Lukas 9:56 'Gekomen om te behouden' ds. W.L. van der Staaij

Preek over Lukas 9 : 56 door ds. W. L. van der Staaij te Scheveningen

Schriftlezing: Lucas 9 : 46 – 56. Zingen: Ps. 45 : 1 en 2, Ps. 69 : 4, Ps. 85 : 1 en 3, Ps. 103 : 4, Ps. 145 : 3.  

Geliefde gemeente,

Wat kan er in Gods Naam de meest gruwelijke dingen worden gezegd en gedaan.

“God wil het” – zo klonk het in de 11e eeuw toen duizenden mensen een kruistocht hielden om Jeruzalem te veroveren en in koelen bloede vele Joden vermoordden. Zij waren het immers die Christus hadden gekruisigd! Daarom klonk het triomfantelijk: ”God wil het!” We strijden voor een goede zaak!

“Gott mit uns” – zo stond er tijdens de Tweede Wereldoorlog op de koppelriem van Duitse Wehrmachtsoldaten. En zo klonk het triomfantelijk in hun strijd:  ”Gott mit uns!” We strijden voor een goede zaak!

En iets van verkeerd menselijk wraakvuur, hoe goedbedoeld ook, zien we vandaag in Lukas 9 zelfs ook in de houding van twee kinderen van God, twee discipelen van de Heere Jezus. Maar tegenover hun menselijk wraakvuur zien we Christus’ liefdesvuur ontbranden. 

Jezus’ liefde tot zondaren

1) Menselijk wraakvuur geblust

2) Goddelijk liefdesvuur ontbrand

1) Menselijk wraakvuur geblust

In welk éne woord is heel het leven van Christus op aarde samen te vatten? Liefde. Allereerst liefde tot Zijn hemelse Vader, zoals te zien is als Hij op 12-jarige leeftijd in de tempel achterblijft en Maria en Jozef Hem na enig zoeken daar vinden. Dan zegt Hij het ook tot hen: ”Wist gij niet dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?” Want daartoe is Hij immers gekomen om de wil van Zijn Vader te doen. Zo brandt Zijn hart vol liefde tot het Huis van Zijn Vader en tot de eer van Zijn Vader. Om door Zijn volkomen gehoorzaamheid aan Gods Wet te onderstrepen dat die Wet heilig en goed is. En Hij Zijn Vader zo de eer geeft die Deze sinds de val van Adam van geen mens meer heeft gekregen.

En wat een liefde tot zondaren zien we als Jezus door het land gaat, goeddoende. Hij geeft blinden het gezicht, doet kreupelen wandelen en bevrijdt degenen die door de duivel bezeten zijn. Wat een liefde zien we als in Marcus 10 ouders met hun kinderen bij Hem komen. Dan nodigt Hij deze kinderen juist uit en zegent Hij hen. Hij omvangt hen met Zijn armen en legt hen de handen op. Want Christus is niet gekomen om te verderven, maar om te behouden!

En wat een liefde zien we zélfs als op zeker moment een rijke jonge man op Hem afkomt. Dan bemint Hij hem en geeft Hij hem die rijke belofte mee: Verkoop alles wat je hebt, volg Mij én… je zult een schat hebben in de hemel! Ja, daarin werd deze rijke jongen vol eigen gerechtigheid wel beproefd. Omdat Christus doorzag dat het éne nodige hem ten diepste ontbrak: de liefde van God en tot God. En zo is Christus’ liefde geen zoetsappige liefde, maar eerlijke liefde. Daarom ontdekt Christus de jongen nu juist aan zijn tekort. Maar wel met het oog op het verlangen van die jongen: het eeuwige leven. Want Christus is niet gekomen om te verderven, maar om te behouden!

En zien we dat nu ook niet in Jezus’ laatste reis naar Jeruzalem? Want de dagen van Zijn opneming werden vervuld, zegt vers 51. Dat wil zeggen: Christus wéét dat de dagen van Zijn sterven, opstanding en hemelvaart aanstaande zijn. En dan richt Hij Zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen. Hij is vastbesloten. Alle tegenstand ten spijt, gaat Hij door op Zijn weg naar Golgotha’s kruis. En hoe wordt Zijn liefde enerzijds bruut afgewezen door Samaritanen. En hoe wordt anderzijds Zijn liefde tegengestaan door Zijn eigen discipelen. Die in hun blindheid de hemel voor hun eigen karretje willen spannen. En zo wordt Christus door iedereen tegengewerkt die juist het meeste belang hebben bij het grote doel van Zijn komst: de zaligheid.

Maar is dat nu ook niet juist het refrein van het Evangelie? Geen plaats voor Jezus. Het klonk al aan het begin van Zijn leven op aarde. Het klinkt nog steeds als Hij op reis gaat naar Jeruzalem. Nee, Hij neemt niet een omweg langs Samaria. Maar evenals voor Zijn eerdere ontmoeting met die Samaritaanse vrouw bij de waterput geldt het ook nu: ”en Hij moet door Samaria gaan.” Hij mijdt deze streek niet zoals de meeste Joden, maar Hij gaat doelbewust door het gebied van de Samaritanen, een bevolking dat half Joods en half afgodisch was. Zo hield men bijvoorbeeld wél de wet van Mozes in ere en was men gehecht aan allerlei Joodse tradities. Maar daarentegen hielden ze de berg Gerizim als plaats van hun aanbidding van God in ere. En daarom wilden ze niets met de tempel in Jeruzalem te maken hebben. En al deelden de Samaritanen heel veel met de Joden, juist vanwege die paar procent waarover ze met hen van mening verschilden, was er een grote onderlinge haat. Zaten de Samaritanen vol wraakzucht.

En dat zien we heel duidelijk als de Heere Jezus een paar discipelen vooruitzendt om Zijn komst voor te bereiden. En dan gaat het om méér dan alleen het vinden van een plaats om te overnachten. Maar óók om poolshoogte te nemen met het oog op de veiligheid. En dan blijkt ondanks de wonderen die Christus al eerder in dit gebied heeft gedaan, dat ze niet op Hem zitten te wachten. Ja, zegt vers 53: “Omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.” Hij mag best komen om wonderen te doen, maar niét om door te reizen naar de tempel in Jeruzalem. Dan past Hij niet in het hart en het leven van deze Samaritanen. Voor een Jezus Die Zich niet voegt naar hun eigen gekozen en daarmee zo eigenwillige godsdienst is er geen plaats. Dan wordt Hij het mikpunt van haat en klinkt het vol wraak: Niet welkom!

En zodra de discipelen van deze brute afwijzing horen, ontbrandt ook bij hen direct het wraakvuur. Want gelijk vragen Jacobus en Johannes – ja, ook hij, die we altijd de apostel der liefde noemen: ”Heere, wilt U dat wij zeggen dat vuur van de hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft?” Daarmee bedoelen ze dus heel concreet: Laat ons bidden of er hemels vuur mag vallen op deze Samaritanen. En ze dus eeuwig ten onder gaan in het verderf, evenals Sodom en Gomorra.

Het was ook in dit gebied dat er inderdaad eeuwen geleden tot twee keer toe vuur van de hemel viel op de soldaten van de goddeloze en ernstig zieke koning Ahazia van Israël, toen hij in zijn brute onbekeerdheid Baäl ging vragen om hem te genezen en vervolgens vanwege het aangekondigde oordeel Elia zelfs gevangen wilde nemen. Lees het thuis maar na in 2 Koningen 1. En misschien wel omdat Johannes en Jakobus even hiervoor met de Heere Jezus op de berg der verheerlijking zijn geweest en daarbij Elia hebben gezien, komt die geschiedenis nu voor hun aandacht. En zo klinkt het vol wraakzucht: ”Zullen wij ook bidden om vuur van de hemel?

Maar zo wordt Christus tegengestaan in Zijn werk. Niet alleen door lompe Samaritanen in hun afwijzing, maar ook door Zijn eigen discipelen. En dat in hun vroomheid en in hun liefde en hun ijver voor Christus. En ondanks dat ze al genade hebben ontvangen in hun leven, zijn ze nog altijd zo blind voor wie God in Christus is. Ondanks al het onderwijs dat ze ook al van hun Meester hebben gehad. Denk alleen aan de Bergrede: “Zalig zijn de zachtmoedigen. Bidt voor degenen die u geweld aandoen!” Of wat Christus nog pas tegen hen heeft gezegd, wat we lezen in het begin van Lukas 9: ”Wie u niet zal ontvangen, ga uit die stad en schudt het stof van uw voeten.” Dat is wel heel wat anders dan bidden om vuur, toch?

En daarbij ontbreekt het de discipelen hier ook aan zelfkennis. Lijken ze vergeten dat zij enkel en alleen door Gods genade zijn die ze nu zijn geworden: leerlingen van Christus. Uit genade door Hemzelf geroepen en getrokken uit de duisternis. Maar ze van zichzelf niet anders zijn als deze Samaritanen. En zo is er in het hart van deze discipelen niét dezelfde gezindheid te zien als die er in Christus is. Ja, nog méér: is er bij hen ten diepste óók nog geen plaats voor een Zaligmaker die een weg van diepe vernedering en van lijden en sterven moet, maar ook wil gaan. En dat tot het einde toe. Hij daarom niet gekomen is als Rechter om met vuur de wraak te blussen van degenen die Hem afwijzen, maar gekomen is als Zaligmaker om die vijandschap met Zijn bloed te blussen!

En zo keert Christus Zich naar Jacobus en Johannes en Hij bestraft hen, lezen we in vers 55. Hij neemt hen hun vraag hoogst kwalijk. Want dat mag ons wel opvallen: Hij bestraft niét de Samaritanen om hun afwijzing, maar wél Zijn discipelen. Dan gebruikt Lucas zelfs hetzelfde woord voor bestraffing, als wanneer Christus duivelse machten bestraft. En zo is het hier niet de Geest van Christus die Zijn discipelen drijft, maar die van de duivel. Is het een nieuwe duivelse poging om door middel van de discipelen Christus af te houden van Zijn werk als Zaligmaker. Als Zoon des mensen. Omdat Hij als de lijdende Knecht des Heeren immers op weg is naar Golgotha, waar Hemzelf het vuur van Gods rechtvaardig gericht over de zonde zal treffen. Opdat er door Hem behoud zal zijn voor zondaren. Zowel voor Samaritanen als voor zondaren als Jakobus en Johannes. Die uit zichzelf evenzeer vijanden zijn van het kruis. Ze immers wel graag willen delen in Christus’ verhoging, maar niet in Zijn diepe vernedering. En daarmee nog altijd de diepte van hun eigen zonden en verlorenheid onvoldoende peilen.

Is het dan ook niet voor ons allemaal nodig om voor het eerst, maar ook steeds opnieuw, om ontdekkende genade te vragen? Dat als we vandaag eerlijk moeten zeggen: ik ben onbekeerd, we onszelf echt niet kunnen verheffen boven deze botte Samaritanen. Omdat er ook bij ons nog altijd geen plaats is voor Christus. Misschien wel voor een Jezus van eigen gedachten, net als bij de Samaritanen. Die hadden ook zo’n halfslachtige godsdienst: een beetje van dit en een beetje van dat. En zo konden ze zichzelf prima handhaven. Maar er was geen plaats in hun hart voor een Jezus die naar Jeruzalem reisde. Waar de tempel stond en de bloedige offers werden gebracht die heen wezen naar hét Lam Gods dat de zonden der wereld zou wegnemen. Hij een volkomen Zaligmaker zou zijn voor volkomen zondaren.

Toe, wat leeft er in uw en jouw hart als Christus vandaag via Zijn knechten die Hij nog altijd uitzendt aan de deur van ons hart klopt en zegt: ”Ik moet heden in úw huis blijven?” Misschien zegt u of jij: dat komt mij eigenlijk nog niet zo goed uit. Want Christus wil zeker mijn hart helemaal alléén hebben. En dit betekent dat ik me door Hem in álles moet laten leiden. En ik wil zo graag nog vasthouden aan het plezier van de wereld of aan de rust in wat godsdienstige gevoelens en gewoontes. Maar dat er van mij als een arme zondaar niets in aanmerking komt om eeuwig behouden te worden, gaat me net een stapje te ver. En dat het vuur van de hemel mij als een verloren zondaar naar recht zou moeten verteren, is toch wel wat teveel van het goede. Maar dan zijn we niet anders dan de Samaritanen uit Lukas 9. En is het enkel dankzij de liefde van Christus dat Hij vandaag nóg weer betuigt geen lust te hebben in uw en jouw dood, maar daarin dat je voor Hem op de knieën valt met het gebed: Heere, bekeer mij. Opent U mijn oog ervoor hoe dwaas ik ben en ontdek mij aan mijn verzet tegen U. Waarmee ik Uw grote zondaarsliefde misken.

En u, die door genade de HEERE mag liefhebben, hebt u reden om zich boven deze twee discipelen te verheffen? Of geldt het ook in dezen: “Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen?” Nee, er is geen enkele reden om het voor de discipelen op te nemen nu Christus hen juist bestraft. Maar hun vurigheid, hun liefde en hun ijver voor Christus kunnen als zodanig nog wel een spiegel zijn. Want is er aan uw kant niet teveel een lauwheid gekomen in de dienst van de HEERE? Een opgaan in het hier en het nu? Heeft u misschien uw eerste liefde verlaten? Is het u in alles nog om de eer van God te doen in uw leven? Dat u het echt niet kunt verdragen als buiten of binnen de kerk Gods geboden terzijde worden geschoven en Christus’ liefde wordt gesmaad.

En als die ijver er wel mag zijn, is het dan ook werkelijk in de gezindheid van Christus? Met hetzelfde verlangen om de ander te behouden. Vervuld met de geest van de zachtmoedigheid. En met ootmoed bekleed. Daartoe moeten we steeds worden ontkracht en ontledigd van alles van onszelf. Om vervuld te kunnen worden met de Geest van Christus. Die ons ook ontdekt dat we er met al onze goede bedoelingen soms helemaal naast blijken te zitten. Net als Jacobus en Johannes. Die immers dachten God een dienst te doen. Maar verkeerd vuur op het oog hadden: niet het vuur van de Geest, maar het vuur van de menselijke wraak.

Maar de Geest van Christus gaat ons altijd op Christus wijzen. Die Zichzelf heeft vernederd, gehoorzaam geworden tot de dood, ja, de dood des kruises. En dat voor wie? Voor één die het leert belijden: Waaraan heb ik het verdiend dat God mij niet heeft laten gaan ondanks mijn verzet en vijandschap? Waaraan heb ik het verdiend dat God mij niet over heeft gehad voor het zelfgekozen eeuwig verderf? Maar in Zijn almachtige en vrijmachtige genade mij heeft getrokken met koorden van liefde. Wat een wonder wordt het dan dat Christus niet gekomen is om mij te verderven, maar om mij te behouden. En zo zien we hier hoe Christus het menselijk wraakvuur blust, maar zien we ook hoe Zijn liefdesvuur ontbrandt.

2) Goddelijk liefdesvuur ontbrand

Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.” Dat Christus meent wat Hij zegt, laat het slot van vers 56 zien. Hij gaat naar een andere plek. ”Hij vindt in gunst en niet in wraak Zijn lust.” Hij is vastbesloten om naar Jeruzalem verder te reizen om daar Zijn leven vrijwillig af te leggen. Hij noemt Zichzelf ook met nadruk de Zoon des mensen. Dat wil zeggen: de mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Maar Hij komt het Koninkrijk Gods niet op aarde vestigen met allerlei machtsvertoon als Gods Zoon. Met verterend vuur uit de hemel. Maar Hij maakt Zijn eigen Woord waar: “Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden.” Wat? Dat zondaren door en voor Hem worden ingewonnen. Er in het hart plaats wordt gemaakt voor Hem. Dat je niet alleen wordt overtuigd van Zijn noodzakelijke komst om te behouden, maar ook van Zijn gepastheid en van Zijn gewilligheid als Zaligmaker. Dat dit nu juist het liefste is wat Hij doet: om je te behouden. Omdat Hij je niet over heeft voor het verderf! Terwijl Hij het recht en de macht heeft om je in je zelfgekozen verderf te laten liggen, maar Hij dat nu juist niet wil.

Want daartoe is Hij juist naar deze aarde gekomen. Niet door Zijn Vader gestuurd, omdat het moest tegen wil en dank. Zoals wij, als we nog jong zijn, misschien wel eens door onze vader of moeder of een ander eropuit worden gestuurd om een boodschapje te doen of een karweitje te verrichten. En dan doe je het maar, omdat het niet anders kan, al stribbel je nog zo tegen. Maar Christus is geheel vrijwillig gekomen. Ten volle bereid vanwege Gods welbehagen, de eeuwige en éénzijdige liefde van God. Daarvoor is Christus zelfs bereid om door het vuur te gaan op Golgotha.

En is dat nu geen wonder? Dat al die 33 jaren dat Christus op aarde was Zijn liefdesvuur niet is gedoofd! Ondanks alle afwijzing van mensen en ondanks alle tegenstand zelfs van Zijn eigen discipelen, richt Hij ook hier in Lukas 9 doelbewust Zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen. En Hij weet waar dat op uit zal lopen. Maar Hij doet het uit liefde tot Zijn Vader. Uit liefde tot zondaren. Om al degenen die de Vader Hem heeft gegeven, te behouden op grond van recht. Moet ons hart dan niet breken als we Hem zien in Zijn hele leven op aarde? Kun jij in het Evangelie één moment aanwijzen waarvan je terecht zegt: maar dáár zoekt Christus het verderf van een zondaar? Het is er niét te vinden. Integendeel. Hij heeft het Zelf gezegd tegen een Farizeeër: ”God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.” Ja, Hij heeft zelfs tot op het kruis gebeden voor Zijn vijanden. En zo heeft Hij in alles laten zien dat Hij niet is gekomen om onze zielen te verderven. Hij heeft u en jou niet over voor de rampzaligheid. Maar Hij is juist naar deze aarde gekomen om te behouden, zo klinkt het uit Zijn mond in vers 56. En dát staat in Zijn Woord opgeschreven, om het tot op de dag van vandaag te laten verkondigen.

Gekomen om te behouden. Het is voor de meesten van ons zo’n bekend woord. Maar wat wil dat nu zeggen als het uit de mond klinkt van de Zaligmaker Zelf? Het betekent allereerst door Hem verlost te worden van het grootste gevaar dat ons bedreigt: het eeuwige verderf. En verlost Hij ook niet van het hoogste kwaad dat ons beknelt? De zonde die God zo onteert. En zo leidt Hij tot de zaligheid. Tot de heerlijkheid. Tot de vrede met God en de vreugde in God.

Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.” Is dit woord van de Zaligmaker nu al eens naar binnen geslagen? Hebben we het al eens beseft hoe we uit onszelf onophoudelijk tegen de zondaarsliefde van Christus zondigen, als we ons leven nog leiden zonder dat wij ons werkelijk druk maken om ons eeuwig behoud? We misschien één of twee keer per zondag naar de kerk komen, maar we het voor de rest doordeweeks allemaal wel best vinden. De prediking ook iedere keer maar over ons heen laten komen, alsof het niet voor ons bestemd is. De Zaligmaker ons niet persoonlijk aanspreekt! 

Kunnen we ons echt nog altijd overal druk over maken, behalve over het belangrijkste: hoe word ik behouden? Want van nature liggen we verloren en hoeft er niets meer te gebeuren in ons leven of we glijden weg in het verderf. Maar dan zal het Tyrus en Sidon, heidense steden, verdraaglijker zijn in het oordeel dan u. Want als Christus vandaag laat verkondigen waartoe Hij gekomen is, dan beoogt Hij daarmee dat we niet eerder tevreden zullen zijn dan dat we weten in deze Ark van behoud te zijn.

Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.” Dat is een Woord dat dus oproept tot bekering van onze zorgeloosheid en liefde tot de wereld. We zo bezig zijn ons beetje bij beetje te verharden, al zitten we nog keer op keer onder het Woord. Maar de hel verschrikt steeds minder en de hemel trekt steeds minder. En zo worden we al onverschilliger en ongevoeliger. We de dag van onze bekering blijven uitstellen, omdat we niet geloven dat de dag van onze dood en daarmee van ons eeuwig verderf al dichterbij komt. O, laat het toch zo ver niet komen dat we het uit de mond van deze Redder als Rechter zullen horen: “En gij hebt niet gewild dat Ik Koning over u zal zijn!”  

Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.” Dat is óók een woord dat oproept tot zelfonderzoek als u of jij meent behouden te zijn. Want op grond waarvan denken we dat? Is het vanwege de offers die wij brengen aan God, vanwege onze ijver in de dienst van de HEERE, vanwege bepaalde gevoelens die we weleens hebben ervaren bij het lezen van het Woord of het zingen van een psalm? Waarop steunen we als het gaat om ons eeuwig behoud? Is het in het licht van vers 56 dat we hebben ingezien uit onszelf op weg te zijn naar het verderf en dat God niet verplicht was om ons daarvan te redden? Maar dat daar, waar ik mezelf niet meer kon behouden en geen mens me kon redden, ik enkel kon roepen om dat wonder van Gods vrije en onverdiende genade: ”o God, wees mij zondaar genadig!” En dat ik zo door de nood gedreven en door Christus’ liefde getrokken, leerde leunen op Hem alleen, Die het zegt en dat liet zinken in het hart: ”Ik ben niet gekomen om te verderven, maar om te behouden.

Hoort u dat, hoor jij dat? Nee, u twijfelt niet aan Christus’ macht om ánderen te behouden. En ook niet aan Zijn gewilligheid om ánderen te behouden. Maar u ziet nog zo op uzelf. Op uw tekort. Op uw onmacht. Op uw onwaardigheid. O, leg dan toch uw vinger eens bij dit Woord van bemoediging en aansporing, dat klinkt uit de mond van de Zaligmaker Zelf. En wanneer? Juist als Hij op Zijn laatste reis naar Jeruzalem is. Samaritanen Hem afwijzen. Zijn discipelen Hem miskennen. Hij hen daarom moet bestraffen: ”Gij weet niet van hoedanige Geest gij zijt.” ”Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden!” Zou Hij dat dan ook vandaag zeggen en niet willen doen? Roep Hem toch aan: Heere, U kunt toch van Uw Woord niet af? Zo doe U ook aan mij!

Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.” Wat een woord vol hemelse troost voor u en jou die het nu enkel en alleen in uw leven moet hebben van Zijn genadegiften. Maar vergeet het toch nooit wáár Hij u eens heeft gevonden. Welk onbegrijpelijk wonder het is dat Hij uw ogen -in één keer of heel geleidelijk- voor Zijn Woord heeft geopend. Dat de Zoon des mensen niet is gekomen om te verderven, maar om te behouden. En wat een rijke troost: daar komt Hij nu nooit meer op terug. Ondanks uw ontrouw. Ondanks uw afdwalen. Maar wat Hij heeft gesproken, blijft vast. Om ook u te behouden, voor eeuwig!

O, zoek Hem dan in uw leven ook steeds zo aan anderen aan te wijzen en aan te prijzen. Heb grote gedachten van Hem. Zoek voortdurend om in alles geleid te worden door de Geest van Christus in alle zachtmoedigheid. Dan alléén strijdt u voor een goede zaak!

Amen.