1 Korinthe 15:33a 'Dwaalt niet' ds. A. van Heteren

Dwaalt niet
Ds. A. van Heteren, Urk
Psalm 16:5 (1773)
Na de wet Psalm 19:6
Na de geloofsbelijdenis Psalm 105:22
Schriftlezing: 1 Kor. 15: 30-58 (Statenvertaling)
Psalm 119: 5 en 17
Psalm 119:88
Psalm 25:4
Tekst: 1 Kor. 15:33a “Dwaalt niet.”

Geliefde gemeente,
Korinthe was in de tijd van de apostel Paulus een belangrijke stad. Korinthe was de hoofdstad van een Romeinse provincie. In Korinthe was een stadhouder. Wie van Rome naar het oosten ging, reisde meestal via Korinthe. Korinthe was een grote havenstad. Korinthe had twee havens. Er waren veel zeelui en kooplieden. In Korinthe woonden allerlei mensen: Grieken, Romeinen, losgelaten slaven en Joden. Er was ook een synagoge. Korinthe was een welvarende stad. In Korinthe woonden grote denkers, schilders en beeldhouwers. Ook werd er aan sportbeoefening gedaan. Je zou kunnen zeggen dat de stad Korinthe in heel veel opzichten op onze grote steden leek.
Naast alle genoemde zaken was er sprake van grote zedeloosheid. Er waren meer dan duizend prostituees die aan de dienst van de godin van de liefde verbonden waren. Korinthe stond bekend als een heel zondige stad. Men sprak in die tijd wel van ‘koninthianiseren’, dat is net zo zondig gaan leven als velen in Korinthe deden. Korinthianiseren betekende hetzelfde als naar de duivel gaan. Korinthe werd wel de rijke stad genoemd, maar we zouden misschien beter kunnen zeggen: de zondige stad.
In die zondige stad heeft de Heere wonderen gedaan. De Heere heeft er mensen bekeerd en een gemeente doen ontstaan. Dat geeft hoop voor de grote steden in ons vaderland en voor de grote steden buiten ons land. De Heere kan wonderen werken. Hij kan zondaren bekeren. Wie denkt niet aan Rachab in Jericho? Zou in onze tijd voor de Heere iets te wonderlijk zijn?
De apostel Paulus kwam in Korinthe in het jaar 50 na Christus. Hij ging allereerst naar de synagoge. Toen zijn prediking in de synagoge door velen verworpen werd, ging hij verder met preken in het huis van Justus, gelegen naast de synagoge. De overste van de synagoge kwam tot geloof. Een wonder van God! Na  zo’n anderhalf jaar gepredikt te hebben in Korinthe, zag Paulus zich vanwege groeiende vijandschap genoodzaakt weg te gaan. Twee jaar na zijn vertrek uit Korinthe heeft Paulus de eerste brief aan de Korinthiërs geschreven. Een eerdere brief die hij schreef is verloren gegaan.
Heel veel zaken worden door Paulus in de eerste zendbrief aan de orde gesteld. Er heerste tweedracht in de gemeente. Men ging naar de aardse rechter met bepaalde zaken die in de gemeente afgehandeld zouden moeten worden. Er was een man die samenleefde met zijn stiefmoeder. Er waren huwelijksproblemen. Hoe moest men staan tegenover het eten van vlees gewijd aan de afgoden? Er was sprake van onwaardige avondmaalsviering. Allerlei gemeentelijke zorgen werden behandeld door Paulus. Een heel grote zorg was de dwaling aangaande de opstanding. Dat wordt verwoord in onze tekst: ‘Dwaalt niet.’ De tekst is het thema van de preek.
DWAALT NIET
We willen stilstaan bij drie zaken:
1. De Levensvorst
2. De levenswijze
3. De levensverwachting

1.De Levensvorst
In 1 Kor. 15 komt duidelijk uit dat Christus de dood en het graf heeft overwonnen. De Levensvorst heeft de dood als het ware opzij gezet. Christus is opgestaan en opgewekt om nooit meer in het graf terug te keren. Het wordt weleens zo gezegd dat Christus aan de andere zijde van de dood is opgestaan. In Korinthe werd door sommigen gezegd dat er geen opstanding der doden was. Zij ontkenden de opstanding van het lichaam uit graf en dood. Dit kwam voort uit onderwaardering van het lichaam door Griekse denkers uit die tijd. Het lichaam werd door hen niet op de juiste wijze bezien. Zij zagen het lichaam als een gevangenis van de ziel. Bij het sterven werd de ziel uit de gevangenis van het lichaam bevrijd. Deze heidense denkers verwierpen dan ook de gedachte dat er ook voor het lichaam eeuwigheidsverwachting is. Misschien denken ook wij weleens teveel aan de ziel en te weinig aan het lichaam. Niet alleen de ziel bestaat eeuwig voort, ook het lichaam zal eeuwig voortbestaan. Op de dag van de wederopstanding zullen ziel en lichaam herenigd worden.
De apostel Paulus neemt duidelijk afstand van de dwaling dat er geen opstanding der doden is. Hij toont in 1 Kor. 15:1-11 aan dat Christus is opgestaan en aan veel volgelingen na Zijn opstanding is verschenen. Zelfs een keer aan meer dan vijfhonderd broederen tegelijk. Die hebben zich dat niet ingebeeld, die hebben dat niet gedroomd. Dat was heerlijke werkelijkheid. Paulus zegt dan in 1 Kor. 15:13 en 14  ‘En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.’ In de prediking staat de opstanding van Christus centraal. Indien Christus niet opgestaan zou zijn, dan zou een belangrijk punt in de prediking niet waar zijn. Dit zou tot gevolg hebben dat dan de prediking ijdel zou zijn. Dan zou de prediking leeg zijn, dan zou de prediking zonder betekenis zijn. Dan zouden Paulus en andere predikers valse getuigen Gods zijn. Want dan zouden zij de waarheid niet spreken. Dan zouden zij immers prediken dat God Christus uit de doden heeft opgewekt, terwijl dat niet waar is. Paulus stelt: Indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt (vs. 16). In vs. 17 schrijft Paulus: ‘En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.’
Met de opstanding van Christus staat of valt alles. Indien het lichaam van Christus nog in het graf zou zijn, zou het goddelijk amen op ‘het is volbracht’ op de Paasmorgen niet geklonken hebben. De opwekking van Christus onderstreept de volkomen betaling door Christus voor al de zonden van ziel en lichaam van al Gods kinderen. Gods kinderen zondigen met ziel en lichaam. Christus heeft plaatsvervangend naar ziel en lichaam de toorn van God over de zonde gedragen. Christus heeft volkomen betaald voor al de zonden der Zijnen. Ook is Christus naar ziel en lichaam plaatsvervangend volkomen gehoorzaam geweest aan al de geboden van God, gedurende geheel Zijn omwandeling op aarde, onder alle omstandigheden. Zo heeft Christus het recht op het eeuwige leven verworven en vergeving verdiend voor een volk dat een onuitsprekelijk grote  schuld heeft en niets heeft om die schuld te betalen. Christus heeft volkomen betaald voor al de ongerechtigheden van die ontelbare schare die zalig zal worden. Wat ligt er een rijke troost voor al Gods kinderen in de opstanding van Christus. In Christus is er volkomen verlossing. Gods kerk heeft geen dode Verlosser Die in het graf ligt, maar heeft een levende Verlosser Die opgewekt is uit het graf en opgestaan is uit de dood.
Die Verlosser is nu gezeten aan de rechterhand van God de Vader. Hij heeft alle macht ontvangen in hemel en op aarde. Hij heeft het gezegd: ‘Ik leef en gij zult leven.’ De Levensvorst doet wonderen op de aarde door Woord en Geest. Het welbehagen van God gaat door Zijn hand gelukkiglijk voort. ‘Gelukkiglijk’ wil zeggen dat niemand de volvoering van dat welbehagen kan tegenhouden. De listige en machtige duivel, de zondige en verleidende wereld en de grote ongerechtigheid in het hart  kunnen het niet verhinderen.
De Levensvorst  maakt dode zondaren levend. Hij wekt op uit het graf van de geestelijke dood en geeft deel aan het geestelijke leven. Dat was gebeurd in Korinthe. De Levensvorst is van allesomvattende betekenis voor Gods kinderen. Hij wijst hen de weg door dit leven. Zij hebben geen dode maar een levende Leermeester. Jongens en meisjes, ook jullie kunnen dit wel begrijpen. Als de meester of de juf gestorven is, kan de meester of de juf jullie niets meer leren. Maar als de meester of juf leeft, dan kun je veel van hem of haar leren. Zo is het ook met de Heere Jezus. Hij leeft en daarom kan Hij ons dingen leren.
Christus regeert als Koning al Zijn onderdanen en beschermt hen tegen al hun vijanden. Jongens en meisjes, als een aardse koning gestorven is, kan hij niet meer regeren. Dan kan hij ook zijn onderdanen niet meer beschermen tegen hun vijanden. Christus is Koning en Hij leeft tot in eeuwigheid. Hij blijft regeren in het leven van al Gods kinderen en Hij blijft beschermen tegen al hun vijanden. Wat een troost ligt er dan in de opstanding van Christus. Hij leeft als Koning tot in eeuwigheid. Niemand van Gods kinderen kan zichzelf beschermen tegen de satan, de wereld en de zonde. Maar de Levenvorst, de levende Koning, doet dit altijd en onder alle omstandigheden. Niemand van Zijn onderdanen zal verloren gaan. Hij geeft hen het eeuwige leven. Deze Koning kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naad’ren van de dood, volkomen uitkomst geven.
De Levensvorst is ook de levende Hogepriester. Een dode Hogepriester in het graf kan niet bidden en kan niet zegenen. Christus is de Hogepriester Die leeft tot in alle eeuwigheid. Hij is met Zijn Eigen bloed ingegaan in de hemel en wijst op Zijn Borgwerk. Als de levende Hogepriester bidt Hij voor Zijn kerk. Hij eist de zaligheid van Zijn Kerk. Hij zegt het: ‘Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.
De ware gelovigen zullen nooit tevergeefs op de Levensvorst vertrouwen. Hij gedenkt hen in alle opzichten. Hij wijst hen altijd de weg, Hij brengt hen terecht als ze afgedwaald zijn, Hij beschermt hen tegen de duivel, de wereld en de zonde, Hij zegent hen en zal hen op Gods tijd zaligen. Wat de Levenvorst begint, zet Hij ook voort en voleindigt Hij. Hij is de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Het is waar en het wordt vervuld: ‘Ik leef, en gij zult leven.’

2.De levenswijze
Niet alleen ten opzichte van de Levensvorst bestond er een dwaling te Korinthe, ook ten aanzien van de levenswijze was dit het geval. ‘Dwalen’ is verbonden met ‘kwade samensprekingen.’ De apostel Paulus haalt bekende woorden van een Griekse dichter aan: ‘Kwade samensprekingen verderven goede zeden.’ Het spreken met elkaar en de omgang met elkaar heeft invloed op de manier van leven. Iedereen krijgt in mindere of mindere mate te maken met zondaren die graag over het kwade spreken. Paulus bedoelt dan ook niet dat we uit deze wereld zouden moeten weggaan en ons zouden moeten terugtrekken in een klooster. We hebben in deze wereld een taak en een plaats. Maar wie moedwillig en opzettelijk veel contact zoekt met zondige mensen brengt zichzelf daarmee in gevaar. Waar je vaak over spreekt, dat blijft in je gedachten hangen, dat oefent invloed op je uit. Ik heb weleens de uitdrukking gehoord: ‘wie in de rook hangt, gaat naar de rook stinken.’ Jongelui, waar spreken jullie graag over met anderen? Gaat het over geld, sport en seks? Of hoor je graag over de Heere en Zijn dienst spreken? De Emmaüsgangers hadden goede samensprekingen met elkaar. Zij spraken over het lijden en sterven van Christus. Gaat het hart daarnaar uit?
Het is gevaarlijk om te denken dat het spreken over het kwade en het geregeld omgaan met zondaren geen invloed op ons heeft. We hoeven niet alles te horen wat er te horen is, we hoeven niet alles te zien wat er te zien is en we hoeven niet alles te weten wat er te weten is. Wat duidelijk zondig is, moeten we te mijden. Denk niet dat u en jij nog tijd genoeg hebt. Jongelui, het leven gaat heel snel voorbij. Bedenk dat de Heere recht heeft ook op je jonge leven. Luister naar deze woorden: ‘Gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingschap.’ We hebben zo weinig tijd. We vliegen daarheen. De duivel wil ons voortjagen door dit leven zonder dat we tijd nemen voor het bezig zijn met de dingen van Gods Woord. We zijn zo druk met ons werk, met onze hobby’s, met de moderne media, met alles wat er te lezen, te zien en te horen valt, dat we voordat we het weten aan het einde van ons leven gekomen zijn. Laten we de tijd uitkopen. Laten we kwade samensprekingen zoveel mogelijk vermijden en goede samensprekingen zoeken.
Het woord ‘dwalen’ staat niet alleen in het Nieuwe Testament, we komen dit woord ook in het Oude Testament tegen. We lezen van koning Manasse dat hij het volk deed dwalen. Hij gaf aan het volk een verkeerd voorbeeld. Hij ging het volk voor in het dienen van de afgoden en in het vaak en zwaar overtreden van Gods geboden.
Waar gaan wij anderen in voor? Zoals wij geboren worden hebben wij de zonde lief. Dat geldt niet alleen van mensen die niet naar de kerk gaan, dat geldt ook van kerkmensen die het wonder van de wedergeboorte, de waarachtige bekering en het zaligmakende geloof niet kennen. Vanuit onszelf dienen we de afgoden van deze tijd: het geld, het genot, de zedeloosheid en het eigen ik. Vanuit onszelf zijn we overtreders van al de geboden van God. Het allereerste begin van de zonde is al zonde. Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gedaan. Dat heeft de Heere Jezus gezegd. Geven we een goed voorbeeld in ons leven of geven we een slecht voorbeeld aan anderen?
Wie de zonde aan de hand houdt, zal niet zalig worden. Wie beweert dat je zalig zult worden, ook al leef je in de zonde, verkondigt een dwaling. Paulus schrijft ook over dit dwalen in zijn eerste zendbrief aan de Korinthiërs. We lezen in 1 Kor. 6:10 ‘Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.’ Wie door de Levensvorst van dood levend wordt gemaakt, krijgt een andere manier van leven. Van een liefhebber van de zonde wordt hij immers een hater van de zonde.
Door genade is de levenswijze van Gods kinderen veranderd. Het leven in de zonde behoort tot het verleden. Het wonder van de levendmaking in het hart leidt tot het leven in dienst van de Heere. Daarover schrijft Paulus in 1 Kor. 6:11 ‘En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den Naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods.’ Ook in Romeinen 1:27 schrijft Paulus over dwaling in verband met de manier van leven. ‘En insgelijks ook de mannen nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangen.’ Wie dwaalt wordt misleid, wordt bedrogen is op een dwaalspoor gebracht.
In het Oude Testament was sprake van valse profeten. Zij deden het volk Israël dwalen. Zij gaven ondermeer voedsel aan een vals vertrouwen op de tempel en de offers die gebracht werden. Zij stelden het zo voor dat alles in orde was als je naar de tempel ging, als de voorgeschreven offers gebracht werden, als je besneden was, als je een nakomeling was van Abraham. Maar het was een grote dwaling. Uitwendige zaken behagen de Heere niet, het gaat om de besnijdenis van het hart, om wedergeboorte, waarachtige bekering en het zaligmakende geloof. Het is een grote dwaling in onze tijd als gesteld wordt dat kerkgang, Bijbellezen, bidden, gedoopt zijn, belijdenis des geloofs gedaan te hebben en aan het Avondmaal gaan voldoende zijn. De Heere Jezus zei niet tegen Nicodemus dat het wel in orde was met hem. De noodzaak van de wedergeboorte werd hem duidelijk voorgesteld. Ook vandaag geldt onverkort: ‘Voorwaar, voorwaar, zeg ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.’ Laat u niet misleiden, dwaalt niet op dit punt, dwaalt niet in deze zaak die beslissend is voor de eeuwigheid.
We lezen in Matth. 24 over de tekenen van het einde der wereld. In het vierde en vijfde vers staat: ‘En Jezus antwoordende zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u verleide. Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.’ In vers 11 staat: ‘En vele valse profeten zullen opstaan en zullen er velen verleiden.’ In vers 24 lezen we het volgende: ‘Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.’ Hebben we hier als het gaat over wonderheden bijvoorbeeld niet te denken aan genezingswonderen, waarmee meer de eigen eer en portemonnee dan Gods eer wordt bedoeld?
In 2 Petrus 2:1 lezen we het volgende: ‘En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende.’ Hier is sprake van dwaalleraars die  op een slinkse, aannemelijke manier proberen eigen opvattingen ingang te doen vinden. Het worden verderfelijke ketterijen genoemd omdat zij voortkomen uit een verdorven hart en tot het eeuwige verderf voeren.
Ernstige woorden lezen we ook in 2 Thess. 2: 10 en 11 ‘En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan, daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven.’ Hier zien we dat de Heere als een oordeel kan doen dwalen als straf op het ongelovig verwerpen van de waarheid. Wie de waarheid blijft verwerpen, stelt zich bloot aan het gevaar overgegeven te worden aan de dwaling. Anderzijds is de dwaling tot beproeving van Gods kinderen. Openbaring 12:2 prijst hen die de kwaden niet kunnen dragen. Dat houdt tegelijkertijd een veroordeling in van hen die de dwalingen wel verdragen.
Het wapen tegen dwalen en dwalingen is het Woord van God. Dat wapen heeft de Zaligmaker gehanteerd tijdens de verzoeking in de woestijn. Dat wapen dienen Gods kinderen ook vandaag te gebruiken. Uit heel het Woord van God blijkt dat een leven in de zonde niet kan samengaan met het dienen van de Heere, met de vreze Gods. Het is onmogelijk dat zij die door een waar geloof Christus zijn ingeplant niet zullen voortbrengen vruchten der dankbaarheid. De levendmaking blijkt in de levensvernieuwing.
In Gods goedheid en in de weg van Zijn voorzienigheid heeft de Heere ons belijdenisgeschriften gegeven. De belijdenis staat niet boven Gods Woord, is ook niet gelijk aan Gods Woord, maar is gegrond op Gods Woord, geput uit Gods Woord en gefundeerd in Gods Woord. Een goede samenvatting van de leer van Gods Woord wordt in de belijdenisgeschriften gegeven. Weten wij wat er in staat? Kennen wij de rijke inhoud? De belijdenisgeschriften zijn van grote waarde als het gaat over dwalingen die er in het verleden waren en ook nu nog aanwezig zijn. Het is gevaarlijk de belijdenisgeschriften te verwerpen. Dat maakt vatbaar voor allerlei dwalingen en misvattingen die er zijn.

3. De levensverwachting
De Levensvorst kreeg tijdens Zijn omwandeling op aarde te maken met strikvragen die Hem gesteld werden. In Matth. 22 lezen we van sadduceeën. Sadduceeën geloofden niet in een leven na dit leven. Zij geloofden niet in de opstanding der doden. Toch gingen zij daar de Zaligmaker een vraag over stellen. Zij haalden de bepaling van Mozes aan: als een getrouwde man sterft en bij zijn sterven blijft zijn vrouw alleen achter, zonder kinderen gekregen te hebben, dan heeft zijn broer de plicht met die vrouw te trouwen opdat het kind dat daaruit geboren zal worden zou gelden als het kind van die eerste man. Er was een vrouw die met zeven broers getrouwd was geweest. Die vrouw stierf zonder ooit een kind gehad te hebben. Bij welke man zal deze vrouw horen na de opstanding der doden? Dan zegt de Heere Jezus tot hen: ‘Gij dwaalt, niet wetende de Schriften noch de kracht Gods.’ Zij verstonden de Bijbel niet op de juiste manier en hadden niet het juiste begrip van de almacht van God. Na de opstanding is er geen huwelijk meer. En wat de opstanding betreft, waar de sadduceeën niet in geloofden, zegt de Zaligmaker dat God de God van Abraham, van Izak en van Jakob is. God is niet een God der doden, maar der levenden. Zo werd de dwaling van de sadduceeën aangaande de levensverwachting weerlegd.
Nu  waren er in Korinthe die zeiden: ‘Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.’ Dit waren mensen die dwaalden met betrekking tot de eeuwigheid. Zij hielden er geen rekening mee dat er na dit leven sprake zal zijn van de eeuwige zaligheid of van de eeuwige rampzaligheid. Zij meenden dat het met dit leven was afgelopen, zeker wat het lichaam betreft. Daarom wilden  zij naar het lichaam uit dit leven halen wat er uit te halen valt. Met de dood is het immers voor het lichaam afgelopen.
Door de zondeval staan wij open voor alle dwalingen. Ook voor de dwaling dat het met dit leven voorbij is. Velen zeggen in onze tijd dat er na de dood niets meer is. Dood is dood. Zij willen genieten van dit leven. ‘Pluk de dag’ is hun leus. Zij willen uit het leven halen wat eruit te halen is. De woorden: ‘Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij’ zijn hen uit het hart gegrepen. Hun leven bestaat uit uitgaan, feesten, plezier hebben en verre reizen maken. Wat is zo’n leven toch arm en leeg. Zo’n leven loopt uit op de eeuwige rampzaligheid.
Paulus en al Gods kinderen hebben een rijk en inhoudsvol leven. Paulus wist uit eigen ervaring wat vervolging was. Maar hij ondervond ook de nabijheid en de gunst van de Heere. Paulus beleefde: ‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht, en mijn hart wat mij moog’ treffen, tot den God mijns levens heffen.’ Paulus heeft samen met Silas in de gevangenis gezongen. Sterven betekende voor Paulus niet het einde. Sterven was voor hem een doorgang tot het eeuwige leven. Paulus zou van sterven beter worden. Naar de ziel zou Paulus op het moment van sterven immers de zonde helemaal en voorgoed kwijtraken. Dat zal een heel grote verandering zijn: nooit meer een zondige gedachte denken, nooit meer een zondige begeerte koesteren, nooit meer een zondig woord uitspreken, nooit meer een zondige daad verrichten! Verlangt u er weleens naar? Zie jij daar weleens naar uit?
Paulus kent eeuwigheidsverwachting. We lezen in 1 Kor. 15: 19 ‘Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.’ Christus zal Zijn belofte waarmaken: ‘Ik leef en gij zult leven.’ Leven niet alleen naar de ziel, maar ook leven naar het lichaam. Eeuwig leven. Het graf is niet het laatste voor het lichaam van Gods kinderen. Trouwens ook voor het lichaam van de goddelozen niet. Het graf is voor het lichaam van Gods kinderen een slaapkamer en een wachtkamer. Christus heeft het graf voor Zijn Kerk geheiligd. Christus is Zijn Kerk voorgegaan in het graf. Christus is opgestaan uit het graf. Al Gods kinderen zullen uit het graf uitgaan. De Levensvorst zal wederkomen op de wolken des hemels om te oordelen de levenden en de doden. Dan zullen alle graven geopend worden en de zee zal haar doden weergeven. De opstanding der doden zal werkelijkheid worden.
We lezen dat in 1 Kor. 15:42-45a ‘Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt.’ In de verzen 53 en 54 lezen we ‘Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden,dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.’
Het is een grote dwaling niet te rekenen met God en met de eeuwigheid. Dat gebeurt niet alleen in de wereld, dat is ook werkelijkheid in de kerk. Misschien wordt uw of jouw beeld nu wel getekend. Waar spreken jullie over op school of op het werk? Waar gaat het over op verjaardagen en recepties? Bij welke mensen voelt u zich thuis? Waar ben jij graag? Is dat bij mensen die veel spreken over allerlei zonden of is dat bij mensen die door genade de Heere mogen vrezen? Is er sprake van kwade samensprekingen?
Misschien denkt u of denk jij wel dat het spreken over zondige dingen geen kwaad kan. Maar zo is het niet. Het beïnvloedt het denken en het doen. Daarom schrijft Paulus in 1 Kor. 15:34 ‘Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet; want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.’ De woorden ‘waakt op rechtvaardiglijk’ zouden we ook als volgt kunnen weergeven: wordt nuchter, gebruik uw verstand. Kom in alle ernst tot ontnuchtering. Onthoud u van alles wat de zuivere bevatting van de waarheid kan belemmeren. De satan gaat rond als een briesende leeuw zoekende wie hij zou mogen verslinden. Daarom is nuchterheid en waken nodig.
‘Sommigen hebben de kennis van God niet.’ Dat betekent dat sommigen de juiste kennis van God niet hebben. Zij geloven niet dat God almachtig is. Zij leven alsof er geen oordeelsdag komt, alsof er geen eeuwigheid komt, alsof er geen opstanding der doden zal zijn. Zij kennen God niet met het hart. Het is noodzakelijk God op de juiste wijze te kennen om voor dwaling bewaard te worden of om van dwaling genezen te worden. Smeek om de ware kennis van God, de ware kennis van uzelf, de ware kennis van Christus en van de opstanding der doden. De Heere kan en wil het schenken op het gebed.
Wie denkt dat het met dit leven is afgelopen, dwaalt. Niet alleen de ziel zal eeuwig voortbestaan, ook het lichaam. Op de dag van de wederkomst zullen alle graven geopend worden, ook de graven van hen die God in dit leven niet gediend hebben. Ook hun ziel zal met hun lichaam verenigd worden. Maar dan zullen ziel en lichaam eeuwig Gods toorn moeten ondervinden. Dit geldt zelfs als het lichaam verbrand is. Ook dan zullen lichaam en ziel samengevoegd worden. Hoe zal het met onze ziel en met ons lichaam zijn in de eeuwigheid? Ga niet aan die vraag voorbij. Er zijn maar twee mogelijkheden: de eeuwige zaligheid of de eeuwige rampzaligheid.
Onbekeerden onder ons, de Heere komt nog tot u in de prediking. Als u de Heere nog niet dient klinkt in de prediking de eis: dient de Heere. De Heere meent het als Hij zegt dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze en zondaar, maar daarin dat hij zich bekere van zijn weg en leve. Zoek toch de Heere terwijl Hij te vinden is, roep Hem aan terwijl Hij nabij is. De grootste zondaar of zondares is welkom bij Hem. Wie tot Hem komt, zal geenszins worden uitgeworpen. Christus heeft dit Zelf gezegd: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Johannes 6:37). Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord, verhardt u niet, maar laat u leiden.
Gods kinderen hebben toekomst. Zou u er niet jaloers op worden? Het echte leven is het leven tot eer van God. Kinderen van God zijn in beginsel van dwaling genezen. Maar er is toch nog veel van het dwalen in hun hart overgebleven. Denk maar eens aan Psalm 119:176. Daar zegt Gods kind: ‘Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.’ Wie eigen zwakheid en dwaalziekte kent, blijft zover en zoveel mogelijk bij kwaad gezelschap vandaan. In het kwade gezelschap voelen Gods kinderen zich niet op hun gemak. Zij voelen zich thuis bij hen die de Heere mogen kennen, dienen en vrezen. Het leeft in het hart: ‘Ik ben een vriend, ik ben een metgezel, van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen, en leven naar Uw Goddelijk bevel.’ Zij lopen door genade met blijdschap het pad van Gods geboden. Dat is hier wel gebrekkig en onvolmaakt, maar eenmaal zal het volmaakt zijn. Het verderf van binnen zal dan tot in eeuwigheid tot het verleden behoren. De strijd met de satan, de wereld en het inwonende kwaad zal er niet meer zijn. Lichaam en ziel zullen eeuwig en volmaakt leven tot eer van God. De Heere zal eeuwig en volmaakt gekend, bemind en genoten worden. Dan is ten volle vervuld: ‘en gij zult leven.’
Amen.