Psalm 87 'De heerlijkheid van Sion' ds. K. Hoefnagel

Preek over Psalm 87 door ds. K. Hoefnagel

 

Liturgie:

Psalm 68:9

Wet of Twaalf artikelen

Lezen: Psalm 87

Psalm 22:14

Psalm 87:1, 2 en 3

Psalm 87:4 en 5

Psalm 67:2

‘Is God een God der Joden alleen? En is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen’. Zo spreekt Paulus in Romeinen 3. De apostelen kregen van de Heere een duidelijke opdracht mee: Gaat dan heen, onderwijst al de volken! Met het evangeliewoord moesten zij wel in Jeruzalem beginnen, maar niet in Jeruzalem blijven. De vergeving der zonden moest onder alle volken gepredikt worden. Niet alleen omdat beide, Jood en heiden, vergeving der zonden nodig hebben, of omdat het offer van Christus algenoegzaam is, maar vooral omdat de Heere het zo wil en niet anders. Het is naar Zijn welbehagen. Het is naar Zijn geopenbaarde wil. Hij sprak reeds tot Abraham: ‘In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden’, Gen. 12:3.

In de zaliging van een zondaar, of het nu een jood of een heiden is, komt de grootheid van Gods genade uit. De oprichting van het genadeverbond met Abraham en zijn zaad is een bewijs van de grootheid van Gods hart. Maar laat dat zaad niet denken dat het beter is dan de heidenvolken. Gods Woord leert ons wel anders. Als een bondeling zelfkennis krijgt, leert hij ook: er is gen onderscheid; we hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.

Dat God Zijn handen ook uitstrekt naar de heiden, zien we duidelijk na de heerlijke Pinksterdag. Maar die God van volkomen zaligheid riep ook al in de oude bedeling: ‘Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde’, Jes. 45:22a. Ook Psalm 87 spreekt van heil voor jood en heiden beide! Ook de heiden! Tot troost van een mens die zichzelf in zijn heidens bestaan leerde kennen. Tot bemoediging van degenen die van verre staan. Maar bovenal tot eer van God Wiens huis eenmaal vol zal zijn! 

Psalm 87 ligt voor ons. Wat we boven de Psalm kunnen schrijven, schrijven we ook maar boven de preek. We denken na over

                        De heerlijkheid van Sion

We spreken achtereenvolgens over het fundament van Sion, Gods liefde tot Sion, de belijdenis aangaande Sion, de inwoners van Sion en de volheid des heils in Sion.

1. Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. De tempelzangers moesten deze lofzang op de lippen nemen. Gods huis was niet alleen een huis des gebeds, maar ook werd daar Zijn lof verbreid! Zo is het thans nog. Dat ’s HEEREN huis van vreugde druise, voor Isrels groten Opperheer! Kan uw hart ook zo warm worden als de lof des Heeren bezongen wordt? Is Hij het niet eeuwig waard om verheerlijkt te worden? En smart het u ook zo dat daar nu zo weinig van terechtkomt? Moet de Heere niet Zelf zorgen voor Zijn eer?

Het eerste wat de Korachieten nu bezingen is de grondslag van Sion: Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid!

U begrijpt dat hier gezongen wordt over de schoonheid van het aardse Jeruzalem. Alle aardse schoonheid is echter voorbijgaand. Ook de heerlijke, eens door Salomo gebouwde tempel is niet meer. Toch kunnen we nog zingen: De HEER is groot, elk zing’ Zijn lof, In Salems stad en tempelhof, Waar onze God, bij zuiv’re tonen, Op Zijnen heil’gen berg wil wonen.

En waarom? Omdat het aardse Jeruzalem met zijn heerlijke tempeldienst en Gods rijke openbaring, heen wees naar Gods kerk en koninkrijk. Was Jeruzalem en de schone tempel maar voor een tijd, Gods kerk is er altijd. Waarom? Vanwege haar grondslag, het fundament.

Dus niet vanwege de inwoners van die stad. De kerk Gods is er niet dankzij de leden van die kerk. Zij is er zelfs ondanks die leden! Maar, nog eens: die kerk staat vast vanwege een hecht fundament! Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid.

Zijn, dat is Jeruzalems grondslag is op bergen.

Wat een fundament! Wat een ondergrond! Niet alleen rondom Jeruzalem zijn bergen, maar zij is ook op bergen gebouwd! Een berg is imponerend, groots, onbeweeglijk. Welnu, die grote, onwrikbare bergen vormen nu het fundament van Jeruzalem.

Hecht, vast, onwankelbaar is het fundament van Gods kerk. Het kan stormen om de torens van die kerk; pijlen kunnen worden afgeschoten op de muren van de kerk; er kan gebeukt worden tegen de poorten der kerk, maar zij zal niet wankelen. De poorten der hel zullen de kerk des Heeren nooit overweldigen. Vanwege het fundament!

De Korachieten zingen dat Sions grondslag is op de bergen der heiligheid. Dat wil zeggen dat die bergen door God afgezonderd, geheiligd, uitverkoren zijn om Sions stad en tempel te dragen. Die bergen waren niet heerlijker of belangrijker dan andere bergen, maar de Heere had in Zijn welbehagen die bergen uitgekozen! We zingen daar van: God Zelf heeft deze berg begeerd Ter woning, om aldaar geëerd Zijn heerlijkheid te tonen. De HEER, Die hem verkoren heeft, Die trouwe houdt en eeuwig leeft, Zal hier ook eeuwig wonen.                                       

Dat fundament spreekt dus van verkiezende liefde, van eeuwig welbehagen. Hoe kan die heilige God wonen bij een zondaarsvolk? In ieder geval niet ten koste van die heiligheid, ten koste van het recht, dat Hij bemint. Het geheim zit in die hoeksteen van het Godsgebouw. God woont bij Zijn volk omwille van de Hoeksteen. ‘Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is’, Jes. 28:16. Die Hoeksteen is niemand minder dan Christus Jezus, bij de mensen wel veracht, maar bij God uitverkoren en dierbaar.

In Christus is Gods heilig recht verheerlijkt. Om Christus is God arme zondaren genadig. Om het zoenoffer, eeuwen lang afgebeeld in de offers in de tempel te Jeruzalem, kan en wil de Heere wonen bij Zijn volk.

De Psalm zingt in deze woorden dan ook duidelijk en kostelijk van Gods welbehagen in Christus. Wie zegt dat de Psalmen niet van Christus spreken kent de Psalmen niet.

We moeten verder. Toch wil ik eerst de vraag wel even stellen of uw leven fundament heeft. Hebt u al ontdekt dat u zonder God en Christus bent en daarom vreemdeling van de enige troost in leven en sterven? In de weg van die ontdekking gaat een mens zoeken naar grond onder de voeten. Als u zoekende bent naar dat vaste fundament, zoek het dan niet in eigengerechtigheid. Dat is een onbetrouwbare, wankele grond. Daar zult u en daar moet u doorheen zakken. God is de Grondlegger van alles. Hem hebt u nodig. Hij leidt tot die vaste rotssteen Christus Jezus.

2. Maar zou dat voor mij wel kunnen? Luister dan eens verder naar het lied van de kinderen van Korach. Want na gesproken te hebben van het fundament van de Godsstad, zingt het lied vervolgens van de liefde tot dat heerlijk Sion: De HEERE bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob.

Ook wat dit woord betreft kan ik maar kort zijn. Dat is moeilijk, want er is veel van te zeggen.

Het gaat immers in deze woorden om niets minder dan de eeuwige liefde van God.

Maar wat zegt ons nu deze lofzang op Gods liefde? Is het zo dat Hij de stad Jeruzalem veel lief heeft, en de andere steden van het land slechts een beetje? Nee, natuurlijk niet. Hoe kan God nu een beetje lief hebben? Nog minder is het waar dat de Heere Jeruzalem bemint en de andere steden in het geheel niet.

Door het zo te zeggen wil de Psalm met kracht benadrukken dat de Heere Jeruzalem verkoren heeft om aldaar te wonen en Zich te openbaren in de liefelijke tempeldienst. In die verkiezing komt Zijn soevereiniteit, Zijn vrijmacht uit. Jeruzalem heeft in zichzelf niets voor op de andere steden van Jakob. De geschiedenis leert ons juist dat Jeruzalem niet zo’n beste stad was. Welk een reputatie de stad had, horen we van de Heere Jezus Zelf, als Hij klagen moet: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt en stenigt, die tot u gezonden zijn’, Luk. 13:34. Heeft Jeruzalem ook niet de Zoon uitgeworpen? En toch moeten de apostelen met hun evangeliearbeid beginnen in die stad! Dat is nu verkiezing. Het spreekt niet van enige verdienste, maar van vrije genade alleen. Jeruzalem was dus niet beter dan Jakobs steden. Overigens waren Jakobs steden ook niet beter dan Jeruzalem.

Wie leert zien op het voorwerp der verkiezing gaat iets verstaan van het wonder der verkiezing. Want wat van het aardse Sion gold, geldt met name van Gods kerk! Wat is nu de heerlijkheid van Gods kerk, zoals ons thema is? Wel, dat is niet dat zij in zichzelf beminnelijk is, maar dat zij bemind wordt! De HEERE bemint Zijn kerk! In die heerlijke Naam ligt de verklaring van die liefde. Hij heeft Zijn kerk lief om redenen, genomen uit Zichzelf, om de eer van Zijn Naam en de vastheid van Zijn verbond en het volbrachte werk van Zijn Zoon!

Ziet u nu de ruimte die er in de Heere, om Christus wil is? U mag Hem vragen aangenomen te worden tot Zijn kind. U mag pleiten op Zijn menigvuldige genade, overvloeiende voor de voornaamste der zondaren. U mag vluchten tot de Heere, als die tollenaar en die moordenaar. Zoals al Gods kinderen in Hem hun heil en troost zochten en vonden, met een beroep op Gods verkiezende zondaarsliefde.

En als u geen vreemdeling bent van Gods genade, moet u dan niet altijd weer en altijd meer leren dat het om u niet, ja nooit kan? U kunt het alleen maar verzondigen. U kunt zich alleen maar het heil onwaardig maken. En dat geeft smart. Op de bodem van mijn hart komt een hartelijk leedwezen dat wij zondaren zijn en blijven.

Maar zingt dit lied niet van eeuwig welbehagen? Vijanden worden met God verzoend en goddelozen worden gerechtvaardigd, om niet. Op de pinksterdag rees er verslagenheid in het hart van Petrus’ hoorders. Tot hen kwam het heerlijke woord van vergeving in het bloed van Christus. Maar wat ben ik er toch altijd weer tegen om me als een goddeloze in mijzelf neer te werpen voor de Heere en om Hem te smeken om Zijn genade. We zijn en blijven van die ellendige, hoogmoedige schepselen. En toch, als het weer eens zo mag wezen, dat ik stof ben voor God en bukken mag voor de Heere, wat is dat dan toch weer zo’n zalig ogenblik. ‘Zalig, zalig niets te wezen, in ons eigen oog voor God’, zong Rutgers en ik kan hem verstaan. U ook?

Dat God Sion lief heeft, blijkt uit de heilsgeschiedenis. Hij gaf aan Jakob Zijne wetten; deed Isrel op Zijn woorden letten. Hij leerde z’ in Zijn wegen wand’len; zo wou Hij met geen volken hand’len. Die moesten Zijn getuigenissen, en Zijn verbondsgeheimen missen!

Dat God Sion lief heeft, blijkt ook heilsbevindelijk. In Zijn opzoekende zondaarsliefde opende Hij mijn ogen voor het verderf. Met liefdekoorden trok Hij mij uit het verderf. Hij ontsloot de heilsweg voor mij en deed mij die weg door het geloof gaan. In Zijn liefde is Hij de Eerste, altijd weer. In Zijn liefde kastijdt Hij en houdt mij klein. In Zijn liefde bewaart Hij en brengt eenmaal veilig Thuis. Om dan eeuwig te zingen van Zijn goedertierenheen.

                                                                      

3. Zagen we eerst iets van de grondslag van Sion en hoorden we vervolgens iets van Gods grote liefde tot Sion, thans bepaalt de Psalm ons bij de belijdenis aangaande Sion. Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Niet door de vijanden natuurlijk! Die spreken slechts kwaad. Die haten de stad Gods omdat zij God haten. Maar door de vrienden, de inwoners van die stad worden zeer heerlijke dingen gesproken.

In de Psalmen vinden we daar vele voorbeelden van, denk maar aan Psalm 48: Hoe schoon, hoe welgelegen, Wat vreugd’ voor d’ aard, wat zegen, Is Sions berg, hoe groots, hoe blij.

En wat zingen zij graag Psalm 122: Jeruzalem is wel gebouwd, Wel saamgevoegd, wie haar beschouwt, Zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.

Is er nu echter geen tegenstrijdigheid in de Psalm op te merken? Eerst zeiden we immers dat God Jeruzalem verkiest om redenen in Zichzelf en niet omdat er enige waardigheid in Sion is? En waarom lezen we dan nu dat er van Sion zeer heerlijke dingen te zeggen zijn?

Is er dan toch nog iets goeds van de stad te zeggen? Is er dan toch nog iets positiefs van de kerk te zeggen? Woont er dan toch nog enig goed in een Sioniet?

Die stad wordt heerlijk om de heerlijkheid van haar Koning! Om Zijn inwoning en Zijn werk is Sion heerlijk! Heerlijk om de Heere! Heerlijkheid ontvangt ze van de Heere.                  Sommigen menen dat we moeten lezen: Zeer heerlijke dingen worden in u gesproken. Nu, dat is misschien ook beter. Want binnen de muren van de Godsstad wordt Zijn Naam in waarheid beleden en geroemd. Ook buitenstaanders konden onder de indruk komen van Jeruzalems pracht. Maar zeer heerlijke dingen kan slechts de ware Sioniet in waarachtig geloof spreken! Zeer heerlijke dingen worden binnen haar muren gezegd van de Koning, Zijn genade, Zijn liefde, Zijn Woord, Zijn inzettingen, Zijn gedachten des vredes, Zijn heilsplan om het verlorene te redden in zulk een Godverheerlijkende en zielzaligende weg!

Waaraan herkennen wij de ware Sioniet? Daaraan, dat hij goed van zijn Koning leert denken en spreken. Dat is vrucht van zelfkennis. Over zichzelf kan hij niet dan slecht spreken. Maar van de Koning kan hij, als hij tenminste op zijn plaats is, slechts zeer heerlijke dingen spreken! Zeer heerlijke dingen spreekt hij van de Heere en Zijn gezalfde Koning als hij iets van het heil mag smaken dat nimmermeer vergaat, of als hij opnieuw iets mag smaken van Gods vergevende zondaarsliefde, of als de Heere anderszins laat merken dat Hij van hem afweet. Spreekt de Psalm in vers 2 dan van Gods liefde, het derde vers spreekt van wederliefde. Gods liefde wekt wederliefde. God trekt en wij lopen Hem na. Hij is al mijn liefde waardig, zingt Psalm 116. Hart en mond openen zich, om de grote werken Gods te vertellen. Daar wordt het werk van de Pinkstergeest gezien, waar mond en hart zeer heerlijke dingen gaan spreken aangaande de Zoon, Die Zich voor doemwaardige zondaren wilde geven tot in de dood en waar de Vader wordt beleden omdat Hij die heerlijke verlossingsweg heeft uitgedacht. Is ons hart wel eens vol van de goedheid des Heeren? Werd het voor ons al eens echt Pinksterfeest?

4. Maar hoor, de Korachieten heffen een volgend couplet aan en zingen vervolgens van de inwoners van de Godsstad: ‘Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn en de Tyriër met de Moor, deze is aldaar geboren. En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen. De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: deze is aldaar geboren’.

Er zijn tenminste twee dingen die ons wel moeten opvallen. Dat is allereerst dat de Koning Zelf het woord neemt. Hoor Hem maar spreken: Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen die Mij kennen. Hij Die de Grondlegger, de Kunstenaar en Bouwmeester van Sion is, formeert ook het Sionsvolk! Niet alleen dat heerlijk Sion, maar ook haar inwoners komen voort uit Zijn hand! Hoor de Koning van Sion spreken: ‘Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen’, Jesaja 43:21.

Dat de kerk des Heeren inderdaad kerk des Heeren is, Zijn werk, wordt ons nu met zovele woorden door de Heere Zelf duidelijk voorgehouden.

Zij dit iedere Sioniet altijd weer tot verootmoediging: De HEER is God, erkent dat Hij Ons heeft gemaakt, en geenszins wij.

Tot verootmoediging, omdat er van nature niemand is die God zoekt. De Heere Zelf moet door Woord en Geest het hart bearbeiden en zondaren trekken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. De Koning der kerk moet Zelf Zijn kerk bewaren en vermeerderen! En Hij doet het omdat Hij trouw is!                                                                                                     Maar zij dit toch vooral tot grote bemoediging! Nu het alles Gods werk is, mag u vragen voor uzelf en uw kinderen. Nu mag u pleiten en smeken voor de wereld: Bewaar en vermeerder Uw kerk! Nu mag elk kind des Heeren altijd weer met smeking en geween tot Hem gaan.

Welnu, dat Sions Koning hier Zelf spreekt, is om het wonder van Zijn werk alle nadruk te geven. Hebben we er oog voor gekregen en kennen we iets van die verootmoediging en bemoediging? Of horen we nog bij die dwazen die almaar roepen dat ‘God het moet doen’, maar dit gebruiken als een excuus om dezelfde te blijven? Zie toch eens uw onwil in, en leer dat de Heere gewillig is om zondaren zalig te maken. Luister maar verder naar onze Psalm. Want na gezien te hebben dat de Heere Zelf hier aan het woord is, om Zijn heerlijk werk te benadrukken, is er nog iets dat ons wel op moet vallen, namelijk als we gewezen worden op de inwoners van de Godsstad. Daar wonen namelijk ook heidenen! Onder degenen die Mij kennen, en dan denken we allereerst aan het bondsvolk, worden ook anderen gevonden! Ik zal Rahab en Babel vermelden; ziet, de Filistijn en de Tyriër, met de Moor is aldaar geboren!

God formeert Zijn kerk over het ganse wereldrond! Zijn arm reikt tot aan de verste plaatsen. Daardoor zal de blinde heiden, nu van God gescheiden, ook Zijn heil erkennen! Van die wondermacht getuigt het Oude Testament reeds. In het Nieuwe Testament zien we de heilsrivier al breder worden! En heeft God ook in de lage landen aan de zee, waar wij wonen, niet kennelijk gewerkt?  Hoe past het ons op de pinksterdag te zingen tot Zijn lof: En waar men ooit de wildste volken vond, Zal God ontvangen, Aanbidding, eer en dankb’re lofgezangen. Want Hij regeert en zal Zijn almacht tonen. Hij heerst, zover de blindste heid’nen wonen, Tot Hem bekeerd!

In de oude bedeling openbaarde God Zich met name aan Israel. Daar woonde het volk der belofte, waaruit eens de Zaligmaker der wereld geboren zou worden. Daar werd in de eredienst in Jeruzalems tempel het heilswerk in Christus afgebeeld in de schaduwdienst. Daar in Israel woonden Gods kinderen, de ware Sionieten, wedergeboren door Woord en Geest.

Maar toen reeds werd ook al duidelijk dat Gods reddend handelen zich niet zou beperken tot dat ene volk. We herinnerden al aan de belofte aan Abraham gegeven.  Maar denk ook aan Rachab de hoer, die een moeder in Israel werd;  aan Ruth, de Moabitische, die ook een voormoeder van Christus werd; en vergeet de koningin van Scheba, de weduwe van Zarfath, Naäman de Syrier en Ebed-melech, de moorman niet!

En laten we bij de genoemde voorbeelden bedenken dat de bijbel ons niet alles vertelt. Er zijn er ongetwijfeld veel meer geweest. Als God in het afgodische Tienstammenrijk Zich een volk van 7000 overhield, zouden we dan klein van Hem denken als het gaat over Zijn werk onder de heidenen? Trouwens, spreekt onze Psalm niet zelf ‘zeer heerlijke dingen’?

Luister maar eens, hoe er gesproken wordt van Rahab, dat is Egypte, van Babel, van de Filistijn, de Tyriër en de Moor! Dat zijn nu juist die volkeren die wij van de lijst zouden schrappen en excommuniceren! Het gaat toch immers om heidenen? Ja, erger nog, verklaarde vijanden! Wat moeten die in Sion! Maar de Heere rekent hen in het opschrijven der volken! Hij laat hen er juist in! Hoe is het mogelijk!

Geloof maar dat deze woorden de trotse, eigengereide jood hebben gechoqueerd. En geloof ook maar dat dat nu juist Gods bedoeling was. Een lesje in ootmoed heeft de trotse jood, en in zijn kielzog, de vrome, godsdienstige mens, ja hebben wij allen wel nodig. Dat is ook de bedoeling van Paulus met zijn brief aan de Romeinen. Een jood heeft wel veel voorrechten boven de heiden, maar is vooral niet beter dan die heiden! Zowel jood als heiden liggen verloren in ons aller bondshoofd Adam. Nuttig om te leren, vooral als je je verheven voelt boven de goddeloze wereld! Een les, die de Heere al Zijn kinderen leert. Het brengt de apostel Paulus tot de volgende belijdenis: ‘Want er is geen onderscheid. Want zij hebben alle gezondigd en derven de heerlijkheid Gods; en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is’, Romeinen 3: 22 e.v.

Wat Gods Woord ons in deze verzen, en ook in Psalm 87, leert, is wel dat er voor beide, jood en heiden één heilsweg is. Hun beider ‘geboorteplaats’ is Jeruzalem. Sion is om zo te zeggen de geestelijke moederstad. Natuurlijk wordt Jeruzalem niet beschouwd als hun natuurlijke geboorteplaats. Hun natuurlijke geboorte vond plaats (zoals bij ons) ver van God, in het heidendom, in hun natuurstaat, in hun zonde en ellende, in Rahab, of Babel of elders. Maar hun geestelijke geboorte vond plaats door toedoen van de God van Sion. En de God van Sion werkt door Woord en Geest. De Pinkstergeest, verworven door Christus Jezus, werkt het nieuwe, het eeuwige leven in het zondaarshart.

Hoe Hij dat doet? Dat wordt ons op de pinksterdag duidelijk. Hij ontdekt ons aan ons Gode-vijandig bestaan. Hij werkt verslagenheid en verbrokenheid, een roepen om ontferming. En het woord van verzoening in en om het Borgwerk van de Heere Jezus wordt in het geloof omhelsd. Zowel de ‘vrome’ jood als de ‘zwarte’ Moor leert zijn van God vervreemd bestaan kennen. Maar het wordt ook tot schuld. En weet je wat we dan leren, eens voor het eerst en telkens weer opnieuw? Dit, we gaan onszelf afschrijven. En dan gaat God ons juist als het ware inschrijven. Voor eigen waarneming staan we er buiten, en gaan roepen om Gods genade. En dan gaat God die zondaar binnenlaten, bevestigen, zegt onze Psalm:

                                   God zal ze zelf bevestigen en schragen.

                                   En op de rol, waar Hij de volken schrijft,

                                   Hen tellen, als in Isrel ingelijfd.

                                   En doen de naam van Sions kind’ren dragen.

                                                                      

Ach, wat wordt dat een wonder, een groot wonder, als ik Gods verkiezende liefde mag ondervinden. Niet verworpen, maar aangenomen! Niet afgerekend met me, maar erbij gerekend! Niet uitgeschreven, geëxcommuniceerd, maar in de gemeenschap van Sion opgenomen. ‘En van Sion zal gezegd worden: die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen. De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: deze is aldaar geboren’.

Ja, nog eens: hoe is dit alles toch mogelijk! Het eenvoudige, maar altijd weer aangrijpende antwoord is: Om Jezus’ wil. Dat een ‘onbesneden’ Filistijn en een ronduit ‘wereldse’ babyloniër behoudenis vindt bij de Heere, is om de zoen- en kruisverdiensten van Sions Koning. Maar zie toch weer eens de diepe weg, die Hij gaat, om dit heilgoed te verwerven. Gods heilig recht eist genoegdoening. En dat bestaat in excommunicatie, uitwerping, de vloek van Adam en zijn talrijk kroost. Maar zie eens hoe de Zoon, van eeuwigheid de Zoon in het huis van de Vader, Zich wilde vernederen en deze straf gewillig wilde dragen en buiten de poort van Jeruzalem als een ‘outcast’ wilde lijden, opdat vloekwaardigen de poorten van Sion zouden binnengaan en daar nieuw, eeuwig leven vinden. Om Hem is er nu zaligheid. Zelfs voor de jood. Ook voor de heiden. De Borg verlaten, opdat zondaren aangenomen zouden worden.

Kennen ook wij iets van het werk van Gods Geest? Zijn ook wij reeds ‘geboren’ in Sion, wederom geboren door Woord en Geest? Het is noodzakelijk. Zonder wedergeboorte zal een mens het Koninkrijk van God niet zien. En uitgeworpen te worden is het ergste wat een mens kan overkomen! Wedergeboorte dus noodzakelijk; het is ook zo persoonlijk! Hoor maar: die en die is daar geboren! Waarbij zal ik dat weten? Waaraan u het weten kunt? Hieraan: u leerde uzelf en u leert meer en meer uzelf als een van nature verwerpelijke ‘Egyptenaar’ of eigengerechtige ‘jood’ kennen. Maar het werd en het wordt u altijd weer tot schuld voor de Heere. U leert in ootmoed smeken om Gods genade.

U kunt het ook hieraan merken, namelijk dat de Heere u Zijn gunst ook daadwerkelijk doet proeven en smaken. De Allerhoogste Zelf zal u bevestigen, Zijn liefde en genade mag u genieten. En ook dit: door Woord en Geest! Hij zegt het tot uw ziel: Ik ben uw Heil alleen. U mag het voor uzelf geloven, omdat Hij het u doet geloven. U mag het aannemen, omdat Hij het u geeft!

Waaraan u het óók kunt weten? Nu, hieraan: het wordt u steeds groter wonder. Omdat u nooit uitgeleerd raakt als het om Godskennis gaat. Omdat u nooit uitgeleerd raakt in zelfkennis. Omdat er ook in de kennis van Christus een onpeilbare diepte is! U gaat het wonder van de rechtvaardiging verstaan: en worden om niet gerechtvaardigd, als een goddeloze, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus, de Rechtvaardige is.

Waaraan u het kunt weten? U gaat zich als het ware in Sion thuis voelen. U krijgt een lust en liefde om bij de Heere te wonen, Hem te dienen en te vrezen.

O ja, ik weet het: met alle lek en gebrek. U kunt zich soms zo ver van huis weten. U kunt het toch opnieuw weer zo verzondigen en onwaardig maken. En toch, en toch: in Sion, bij de Heere, in Zijn huis, in het onderzoek van Zijn bevelen, op uw knieën, met Zijn volk voelt u zich thuis. Om het heil dat God u geeft te genieten.                                                             Daarvan spreekt nu het laatste vers van onze Psalm: ‘En de zangers, gelijk de speellieden, mitsgaders al mijn fonteinen, zullen binnen u zijn’.

5. Begonnen we in de overdenking van deze Psalm met te wijzen op het fundament van Sion, zagen we vervolgens Gods oneindige liefde jegens Sion, hoorden we ten derde van die heerlijke belijdenis aangaande Sion en stonden we daarna stil bij de inwoners van Sion, tenslotte wijden we een enkel woord aan de volheid des heils in Sion.

Binnen de muren van Jeruzalem wordt gezongen, gespeeld, de lof des Heeren bezongen.

Geen wonder! Dit volk, zo hoorden we reeds, werd door de Heere geformeerd om Zijn lof te vermelden! Dat is het grote doel der verlossing, namelijk dat Sion eeuwig zou eindigen in God. Hij was het immers Die hen te sterk werd en overtuigde van hun ellende buiten Hem? Hij was het die mij als een smekeling aan Zijn troon bracht. Was Hij het niet Die mij Zijn heil schonk en de kracht van het bloed deed ervaren, dat mij reinigt van al mijn zonden? Daar komt niets van een mens in aanmerking. Wat verwachting is er van een eigenzinnige jood of een goddeloze babyloniër? Niets immers! Maar het is alles uit, door en tot Hem, de God van het verkiezend welbehagen in Christus, Die uitverkoren heeft hetgeen niets is, opdat Hij alles zou zijn! Geheel gewillig zullen zij Hem van alle kant, zelfs uit het allerverste land, vereren met geschenken!

Als er één ding zeker is van het heerlijk Sion daarboven, is het wel dit, dat daar Gods lof gezongen wordt in alle toonaarden! Maar wat daar volmaakt zal plaats vinden, wordt hier in beginsel reeds gevonden. Ook hier wordt geleerd de Heere te prijzen voor Zijn goedheid.

Van de eerste, zo grote pinkstergemeente in Jeruzalem lezen wij immers ook dat zij tesamen aten met verheuging en eenvoudigheid des harten en dat zij God prezen!

Niets is zo heerlijk dan met een ootmoedig hart de lof des Heeren te zingen. Ook dat roemen in God hebben we niet van onszelf. Ook daar moet de Heere mij altijd Zelf weer brengen.

Hebben we er weet van?

De Psalmist zingt van fonteinen binnen Jeruzalem. Dat zijn de heilsfonteinen. Zie die heerlijke fonteinen klateren op de dag van de uitstorting van de Heilige Geest! Duizenden zondaren zien het levenslicht en wassen hun schuldige levens in de fontein, geopend (als hét middel) tegen zonde en ongerechtigheid. Daar wordt het leven genoten in Christus Jezus.

Vreemd, echter, dat onze Psalm spreekt van mijn fonteinen. Of is dat niet vreemd? Toch niet. Ja, die fonteinen zijn wél door Sions Koning geopend. Het gaat inderdaad om Zijn heilsgoederen. Maar het zijn ook fonteinen, geopend voor mij! Die heilsrivier van Jezus’ bloed stroomt daar voor mij!  En daarom: mijn fonteinen! Zij stellen Hem tot een Fontein!

In de geloofsgemeenschap met Sions God en Vorst, aan de voet van Jezus’ kruis, door de werking van Woord en Geest, mag ik mij verheugen in het heil voor ons bereid

Is Gods volk altijd een volk van blijde zangers? In de hemel thans en op de nieuwe aarde straks wél, eeuwig en ongestoord. Maar hier niet. De duivel, die een hekel aan zingen heeft, het zingen dat Gods eer beoogt dan, zoekt door verzoeking, verleiding en aanvechtingen van die heilsfontein weg te houden. Dan zwijgt de zanger en knappen de snaren van zijn harp. De wereld zoekt ons bezig te houden met van alles en nog wat en de Sioniet verliest dan zo makkelijk zijn God uit het oog. Het vlees speelt op en de lust tot zingen vergaat. Moeite en verdriet zorgen dat de zangstem breekt. Wie van die Sionieten heeft hier geen weet van? Maar het hart kreunt er onder en mist het snarenspel tot eer van zijn God; hij mist Gód:                                           

Mijn benauwde ziel versmelt,

Als zij zich voor ogen stelt,

Hoe ik onder stem en snaren,

Feest hield met Gods blijde snaren.                                                                                                                                                                                                     

Misschien is er iemand onder ons die zich aangesproken weet. Misschien bent u voor uw gevoel alles kwijt. Het is Pasen geweest en Jezus leeft. Maar bij u is het slechts dor en doods. Hoe nodig hebt u de Heilige Geest Die Heere is en levend maakt! U kunt niets aan uw toestand veranderen, maar Hij verandert alles; soms in een oogwenk, ongedacht en onverwacht. Maar wel als een verhoring op uw gebed: Och, werd ik derwaarts weer geleid,

Dan zou mijn mond U d’ ere geven.

De Heere Die zondaren in Sion geboren deed worden, zal geen half werk doen. Straks zal de zangtijd weer aanbreken, als een gewisse belofte van de eeuwige zomer en zal Sion ongestoord Gods goedheid loven.

Daarvan spreekt ons het laatste bijbelboek: ‘En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. En Die op de troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw’.

En dan brengen we toch maar een kleine wijziging aan in onze Psalmberijming, en we zingen:

                                   Dan wordt Zijn Naam met lofgejuich geprezen;

                                   Dan zullen daar de blijde zangers staan.

                                   De speelliên op de harp en cimbel slaan.

                                   En binnen u al mijn fonteinen wezen!

Weet u welke kleine verandering ik bedoel en bent u het daarmee eens?              

Amen