Zondag 5. Vraag en antwoord 12 - 13 - 14 - 15

                      VAN DES MENSEN VERLOSSING

                                           ZONDAG 5

                         Vraag en antwoord 12, 13, 14 en 15

 

        Psalm   133  : 1

        Psalm   133  : 2,3

        Psalm     24  : 1,2,3

        Psalm     63  : 2

        Psalm   118  : 14

        Hebreën   2

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismus­onder­wijs, vindt u in Hebreën 2 : 14 - 16

 

Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deel­ach­tig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelach­tig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;

En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.

Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.

 

Zondag 5, vraag en antwoord 12, 13, 14 en 15

 

12. Vr. Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelij­ke en eeuwige straf verdiend heb­ben, is er enig middel, waar­door wij deze straf zouden kunnen ontgaan en weder­om tot genade komen?

Antw. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg ge­schie­de; daarom moeten wij aan haar, òf door onszelven, òf door een ander, volkomenlijk betalen.

13. Vr. Maar kunnen wij door onszelven betalen?

Antw. In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dage­lijks meerder.

14. Vr. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?

Antw. Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schep­sel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft; ten andere zo kan ook geen bloot schepsel den last van den eeuwi­gen toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schep­selen daarvan verlos­sen.

15. Vr. Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlos­ser zoeken?

Antw. Zulk een, Die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepse­len, dat is, Die ook tegelijk waarachtig God is.

 

Zo zijn wij dan vanavond, geliefde gemeente, aangekomen aan het tweede deel van de catechismus. Dat tweede deel heeft als op­schrift: Van des mensen verlossing.

Als u nu heel eerlijk bent, dan vraagt u zich misschien wel af: is dit het hoofdstuk van de verlossing? Want het gaat toch wéér over het rechtvaardig oordeel, over de tijdelijke en eeuwige straf die wij verdiend hebben?

Dat is weliswaar juist, maar toch is er een gewèldige wending gekomen in het catechismusonderwijs. Ging het in zondag 4 nog over de kennis van onze ellende: dat God niet alleen barmhartig is, maar ook recht­vaar­dig, de eisende gerech­tigheid uit vraag 11, dan is er toch heel wat veranderd in dit tweede deel, van des mensen verlos­sing. In de eerste vier zonda­gen van de catechismus werd gesproken over de eigenschappen van de mens, zoals hij geworden is door de val. In zondag 5 gaat het over de eigenschappen van de Midde­laar, Die een zondaar nodig heeft om zalig te kunnen worden. Dan staat er op de achtergrond zulk EEN, Waarvan de eigenschappen al ge­noemd worden in zondag 5.

Er is een wonder gebeurd in deze wereld, er is een tweede Adam gekomen in plaats van de eerste Adam, die zijn drievoudig ambt verzondigd had. Jezus Christus is in de wereld gekomen, in Zijn drievoudig ambt. Een wonder, waarover de catechismus op een andere plaats zal spre­ken.

In het Oude Testament had de Heere twee mensen verordi­neerd, die twee ambten bekleedden, geen drie meer, maar twee: David die koning was en meteen ook profeet en Melchizédek die koning was en meteen ook hogepriester. Maar Die uit de hemel gedaald is, is meerder. Hij droeg het drievoudig ambt, een Godswonder, dat we later in de catechismus tegen zullen komen.

Waar het nu in de eerste plaats om gaat, is dat we een Middelaar nodig hebben èn een Borg. Een Borg en een Middelaar in twee naturen, God en mens. Naar dat grote won­der, in enigheid des Persoons God en mens te zijn, wijst catechismus zondag 5 en 6 ons heen. Zondag 5 gaat ons onderwijzen in de nood­zaak, van die won­derbare Borg, die wonderba­re Midde­laar, Die een zondaar nodig heeft. Dan vraagt de catechis­mus: aange­zien wij dan naar het recht­vaardig oordeel Gods tijde­lijke en eeuwige straf ver­diend heb­ben, is er enig middel, waar­door wij deze straf zouden kunnen ontgaan en weder­om tot genade komen?

Een zoekende ziel zouden we kunnen zeggen, vraagt hier naar een middel, of er enig middel is. Die gaat het beamen, toestemmen dat wij naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend heb­ben. Een zondaar die daarop leert te zeggen, ja Heere: "Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig" (Ps.51:2 ber.), maar die ook gaat vragen: is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ont­gaan en wederom tot genade komen?

Het is eigen­lijk zo'n echt menselijke vraag, wanneer we op zoek gaan in ons ongeluk: Is er nog enig middel? Wat bedoe­len we daar­mee? Als we geleerd hebben dat we de verdoe­menis onder­worpen zijn, en dat we die verdoemenis ook schuldig onder­worpen zijn, dan vraagt ons hart: is er nog enig middel, is er nog iets te bedenken, waardoor ik dat rechtvaardig oordeel, die tijdelijke en die eeuwige straf zou mogen ontgaan? Is er ook iets te doen? Denken of doen, kan ik nog wat doen aan mijn eigen zalig­heid? Is er nog een middel, een weg, of een bedenk­sel, waar­door ik dat rechtvaardig oordeel, die tijdelij­ke en eeuwige straf kan ont­gaan? Nu is het een wonder, dat de cate­chismus deze vraag niet afkapt met ja of nee. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg ge­schiede; daarom moeten wij aan haar òf door onszel­ven òf door een ander, volkomenlijk betalen.

Weet u waar het om gaat, geliefde gemeente, we worden hier onder­wezen in de onherroepelijkheid van de zonde. Dat er bij ons geen weg is en geen middel, al zouden we maar één zonde gedaan hebben in ons leven. Stel dat het mogelijk zou zijn en we zouden na die ene zonde heilig geleefd hebben tot onze laatste snik: nog schuldig voor God! We kunnen het zo stellen: één keer Gods naam mis­bruikt is nooit meer goed te maken, al zouden we ons hele verdere leven psalmen zingen. Zonde is zó onher­roepe­lijk. Ik hoop dat u, van binnen uit iets mag ver­staan, van het onherroepelijke karak­ter van de zonde.

Het is in het menselijk vlak zo: als we zondigen en we schrikken een keer van onszelf, dan overgroeien we dat wel. En er komt een tijd dat we er zelfs niet meer aan zullen denken. Wat zullen we dan ook gauw menen dat we een andere positie ten opzichte van de Heere, Die recht­vaardig is, in zijn gaan nemen. Maar het is niet waar! De zonde is onherroepelijk, ze is bedreven tegen een heilig God. En de gerechtigheid Gods, waar de catechis­mus over gespro­ken heeft en al iets van heeft laten zien, dat is een eisende gerech­tigheid. God kan niet van Zijn eis af.

God wil dat aan Zijn gerech­tigheid genoeg geschie­de; daarom moeten wij aan haar of door onszel­ven of door een ander, betalen niet alleen, maar ook volkómenlijk betalen. Dan wordt er met dit ant­woord gezegd, dat er geen andere verzoening mogelijk is voor de zonden, dan door voldoe­ning. Alleen verzoening in een weg van vol­doening. Dat we òf zelf, òf een ander, niet alleen moeten beta­len, maar ook volkomen moeten betalen. God wil dat aan Zijn gerech­tigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar òf door onszelven òf door een ander, volkomenlijk betalen. We had­den het kunnen weten uit de wet, waar geschreven staat: "Een ieder zal om zijn zonde gedood worden" (Deut.24:16). Schuldig voor Gods aange­zicht!

Is er nog enig middel? Is er nog iets te bedenken mis­schien? Is er misschien nog iets goed te maken? Nee, God wil dat aan Zijn ge­rechtigheid genoeg geschiede. Alleen verzoening, als er voldoe­ning voor de zonde gevonden wordt en anders ganselijk niet.

We moeten leren in zondag 5, dat Gods gerechtigheid een hogere gerechtigheid is dan de onze, dat Gods ge­rechtigheid een volmaak­te gerechtigheid is. Opdat er plaats in onze levens komt voor een andere barmhartig­heid dan de onze, voor een vol­maakte barmhar­tigheid, een barmhartigheid die gegrond is in het recht.

Gerechtigheid, zo heeft men het weleens gezegd, 

 

        Ge­rechtigheid hield aan om straf,

        Genade vroeg om vrij­ge­leide,

        Hier kwam de wijsheid tussenbeide,

        Die ze allebei vol­doening gaf.

 

Het is te begrijpen, als u van hart en ziel meegeleefd hebt. Och, wat zou iemand niet doen voor de zaligheid van zijn ziel?

Kunnen wij door onszelf betalen, vraagt de catechis­mus. Is het soms mogelijk, dat we door onszelf zouden kunnen betalen? Nu moet u niet te gauw uw hoofd schud­den. Nu moet u niet te gauw denken dat u weet, dat we het toch niet kunnen. Want er wordt intussen heel wat afgewerkt in deze wereld, er wordt heel wat uitge­dacht in deze wereld. Er worden in deze wereld heel wat wegen betreden om de zaligheid te verwerven.

Wat zou ieder zichzelf liever dood werken, dan naar een Middelaar te gaan. Daarom is zondag 5 van de cate­chismus zo koste­lijk. Deze ziels­verzor­gers weten heel goed dat we dàn pas naar een Middelaar uit zullen zien, wanneer we geen middel hebben kunnen vinden om zalig te worden.

Goed, ik zal u iets vertellen. Het is geen verzonnen verhaal, maar een waargebeurde geschiedenis. Men hoorde, ergens in Amerika, vanuit een donker bos een vrese­lijk gejammer. Uren ver waren de kreten te horen van een mens in smart, in vreselijke nood. Toen ging men op zoek om te zien wat er gebeurd was. Diep in het bos vond men een kruis, een ruwhou­ten kruis. Daar­aan hing, het was gruwelij­ke realiteit, met grote spij­kers vastge­slagen, een mens. Een man, die zelf wilde betalen voor zijn eigen zonden. Hij voelde het zo goed in zijn hart dat hij niet tot Chris­tus kon komen. Dat kun je voelen, dat je al je best doet om te geloven, maar dat het afketst. Toen had deze man dit laatste middel te baat genomen. Hij had aan een vriend gevraagd of die hem wilde kruisigen. Maar deze man heeft het niet volgehou­den. En al zou hij het volge­hou­den hebben, geliefde ge­meente, als u of ik zou ster­ven aan een kruis, zouden we onszelf zalig kunnen maken? Ik denk het niet. Want het gaat niet alleen om het lijden, maar ook hóe we lijden. Of het lijden een voldoenend karakter heeft, wil het lijden verzoenend ingaan in onze levens.

Kunnen wij door onszelf betalen? Het is eigenlijk ongerijmd om daar nog aan te denken. Want als dat zo was, als we onze zonden afbe­taald zouden krijgen door lijden, ach, denkt u eens gewoon na. Die man die daar in Amerika aan het kruis hing, die leed! Maar o, hoeveel goddelozen zijn er, die zich niet van ganser harte be­keerd hebben, die, laten we het maar bij de naam noemen, al jaren, al zoveel jaren in de buitenste duister­nis zijn, waar wening is en kner­sing der tanden.

De tragiek van het lijden, van verloren te gaan. Wie er iets van gepeild heeft, die praat er niet gemakkelijk over. Maar ik wil het u tòch zeggen, o zondaar, wat de eeuwigheid zal zijn, als we verlóren zullen gaan. Dan zal die straf ons niet louteren, die zal niet éne zonde uitwissen. Het is géén afbetaling. Dan zou het nog te doen zijn, desnoods, om verloren te gaan. Als we wisten dat de eeuwig­heid geen eeuwigheid is. Als we zouden weten, dat het maar honderd jaar zou zijn mis­schien of duizend jaar misschien of tienduizend jaar misschien, en ik kan wel verder gaan. Maar het is voor eeuwig.

Maar als de catechismus dan zegt: in generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder, dan geldt dat niet alleen het leven dat we hier leven, maar ook wanneer we verloren zullen zijn. Dan zal een zondaar nooit méér kunnen doen, dan zijn schuld dagelijks meer­der maken, ook in de buitenste duister­nis, waar wening zal zijn en knersing der tanden.

Het is ontroe­rend, geliefde gemeente, maar niets zal ons van onze zonden verlossen. Niets zal ons een beter mens maken, dan vrije genade alleen, door Jezus Christus. De (eeuwige) straf weer­houdt ons van geen enkele zonde. Dit is de eeuwigheid - bedenk het wel - dat de hel niet alleen de allererbarme­lijkste plaats is ten aanzien van het lijden, maar bedenk ook, dat het meteen de meest goddeloze plaats is, waar God gelasterd wordt van uur tot uur.

Ik wil in alle ernst twee eigenschappen van de rampza­ligheid noe­men. Dat is in de eerste plaats: er zal wening zijn, dat is de smart om de zonde, de eeuwige straf. Maar er zal ook zijn: de knersing der tanden, het eeuwig door­zondigen tegen God.

Kunnen wij door onszelf betalen? In eeuwigheid in de buitenste duisternis te zijn, zal niet één zonde voor ons uitwissen. Wat maken we onszelf wijs! Dat in dit leven één bevlekte goede daad mis­schien.... Och, een mens is niet goed. Maar bij wijze van spreken, zes geboden onderhouden, zeven, acht, negen, dan denken we daar de eeuwigheid mee aan te kunnen doen.

Ik wil u waar­schuwen: enerzijds leef naar de wet van God! Maar ik wil u ook alle hoop ontnemen, alsof er enig middel zou zijn: ratio of via - een weg of een gedach­te - dat we zelf ook maar enigs­zins voldoening aan zouden kunnen brengen voor de hoge God, opdat er verzoe­ning zou volgen.

Kunnen wij door onszelf betalen? Echt niet, geliefde gemeente. Als we er iets, door vrije genade, van ver­staan is dat het grote wonder: het hoeft ook niet, het ligt in een Ander!

Laat ons wat verder gaan met de catechismus. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale? Is er dan misschien een ander die voor mij kan betalen? Ik hoor het Job klagen: "Er is geen scheid­sman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht" (Job 9:33). Waar is er iemand die tussen mij en God kan gaan staan? Waar is zo één? Waar is er één, die kan betalen? Is er ergens een bloot schepsel, dat voor mij betale? Neen: want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straf­fen, die de mens gemaakt heeft; ten andere zo kan ook geen bloot schep­sel den last van den eeuwigen toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.

Als hier van schepsel gesproken wordt, met name van bloot schep­sel, dan wordt er niet alleen een mens be­doeld, maar mogelijk misschien een engel, een vol­maakte hemel­geest. Kan er ergens iets gevonden worden, dat door God gescha­pen is, een bloot schepsel, dat voor ons betale? Is er zoiets tussen hemel en aarde? Neen, want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen die de mens gemaakt heeft. Dat wil dus zeggen dat, al zouden er duizend engelen gevon­den worden die voor éne zondaar zouden kunnen betalen, dan snijdt God dat af in Zijn rechtvaardigheid. Eerlijk is eerlijk. De cate­chis­mus zegt, wat ook het Woord verkon­digt: Neen.

Ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft. Het is al zo duide­lijk in de wet van Mozes: "Oog voor oog, tand voor tand, os voor os en ook: ziel voor ziel" (Ex.21:23,24,36). God is zo recht­vaar­dig. Hij vraagt maar niet een bepaalde hoeveel­heid voldoe­ning, Hij vraagt vol­maakte voldoening.

God wil aan geen ander schepsel de schuld straffen die de mens gemaakt heeft. God had tot de mens gezegd: "Ten dage als gij van die boom eet, zult gij den dood ster­ven" (Gen.2:17). U zult God nooit betrappen op een leugen, u zult de Heere nooit betrappen op een halve waarheid. Hij houdt getrouw Zijn Woord. Dat is aan de ene kant huive­ringwek­kend, maar aan de andere kant ligt daar ook de zalig­heid. Al zouden we maar houvast hebben aan één belof­te Gods, aan Zijn onkreukbare eerlijkheid. "Wat uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbro­ken" (Ps. 89:14 ber.). Maar dat geldt ook wat betreft Zijn vonnis over zondaren.

Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale? Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft. Maar er is nog een reden, waarom we het niet zullen zoeken bij schepselen, in de hemel of op de aarde. Een bloot schepsel, daarmee wordt bedoeld: een schepsel zonder meer. Geen bloot schep­sel kan de last van de eeuwi­ge toorn Gods dragen en andere schepselen daarvan verlos­sen. Hier wordt iets zichtbaar van die ene natuur van de Middelaar en Borg, van de Mens Jezus uit Nazareth. Zo zeg ik dat nu. De vol­maakte Mens Jezus uit Nazareth, ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.

Neen, geen bloot schep­sel kàn de last van de eeuwi­ge toorn Gods tegen de zonde dragen en daarvan ook nog verlos­sen. Daarvoor is heel iets anders nodig. Als dan een bloot schep­sel, een schepsel zonder meer, de last van de eeuwige toorn Gods tegen de zonde niet kan dra­gen, ­dan wordt het nijpend in onze ziel. Zodat de vraag naar boven komt in onze levens: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Ik hoop dat het zover gekomen is in uw leven, gemeente. Nu wordt er niet meer gevraagd naar een middel; geen ratio geen via. Nu worden de juiste woorden gebruikt - een Verlosser hebben we nodig - nu wordt het woord Middelaar ge­bruikt. Dan zegt de ziel heel opge­wekt: ja Heere, dat is het! Dat is precies wat ik nodig heb, wat iedere arme ziel nodig heeft, die door recht verlost wil wor­den, barmhar­tigheid door recht verkrijgen wil.

Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoe­ken? Zulk een.... Het is of de catechismus het uit­juicht: Zulk een, Die een waarachtig mens is. Waar­achtig mens zoals Hebreën schrijft: "Over­mits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden" (Hebr.­2:14). "Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden" (Hebr­.2:17). Geen schijn­mens, maar waarach­tig mens, wordt hier gezegd. Een waar­achtig mens, die zò waarach­tig mens is, dat Hij zal kunnen lijden, dat Hij zal kunnen ster­ven. Zo waar­achtig mens, dat Hij niet alleen in de wieg gelegd werd, maar dat Hij ook in een graf gelegd werd.

Een waarach­tig mens, maar niet genoeg, Hij moest ook een recht­vaardig mens zijn. Niet alleen zondeloos. Recht­vaardig houdt nog meer in dan zondeloos. Rechtvaar­dig dat wil zeggen: zulk een waarachtig mens, die de lijnen trekt, zoals de Vader ze trekt. Zulk één die waarachtig en recht­vaardig mens is. Niet alleen zondeloos, maar staande in de deugden Gods. Een Middelaar, een Verlos­ser, Die de eeuwige lijnen van God doortrekt hier op aarde in Zijn eigen leven. En nochtans, noch­tans zulk een, Die ook sterker is dan alle schepse­len: een almach­tige God, Die ook waarach­tig God blijft.

Het hoge woord is er vanavond uit in die kostelijke zondag 5: wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Zoek uw zaligheid toch op de juiste plaats! Zoek uw zaligheid niet op de Horeb, zoek het in Bethlehem, waar het Woord Vlees is geworden, waar God en Mens is verschenen in enigheid des Persoons.

Wat moeten wij voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Proef het eens op uw tong. Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Ver­losser zoeken? Zulk één, Die een waar­achtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tege­lijk waarachtig God is.

Wat een zalige zaak, het grote wonder is gebeurd! Het is nooit uit te put­ten, daarom heeft de Heere een eeuwig­heid ge­maakt, opdat we tot in der eeuwigheid deze waar­achtige, rechtvaardige Mens, deze waar­achtige God, zouden bewonderen, wanneer we voor­werp zijn van vrije gena­de. Wan­neer we in ons­zelf vastgelopen zijn, geen weg kunnen ontdek­ken, geen mid­del kunnen vinden. De één doet er drie uur over, de ander dertig jaar, om in zichzelf vast te lopen.

Het is zo nodig dat we grondig onderwezen worden. Dat zondag 5 onze levens in mag gaan in onder­wijzen­de kracht. Het is niet in de hemel en niet op de aarde, maar daar waar de hemel en de aarde zich vereni­gen: Mens en God in één Persoon. Dat is de Middelaar en Verlos­ser, Die ons kan zaligmaken. Gods al­macht, Gods vrij­macht, maar nu ook Zijn gewilligheid. Dat moet op de knieën ontdekt worden: Heere indien Gij wilt, Gij kunt mij zalig­ma­ken. Ik wil, word zalig, zegt de Heere Jezus. Het zal een per­soonlijk antwoord moeten worden in onze levens. We leren het op dezelfde plaats als die man, die op zijn aange­zicht viel en de Heere Christus aanbad (Matt.8:­2-3).

Zondag 5 - wat heeft het ons ver ge­bracht, dat er geen middeltje meer is ín mij, geen middeltje meer áán mij, maar een Middelaar. Een Godmens, een Mensgod. Vergeef me, dat ik het zo zeg, onze Nederlandse taal schiet te kort om dat onder woorden te brengen. Dat is een stukje dogma­tiek, dat we nooit in het Neder­lands uit kunnen drukken. Omdat onze taal tekort schiet, om de Godheid van Chris­tus recht te doen in Zijn mens­heid en om Zijn mensheid recht te doen in Zijn Godheid. Maar het geeft niet, het is geen dogma­tiek, het is zalig­heid voor de ziel die het ver­staat, die tot God roept: 'Zulk een Verlosser en zulk een Middelaar is het pre­cies, Die ik nodig heb'.

Wanneer we zelf aan het eind gekomen zijn in onze eigen levens met onze wegjes en met onze middeltjes. Dat er in plaats van dat middel­tje, een Middelaar is, in plaats van dat wegje, een Verlosser is. Het gaat niet om een manier van zalig worden, maar het gaat om een Persoon. Het gaat om de levende God, Die uit de hemel is neerge­daald, vlees en bloed heeft aangeno­men. De Hebreën­s­chrij­ver is verwonderd: "Die den broede­ren in alles moest gelijk worden, opdat Hij een barmhar­tig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoe­nen" (Hebr.2:17).

Moge de Middelaar, gezien in het licht van Hebreeën 2 : 17, moge die Hogepriester, moge die Verlosser maar veel werk voor ons hebben, in de dingen die bij God te doen zijn, om ook ònze zonden te verzoenen. Hij, Die de broe­deren in alles gelijk moest worden, opdat Hij een barm­hartig en een getrouw Hoge­priester zou zijn.

Die Amerikaanse man - hij heeft het uitgejammerd - uren ver. Dat kan geen behoudenis brengen. Dat kan alleen door Jezus Christus aan het kruis. Hij heeft moeten zeggen: "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verla­ten?" (Mat.27:46). Hij kon ook zeggen: "Het is vol­bracht" (Joh.19:30), het is betaald!

Geliefde gemeente, mag ik u opwekken om op Jezus te zien? Om op het kruis te zien. "En gelijk Mozes de slang in de woes­tijn verhoogd heeft, alzo (zegt de Heere Jezus Zelf) moet de Zoon des mensen verhoogd worden; opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh.3:14-15).

Er is een rijke boodschap in Chris­tus voor diegenen die verloren zijn gegaan met alle middeltjes, met alle weggetjes buiten Jezus Christus. Er is geen kostelijker Zaligmaker, dan Die uit de hemel is, Die door God Zelf gegeven is. AMEN.