieuw voorzichtig maken. Misschien meent u dat in deze tekst de vrees wel te zeer wordt aangewakkerd. Wie kan er zodoende nog blijven staan? Wie kan dàn zalig worden? Het lijkt er op, dat niemand waardig is tot de strijd, niemand waardig om het boek te openen.

Zeker, die conclusie is juist. U moet die conclusie ook eerst trekken. Om daarna, vluchtend tot de Kenner der harten, te smeken om Zijn genade. En dan zal de Heere u niet teleurstellen. Het viel voor Petrus erg mee, toen de Heere, hem kennende, hem niet afwees, alhoewel hij Zijn Meester verloochend had. Gelukkig! Wie niets heeft, kan alles ontvangen. Daar kan de Heere Zijn genade aan kwijt.

Wij leven in een tijd van groot verval. Velen keren terug. Wandelen niet meer met Hem. Ook de kerkganger gevoelt de zuigkracht van deze tijd. Toen de Heere Jezus tot de duizenden sprak over de ergernis der genade, bleven er twaalf over. Deze rede is hard, wie kan dezelve horen. Hard, voor mij en voor u.

Het is geen tijd om zelfverzekerd te zijn, nu de massa terugkeert. Dat kan trouwens in geen enkele tijd. Maar onze dagen worden gekenmerkt door verleiding en verzoeking. Het vraagt een nauwe wandel en een nauw zelfonderzoek. De Heere spoort daartoe aan: “Doorzoekt uzelf nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt”. Wij moeten dus vrezen dat velen zich bedriegen voor de eeuwigheid. De vijf dwaze maagden werden niet onderkend, zelfs niet door de wijze maagden. Durf en vrijmoedigheid kunnen ons niet baten. Neem eens poolshoogte op het slagveld. Bezie eens uw eigen hart. Hoe gevaarlijk om in Saul’s harnas te gaan en in eigen kracht op te trekken. Israël ten tijde van de profeten kon het  niet geloven dat het ooit mis zou gaan. “Des Hee-ren tempel, des Heeren tempel, zijn wij”, zo riep men uit. Hoe vreselijk als dan de slag valt.

Is er dan geen uitkomst? Er is altìjd uitkomst voor ìeder die het zelf niet heeft. Daarvan spreekt de Heere tot Elia: ”Ik heb Mij doen overblijven zevenduizend, die de knieën voor Baäl niet gebogen hebben”. Dat moet voor Elia een meevaller geweest zijn, hij die meende alleen overgebleven te zijn. De Heere doet overblijven. Bij Hem moet u zijn. Hij mobiliseert nog Zijn leger. Hij verdrijft de vijand. Dan zeg ik ook: gelukkig dat de Heere selecteert en niet een mens. Dan ging het niet goed. Bid dus de Heere om kracht opdat u kunt zingen: Wij zullen dapp’re heldendaan, in God verrichten, hoe ‘t moog’ gaan!

Wat blijft over? Driehonderd strijders. Het is een elitekorps. Is het dat? Mits goed verstaan, ja. Maar door genade. Maar hoe gering is dit leger.

Bij het begin hebben we het gehad over die twee of drie, in de naam van Jezus vergaderd. Daar is de Heere Zèlf in het midden. Wel, daarop komt het aan. Niet op die twee of drie, maar op Hem. Niet op die driehonderd, maar op

 

III de Bondgenoot.

Dat staat er nu heel moedgevend: “Door deze driehonderd zal Ik ulieden verlossen!” Zie vers 7. Ik zal, door hèn!

Is dat nu een bepaalde vorm van coöperatie geweest tussen de Heere en deze driehonderd? Hoe moeten we dat nu precies lezen? De Heere verlost, maar door deze mannen?

Het lijkt zo te zijn dat zowel de Heere alsook deze mannen onmisbaar zijn. Maar dan denken we toch verkeerd.

De Heere alleen doet alles. En tegelijk is het ook waar: deze mannen doen alles, in menselijk opzicht. Zo is het ook in de bekering. Werkt uw zaligheid met vreze en beven, want het is God Die in u werkt!

De Heere doet àlles. Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. Zij hebben kracht, maar het is slechts de kracht van de Heere.

Houd het er voor dat de Heere werkelijk alles doet. Er blijft echt niets voor de mens over te doen. Geen nagelschrap, zoals de ouderling te Ulrum zei. Het is genade. De Heere Jezus heeft alles volbracht voor de Zijnen. Zij mogen zich verlaten op Zijn volbrachte werk. Alle dingen zijn gereed. Als de discipelen vluchten, brengt de Heere Zijn werk alleen tot stand. Eenvoudiger kan het niet. Er staat: ”Wòrdt behouden” en “Laat u met God verzoenen”. Wat is daar nog door u aan toe te voegen?

En toch kweekt dat geen lijdelijke instelling. Wel lijdzaam, maar niet lijdelijk. De mens wordt er geheel bij ingeschakeld. Denk maar aan het beeld van een zeilschip, zoals Calvijn dat gebruikte. De matrozen moeten natuurlijk alle zeilen hijsen, als de wind opsteekt. Niettemin zijn niet de zeilen, maar is de wind de enige oorzaak dat het schip vaart. Al zijn alle zeilen gehesen, dat alles baat niet als de wind van de Geest niet waait. Dus maakt Gods werk ons werk niet overbodig, maar de Heere schakelt het in.

Dus komen alle eisen en bevelen uit het Woord voor ons te staan. En juist deze bevelen mogen we niet negeren door te zeggen dat we het niet kunnen. Het is waar, we kunnen het niet en willen het ook niet, maar er is een Bondgenoot, er is Hulp besteld bij een Held. 

De belofte luidt: “Ik zal”. Ik zal verlossen. Er is verlossing voor een gebonden volk en voor een verlegen volk. Er is een aanbod van verlossing voor u. De Heere belooft het. Een verlossing uit de hand der vijanden, een verlossing van dood, hel en duivel. De Heere zal verlossen de gebondenen in de kuil zonder water. Dat is de mens van nature. Geheel gebonden in de macht van de vijanden. Ondanks alle beloften is het volk in nood.

Hoe rijk dat de Heere Zich de nood van de zondaar heeft aangetrokken. Onder die nood kunt u alle mogelijke zaken verstaan: uw kwaal, uw gebroken huwelijk, uw verdeelde gezin, uw neergebogen geest en uw bedrukt gemoed, maar de uiteindelijke nood is de zonde. En daarvan belooft de Heere u te willen verlossen.

Het Israël van die dagen had het er niet naar gemaakt. Maar de Heere deed het toch. Ja, de Heere heeft bezocht en verlossing teweeg gebracht Zijn volk. Hoop dan op die God, Die geen bidder laat staan.

Zo zijn we bij ons uitgangspunt terug.

Driehonderd overgeblevenen. Ze zijn er nog. Door dezen die gedronken hebben, als honden. Er is een kenmerk, bij God bekend. Dezen, die geloofd hebben gaan in in de rust. Het enige kenmerk is Jezus Christus en Dien gekruisigd. Door Hem, door Hem alleen!

Door Hem alleen. Dat wordt door deze geschiedenis onderstreept. Gideon behoefde het niet alleen te doen. Hij kreeg nog hulp van driehonderd mannen. Christus heeft de pers alleen getreden en er was niemand van de volken met Hem. Zo valt alle licht op Hem alleen. Hij heeft de vijanden volkomen overwonnen. Hoe zwaar viel Hem de strijd. Daar hing Hij geheel alleen gelaten; verlaten door God en verlaten van de mensen. En hoe sterk waren de vijanden. Een stierenheir uit Bazan, sterk van krachten. Hij wist van de leeuw die brult en tiert. De satan heeft al zijn helpers opgeroepen om dit werk der verlossing tegen te houden. Welk een kracht heeft de Heere Jezus getoond in de overwinning van al Zijn vijanden. Maar ook: hoe groot is Zijn liefde, dat Hij Zich zo heeft willen offeren voor de zonden van Zijn volk. Zie dan op Hem alleen. Hij heeft het ook gedaan zonder uw hulp. U meent telkens weer Hem te moeten bij staan en iets toe te moeten voegen aan Zijn strijd. We kunnen het maar niet laten staan dat het is door Hem alleen. Leer uit deze geschiedenis dat wij niets kunnen aanbrengen. Hij kan die prijs der ziele, dat rantsoen, in tijd noch eeuwigheid voldoen. Gelukkig als u alles ontvalt en u in die weg mag leren dat er niets anders overblijft dan dat ene: Jezus Chbristus en Dien gekruisigd!

                                                                                              Amen