Zondag 1. Vraag en antwoord 1

                                UW ENIGE TROOST ?!

                                           ZONDAG 1

                                     Vraag en antwoord 1

 

        Psalm   118 : 1

        Psalm   118 : 2

        Psalm   138 : 3,4

        Psalm     32 : 3

        Psalm     25 : 7

        Efeze        1

                                                            

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismus­on­der­wijs, vindt u in Efeze 1 : 5 - 9

 

Die ons te voren verordineerd heeft tot aanne­ming tot kinde­ren, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbeha­gen van Zijn wil.

Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begena­digd heeft in den Geliefde;

In Welken wij hebben de verlos­sing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade.

Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijs­heid en voorzich­tigheid;

Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voor­genomen had in Zich­zelven.

 

Wij willen dan vanavond beginnen met de catechis­mus, zondag 1 vraag en antwoord 1

 

1. Vr. Wat is uw enige troost, beide in het leven en ster­ven?

Antw. Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en ster­ven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligma­kers Jezus Chris­tus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen­lijk betaald en mij uit alle heer­schap­pij des duivels verlost heeft, en alzo be­waart, dat zonder den wil mijns hemel­sen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zalig­heid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heili­gen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voort­aan te leven van harte willig en bereid maakt.

 

Wel geliefde gemeente, sinds de reformatie is het al honderden jaren zo geweest, dat in de ene d­ienst, op de dag des Heeren, de verkondi­ging uit het Woord centraal zou staan en dat in de andere d­ienst, op de dag des Heeren, het leerele­ment meer op de voor­grond zou staan, het léérele­ment.

Zegt de Schrift zelf niet, zegt Petrus niet: 'Wast dan op, niet alleen in de genáde van onze Heere Jezus Chris­tus', "Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker" (2 Petr.3­:18). Want we moeten wel recht verstaan, dat kennis toch aan het geloof vooraf­gaat. Dat een zaak die niet gekend wordt, nóóit geloofd kan wor­den.

Wanneer we onbekend zijn met de Heere Jezus Christus, dan is het ook onmogelijk om in Zijn Naam te geloven tot zaligheid. Kennis is dus ook noodzakelijk. Maar de kennis niet alléén. De kennis moet geheiligd worden aan het hart. En waar die twee elementen samen­gaan: kennis en genade, waar die twee gaven samengaan, is het wel een dubbele gave.

Calvijn heeft gezegd van de kennis: "Het moet over­gaan.... in het hárt". Nu is het zo, wanneer de Schrift het woordje kennis ge­bruikt, dat de Schrift nooit be­doelt, wat wij onder kennen verstaan, namelijk ratio­neel, met het hoofd. Het woordje kennen, in de Schrif­tuurlijke zin, is altijd een zaak van het hart. Ik zou u daarvoor een kerntekst kunnen geven uit de Heilige Schrift, die wij al vinden, de eerste maal dat dat woordje kennen ge­bruikt wordt in de Schrift. Dan staat er namelijk in Genesis 4, 'Adam kénde Eva'. Dat is de wèrkelijke kennis van de Schrift, die altijd gepaard gaat met een omhelzen aan het hart.

En de reformatoren hebben goed verstaan dat er kennis nodig was. Dat er onderwijs nodig was. En dat het ook gegeven moest worden, niet alleen in de particuliere huizen, niet alleen op de scholen, maar ook in de ker­ken. Want waar de kennis ont­breekt.... Och, we lezen het in Hosea: "Mijn volk is uitgeroeid". Waarom? "Omdat het zonder kennis is" (Hos.­4:6). Daarom is de kennis noodzakelijk. Zo hebben we onze cate­chis­mus gekregen.

Enige tijd na de reformatie waren er in Nederland ver­schil­lende catechis­mussen in gebruik. Maar men heeft daar eenheid in ge­bracht, door op de synode van Dor­drecht, 1574 en 1618/1619 te besluiten de Heidelbergse Catechismus op de Nederlandse kansels te brengen, zodat er één zelfde catechis­mus zou zijn op àlle kansels. Dat is besloten in Gods voorzienig­heid.

Men heeft die Heidelbergse Catechismus weleens genoemd: 'het gulden boekske'. Het is een catechismus die ge­schreven is door gróte geleerden, mannen van naam. Maar weet u wat het heer­lijke is van de catechismus? Die geleerden van naam hebben niet geschreven als geleer­den, maar ze hebben geschre­ven als bekeerden. Ze hebben zéér pastoraal geschreven.

Ze hebben de catechismus gesteld in vraag en antwoord. Dat is de eenvoudigste manier om ons en onze kinderen te onder­wij­zen. Het is ook de eenvou­digste manier om te overhoren. Want de bedoeling van de catechis­mus is dat hij ook in de huiskamers aan de kinderen geleerd zou worden, dat hij in de scholen geleerd zou worden én in de ker­ken. Daarom is hij ook inge­deeld in 52 zondagsaf­delin­gen, opdat het werk op school, het werk in huis en het werk op de kansel parallel zou lopen. En opdat het onder­wijs in de catechis­mus ook gròndig zou zijn zodat er op den duur kennis zou komen, ook werkelijk aan de letter­lijke tekst van de vragen en antwoor­den van de catechismus.

De eerste zondag, daar is iets eigenaardigs mee. Want we lezen pas boven zondag 2: het eerste deel. Dat wil dus eigen­lijk zeg­gen dat zondag 1, vraag en antwoord 1 en 2 enigszins apart staan van de rest van de catechis­mus. In zondag 1 vindt u dus eigenlijk een samen­vatting, niet alleen van de heils­weldaden, maar ook van de drieënige God. Wat nader behandeld zal worden in de catechis­mus, bij de betref­fende hoofdstukken, wanneer het zal gaan over die heils­welda­den, wanneer het zal gaan over: God de Vader, wanneer het zal gaan over de Heere Jezus Christus en wan­neer het zal gaan over de Heilige Geest. Dit is dus als het ware een hoofdstuk dat vooruit­loopt op de inhoud van de gehele catechis­mus.

Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en ster­ven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volko­men­lijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder de wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

Nou, daar zit alles in, geliefde gemeente. We treffen daarin aan de heilsweldaden: rechtvaardigmaking, heiligmaking en heer­lijkma­king.

Heel belangrijk is ook, dat de catechismus twee dingen samen­bindt, die God Zelf op het allerhechtst aan elkaar verbonden heeft, name­lijk dit leven en het ster­ven, het lichaam en de ziel. Want wat is eigenlijk de zonde? Wat is eigenlijk de gevallen­heid van de mens? Dat is, dat er een geweldige disharmonie in het leven gekomen is, dat er een scheiding gekomen is tussen de ziel en het lichaam. Dat er een scheiding gekomen is tussen dit leven en na-dit-leven. Dat is door de zonde gekomen. De straf op de zonde is dan ook, dat de ziel van het lichaam geschei­den zal worden, en dat de eeuwigheid onderscheiden is van dit leven.

Wat is nu bekering? Dat zouden we zo kunnen zeggen in het licht van de catechismus, bekering is: dat het God nu be­haagt, dat wat verbroken is door de zonde, de band tussen dìt leven en de eeuwig­heid, de band tussen het lichaam en de ziel, dat God dat weer gaat herstel­len door genade. En als God dat níét gaat herstellen door genade, dan blijft de breuk: leven en sterven.

Dan is het ook in de praktijk van het leven zo, dat we zèlf een tegenstel­ling gaan maken en creëren. Dat we de kloof tussen ons leven en het sterven met de dag gróter maken. Dat we ook de kloof tussen lichaam en ziel met de dag groter maken.

Wat is het dan in veel levens eigen­lijk zo gesteld, dat we dit leven wel kunnen leven zonder God, maar als het eenmaal sterven zal worden, dat we dán gaarne en graag voor reke­ning van God zullen liggen. Maar niet eerder, dan wanneer de dood komt.

Er is een man geweest die was buitenge­woon vrijmoedig op dat punt en ik zal hem met name noemen, Augustinus heeft gezegd: "Heere, bekeer me, maar nu nog niet". Daar ziet u iets van de dódelijke breuk door de zonde, die er is tussen dìt leven en ons sterven.

Wat is onbekeerd zijn eigenlijk? We lezen in de Schrift dat de Heere Jezus zegt: "Zoekt eerst het Ko­ninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen (die aardse dingen) zullen u toege­worpen wor­den" (Matt.6:33). Wat komt dan de zonde, de gevallen­heid híérin open­baar, dat de mèns bezig is een scheiding te maken tussen díé dingen, die God samen­ge­voegd heeft. En wat is de mens in zijn goddeloos­heid bezig, om eerst al die andere dingen te zoeken en dan te hopen, dat bij zijn sterven het Ko­nink­rijk hem toegeworpen zal worden.

Wat is uw énige troost, beide in het leven en sterven? Als Gods Geest ons gaat ontdekken aan onze rampzalig­heid, dan gaan we gebukt, dan gaan we gekromd onder de eeuwigheid. Dan is de eerste zorg die ons leven binnen­treedt: hoe zal ik eenmaal getroost sterven? Weet u wat zo droevig is, als het nooit verder komt in ons leven dan de vraag: hoe zal ik ge­troost sterven?

Weet u wat het kenmerk is van waarachtige bekering? Dat door genade het leven en het sterven toch weer bij elkaar gebracht wordt. Wanneer de ontdekkingen van de Heilige Geest ook dóórgaan in onze levens, dan is het niet meer, dat we niet sterven kunnen, maar dan is het toch zo dat we ook niet meer leven kunnen. Dan leren we dat we niet alleen verlo­ren zullen gaan, maar dat we verloren zijn. De Heere Jezus heeft dat zo kernachtig gezegd: "Die niet in de Zoon gelooft, ìs alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft gelóófd in den Naam des eniggeboren Zoons van God" (Joh.3:18).       

Wat is uw énige troost in het leven en ster­ven? Och, wat is een ken­merk van de waarachtige bekering? Dat we niet alleen ràmp­zalig zijn buiten God, maar dat de Geest ons ook onderwijst, dat we zo àrm­zalig zijn, al in dit leven, wanneer we God moeten missen. Augusti­nus heeft het zo gezegd: "Onrustig is mijn hart, en mijn hart vindt geen rust, tot het rust vindt in U".

Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Troost, troost! Er zijn zoveel àndere dingen: tijdver­drijf, beuzelarij.

Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Het gaat eigenlijk vanzelf daarop aan. ­Troost, wat is troost? Dat veronderstelt een verdriet, dat veronder­stelt een gewèldig verlangen.

Wat is uw enige troost? Voor Gòds volk, in Jesaja's dagen, was God te missen en God niet te kunnen missen, het grootste verdriet. Zodat dan dat volk, waar God in werkt, aange­sproken wordt met: "Gij verdrukte, door onweder voortge­drevene, ongetrooste!" (Jes.­54:11).

Wat is uw enige tro­ost, beide in het leven en sterven? Als God iets van het Godsgemis in onze harten plant, geliefde gemeente, dan gaat het al niet eens meer om weldaden, dan gaat het om God Zelf. Dat is een heerlijke zaak. Waar God werkzaamhe­den schenkt, daar worden we werkzaam met de hele zaak. Daar worden we werkzaam met God Zelf. En dan is het antwoord, welke is uw enige troost? O, er kan maar één troost zijn: Gòd te bezitten, Gòd te hebben, in het leven reeds, niet pas bij het sterven. Waar het wèrkelijk Godsgemis is, kunnen we het ook in het leven niet meer uithouden buiten God. Ik lees daar iets van, in de Psalmen: "Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God" (Ps.42:2-3).

Dorst! U weet wel wat dorst is. Als er geen drinken op tafel komt, als er geen water komt voor de ziel, dan is dat de èrgste kwaal die we kunnen hebben: dorst. Want we kunnen dodelijk ziek zijn, en de andere dag vragen: hoe gaat het er mee? Dan is het mogelijk, dat de patiënt zegt: iets beter, dominee. Maar als we dorst hebben, als er dan geen drinken gekomen is en we vragen een dag daarna: hoe gaat het nu? Dan kan het alleen maar erger geworden zijn. Zo is het ook met het Godswerk in onze harten.

Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en het ster­ven.... Als we God nodig krijgen in onze levens, wanneer het werke­lijk ernst wordt in onze levens, dacht u dan echt dat we een spelletje gingen spelen in ons leven. Dat het dan nog wel dertig jaar kon wachten? Dat het dan nog twintig jaar kon wachten? Dat het dan nog tien jaar kon wachten? Wan­neer het werkelijk ernst wordt in onze levens, dan is het een crisis van hier en nu: "Wanneer zult Gij, mijn Bondsgod, tot mij komen?" (Ps.­ 101:2 ber.).

Leven en sterven. O, wanneer Gods Geest in ons werkt, dat heer­lijke werk naar Zijn welbehagen, dan kan het ook zo worden, dat we leren niet alleen niet te kunnen sterven zonder God, maar dat we ook niet kunnen leven zonder God. Dan zijn we het meest trieste schep­sel, het meest troosteloze schep­sel.                              

Twee dingen nog meer verbonden. Dat ik met lichaam en ziel­.... Niet alleen leven en sterven, maar ook dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en in sterven , niet mijn, maar mijns getrou­wen Zaligma­kers Jezus Christus eigen ben.

U hoort hier dus niet: Wat is uw enige tróós­t? Dat ik bekeerd ben. Wat is uw enige troost? Dat ik dit....  Wat is uw enige troost? Dat ik dat....  O nee. Er komt hier zo'n àllesom­vat­tend antwoord. Dat ik met lichaam en ziel....  En als dit wat verder uitgewerkt wordt in de catechismus, wordt er zelfs gesproken over: dit mijn vlees. Niet alleen mijn ziel, maar ook mijn vlees. Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Chris­tus eigen ben. Wat een heerlij­ke zaak. U voelt wel: het gaat hier om de vòlheid van doorleef­de genade bij de gelovige die dit antwoord mag geven.

Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligma­kers Jezus Christus eigen ben. Hoort dat lichaam er ook bij? Ja zeker. Kent u die psalm niet van dat Godsgemis? Waarin de psalm­dichter zegt: 'O God mijn ziel hijgt'. Natuur­lijk, maar ook: 'mijn lichaam hijgt' naar U, en dorst naar U, in een land, dat, dor en mat, van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen' (Ps 63:1 ber.).

Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en ster­ven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.

Van wie is een mens als hij nìet van Chris­tus Jezus is? Het klinkt mis­schien hard, ge­lief­de gemeen­te, maar als ik het eigendom van Christus Jezus niet ben, en u vraagt mij: van wie ben je eigen­lijk? Dan zeg ik: ten diepste van mijzelf. Dan zit het eigen ik op de troon. Dan ben ik verant­woordelijk voor mijzelf. En op de achtergrond staat het gewèld en de tyrannie van de duivel. Want denk erom, we worden geregeerd, we worden allen geregeerd. Wordt ons leven niet geregeerd, zodat God Koning is in ons leven, dan is het de duivel, die onze koning is.

Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen.... Ik zeg het iets ànders: Jezus Christus' eigendom ben.

Daar zit een beetje beeldspraak in. Er wordt hier ge­doeld op de slavernij. Er is een tijd geweest, dat de mens, naar het lichaam, verkocht werd als slaaf. Eigenlijk naar lichaam en ziel verkocht werd als slaaf. Onze kinderen kennen allemaal dat ontroerende boek, 'De negerhut van oom Tom' wel.

Zo is een mens van nature in de macht van de duivel. Daar is hij in gekomen door de zonde. Rechtens heeft de duivel recht op ons, dat is niet zomaar. Op rechtsgron­den heeft de duivel recht op ons. De Schrift, natuurlijk de Schrift zal het be­slissen, die vraagt, in Jesa­ja: "Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens recht­vaardi­gen ontkomen?" (Jes. 49:24). Hier wordt met die 'recht­vaardi­ge' de duivel be­doeld. Zo diep is de val. Zal nu die recht­vaardi­ge zijn vangst ontno­men worden? Die ons gevan­gen heeft in het para­dijs, die ons nu recht­vaar­dig beheerst in àl ons doen en laten. Die ons recht­vaardig beheerst in heel ons leven, die ons rechtvaar­dig be­heerst in het sterven. Die ons recht­vaardig be­heerst naar het lichaam. Die ons recht­vaardig beheerst naar de ziel. Dat ziet op de absolute sla­vernij, de absolu­te onderwor­pen­heid aan de duivel. Zodat de verwonderde vraag klinkt door de Schrift: is dáár nog doen aan? Misschien is het uw hartevraag wel: is er doen aan, dat ik daarvan verlost wordt? Zal de vangst van een recht­vaardi­ge ontno­men worden?

Dan is dit de boodschap, die eigenlijk ook hier in het eerste ant­woord verklaard ligt, dat de profeet mag juichen in Gods Naam: "Ja, de  gevan­genen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tirans zal ontkomen" (Jes 49:25). Want die tiran wordt rechtvaar­dig genoemd en die rechtvaar­dige wordt tiran ge­noemd; de vangst van die tiran zal hem ontnomen worden. Dan gaat het om deze zalige zaak, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is en dat Hij vrijge­kocht heeft uit de slaver­nij, uit de duisternis, uit de heer­schap­pij des satans. Dat Hij gekòcht heeft, niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed, een schare die niemand tellen kan, uit alle geslachten, natiën en volkeren.

Wat een heerlijke juichtoon zit hier in: Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, nu niet meer van mezelf ben, nu niet meer van de duivel ben, maar dat ik van Christus Jezus ben, Die met Zijn dier­baar bloed voor al mijn zonden volkómenlijk betaald, en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft.        

Wat dacht u, geliefde gemeente, wanneer men vroeger over de markt liep en men kocht een slaaf en men betaalde die slaaf, dan behoorde er zéker bij, dat ook de keten losgemaakt werd. Ga het na in uw leven, of u iets kent van de lósmakende kracht, de verlossen­de kracht uit de slavernij van de duivel, op grond van dat kostelijke bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden. Die losprijs die Hij betaald heeft tot een volkomen verzoening van zondaren.

Daar zit zo'n heerlijke gedachte achter dat beta­len. In onze menselij­ke oren horen we het geld al klin­ken, de gouden tientjes desnoods. Maar hoe is dat ge­weest? Hebben we er enige geloofsken­nis aan? Hebben we onze nieuwe Heere en Meester de prijs wel zien betalen? Jezus Christus in de hof van Gethsémané! Wat een waardij was er in de zweetdrop­pels van Jezus Chris­tus, die op de aarde nedervielen als grote druppels bloed. Dat zijn de gouden tientjes, met eerbied ge­spro­ken, waardoor Hij zondaren verlost en vrijgekocht heeft, uit de slavernij van de duivel. Maar Christus Jezus' eigen­dom gewor­den te zijn, dat betekent nu ook een nieuwe Heere te hebben, een nieuwe Meester te hebben.

De duivel maakte er wat van in mijn leven. En de duivel zal er in der eeuwig­heid wat van maken, wanneer we in zijn macht blijven, wanneer we ons niet bekeren, o zondaar. Maar als we in dienst gekomen zijn door de betaling, door de borgge­rechtigheid van Jezus Chris­tus, zijn we ook zodanig Zijn eigen­dom, dat die Meester, mijn Zaligma­ker wel zuinig op mijn ziel is en wel zuinig op mijn lichaam is, omdat Hij alles heeft moeten betalen, van mijn ziel niet alleen, lieve kind, maar ook van mijn lichaam. Iedere vezel van mijn be­staan heeft Hij moeten betalen met iedere vezel van Zijn bestaan, met druppels bloed, die op de aarde nedervielen.

Volkomenlijk staat er nog bij. Hij heeft zo volkomenlijk betaald en mij uit alle geweld des duivels verlost. Nu is Hij voortaan ook zo zuinig op mij, zo zuinig, dat er zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan. Want we worden door koping, door het bloed van Jezus Christus, niet alleen gereinigd, maar daardoor wordt ook het Vaderhart geo­pend, door datzelf­de bloed een Vaderhuis geo­pend. Nu is Jezus Christus zo zuinig op Zijn duurver­worven kerk, dat er zonder de wil van mijn hemel­se Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan.

Dan wordt er iets kleins genoemd: een haar van mijn hoofd. Om ons daarin duide­lijk te maken: dat als God nu zo zuinig is op de kerk, die door Jezus Christus gekocht is, in het klein, hoe dierbaar lief de Kerk dan wel verzorgd zal worden, door de hemelse Vader in het grote. Dan komt het hierop neer, dat, wanneer we door Jezus Chris­tus gekocht zijn, we zo onder de Vaderlijke voor­zienigheid lig­gen, dat er niet één haar van mijn hoofd vallen zal. Dat er ook in het graf geen stofje wegra­ken zal van de Kerk die door Jezus Christus betaald is. Maar dat het eenmaal hersteld zal worden tot lof en glorie van God. Zie het na in de eerste brief aan Korinthe: "Opdat God zij alles in allen" (1 Kor.15:28).

Wat een geweldig voorrecht, geliefde gemeente, om ge­kocht te zijn, om betaald te zijn, om ook werkelijk het eigendom te zijn van Jezus Chris­tus. Om zo bewaard te worden door de wil van mijn hemelse Vader, dat er geen haar van mijn hoofd vallen kan. En wat er dan wèl valle in ons leven, wat er dan wel verkeerd schijnt te zijn in ons leven, in de levens van Gods kinderen, dat moet tot onze zaligheid dienen. Zoals God Zelf gezegd heeft, in Zijn Woord heeft laten verkondigen, dat niet enkele dingen, maar dat: "Alle dingen moeten medewer­ken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (Rom.8:28).

Waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest.... O ja, waar het bloed van Jezus Christus geopenbaard wordt, geplengd wordt aan het hart, daar wordt ook het Vader­hart geopend. Maar waar het bloed van Jezus Chris­tus geplengd wordt en ge­sprengd wordt op onze harten en op onze zielen, daar worden we ook vervuld met Zijn Geest. (op een andere plaats zullen wij dat toelichten).

U zult dat telkens vinden in de catechismus: als er gespro­ken wordt over het bloed van Christus, wordt er ook gespro­ken over de Geest van Chris­tus. Want als je dan een nieuwe Meester gekre­gen hebt, op grond van bloed, een nieuwe Heere gekregen hebt op grond van bloed, dan komt er ook een nieuwe Geest in die kinderen, door de Heilige Geest, waardoor we verzekerd worden van het eeuwige leven. Waardoor we er weet van kunnen hebben, dat we gekocht zijn door Jezus Chris­tus. Er weet van hebben dat we in het Vaderhart zijn thuisgebracht, door de Heilige Geest, door het geloof. Zoals wij ook lezen in het eerste hoofdstuk van Efeze: "In Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld gewor­den met den Heiligen Geest der belof­te" (Ef.1:13). Zo maakt hier de catechismus duidelijk wat het betekent, verze­geld te zijn door vrije, soevereine gena­de. Verzekerd te zijn van het bloed van Jezus Christus; ver­zekerd te zijn, dat mijn lichaam gebor­gen is in God; verze­kerd te zijn, dat mijn ziel gebor­gen is in God; verze­kerd te zijn, dat mijn leven geborgen is in God; verze­kerd te zijn, dat mijn sterven gebor­gen is in God. Van het eeuwige leven verzekerd!

Maar dan ook een heerlijk uitvloeisel: waar nu die Geest des Heeren is, is die Geest des Heeren in ons niet alleen als verzekerende en verzegelende Geest, maar ook als Geest van waarachtige heiligma­king. Dan wordt het zo, wanneer wij er iets van kennen, van vrij­gekocht te zijn uit de wrede dienst­baarheid van de duivel, van een nieuwe Meester gekregen te hebben, een nieuwe Heere gekregen te hebben, dan wordt de vraag: "Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" (Hand.9:6).

Zo staat hier tenslotte de heiligmaking ook ver­klaard: Hem voort­aan te leven van harte willig en bereid maakt. Dan gaat het over deze zaak, geliefde gemeente, over deze heer­lijke zaak: hoe meer liefde we van Jezus Chris­tus mogen smaken in ons leven, hoe meer liefde we van Jezus Christus mogen smaken in onze har­ten, hoe meer liefde of het opwekt in onze harten. Er is een tijd in mijn leven geweest, dat ik gezegd heb: Heere, nu zal ik U eeuwig­lijk lief­hebben.

Als de Heere het verstand opklaart en we zien weer een nieuw aspect van Zijn liefde, een nieuw aspect van Zijn trouw, dan zeg ik: o Heere, ik moet U nog veel méér liefheb­ben, dan dat ik al dacht dat ik U moest liefheb­ben. Zo is het geloof. Zo is de troost, dat is liefde Gods, die uitge­stort is in onze harten, wat een heerlij­ke zaak! Hem te leven nu voortaan willig en bereid gemaakt te worden. Dat is de wáre heiligma­king, die zo gebrekkig is, dat Paulus klagen moet: "Als ik het goede wil doen, ligt het kwáde mij bij. Ik ellendig mens, wie zal mij verlos­sen uit het lichaam dezes doods?" (Rom.­7:21,24).

Maar tòch de wetenschap geborgen te zijn in Jezus Chris­tus. Dat is ook te weten, dat de heiligmaking vol­tooid zal worden in de heer­lijkma­king. "Wie zal ons scheiden van de liefde van Chris­tus?" (Rom.8:35). Overhe­den, machten, wat ook? Níéts, zegt Paulus tenslotte. Wij leven den Heere, wij sterven den Heere. Hetzij dat wij leven, we zijn Zijn eigendom, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, we sterven den Heere. "Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, we zijn des Heeren" (Rom.14:8).

Ik ben Zijn eigen­dom, zegt Paulus. Niet door goud of door zilver gekocht, maar door Zijn dierbaar bloed. Ook niet meer om mijzelf te dienen, maar om Gòd te dienen, om God lief te hebben, God Drie­nig, Vader, Zoon en Heiligen Geest, tot in der eeuwigheid. Opdat Gòd zij alles en in allen. En opdat niemand roeme. AMEN.