Zondag 2. Vraag en antwoord 3 - 4 - 5

                         VAN DES MENSEN ELLENDE

                                           ZONDAG 2

                               Vraag en antwoord 3, 4 en 5

 

        Psalm    25 : 3

        Psalm    25 : 4

        Psalm    19 : 1,2

        Psalm    38 : 6

        Psalm    86 : 6

        Romeinen    7

 

Onze  tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in Romeinen 7 : 7

 

Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij ver­re. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeer­lijk­heid niet gewe­ten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.

 

Voor vanavond het eerste deel, van des mensen ellendig­heid, zondag 2 en daarvan vraag en antwoord 3, 4 en 5

 

3. Vr. Waaruit kent gij uw ellende?

Antw. Uit de wet Gods.

4. Vr. Wat eist de wet Gods van ons?

Antw. Dat leert ons Christus in een hoofdsom, Matth. 22:37-40: Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het twee­de, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste lief­heb­ben als uzelven.­ Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.  

5. Vr. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

Antw. Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

 

Wel, geliefde gemeente, we hebben de twee voorafgaande zonda­gen de inleiding op de catechismus behandeld, zondag 1, vraag en ant­woord 1, van de enige troost. En vraag en antwoord 2, van de stukken die nodig zijn, van de zaken die nodig zijn, om in die zalige troost, in die voorge­stelde troost, te leven en te sterven. Drie stukken werden ons gewezen: noodzakelijk om gekend te worden. Drie zaken: noodza­kelijk om er iets van te leren.

In het vervolg van de catechismus komen die drie zaken, die ge­noemd zijn: hoe groot mijn zonde en ellende zijn, hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost worde, en hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn, aan de orde. Eerst in een hoofd­stuk: van des mensen ellen­dig­heid, daarna van de ver­los­sing, en tenslotte van de dank­baar­heid.

Van des mensen ellendigheid. Waaruit kent gij uw ellen­dig­heid? Het gaat vanavond over het kennen van onze ellen­dig­heid. Later zal de catechis­mus afdalen in de diepte van die ellendig­heid. Hoe diep die ellende, hoe diep de val van de mens wel is. In het vervolg zal de catechismus afdalen in de diepte van erfschuld en erfsmet. Dan zal de catechismus zo diep afda­len, dat onze doodstaat aangewezen wordt; onze doemschuld aange­wezen wordt.

We moeten heel goed bevatten waarover zondag 2 gaat. Over de kénnis van onze ellendigheid. Hoe wij aan die kennis gekomen zijn.

Het is belangrijk om ons daar vanavond in te verdiepen, want niet alle kennis van onze ellendigheid is zaligma­kend. We kunnen op zoveel verschillende manieren onze ellendigheid leren kennen. Ik kan wel een voorbeeld noemen: een poli­tiea­gent die veel met verkeers­slachtof­fers te maken heeft, huilt het van tijd tot tijd uit van de ellende, die hij heeft leren kennen. Een politie­agent zei eens: "Ja, dominee, zolang ik dit werk volhoud". Zoveel ellende komt er op de mens af.

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Ik zou haast zeggen: de mens heeft gezondigd en de catechismus noemt dit leven een jammerdal en ieder kent daar wel iets van. Maar het is niet in ieder zaligmakend. Daarom is het zo belangrijk om elkaar te vragen: waaruit kent gij uw ellendig­heid? Duizen­den kennen hun ellendigheid zo grondig en zo goed, dat ze zich inspuiten met verdovende middelen, om eventjes in een schijn­wereld te mogen verke­ren.

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Ieder mens heeft kennis aan ellende. Is het niet uit de wereld buiten hem om, dan is het zelfs nog uit het inwen­dige. Maar ook dàt hoeft niet altijd zaligmákend te zijn. Ik bedoel dit: ieder mens bestaat eigen­lijk uit twee persoonlijkheden. We hebben allemaal een twee­voudig "ik" in ons. Het ene, dat is het ideale ik. Het twee­de, dat is eigenlijk het empirische ik, dat is dus het ik, zoals het zich voor­doet in het dagelijkse leven. Het ideaal­beeld van mij­zelf en de werkelijkheid die klòpt niet. Wat daartussen ligt brengt ons tot een zekere ellende­ken­nis. Ook dat is niet zaligma­kend, dat ik uit het één of ander zou ontdek­ken, dat ik niet volmaakt ben, dat er iets niet klopt in mijn leven.

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. Het is zo nuttig dat we op de juiste wijze onze ellendigheid leren kennen.

Waaruit kent gij uw ellende? Dat is eigenlijk niet zomaar een vraag. Dat is eigenlijk een vraag van een kind van God. Want de mens der zonde, de mens die op zichzelf leeft, stelt deze vraag niet. Hellen­broek heeft gezegd: "Wat is de grootste ellende van de mens? Dat is, dat hij zijn ellende niet eens kent".

Waaruit kent gij uw ellende? Zo spreekt de cate­chismus. We kunnen onze ellende kennen, zonder de oor­zaak van onze ellende te kennen.

Als hier de catechismus vraagt: waaruit kent gij úw ellen­digheid, dan gaat het om dit soort ellendigheid, dat uit de zonde voortkomt. Dat is het eerste, dat we ervan kunnen zeggen.

In vraag 2 ging het over onze ellendigheid, en hoe ik van al mijn zónde en ellende verlost worde. Als er dan van­avond gevraagd wordt: waaruit kent gij uw ellende? Dan getuigt dat van de ontdek­king van de Heilige Geest, dat deze vraag zo gesteld wordt, in deze vorm: waaruit kent gij uw ellende? Want dat houdt in, als wij de voorgaan­de vraag en antwoord goed begrepen hebben, dat deze man, dat deze vrouw, dit kind erkent, dat de grootste ellende is: de zonde. Niet de gevolgen, maar de zonde. De oorzaak van onze ellen­digheid: de zonde. Zo gaat het dus ten diepste hierom, in de vraag: waaruit kent gij uw ellende? Dat is ten diep­ste de vraag, naar de kennis van de zonde. Waaruit kent gij die? Dat is heel belangrijk.

Dat lees ik al bij de eerste zondaren, Adam en Eva. Als zij de gevolgen gewaar worden, als zij zich schamen. Dan gaat ook de Heere Zelf vragen in onze harten, in onze gewetens: 'Waar­om vlucht gij voor Mijn aange­zicht weg?' 'We zijn naakt, Heere, en daarom verbergen wij ons.' En dan is het een heel belan­grijke vraag, ook in het bevin­delijke leven: "Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt?" (Gen.3:11). Het is heel belangrijk om ons af te vragen: wie heeft u te kennen gege­ven, dat gij ellendig zijt? Wie heeft u te kennen gegeven dat gij zondig zijt?

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods, is het ant­woord. Dat is geen vanzelfsprekend antwoord, gemeente. Alleen als wij werkelijk overtuigd zijn van onze totale verdorven­heid, dat de mens is: "rotten to the cornel", zoals men dat in het engels noemt, dat betekent: 'verrot tot op de bodem', dàn alleen kunnen we dit ant­woord geven: uit de wet Gods.

Als we dat niet hebben, als dat niet het geval is, dan zullen we altijd stranden in een ellendekennis, misschien noemen we het zelfs een zonde­kennis, die we uit onszelf opmaken, of uit iets buiten ons. Dan zal het altijd iets van die twee dingen zijn: wat ons gevoel zegt, of wat ons verstand zegt.

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Als het niet is uit het Woord, dan komt het op uit de mens zijn verstand dat verdor­ven is, of uit zijn gevoel dat verdorven is.

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Er is maar één ant­woord, dat kan bestaan voor Gods aangezicht: uit de wet Gods. Komt onze ellende­kennis uit het verstand, het is niet meer dan remon­strants. Dan zal het zich ook vleien met de natuurlijke geneigd­heid tot datgene wat goed is, en wat schoon is, en wat de mens denkt ingeschapen te hebben in zijn hart.

Waaruit kent gij uw ellendigheid? De gevoelsmens zegt, dat leert mij mijn geweten. De één zegt: ik ken mijzelf uit mijn natuurlij­ke zelfkennis. De ander zal mis­schien nog denken aan een boven­na­tuurlijke kracht, een bovennatuurlijke be­gaafdheid om zichzelf te kennen.

Er is maar één antwoord, en nu moeten wij het maar meteen bij de naam gaan noemen: er is een zaligmakende kennis van onze zonde en schuld, dat wil zeggen, door de Heilige Geest en door de wet, door het Woord gewerkt, en er is een algemene zondekennis, waar ieder mens wel wat van heeft. Paulus leert ons daarvan in de Romei­nenbrief iets ontroerends: dat ieder mens wel een bepaalde over­tuiging van de zonde heeft (Rom. 1:18-20). Dat is meteen de mens die het geweten met een brand­ij­zer toe­s­chroeit (Rom.1:21-22). Dat is meteen de mens die een welge­vallen heeft in de ongerechtig­heid (Rom.1:23-32).

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Het antwoord van de chris­ten moge zijn: uit de wet Gods. De waarachtige kennis van onze zonde is vrucht van de werking van de Heilige Geest, van het ontdekkende werk van de Heilige Geest. Dat kunnen we volop noemen: ont­dek­kende genade van de Heilige Geest. Buiten die ontdekkende genade van de Heili­ge Geest, Die altoos werkt met de wet, met het Woord, is er geen waarachti­ge zelfkennis, is er geen schuldkennis die voert naar God, hoe diep het ook moge gaan.

Ik heb bij de vorige catechismus behandeling gewezen op Ezau, Kain en meer andere personen uit de Heilige Schrift. Zij hadden een wanhopigma­kende kennis van hun zonde en van hun ellen­digheid, die niet tot God brengt, maar ons van God àf­voert.

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. Ons wáárlijk ellendig te kennen en meer nog, ons wáárlijk schuldig te kennen, schul­dig te worden, dat is niets minder dan een geloofszaak door de overtui­ging van de Heilige Geest in onze levens en in onze harten. Dat leert de natuur niet in ons en niet buiten ons.

Wanneer God ons gaat bewerken met Zijn heilige wet en met Zijn Heilig Woord, dan is dat niet iets wat door het verstand of door het gevoel wordt aangenomen. Dat kan alleen maar aangenomen worden door het geloof, door de waarachtige ontdekking van de Heilige Geest.

Dan gaat het hierom, dat we God leren kennen uit Zijn Woord, uit Zijn wet in de eisende kracht van de wet: gij zult! Dat God recht­vaardig eist in onze levens, dat er een recht­vaardi­ge eis in ons leven is. Dat God ons dusdanig opeist in al onze daden door de wet en door het Woord, dat God ons opeist dat we geheel en al Zijn Godde­lijke wil onderworpen zouden zijn. Het is een heerlijk voorrecht, geliefde gemeente, dat God Zijn wil openbaar maakt in Zijn Woord. Dat God Zijn heilige bedoelin­gen laat weten uit de wet. God laat Zich daarin kennen hoe Hij het wil hebben in onze levens, hoe we leven moeten.

Het is een groot voorrecht dat God ons niet blind in deze wereld gesteld heeft, niet doof, maar dat God het u nog wil laten weten. Dat de Heere u nog bekend maakt met Zijn heilige wil. Dat de Heere Zijn regels schenkt, waar de mens zich aan te houden heeft. Dat de Schep­per eist van Zijn schepsel dat we de wil van onze Schepper en For­meerder zullen aanvaar­den in onze levens.

Dan gaat het er ten diep­ste om, dat we onderwe­zen worden. Dat Hij het te zeggen heeft, dat Zijn Godde­lijke wil wet is in onze levens. In het openbare leven niet alleen, maar ook in het allerper­soon­lijkste leven van ieder mens.

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. Dat is een ge­loofs­stuk dat we door dat Woord, door die heilige wet onderwezen worden. Dan gaat het niet alleen om de tien woorden, maar dan gaat het om het gehele Woord, waarin God Zijn wil openbaart. Dat we eerst onze ellen­digheid eens zouden leren kennen. Dat is, dat we onze verdoe­melijkheid zouden leren kennen uit dat Woord, die wordt gekend uit de wet, uit de eis Gods, in Zijn Woord en nergens anders uit.

Dat leert het verstand niet. Dat leert het gevoel niet. God is zo heilig en God is zo rechtvaardig. Het gaat er maar niet om dat wij God zullen dienen naar onze eigen inzich­ten. Dat u het probeert op uw wijze en dat een ander probeert op zijn manier God te dienen. O nee, het gaat erom, dat we onder­wor­pen zullen worden aan God Zelf, dat de diepste bede van ons leven zal worden:

 

        Leer mij naar Uw wil te hand'len,

        'k Zal dan in Uw waarheid wand'len;

        Neig mij hart en voeg het saâm

        Tot de vrees van Uwen naam. (Psalm 86:6a)

 

Nee, Paulus zegt: "Want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet bege­ren".

En nu eens heel praktisch gemeente, God heeft tien geboden. De meeste mensen hebben wel gevoel voor een stuk of vijf, zes, zeven geboden, maar er is in ieders leven wel een gebod dat overtreden wordt. Op school geven we de leerlingen cijfers en nu is de mens zo'n ellendig schepsel, we denken dat het nog wel aardig gaat wanneer we een vijf, zes of zeven hebben.

Paulus, wanneer hij bij het eerste gebod kwam, dan kon hij zeggen: onberispelijk, van mijn jeugd aan. Het tweede gebod. Het derde gebod. Paulus had het héél ver gebracht. Paulus haalde wel een negen in Gods­vrucht... "Want ook had ik de begeer­lijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet bege­ren". O geliefde gemeente, wat spreken wij vaak een oordeel over onszelf uit, van: tamelijk, of het gaat nogal. Maar God oor­deelt: "Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle" (Jak.2:10).

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Paulus leert ons: niet uit mijn verstand, niet uit mijn gevoel, niet uit mijn geweten ben ik erachter gekomen, maar uit het Woord. Dat Woord moet onze levens ingaan, in zijn ontdekkende kracht, in zijn aanwijzende kracht waar de zonden zitten in onze levens. Want anders zullen we het zelf niet weten. Dan kunnen we gevàngen zitten in de grootste zonde, zonder dat we er zelf erg in hebben. Dat Woord moet het doen en de Heilige Geest moet het doen, zodat er geloof is in onze harten om onze hoofden te buigen onder de levende beschul­digingen van het Woord.

Dat wil zeggen, dat het ons aangewe­zen wordt tot in het diepst van ons hart. Kijk, ze zeggen wel eens: dat dierbare Woord. Ik zeg ook weleens, het is een kostelijk Woord. Maar laat ik u toch mogen zeggen: wan­neer dat Woord in Zijn ontdek­kende kracht komt in onze levens, o, dan is er een tijd geweest, dat ik het met goed fatsoen niet open durfde te doen, vanwege zijn beschul­digende kracht: "Gij zijt die man". We lezen van David in Psalm 51. David, schul­dig aan overspel, schuldig aan moord. David wist het zelf niet. De profeet Nathan gaat het schilde­ren. Wat zegt David? "De man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods"! (2 Sam.­12:5). Dan moet de Heilige Geest de vinger in ons leven priemen, moet zeggen: "Gij zijt die man!" (2 Sam.12:7).

Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods.

 

Wat eist de wet Gods van ons? Dat leert ons Christus in een hoofd­som, in een samen­vatting: Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw ver­stand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste lief­hebben als uzel­ven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profe­ten. Samen­vatting van de wet, een hoofdsom. Is dat om van­avond de zaak een beetje eenvoudiger te maken? Ik geloof het niet.

Weet u waar het om gaat? Als nu vanavond de cate­chismus gekomen was met tien geboden, dan waren we misschien toch nog weer met enige triomf naar huis gegaan. Misschien het eerste gebod, het tweede gebod, het derde gebod, het vierde gebod, het vijfde gebod, misschien wel zes, misschien wel zeven geboden onderhouden, of tamelijk onder­houden.

Maar nu vraagt de Heere niet of we geen moord begaan hebben, of ons leven gevrijwaard is gebleven van dief­stal, over­spel, enz. Nee, het gaat vanavond nog veel dieper. Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. Wat houdt die wet Gods in? Niet dat ik dit niet gedaan heb en dat niet gedaan zou heb­ben, maar er wordt gevraagd naar uw hart. Of gij God lief­hebt, of gij God liefhebt met gehéél uw hart?

Er wordt niet gevraagd of u de wet onderhouden hebt. Veron­derstel dat het mogelijk ware, dat u de wet had onder­hou­den. Veronder­stel: uw voeten waren gebonden geweest. Veron­derstel: uw handen waren gebon­den geweest. Veronderstel: uw hoofd geblokkeerd om te zondigen. U waart er nòg niet.

Wat eist de wet Gods van ons? Dat leert ons Mozes niet, maar dat leert ons Christus in een hoofdsom: Gij zult liefhebben den Heere uw God.

Hebt u uit liefde tot God nog nooit een moord begaan? Was het de liefde Gods, die u weerhield van die en die zonde? Of was het misschien gewoon, omdat u geen gelegen­heid had, of toen er gele­gen­heid was, geen genegenheid. Ons hart wordt onderzocht. De Heilige Geest en het geloof zijn nodig. Want er wordt niet gevraagd van ons: heb je het er tamelijk goed afge­bracht?  Er wordt ge­vraagd: hebt u het er volmaakt afge­bracht? Zo we daar al ja op zouden kùnnen zeggen, dan gaat de ontdekking nog die­per, die gaat vra­gen: is dat nu met hart en ziel gedaan? Hebt u God liefgehad? Niet met uw hart, maar met gehéél uw hart? Niet met uw ziel, maar ook met gehéél uw ziel? Hebt u het met uw ver­stand ge­daan, maar ook met gehéél uw verstand?

Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. De tien geboden, door Mozes gegeven. Misschien zouden we het nog als een ladder kunnen gebruiken van tien spor­ten. Om dan wel niet hele­maal ten hemel op te kunnen klimmen, maar in onze hovaardigheid toch een heel eind te gaan. Tot de zevende sport, een ander tot de achtste sport, een ander tot de negende sport.

Er is er één geweest, die getuig­de dat hij de negen sporten gehaald had, hij was er bijna! "Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle" (1 Kor.10:12). Het was Paulus. Hij wist niet dat er nog een tiende sport was. Niet begeren. Indien de wet niet had gezegd: "Gij zult niet begeren". O, toen is het leven van Paulus in elkaar gestort. Hoe is hij neerge­stort van de zelfge­maakte ladder. Hoe is hij neergestort van de hoogste trede. Chris­tus leert ons in een samenvat­ting dat de wet geen ladder is van tien sporten, die wij zouden kunnen betreden om daar­mede ten hemel te gaan.

Wat eist de wet Gods van ons? Dat leert ons Christus in een hoofd­som, het volmaakte: uw hart, uw ziel en uw verstand. Dat is het eerste en het grote gebod: God lief te hebben. Niet, eens een keertje staande gebleven te zijn in de ver­zoe­king. Maar staande gebleven te zijn, altijd, in de liefde. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.

Kunt gij dit dan houden? Dan gaat het er ook niet om, dat we zeggen: het gaat nogal. Het lukt me de ene keer iets beter dan de andere keer. Kunt gij dit alles volkomenlijk hou­den, wordt er ge­vraagd. Neen ik: want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Ik vraag weleens aan de catechisanten: is dat niet een beetje overdre­ven, om nu werkelijk te stellen, dat we van nature geneigd zijn God en mijn naaste te haten?

Ik zou het vanavond ook willen vragen aan u, geliefde gemeen­te: is dat nu niet een beetje overdreven? Om te belijden: neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten? Want ik zou zeggen: huichel nooit hoor. Huichel nooit in uw belijdenissen voor God. Wees altijd eerlijk.

Als we dan belijden: neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten, dan zal die belij­denis toch uit de ernst en uit het diepst van ons hart uitgesproken moeten worden. Is het wel zo erg? Over­drijft de catechismus nou niet? Is er in deze wereld dan geen liefde? Is er in deze wereld dan geen goeds? Wel gemeente, dat komt omdat de zonde nog niet ganselijk door­breekt, omdat de mens zich nog niet totaal uitleeft tegen God en tegen zijn naaste. Dat is niet de verdien­ste van de mens zelf.

Deze wereld wordt beheerst, is het niet door de bijzondere genade die God aan zijn kinde­ren s­chenkt, dan wel door de algemene genade die God aan deze wereld schenkt. Opdat deze wereld nog leefbaar zou zijn. Want wanneer er ganselijk geen genade zou zijn, niet de bijzondere genade Gods, ook niet meer de algemene genade Gods in deze wereld, dan was deze wereld, inderdaad, de hel ge­lijk. Het zou een hel op aarde worden. We worden het gewaar: niet alleen de bijzondere genade is schaar­s, het is ook alsof meer en meer de algemene genade in dit leven gaat wijken. Zo wordt het meer en meer zichtbaar, dat we van nature ge­neigd zijn God te haten, maar ook van nature geneigd zijn onze naaste te haten.

Als de algemene genade geheel zou wijken uit deze wereld, dan zou zij los geslagen raken uit haar voegen. Dan zou deze wereld ganse­lijk een hel worden, een anti-Goddelijke wereld. We lezen daar ook van in de Openba­ring. Wanneer de algemene genade terug­trekt uit deze wereld. De algemene genade, dat wil zeggen de breidel en de toom, waardoor God de goddeloze nog bestuurt en inhoudt. Als de Heere deze wereld aan zich­zelf zou overgeven gaat de ongerechtig­heid vermenig­vuldigen, dan krijgt de ongerechtigheid de overhand over deze wereld. Dan wordt deze wereld weer 'woest en ledig', zoals we lezen in het eerste hoofdstuk van Genesis, wan­neer de algemene genade gaat wijken. Ik geloof niet eens, dat ik dat duidelijk behoef te maken, want de algeme­ne genade ìs aan het wijken in deze wereld.

We zien aan alle kanten wat er ge­beurt, hoe vrese­lijk wij afglijden met z'n allen, als de algemene genade gaat wijken. Dat zonde, moord en dood­slag, ik bedoel de abortus, met duizenden tege­lijk plaats heeft in ons land. Stel u er niet te veel van voor. We zijn niet alleen geneigd, maar we zijn ook in staat om God en onze naaste te haten. We zouden goddeloos worden, ook in de uitle­ving, wanneer de Heere ons niet zou weerhou­den in Zijn alge­mene genade. Wan­neer alle remmen los zouden zijn, dan zouden we inderdaad God en onze naaste haten, op een vreselijke manier!

Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods. En wat is nu de bedoeling van die wet Gods? Dat we zouden wanhopen aan onszelf, dat we door onze knieën zakken vanavond. Dat we van net mens, nu eindelijk eens beseffen, dat het best waar kan zijn, dat we op de zesde, op de zevende, op de achtste of op de negende sport van de ladder der wet naar de hemel staan, maar dat het niet gaat om een wet van tien geboden, maar dat het gaat om de hoofdsom: hebben we God lief met ons ganse hart, met onze ganse ziel, met ons ganse verstand? En zo niet, geliefde gemeente, dan zijn we voor eeuwig verloren, verdoemelijk, als we geen Plaatsbe­kleder hebben, Die voor ons en in onze plaats het er zó af kan bren­gen, als God het Zelf eist. Wanneer we geen Plaats­bekleder hebben, Die God liefheeft, met geheel Zijn hart, met geheel Zijn ziel en met geheel Zijn verstand en de naaste als Zichzelf, dan kunnen we nooit voor God verschijnen. Zelf hebben we het niet ìn ons.

Ik hoop dat u het begrepen hebt. Maar ik hoop ook dat u al iets ziet schemeren van het Evange­lie, dat er Eén is, Eén geweest is in deze wereld, maar dan ook maar Eén, anders geen! Dat er Eén geweest is, Die zo volmaakt de Vader liefge­had heeft, met Zijn hart, met Zijn ziel, met Zijn ver­stand en met geheel Zijn kracht. Die zo volmaakt zonda­ren liefge­had heeft - Jezus Christus - dat Hij ge­storven is aan het kruis. Dat er alleen van Hem geschreven is: "Zie ik kom, o Mijn God". Besef het goed, geliefde ge­meen­te, dat er maar Eén was. "Toen zeide ik: Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van mij geschre­ven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns inge­wands" (Ps.40:8-9).

Waaruit kent gij uw ellende? Wat eist de wet Gods van ons? Niet alleen een uiterlijke betrachting, maar wat ge­schreven is in Psalm 40. Wat alleen in Jezus Christus was: "In de rol des boeks is van mij geschre­ven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands".

Plaatsbekleder, Borg, Middelaar voor zondaren. Het doel van de wet is, dat het zou zijn in onze levens: een tucht­meester tot Christus. Dan is die wet, dat harde wetswoord van: gij zult! een tuchtmeester, zodat we, wanhopen­de aan ons­zelf, hopende gemaakt zouden worden op Jezus Christus, de Enig Gehoorzame voor de Vader. En ik zeg weer die kostba­re tekst, die Enige: "Die, hoewel Hij de Zoon was, noch­tans gehoorzaam­heid geleerd heeft, uit he­t­geen Hij heeft geleden. En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwi­ge zaligheid geworden;" (Hebr. 5:8-9), o zalige zaak!

Wat eist de wet Gods van ons? Het geloof in God, in Jezus Christus! Door het geloof krijgt, het God lief te hebben met zijn gehele hart, in een zondaar gestalte. Het God lief­hebben in Jezus Christus met geheel zijn ziel. Het God lief­hebben in Jezus Christus met zijn gehele verstand, en de naaste als zichzelf. Zo krijgt gestalte wat de wet niet volbrengen kan, wat in het werkver­bond niet meer te halen is. Het komt voort uit het genade­verbond, door het allerdier­baarste geloof in de Heere Jezus Christus. AMEN.