Matthéüs 11: 23 'tot den hemel toe verhoogd, tot de hel toe nedergestoten' ds. P. Roos

VOTUM EN GROET

  1. Votum en groet
  1. Zingen Psalm 145: 5
  1. Lezing van de Wet
  1. Zingen Psalm 141: 1 / Psalm 48: 6
  1. Schriftlezing Matthéüs 4: 12-17 + 11: 20-24
  1. Gebed
  1. Zingen Psalm 78: 1, 9, 11
  1. Verkondiging n.a.v. Matthéüs 11: 23
  1. Zingen Psalm 103: 1
  1. Gebed
  1. Zingen Psalm 106: 1 / Psalm 27: 7
  1. Zegen

Geliefde gemeente,

Ben jij blij, dat je weer in de kerk zit? Of is het vanzelfsprekend voor jou, dat jij zondags naar de kerk gaat? Je vindt het heel gewoon, dat je vandaag onder Gods Woord zit. Misschien had je zelfs wel geen zin om naar de kerk te gaan. Het kan ook zijn, dat jij over deze dingen nauwelijks nadenkt. De kerkgang op zondag en het bijbellezen aan tafel horen er gewoon bij.

Toch is het wel bijzonder. Want het is maar een klein deel van de wereld waar het Evangelie in alle vrijheid verkondigd wordt. Velen in ons land horen nooit van Jezus de Zaligmaker. In het seculiere westen neemt het atheïsme snel toe. In delen van Afrika heerst de afgoderij en het heidendom. Zuid-Amerika is bedekt met de geestelijke duisternis van het pausdom. In het Midden-Oosten zijn de mensen overgegeven aan de islam.

Jij mag wel van Jezus horen. Elke zondag weer in de kerk. Jij mag wel over Jezus lezen. Elke dag weer in jouw Bijbel bij het wakker worden en bij het slapen gaan. Heb jij er wel eens over nagedacht hoe bijzonder dat is? Want stel je voor, dat je in Gaza, Kobani, Teheran of Dresden was geboren. Dan had je misschien nooit van Jezus gehoord. Maar nu mag jij nog elke zondag het Evangelie horen. God gaat met jou een bijzondere weg. Je bent bevoorrecht!

Net als de mensen in Kapernaüm. Dat zien we in onze tekst.

We willen ernaar luisteren onder het thema:

Thema: Kapernaüm, de stad van Jezus
            1. Waarom Kapernaüm?
            2. Kapernaüm, waarom?

  1. Waarom Kapernaüm?
    Kapernaüm! Een klein stadje aan het meer van Galilea in het hoge noorden van Israël. In het vroege voorjaar hoorde je er de kolkende waterstromen. Het smeltwater stroomt met grote snelheid vanaf de Hermon door de Jordaan het meer van Galilea in. Dat meer had de vorm van een harp, waardoor het ook wel “het meer van Kinneret” – “het meer van de harp” – werd genoemd. In Jezus’ dagen waren in de omgeving uitgestrekte bossen te vinden.

Overal langs het meer waren havens gebouwd. In de tijd van de Heere Jezus lagen er diverse steden rond het meer. Tiberias, Magdala, Chorazin en Bethsaïda kennen we vanuit de evangeliën. Kapernaüm was ook één van deze steden. Een stad zonder noemenswaardige geschiedenis. Geen enkele keer komt het stadje Kapernaüm in het Oude Testament voor. Niemand zou ooit van deze stad hebben gehoord.

Alhoewel …. Ambitieus waren ze wel in Kapernaüm. Ze wilden vooruit. Ze hadden daarvoor ook alles mee. De natuur is er prachtig. De bodem is er vruchtbaar. Allerlei soorten bomen groeiden er. Druiven en vijgen werden er geoogst. Het hele jaar door rijpten er vruchten. Het frisse water van het meer van Galilea zorgde voor voldoende water op de boerenakkers. In het meer ving men allerlei soorten vis, die zowel in smaak als in grootte bij de beste vis ter wereld hoorde. 

De geografische ligging was perfect: een echte a-locatie.  Het lag aan een belangrijke handelsroute. Deze “Via Maris” verbond de handelsmarkten van Mesopotamië en Damaskus met Egypte. Deze weg ging dwars door het stadje Kapernaüm. Het was een plaats van economische betekenis. De stad had daardoor ook een bepaalde internationale uitstraling. Kapernaüm had qua ligging alles mee om zich te ontwikkelen tot een belangrijke handelsstad.

Het is dan ook te begrijpen, dat naast Jericho ook in Kapernaïm een douanekantoor was gevestigd. Zowel over de invoer via het land als over het water moest er belasting worden betaald. In dat douanekantoor werkten de tollenaren. Ze waren niet gezien onder het volk. Een tollenaar telde niet mee. Hij werd veracht, miskend en afgeschreven. Eén van die tollenaren uit Kapernaüm kennen we bij naam: Levi de tollenaar.

In Kapernaüm was ook een Romeins garnizoen gevestigd. Deze legereenheid moest in Kapernaüm zorgen voor de veiligheid van het land. Zo’n garnizoen was meestal voor langere tijd in dezelfde plaats gestationeerd. Soms gebeurde het, dat de soldaten ook hun vrouwen en kinderen lieten overkomen. In elk geval vestigden de soldaten zich voor langere tijd in zo’n plaats. Daardoor ontstond er ook een band met de plaatselijke bevolking.

Dat bleek wel in Kapernaüm. Want de hoofdman van dit garnizoen raakte betrokken op de inwoners van die havenplaats. Hij was ook onder de indruk van de godsdienst van de Joden. Hij heeft dan ook belangrijke financiële steun geboden voor de bouw van de synagoge van Kapernaüm. De inwoners van de stad roemden hem hierom: “want hij heeft ons volk lief en heeft zelf ons de synagoge gebouwd” (Luk. 7: 5).

Kapernaüm, een havenplaats aan het meer van Galilea. Een plaats met economische betekenis. Kapernaüm, een stad met potentie. Een handelsstad, waar veel mensen in en uit gingen. Vanuit de stad werden gedroogde vis en vruchten naar Damaskus vervoerd. Tegelijk werden er specerijen uit Damaskus ingevoerd. Altijd verbleven er kooplieden en reizigers in de stad. Een vreemdeling werd er niet direct opgemerkt. 

In deze stad vestigde zich op een zekere dag een nieuwe Bewoner. Hij kwam uit het dertig kilometer zuidelijker gelegen Nazareth. Hij was weliswaar geboren in Bethlehem, maar groeide op in Nazareth. In dat kleine gehucht Nazareth kon Jezus onopgemerkt toeleven naar het moment, dat Hij Zich bekend zou maken als de Verlosser van Israël. Maar na de doop in de Jordaan en de verzoeking in de woestijn verhuist Jezus naar Kapernaüm.

Daar vindt Hij Zijn thuis. Matthéüs, de tollenaar van Kapernaüm, heeft dat opgeschreven in zijn evangelie: “en Nazareth verlaten hebbende is komen wonen te Kapernaüm” (Math. 4: 13a). Enkele hoofdstukken verder wordt Kapernaüm zelfs de stad van Jezus genoemd: “en in het schip gegaan zijnde voer Hij over en kwam in Zijn stad” (Math. 9: 1). Alhoewel Hij nooit afkwam van die naam “Jezus de Nazarener” werd Kapernaüm echt “Zijn stad”.

Hier had Hij Zijn thuis. Zo staat het er letterlijk bij Markus: “en na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaüm gekomen, en het werd gehoord, dat Hij thuis was” (Mark. 2: 1). Sommigen menen dat Jezus bij Petrus of iemand anders heeft ingewoond. Kapernaüm was Zijn stad. Hier trok Hij Zich terug. Hier kwam Hij tot rust.

Maar waarom vestigde Jezus Zich nu in Kapernaüm? Waarom ging Hij nu juist hier wonen? Zou daarvoor een reden kunnen liggen in die mensen van Kapernaüm? Zouden ze Hem misschien hebben gevraagd bij hen te komen wonen? Ik denk het niet, hoor! Want dat lezen we nergens. Jezus kiest uit eigen beweging voor Kapernaüm. Dit was de plaats, waar Hij wilde wonen. Daar hebben die inwoners ook geen enkele invloed op gehad.

Waarom dan wel? Zou jij het weten? Want wat is nu de reden als de Heere Jezus Zich ergens vestigt? Waarom zou Hij bij mensen willen komen wonen? Waarom zou Hij in jouw hart willen wonen? Omdat jij dat zo graag wil …? Omdat jij daar naar uitzag …? Ach, als je jezelf leert kennen weet je dat het hierom niet kan. Want geen mens zit op Jezus te wachten. Het liefst sluiten we Hem buiten. We willen Hem niet hebben binnen de grenzen van de stad mensenziel.

Wat is het dan wel geweest? Waarom Kapernaüm? Sommigen wijzen op de ideale ligging van de stad. Het ligt niet zo afgelegen als Nazareth. Bovendien bevindt het zich op de belangrijke handelsroute. Daardoor zal het gerucht over Jezus zich sneller kunnen verspreiden. Zo kan Jezus er allerlei soorten mensen bereiken. Daar kwamen immers elke dag vele reizigers en kooplui. Het zou dan een strategische overweging van Jezus kunnen zijn geweest om Zich in Kapernaum te vestigen.

Matthéüs, de tollenaar van Kapernaüm, wijst op wat anders: “opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: het land Zebulon en het land Nafthali aan den weg der zee over de Jordaan, Galilea der volken; het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduw des doods, denzelven is een licht opgegaan” (Math. 4: 14-16). Jezus verhuizing naar “Kapernaüm aan de zee” zou de vervulling van Jesaja’s profetie kunnen zijn.

Toch roept dit ook vragen op. Want waar Kapernaüm ligt in het stamgebied van Nafthali moet Nazareth gerekend worden tot Zebulon. Met de aanduiding “het land van Zebulon en Nafthali” wordt dus geheel Galilea bedoeld. De plaatsnamen Nazareth en Kapernaüm zijn slechts invulling. Het gaat om Jezus’ keuze voor Galilea als terrein van openbaring. Deze keuze is ingegeven opdat daarin vervuld zou worden wat Jesaja de profeet heeft gesproken (Jes. 8:23 – 9:1).

Ooit werd die streek van Zebulon en Nafthali in het noorden van Israël gehuld in diepe duisternis. Het land werd bezet door de Assyriërs. De noordelijke stammen werden als eerste getroffen door Gods oordeel over de zonden van het volk. Jesaja mocht er echter ook van spreken, dat in het duister van het oordeel het licht van Gods genade zal opgaan. Waar de nacht vroeg viel over een groot deel van Noord-Israël zal eens hemels licht oprijzen.

De vervulling van de profetie van Jesaja ligt niet zozeer in Jezus’ vestiging in Kapernaüm, maar meer in Jezus’ keuze voor Galilea – het gebied van Zebulon en Nafthali – als zijn werkgebied. Het verklaart dus wel, dat Jezus in deze streek bleef wonen, maar nog niet de specifieke keuze voor Kapernaüm als woonplaats. Het had wat dat betreft ook een andere plaats aan het meer van Galilea of in de landstreek van Zebulon kunnen zijn geweest.

Waarom dan wel Kapernaüm? Waarschijnlijk moeten we denken aan de naam van de stad. De naam Kapernaüm is namelijk de Griekse verbastering van de Hebreeuwse naam “Kefar Nachoem” oftewel “dorp van Nahum”. De stad is dus vernoemd naar een zekere Nahum. In de geschiedenis van Israël kennen we alleen een profeet met deze naam. Het is goed mogelijk, dat de stad dan ook is vernoemd naar deze profeet Nahum. Zijn naam betekent “getrooste” of “trooster”.

Deze profeet Nahum spreekt in het kleine profetenboekje een oordeel uit over de stad Ninevé, de hoofdstad van Assyrië. Daarheen was Israël in ballingeschap gevoerd. We lezen in het Oude Testament hoe ze uit het noorden van Israël werden weggevoerd naar Assur. In de dagen van Pekah, koning van Israël, waren al inwoners uit het land van Nafthali weggevoerd naar Assyrië (2 Kon. 15: 29). Later vond de massale wegvoering van het Tienstammenrijk plaats door Sanherib (2 Kon. 17).

Het volk verbleef in Assyrië als straf van God op de zonde. Maar de Assyriërs verhieven zich. Ze werden hoogmoedig en meenden met God te kunnen spotten. Daarom kwam Nahum de trooster als de oordeelsprofeet tot die stad Ninevé. Ninevé zal worden geslagen en worden verwoest (Jes. 14: 24-27). God zal die hoogmoedige koning met zijn volk neerstoten van zijn troon (Jes. 10: 5-13). Die profetie van Nahum was tot oordeel over Assyrië, maar tot troost voor Israël. Er komt herstel voor Israël. Aan de ballingschap kwam een einde.

Nu komt in dat dorp van Nahum Jezus Christus wonen. Hij is de meerdere Nahum. Hij is de Trooster bij uitnemendheid. Hij is gekomen naar de wereld om Zijn volk te troosten. De keuze voor Kapernaüm, het dorp van Nahum, is dus beslist geen toevallige keuze. Zoals Nahum het volk eens troostte zo komt Jezus Christus Zijn volk troosten. De profetie van Nahum krijgt zijn diepste vervulling in de komst van de Christus naar het dorp van Nahum.

Zo kwam Jezus Christus te wonen in Kapernaüm. Hier woonde Hij in een huis. Hier verbleef Hij. Hier bracht Hij de nacht door. Hier zat Hij aan de eettafel. Hier waren mensen, die konden zeggen dat de Heere Jezus in hun stad woonde. Hier waren mensen, die konden zeggen: “Jezus is mijn buurman. Ik woon naast Hem”. De inwoners van Kapernaüm konden het zeggen: “Hij heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd” (Joh. 1: 14).

Dat was niet vanwege iets in de mensen van Kapernaüm. Zij waren niet beter, netter, vromer of godsdienstiger dan de mensen van Magdala of Kana. De Heere Jezus had zo zijn eigen reden om het dorp van Nahum te verkiezen tot Zijn woonplaats. Daarachter ligt nu het soeverrein welbehagen van de HEERE. Daar kunnen wij nooit de vinger achter krijgen. Dat ligt bij God. Hij neemt redenen uit Zichzelf. Hij hoeft Zich daarvoor aan ons niet te verantwoorden.

Zo ligt dat nog steeds. Want wat is de reden, dat de HEERE nog onder ons woont door Zijn Woord? Wat is de reden dat Hij nog onder ons verkeert? Ben jij misschien beter dan een moslim? Heb jij er meer recht op dan iemand in Amsterdam? Kan jij er aanspraak op maken? Heb jij het verdiend? Wie dat durft te zeggen kent zichzelf nog niet. Het is nooit vanwege iets in de mens dat God zo’n één bezoekt met woorden van troost.

Wat zou Hij in jou ook kunnen vinden, waardoor Hij onder jouw dak zou willen wonen? Kijk dan eens goed naar jouw levenshuis. Er deugt niets. De sporen van verderf trekken door de gevel. Alles ademt de stank van de zonde. Vele ongerechtigheden worden in het huis bedreven. Vele zonden vinden er plaats. Niets in ons leven is gericht op de eer van God. Wij hebben het ernaar gemaakt, dat God ons voorbij zou gaan.

Hij doet dat echter niet. Het is slechts Zijn genade, als Hij tot ons komt en onder ons woont. Daar kunnen en mogen wij onze vingers niet achter krijgen. Het is voor ons verborgen, waarom God onderscheid maakt. Het is een voorrecht, dat in ons midden nog woorden van troost mogen worden gehoord. We kunnen slechts tot onze verwondering opmerken hoe in onze woonplaats Gods Woord nog in alle vrijheid klinken mag.

Dat brengt ons bij onze tweede gedachte.

  1. Kapernaüm, waarom?
    Als de Heere Jezus ergens verblijft, is dat nooit reden. Hij komt niet ergens binnen om er vervolgens niets te gaan doen. Als Hij ergens komt, heeft Hij er ook werk te verrichten. Zo was dat ook in Kefar Nahum. Het was niet alleen de thuisbasis van Jezus. Juist in en rondom Kapernaüm heeft Hij veel gesproken. Nergens in Galilea heeft Hij ook zoveel wonderen verrichtt als in Kapernaüm. Zijn verblijf bleef er niet onopgemerkt.

Denk maar aan de woorden van troost, die Hij er heeft gesproken. In de synagoge van Kapernaüm heeft Jezus onderwijs gegeven. Meer dan eens is Hij er geweest. De mensen waren onder de indruk van de woorden, die Hij sprak: “en Jezus kwam af te Kapernaüm, een stad van Galilea, en leerde hen op de sabbatdagen. En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht” (Luk. 4: 32).  

Vlak bij Kapernaüm heeft Jezus de Bergrede uitgesproken. Vele gelijkenissen heeft Hij hier verteld. Vanuit Kapernaüm gaf Hij onderwijs aan Zijn discipelen. Zo sprak Hij er de gelijkenis van de zaaier. De mensen zagen de geschiedenis zich voor hun ogen afspelen op de akkers rond Kapernaüm. Al Zijn redevoeringen zijn gehouden voor de oren van de inwoners van Kapernaüm.

Maar bij Kapernaüm heeft Hij ook met kracht gesproken in het leven van mensen. Hier was het, dat Hij Simon en Andreas aansprak: “volg Mij na” (Math. 4: 19). Ze lieten hun visnetten achter in de haven van Kapernaüm om Jezus te volgen. Hier riep Hij de tollenaar Matthéüs tot Zijn discipel: “volg Mij” (Math. 9: 9). Matthéüs verliet het tolhuis van Kapernaüm voorgoed om voortaan achter Jezus aan te gaan. Hier sprak Hij als de grote Profeet woorden van troost.

Vooral heeft Hij in het dorp van Nahum troost gebracht door de daden, die Hij er heeft verricht. Veel wonderen heeft Jezus er verricht. Velen heeft Hij er ook genezen. Zo lag de schoonmoeder van Petrus ziek op haar bed in Kapernaüm. Ze had grote koorts en er werd gevreesd voor haar leven. Maar toen Jezus bij haar in huis kwam, bestrafte Hij de koorts. De vrouw werd terstond genezen om Jezus te dienen (Luk. 4: 38-39).

Dit wonder ging als een lopend vuurtje door de stad. Het leidde ertoe, dat vele zieken naar Jezus werden gebracht: “en als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde een ieder van hen de handen op en genas dezelve” (Luk. 4: 40). In Kapernaüm kwam de Romeinse hoofdman tot Jezus om te vragen om genezing voor zijn zieke knecht. Jezus genas die man (Luk. 7: 1-10).

Het gebeurde in Kapernaüm, dat door het dak een verlamde man door zijn vrienden aan Jezus’ voeten werd neergelegd. Ze waren ervan overtuigd, dat Jezus alleen hun vriend beter kon maken. Jezus heeft die man ook genezen (Math. 9: 1-8). Het was in Kapernaüm, dat het dochtertje van Jaïrus werd opgewekt uit de dood (Math. 9: 18-25). Deze Jaïrus geloofde, dat Jezus macht had om zijn dochter weer tot leven te wekken. Het gebeurde ook.

In Kapernaüm drong die bloedvloeiende vrouw zich door de menigte heen om het kleed van Jezus van achteren aan te raken. Zoveel verwachting had ze van Jezus. Hij heeft haar genezen (Math. 9: 20-22). Bij Kapernaüm zaten twee blinden, die riepen om ontferming (Math. 9: 27-31). Ze geloofden dat Jezus hen beter kon maken. Jezus gaf hen het licht in de ogen. In de synagoge van Kapernaüm werd de man met de verdorde hand genezen (Math. 12: 9-21).

Vele wonderen heeft Jezus er verricht. Mensen in de nood van hun leven kwamen er tot Jezus. Mensen met allerlei ziekten werden er tot Jezus gebracht. Mensen die hopeloos waren vastgelopen met hun leven kregen bij Jezus een nieuw begin. In dat kleine vissersstadje aan het meer van Galilea heeft Jezus vele wonderen en tekenen gedaan. Het bleef onder hen niet onopgemerkt, dat de Zoon van God in hun midden heeft gewoond, gewerkt en geleefd.

Alhoewel Kapernaüm zelf geen stadsmuren kende, stond er in Kapernaüm wel een poort wijd open. Het was de poort des hemels. De Zoon van God, de Zaligmaker der wereld, woonde in hun midden. Hij genas de zieken. Hij predikte er het Evangelie. De Heilige Geest daalde er neer. De Heilige Geest, Die de bekering werkt. De Heilige Geest, Die ervoor zorgdraagt dat mensenkinderen verlegen raken om Jezus.

Deze Geest heeft in Kapernaüm in ruime mate gewerkt. De woorden en werken van Jezus zijn niet ijdel geweest in Kapernaüm. Denk maar aan die hoofdman. Hij bezat dat grote geloof, waar Jezus Zich over verwonderde. Denk maar aan die bloedvloeiende vrouw. Zij kwam tot Jezus in het vaste geloof, dat Hij haar kon genezen. Denk maar aan Jaïrus, die een groot vertrouwen had in de kracht en macht van Jezus.

Vele druppels van Gods Geest zijn er rondom dat meer van Galilea in menig zondaarshart gevallen. Alhoewel de Heilige Geest nog niet ten volle was uitgestort werkte de Heilige Geest al wel. Was dat het niet, waar Jezus om vroeg als Hij ’s ochtends Kapernaüm verliet om ergens alleen te kunnen zijn om te bidden (Mark. 1: 35)? Daar bad Hij om de werking van Gods Geest in het leven van hen, waaronder Hij mocht wonen en werken.

Het heeft ook wat nagelaten. Zijn arbeid in Kapernaüm was niet tevergeefs. Hier kwamen mensen tot geloof in Hem. Hier gingen zondaarsharten open voor Hem. Hier verscheen Hij in het leven van eenvoudige vissermannen of van een Romeinse hoofdman. Ze zullen er zijn in de hemelse heerlijkheid die door Jezus’ verblijf in Kapernaüm tot verandering zijn gekomen. Kapernaüm is tot de hemel toe verhoogd geweest. Zowel door de aanwezigheid van Jezus als door het werk van Gods Geest.

Dat geldt ook voor ons: gij zijt tot de hemel toe verhoogd geweest. Het Woord heeft onder ons geklonken. De prediking is uitgegaan. De bediening van de verzoening vindt zondag aan zondag plaats. Vele kerken zijn hier gekomen. Geen hoek van de straat is overgeslagen. Overal is het gerucht gehoord over de wondere woorden en werken van Jezus Christus. Net als in Kapernaüm staat ook bij ons de kerk centraal.  

Door de prediking van het Evangelie is onze gemeente tot de hemel toe verhoogd geworden. Al duizenden dagen is Christus Jezus in het gewaad van Zijn Woord onder ons. Hoe vaak zijn de genademiddelen onder ons al niet aangewend? Hoeveel preken heb jij al niet gehoord? En nog steeds mag het Woord klinken. Jij hebt vele gelegenheden gekregen om de woorden der zaligheid te mogen horen. Thuis, op school en in de kerk is Gods Woord opengegaan.

Bovendien heeft Christus door Woord en Geest krachtig gewerkt onder ons. Zowel in het verleden als in het heden is Gods Geest uitgestort in de harten van jong en oud. Ook hier zijn ze er, die door God tot God bekeerd werden. De één krachtdadig, de ander meer geleidelijk. Toch kwam er liefde in hun hart voor Christus Jezus. Ze leerden vertrouwen op Zijn offer. Ze leerden  bouwden op Gods Woord. Ze leerden uitgaan tot Hem.

En toch, bij velen gaat het anders …. Dat bleek in Kapernaüm. Nee, Jezus werd hier niet van de steilte afgeworpen, zoals Hem dat bijna was overkomen in Nazareth. Ook leefde in Kapernaüm niet de openlijke vijandschap en het verzet, waar Jezus in Jeruzalem tegenaan was gelopen. Het was voor Jezus dan ook een vreugde om in de synagoge van Kapernaüm te mogen preken. Hij mocht er dan ook graag zijn. De mensen stonden welwillend tegenover Hem. Hij was er altijd welkom. Ze accepteerden Jezus.

Het was een gemoedelijke plaats met een gemoedelijk volk en een gemoedelijke inslag. De godsdienst drukte ook zijn stempel op de samenleving. Wie zou daar niet beroepen willen worden? Wie zou daar niet willen werken? De mensen staan open voor het Evangelie. Er ligt nog beslag onder de bediening van het Woord. Je kan er goed zijn. De godsdienst werkt door op allerlei terreinen in de samenleving.

Toch moest Jezus nog meer van Kapernaüm zeggen. Als de grote oordeelsprofeet moest Hij over Zijn stad de vloek uitspreken: “en gij, Kapernaüm! Die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom, die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn. Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels dan u” (Math. 11: 24). Kapernaüm, waarom?

Want ondanks alle bemoeienis met Kapernaüm bleef het grootste deel van de stad onbekeerd. Er werd mest om hun boom gelegd. Er werd geschud aan hun levensboom. De liefelijke klanken van het Evangelie klonken er. De woorden der zaligheid werden er gesproken. Er werd op de fluit gespeeld, maar ze hebben niet gedanst. Er werden klaagliederen gezongen, maar ze hebben niet geweend (Math. 11: 17). Ze bleven wie ze waren: onbekeerd.

Hoe vriendelijk ze ook deden. Hoe betrokken ze ook leken. Hoe open ze ook stonden. Al die woorden en werken van Jezus hebben ten diepste niets bij hen achtergelaten. Vriendelijk, maar beslist wezen ze Hem af. Ze hebben Jezus niet aangevallen. Ze hebben Hem niet uit hun stad gesleept. Ze hebben Hem niet proberen te kruisigen. Ze hebben Hem gewoonweg genegeerd. Ze hebben Zijn boodschap slechts voor kennisgeving aangenomen.

Ze gingen gewoon hun eigen gang. Ze bleven hun eigen ding doen. Ze waren wel onder de indruk van Zijn woorden, maar buiten de synagoge schudden ze het het gewoon weer van zich af. Ze gingen over tot de orde van de dag. Vijandschap is pijnlijk. Vervolging doet zeer. Maar simpelweg negeren is minstens net zo dodelijk. Het is de zonde van de onverschilligheid. Het Licht schijnt in de duisternis van Kapernaüm, maar de duisternis heeft hetzelve niet begrepen (Joh. 1: 5).

Daarmee riepen ze het oordeel over zichzelf af. Ze waren zo bevoorrecht. Ze hebben veel zegeningen ontvangen. Ze hebben de Zaligmaker jaren in hun midden gehad. Hij leefde onder hen. Hij wandelde onder hen. Hij sprak met hen. Hij werkte bij hen. Ze hebben Hem echter niet aanvaard als Messias. Daarom klinkt in het dorp van Nahum de oordeelsprofetie van de meerdere Nahum: “waarom, Kapernaüm? Gij die tot de hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden”.

Net als de Assyriërs hebben ze in Kapernaüm de daden van God gezien en de woorden van God gehoord. Het heeft hen echter niet verbroken. Ze zijn er zichzelf onder gebleven. Het heeft hen niet tot bekering gebracht. Daarom worden ze getroffen met het oordeel. Jezus Christus moest Zijn eigen woonplaats vervloeken. Kapernaüm wilde vooruit. Ze hadden vele ambities. Maar van de stad is niets overgebleven dan slechts ronkende puinhopen.

Het zal zijn geweest rond de zesde eeuw. Maar toen is het oude Kapernaüm van de aardbodem weggevaagd. Lange tijd heeft men geen eens geweten, waar het precies heeft gelegen. Het was woest geworden. Vandaag de dag zijn er slechts wat gerestaureerde puinhopen te vinden als overblijfsel van wat eens een aanzienlijke stad is geweest. Maar de plaats Kapernaüm wordt al eeuwenlang niet meer bewoond. Ze hebben het Licht gedoofd. Duisternis viel over de stad.

Is dat geen waarschuwing? Ligt daarin geen les, die wij ons ter harte hebben te nemen?  Want lijken wij niet in veel opzichten op Kapernaüm? Ook wij zijn bevoorrecht. Het Woord van God mag elke zondag nog klinken. De prediking van het Evangelie van Jezus Christus mag uitgaan. En het is waar: er is geen openlijke vijandschap. Er is beslist geen afkeer van de godsdienst. De godsdienst heeft zo zijn plaats gekregen in de samenleving.

Maar is er nu ook waarachtige bekering? Heeft het nu ook verbonden in het geloof aan de Zaligmaker van zondaren? In Kapernaüm heerste de gelatenheid: de zonde van de onverschilligheid. Het werd alles wel aangehoord. Het werd zelfs wel beaamd. Maar daar bleef het bij. De woorden en werken van Jezus deden geen kracht in het leven van de inwoners van dat dorp van Nahum. Is dat bij ons ook niet het grote gevaar?

Want jongelui wees nu eens eerlijk: wat doet de prediking met jou? God legt elke zondag weer mest om je levensboom. In de prediking wordt de Christus jou voorgesteld. Op de catechisatie wordt jij gewezen op de noodzaak van de waarachtige bekering. Het wordt jou verteld, dat je opnieuw geboren moet worden. Het klinkt door, dat jij niet sterven kan, zoals jij geboren wordt. Er wordt aangedrongen om de toevlucht te nemen tot de Heere Jezus Christus.

Soms ben ik echter wel eens bang, dat jij het allemaal over je heen laat komen. Je bent niet vijandig. Je verzet je niet. Je gaat gewoon naar de kerk. Je komt op de catechisatie. Plichtsgetrouw lees je ’s avonds uit een dagboek. Je weet ook wel, dat bepaalde zonden niet kunnen. Maar uiteindelijk raakt het jouw hart niet. Het heil in Christus gaat aan jouw hart voorbij. Je laat de woorden der zaligheid over je heen komen. Ondertussen blijf je wie je bent: onbekeerd. Hoogstaand in jezelf.

Die zonde van de onverschilligheid zit er zo diep ingebakken. We horen het Evangelie aan, maar halen de schouders erover op. We doen alsof we niets hebben gehoord. De zonde van Kapernaüm was de zonde van het niets doen. Ze werden niet gestraft om hun goddelozen wandel. Ze werden niet veroordeeld vanwege hun vijandschap. Maar de vloek kwam over hen omdat ze niets hadden gedaan met de vele voorrechten, die ze hadden ontvangen.

Ze werden gestraft, omdat ze ze niets deden met het Evangelie. Dat is zo’n gevaarlijke zonde. Want op het oog lijkt het nog wel wat te zijn. Je komt gewoon in de kerk. Je leeft gewoon mee. Maar je bent nog niet met jezelf aan het einde gekomen. Nog nooit ben je onder de prediking waarlijk verbroken geworden. Je staat nog fier overeind. Trots in jezelf. Hoogmoedig. Niet verlegen om het Licht der wereld. Geen behoefte aan de Zaligmaker van zondaren.

Weet u: u staat de Heilige Geest tegen. Dat was ook het aangrijpende in Kapernaüm. De Geest werkte er. De Geest verbrak het hart van een Andreas en een Simon Petrus. De Geest overtuigde de hoofdman van de gewilligheid van Christus Jezus om te genezen. De Heilige Geest bracht de bloedvloeiende vrouw met haarzelf aan het einde, zodat ze aangewezen raakte op Christus. De Heilige Geest gaf het geloof in het hart van de verlamde man, dat Jezus wonderen kon werken. 

Maar het was diezelfde Geest die velen in Kapernaüm bestreden. Ze wederstonden de werking van Gods Geest. Zou dit misschien van jou ook moeten worden gezegd? Onder de prediking waarin Gods Geest mensen in het hart grijpt, verzet jij je. Oh ja, er is wel eens een indruk. Jij weet nog wel die preek, waarbij de Heere jou zo nadrukkelijk bepaalde bij je zonden. Je begreep dat je bekeerd moest worden. Er kwam de begeerte naar Christus. Maar het is allemaal weer uitgedoofd.  

Kapernaüm heeft zich niet bekeerd. En jij …? Kapernaüm, waarom? Bewaar Het Pander, waarom? Het waren er maar weinig, die als juwelen werden gehecht aan de kroon van de Middelaar. Velen van de inwoners van deze stad bekeerden zich niet. Ze waren er, die geen eens de moeite namen om naar Jezus te horen. Hun buren spraken ervan, dat een groot Profeet in Nahum was gaan wonen. Genade was op Zijn lippen uitgestort. Hij sprak met majesteit en kracht. Zijn woorden waren vol van liefde.

Ze hoorden van de genezingen, die Jezus er verrichtte. Hun buren spoorden hen aan om eens mee te gaan: “deze Prediker moet je echt eens horen. Zoiets hebben we nog nooit gehoord. Deze Man heeft werkelijk vele gaven”. Maar ze hadden zo hun verontschuldigingen: de één had een akker gekocht, de ander vijf juk ossen en een derde had een vrouw getrouwd. Ze bekeerden zich niet. In duisternis had Jezus hen gevonden, maar in duisternis liet Hij hen ook achter.

Ze waren er ook, die voor een tijd Jezus volgden. Ze waren verwonderd over de tekenen, die Hij deed. Ze volgden Hem van plaats tot plaats. Ze stonden aan de oever om Zijn preken te horen. Ze zaten neer op het gras om het brood te eten, dat Hij hen gaf. Maar toen Jezus bij hen aandrong om Zijn vlees te eten en Zijn bloed te drinken keerden zij zich van Hem af. Het kwam niet tot het persoonlijke geloof in Christus. Ze wandelden niet langer meer met Jezus (Joh. 6: 60).

Anderen daarentegen hadden meer betrekking op Jezus. Ze wilden niets van Zijn preken missen. Ze liepen Hem achterna. Ze stonden met aandacht te luisteren naar Zijn preken. Ze waren onder de indruk van de woorden, die Hij sprak. Ze lieten wel eens een traan en werden geraakt in hun gemoed. Toch bleven ze voortleven in die ene zonde. Ze waren wel hoorders van het Woord, maar geen daders. Ze bekeerden zich niet.

Zou de Christus dat ook van ons moeten zeggen? Hoevelen komen wel onder het Woord, maar leven voort in hun zonden? Ze willen graag een goede preek horen. Zelfs doordeweeks gaat men ervoor op pad, maar ondertussen blijven ze onbekeerd. Ze bekeren zich niet. Het verbindt hen niet aan Jezus. De ongerechtigheid gaat onverminderd voort. Zou Jezus ons niet vele verwijten moeten maken, als Hij vandaag in ons midden zou staan?

Wat zal de Christus van jou moeten zeggen? Zal Zijn vloek jou moeten treffen? Zal het straks tot jou moeten klinken: “oh, gij dwaze, die tot de hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden”? Want in de hel zijn onderscheiden graden in de ellende. Die veel hebben geweten zullen met vele slagen worden geslagen. Zij, die gezondigd hebben tegen het licht van het Evangelie zullen zwaarder straf ontvangen.

Het volk van Kapernaüm zonk dieper weg in de poel des verderfs dan het volk van Tyrus, Sidon en Sodom. Zo zal een onbekeerde Bewaar Het Pander ook dieper wegzinken in de eeuwige verlorenheid dan een Amsterdammer, die nooit onder de prediking van het Evangelie van de gekruisigde en opgestane Christus heeft gezeten. De hel zal voor hen, die het wel hebben geweten, een eindeloze verschrikking zijn.

Want dat is de ellende van de goddelozen, dat ze voortdurend worden herinnerd aan het weleer. Het zal hen steeds weer voor de ogen komen, dat ze het Evangelie hebben gehoord. Wie onbekeerd sterft, zal deze preek ook altijd weer terugkrijgen. Je zal er blijvend aan herinnerd worden, dat jij de nodiging tot Christus aan je voorbij hebt laten gaan en je niet hebt willen laten zaligen. Jezus was wel in jouw midden, maar jij hebt Hem laten roepen.

Ontwaak toch eer het te laat is. Misschien is de schuld van Kapernaüm jouw schuld. Maar de Heiland heeft nog niet gestaan bij de poorten van uw hart om een laatste vervloeking uit te spreken. Hij heeft u nog niet overgegeven in het eeuwige oordeel. Nog is er voor de meest verdorven zondaar genade. Jezus talmt nog bij de drempel van jouw leven. Hij laat je nog in het heden der genade. Het reinigende bloed van het Lam wordt jou nog aangeprezen en voorgesteld.

Spoedig zal het te laat zijn. Spoedig zal het levenslicht zich terugtrekken. Dan wacht de eeuwige duisternis voor allen, die het Licht niet hebben begrepen. Maar nog is de Dokter der zielen in ons midden. Hij wil nog genezen. Hij wil nog wonderen werken. Vlucht toch tot Hem. De poort des hemels staat nog open. Nog wel ….

Amen.