Zondag 3. Vraag en antwoord 6

                                           ZONDAG 3

                                     Vraag en antwoord 6

 

        Psalm   48  : 4

        Psalm   25  : 4

        Psalm   51  : 3,4

        Psalm   51  : 8

        Psalm   73  : 1

        Genesis  1

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonder­wijs, vindt u in Genesis 1 : 26 - 27

 

En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschap­pij hebben over de vissen der zee, en over het gevo­gel­te des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedier­te, dat op de aarde kruipt.

En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.

 

Zondag 3, vraag en antwoord 6

 

6. Vr. Heeft dan God den mens alzo boos en ver­keerd ge­scha­pen?

Antw. Neen Hij; maar God heeft de mens goed en naar Zijn even­beeld geschapen, dat is in ware gerech­tigheid en heilig­heid, opdat hij God zijn Schep­per recht kennen, Hem van harte lief­hebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.  

 

Geliefde gemeente, het was wel keihard wat er van de mens gezegd werd in de vorige zondagsafdeling. Namelijk dat de mens.... O nee, nog scher­per, dat u.... Nee, nog veel scher­per! Neen ìk; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Dat was het ant­woord van die godvre­zende man uit de catechismus. Neen ik. Er werd dus niet naar een ander gewezen. Maar net als David: "Ik heb gezon­digd, ik heb gedaan wat kwaad is in Uwe ogen, dies ben ik HEERE Uw gramschap waar­dig" (Ps. 51). Zo ook, neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

Vanavond een vraag. Het zou een goddeloze vraag kunnen zijn, maar dezelfde vraag kan ook een godvruchtige vraag zijn. Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd ge­scha­pen? Boos en verkeerd geschapen? Het zou de vraag kunnen zijn van een goddelo­ze, het kan ook een vraag van een godvrezende zijn. Als dan God de Schepper is van de mens, het gaat van­avond over de hoogste verantwoor­delijk­heid, als dan God de Schepper is van de mens, is God daar dan Zèlf niet verantwoordelijk voor? Die godde­loze vraag heeft mijn hart weleens gesteld. Het is weleens in me opgekomen: 'Kan ik het helpen, dat ik ben die ik ben? Dat ik dan zo'n onge­lukkig schepsel ben, dat ik geneigd ben God en mijn naaste te haten!' Het is in mijn hart weleens opgeklommen toen ik de beschuldi­gingen las uit dat Woord. Is het bij u ook weleens opgeko­men? Ik heb ook weleens horen zeggen: "Ik heb toch immers mezelf niet gemaakt?" Wat een goddeloosheid kan erin zijn. Wat wordt er gespot met de schep­ping en de zondeval. Ik dacht dat een mens nauwe­lijks goddelozer kon zijn, dan wanneer we zó bezig zijn met God te twisten, ten diepste.

Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen? O, als mijn ziel die vraag stelt, vanuit een goddeloos begin­sel, dan ligt er eigenlijk ook wel een antwoord in. Ja, dan beschul­digt mijn ziel ten diepste God, dat Hij mij gescha­pen heeft als zo'n buiten­gewoon ongelukkig schepsel.

Zo vraagt de catechismus het niet. De leerling van de catechismus stelt deze vraag niet goddeloos, maar god­vruch­tig. Vanavond komt deze vraag godvruchtig aan de orde. Maar hoeveel keer gebeurt het dan toch maar, hoe dikwijls horen we het dan toch maar, niet in ons eigen hart alleen, dat de schuldvraag gesteld wordt, dat ten diepste de mens bezig is om God te beschuldigen: 'Zo hebt Gij mij immers gemaakt! En waarom, o God, eist Gij, waarom eist Gij van mij, wat ik niet doen kan?'

O, het kan zover gaan in de goddeloos­heid, en beware de Heere ons daar­voor, dat de zondige mens zich gaat ver­schuilen achter de raad Gods. Dat we ons in onze godde­loosheid gaan beroepen op de almacht Gods. Het kan zover gaan, dat we ons verschuilen achter Gods raad, en dat we zelfs in onze zonde en in onze goddeloos­heid en in dat van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten, de schuld schuiven op God, de Al­machtige. Wanneer we dan geloven dat Hij de Alles-Mach­tige is, en dat van Hem de raad is. O, het is niet vr­eemd, ik ben het in mijn eigen hart tegengekomen, ik ben het ook tegenge­komen in de Schrift. En ik vraag het u: bent u het in uw eigen leven tegengekomen? 

Wanneer de diepte van de mens, de diepte van de val, de diepte van zijn goddeloosheid beschreven wordt in Romei­nen 9, waar er gespro­ken wordt, over de wil van God. "Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil weder­staan?" (Rom. 9:19). We kunnen ons zo vroom verbergen achter Gods wil. Wat heeft God nog te klagen over een schepsel dat Hij gescha­pen heeft? Maar toch, o mens, toch, o goddeloze mens, die wil graven in de verborgenheid Gods en het eigen godde­loze hart voor­bij­gaat, die God aan­wijst als auteur van de zonde. "Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt?" (Rom.9:20).

Het is niet vreemd, als we waarlijk ongelukkig gaan worden in ons leven. Het is zo vreemd niet, als het tot ons door gaat dringen wie we geworden zijn door de zonde. Het is niet vreemd, dat het van God vervreemde hart dan gaat vragen: Waarom hebt Gij ons alzo gemaakt? En toch: "Wie zijt gij, o mens, die tegen God antw­o­ordt". Is het waar? Heeft dan God den mens alzo boos en verdor­ven gescha­pen? Zo boos en zo verdorven, als ik het leer uit mijn eigen hart, zo boos en verdorven, als ik ook zie aan de vruchten uit andere levens! Zo boos en ver­dorven, zo verkeerd als ik lees uit Gods Woord.

Heeft dan God den mens alzo boos en ver­keerd gescha­pen? Neen Hij. O, bitter­heid van de zonde, o, bitterheid van de val! Juist wan­neer de Schrift ons brengt, wanneer de Geest ons leidt in het para­dijs. Als God ons door Zijn Geest gaat onderwij­zen, nadat we eerst iets geleerd hebben, gelief­de gemeente, wie we zijn. En we worden dan door Gods Geest onderwezen, wie we hadden kúnnen zijn: schepse­len, beelddragers Gods, naar Gods beeld en naar Zijn gelijke­nis geschapen. Ik denk, dat we dan pas ècht ongelukkig gaan worden in ons leven, wanneer we zo eens in het paradijs worden ingeleid door de Heilige Geest.

En God zeide: "Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis: en God schiep den mens naar Zijn beeld, en naar Zijn gelijke­nis". Dat is, in ware kennis, gerechtigheid en heilig­heid. Ik heb er niet in één preek, maar in verschillende preken, aandacht op willen vestigen omdat dat zo be­lang­rijk is. God schiep de mens naar Zijn beeld en naar Zijn gelij­ke­nis. En dan komt dat uit in dat drie­voudige ambt: profeet, priester en koning te zijn voor Gods aange­zicht, en in de drie deugden daarvan: kennis, gerechtig­heid en heiligheid.

Maar laat ik dan vanavond de diepe ach­tergrond daarvan enigs­zins mogen toelichten. Dat is dit: Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen? Laat ik dat zó mogen zeggen, met mijn eigen woorden: neen Hij. Maar de schep­ping is geweest naar Gods beeld en naar Gods gelij­kenis. Dat God als het ware overliep van goedheid, van liefde, van barmhartig­heid, van lank­moe­digheid, zodat Hij het schep­sel schiep naar Zijn beeld en naar Zijn gelijke­nis. Laat ik dan dit mogen zeggen van de heerlij­ke schep­ping en in het bijzonder van de schepping van de mens: het is alles liefde ge­weest, dat God ging scheppen en dat Hij ging scheppen naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Dat houdt in: God was zo goed, en wat God nu gaat scheppen, dat lijkt op Hem.

Ik wil er de aandacht op vestigen, dat het de hele schep­­­ping is, die Gods lof en Gods eer bezingt, maar wel in het bijzonder de mens! God heeft de hemel, Hij heeft alles geschapen door Zijn spreken, door het Woord van Zijn mond. We lezen dat Hij de mens vorm­de/formeerde en dat Hij de vrouw bouwde naar Zijn beeld en naar Zijn gelij­kenis. Weet u, wat dat inhoudt, geliefde gemeente? Wan­neer de hoge God zegt: "Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, en naar Onze gelijkenis", dan wil dat zeggen, dat God iets van Zijn goedheid en van Zijn gaaf­heid en van Zijn volmaaktheid wegge­schonken heeft in het schep­sel, zoals we geschapen waren in het paradijs. Dat God de oneindig Kennende was, dat God de Alrecht­vaardige was, dat God de Alheilige was en dat Hij daarvan iets heeft medegedeeld aan de mens. Daarom staat er ook zo heerlijk: "En God zag al wat Hij gemaakt had". God zag in het bijzonder die mens: "En ziet, het was zeer goed" (Gen.1:31), het leek op Hem.

Zoals iedere schepper.... En nu bedoel ik niet het abso­lute scheppen, maar zoals we ook menselijk spreken van scheppen­de kunst, hetzij de beeld­houwkunst, hetzij de schilderkunst, zoals ieder iets uitbeeldt van zichzelf, (het is maar een zwak beeld), zo is, wat tot stand geko­men is in de schepping, de mens, een afspiege­ling van God. Welis­waar is de mens niet zo hoog, maar weet u, zo'n klein diamantje is net zo ècht een diamant als zo'n hele grote. Begrijpt u het beeld? Zo heeft God iets van Zijn echtheid en van Zijn gaafheid en van Zijn vol­maakt­heid meegedeeld aan de mens en dat is zo goed. De Heere zag wat hij gemaakt had en dat was zo goed, dat de mens beelddra­ger Gods was. Dat betekent: het leek op God. Adam leek op God, Eva leek op God, zoals je nog aan een kind kunt zien dat het lijkt op zijn vader, dat het lijkt op zijn moeder. Zo leek de mens op God, naar zijn inner­lijke kwaliteiten.

Zo lezen we ten volle, en dat is maar geen beeldspraak, maar de volle werke­lijk­heid geweest, wat we lezen in het geslachtsregister in het Nieuwe Testa­ment, dat Adam genoemd wordt: "Adam, den zoon van God" (Luk 3:38). Dat betekent maar niet alleen een schepsel te zijn, dat bete­kent niet alleen een hoogge­plaatst, een zeer hoogge­plaatst schepsel te zijn. Adam, de zoon van God, dat betekende dan ook werkelijk: God had Zich niet alleen een mens, God had Zich kinderen ge­schapen in deze we­reld, in ware gerech­tigheid en hei­lig­heid. En met welk doel? Opdat de Vader Vader zou zijn en opdat het kind kind zou zijn. En dan voelt u wel aan met welk doel? Opdat God Zich zou ver­lustigen in Zijn schep­sel en opdat het schepsel zich zou verlustigen in zijn God. Opdat hij God zijn Schep­per recht kennen, Hem van harte liefheb­ben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

Heeft God de mens alzo boos en verkeerd geschapen? O, wat is de mens goed geschapen, gemeente, naar Gods beeld en naar Gods gelijkenis. Het is weleens goed om van­avond in de hof te vertoeven, om de mens eens te zien in de staat der rechtheid. Het gebeurt maar al te vaak, dat wij onze levens aan elkaar afmeten, dat we de onvol­maaktheid aan de onvolmaakt­heid afmeten. Maar wat kan het goed zijn, wat kan het vernederend goed zijn, om eens geconfronteerd te worden met de staat der recht­heid. Wij, vanuit onze staat der slecht­heid!

God heeft Zijn gaven geschonken, en ziet, het was zeer goed. God schenkt al Zijn gaven met een doel, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefheb­ben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen, om Hem van harte lief te hebben.

Dan wil dat zeggen, dat het eigenlijk zo had moeten zijn, zoals we lezen: "Henoch wandelde met God" (Gen.­5:22). Zoals we ook lezen van Noach: "Noach wandelde met God" (Gen.6:9). O, hoeveel te meer had nu ieder schep­sel, ieder gescha­pen mens moeten wandelen met God. Het gaat om een harmonie, om een Goddelijke harmonie. Als God, Die toch al volza­lig was in Zichzelf, ook toen Hij nog geen schepselen geschapen had, zegt: "Laat Ons mensen maken naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis", dan staan we voor een onbegrepen wonder. Ik heb me weleens afge­vraagd: waarom Heere, waarom hebt u mensen gescha­pen? Ik geloof dat dit het antwoord is: de vol­maakte liefde Gods. Johannes schrijft: "God is lief­de" (1 Joh.­4:8,16).

Als ik dan van die schepping lees, dat God zegt: "Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld en naar Onze gelij­kenis", dan was dat in zichzelf, niet nodig geweest, dat God mensen zou schep­pen. Net zoals het niet nodig is, niet persé nodig is, dat een tafel vol met gasten is. Maar het was liefde van God, liefde zoekt altijd een uit­weg, liefde zoekt altijd iets om te omhel­zen. Liefde is zo abstract als ik weet niet wat. Maar juist, het wordt zo concreet, lief­de: een kloppend hart, een warm hart, een hart dat lief kan hebben. Ik bedoel het hart van God, ik bedoel het enigs­zins beeld­sprakig te zeg­gen, het hart van God, dat lief­heb­bende hart gaat zich concretiseren in het schep­pen van mensen.

Het was Zijn welbehagen en dan zijn wij uitgerede­neerd. Het was Zijn liefde, Zijn liefde om een kerk te schep­pen, om mensen te scheppen, die Hem wederkerig zouden lief­hebben. Hij zou Zijn schepsel liefhebben en Zijn schep­sel Hem, dat was de bedoe­ling. Het gaat om een onbegre­pen liefde van God, Die zoveel liefde heeft in Zichzelf. De drie­nige God, Die zo volzalig is in Zichzelf, dat het een liefde­besluit is en een liefdedaad, vanuit de hartelijke liefde: "Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld en naar Onze gelijke­nis".

God had het voor Zichzelf niet nodig, maar het is het onbegrepen welbe­hagen, de liefde Gods, dat God Zijn liefde wilde gaan delen. Dat Hij schepselen ging maken, om er iets van uit te delen, zodat er een bepaalde part­nerschap zou zijn in deze wereld. Dat God Zichzelf kwijt zou kunnen aan mensen, aan mensen in de staat der recht­heid, aan Adam en Eva. En laat ik de sprong mogen maken naar onze gevallen­heid. Er is nog niets veranderd, en in Bethlehem is er gezon­gen: "Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbeha­gen" (Luk 2:14). Heerlijk scheppingsdoel, dat God Zijn liefde mee gaat delen aan Zijn schepsel.

Heeft God dan de mens alzo boos en verkeerd geschapen? O nee, God heeft de mens geschapen uit liefde en om lief te hebben. O, dan vraagt soms een catechisant: maar was de schepping dan toch goed? Iets gescha­pen te hebben, dat ook vallen kon? U kent allemaal dat flauwe voor­beeld. Het is mijn bedoe­ling niet om flauwe voorbeelden op de kansel te bren­gen. Maar het is wel mijn bedoeling om de zaak heel duidelijk te bren­gen, de dingen eerlijk onder ogen te zien. Ze hebben mij weleens ge­vraagd: is dat een timmerman, die een stoel maakt, waar je door­zakt? O gemeente, dan zijn we zo vreselijk godde­loos bezig. Wanneer we iets ervan besef­fen dat de schep­ping van mensen, van God uit, liefde was, besef dan ook, dat liefde altijd vrij is!

Hier is geen redelijk antwoord op te geven, op dit waarom van de schep­ping, op het waarom van de val. Maar er kan nog wel iets van gezegd worden, namelijk dit, dat God geen stokken en blokken geschapen heeft, die alleen maar konden liefhebben. Liefhebben kan alleen maar vrijwillig zijn, gemeente. Als de Heere zulke schepsels geschapen had, met eerbied gesproken, die alleen maar lief konden hebben, niet anders konden dan liefhebben, dan was de liefde ook niet waard, wat nu de liefde waard is. Daar gaat het om. God is liefde en God vraagt liefde van Zijn schep­sel. God heeft het in de schepping niet opgelegd, maar ge­vraagd, gevraagd, zoals God het nog vraagt: "Mijn zoon, Mijn dochter geef Mij uw hart" (Spr. 23:26). Heb Me lief! God heeft geen robotten geschapen. God heeft schepse­len geschapen, waaraan Hij een vraag kon stel­len: heb Mij lief met geheel uw hart.

Heeft God de mens dan zo boos en verkeerd geschapen? Neen, God heeft de mens het vermogen gegeven, in het paradijs (ik heb het nu niet over de vrije wil, na de val). In het paradijs heeft God de mens geschapen, om Hem vrijwillig lief te hebben. Want als de liefde niet vrijwil­lig is, dan is het ganse­lijk geen liefde meer. Dan zouden we robots zijn, dan zouden we námaak-mensen zijn. God is liefde. God is de eeuwig Vrije en God vroeg voor de val, wat God ook nù nog vraagt: de vrije liefde van ons hart. God heeft de mens zo goed gescha­pen, dat hij God kón liefhebben, maar de mens is zèlf geval­len.

Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen, dat hij van nature geneigd is God en zijn naaste te haten? Neen, God heeft de mens goed geschapen, maar Adam is geval­len en ik met hem. En dan loopt het daarop uit, we zullen het voor vanavond hier maar bij houden, ge­meente, dan loopt het daarop uit, in die volgende vra­gen, in die vol­gende ant­woorden, dat de mens van de levensstaat in de doodstaat terechtgekomen is, door de val. Dat de mens door de val van Adam, van de levens­staat in de doodstaat, van de liefdestaat in de haat­staat is terechtgekomen. Wat is het soms moeilijk te verwer­ken: dat werkver­bond, de gevallenheid van de mens.

Maar laat ik het toe mogen passen. We hebben onderwijs nodig van God en van de Heilige Geest. Niet alleen wat we nu zijn, maar ook wat we geweest zijn. Dat we iets van het werkverbond zouden leren kennen, dat we eerst eens het werk­verbond zouden leren bewenen, opdat we het genadeverbond zouden leren prijzen.

Er is een ramp ge­beurd in de hof. Het werkverbond, inderdaad, het is verbro­ken, het ligt verbroken in Adam. Maar er is iets in de plaats gekomen wat veel treffe­lijker is dan het werkver­bond. Alle godde­loze vragen van mijn hart die zijn dáár in opgelost en alleen daarin kunnen de godde­loze vragen van uw hart oplossen. Wanneer we in de bewening van het werkverbond zicht krijgen op het zaligend karakter van het genade­verbond.

Vóór de val lag de zaligheid vast in een mens, in Adam. Het werk­ver­bond: het stond of het viel met de gehoor­zaam­heid van de eerste mens, van Adam. U weet het: Adam is gevallen en wij met hem.

Hoe voortreffelijk is nu het genadeverbond, dat niet vast ligt in de eerste Adam, maar dat vast ligt in Christus. Dat vast ligt in de liefde van Christus. Wat de verwerving betreft, niet in de mens, maar het ligt in de Zoon van God, het gena­dever­bond. En naar de toepas­sing, dan ligt de zaligheid niet meer in het wérken, maar in het gelóven. Nu ligt de zaligheid in het genade­verbond niet meer in de knechte­lijke vreze, maar in de kinderlijke vreze. Niet meer in de knechtelijke liefde, maar in de kinderlijke liefde. Wie het werkverbond heeft leren bekreu­nen, wie het werkverbond heeft leren bewe­nen, o, hij lere ook het genadeverbond te roemen en te prijzen.

Wat heeft de Heere het wèlgemaakt met de ongevallen mens in het werkverbond. Wat heeft de Heere het dui­zend­voudig goed gemaakt in het genadeverbond met zonda­ren in Zijn ondoorgron­delijke, aanbiddelijke wijs­heid. In het genadeverbond is de zaligheid losge­maakt van Adam en vastgemaakt in God Zelf, in Christus Jezus, opdat vlees niet zou roemen. Opdat, àls er geroemd zou wor­den, Christus geroemd zou worden en niet Adam. Opdat de eeuwige lofzang niet zou zijn op de aartsvader, op Adam, maar op Jezus Christus.

En dan die hartelijke liefde, die voortspruit uit het genade­verbond. Het is nodig, we moeten het maar leren, om Adam te bewe­nen, opdat we Christus leren prijzen. We moeten maar leren om Adam te bewenen, opdat we de Vader, de Zoon en de Heilige Geest leren prijzen. Omdat er een weg geo­pend is, waar het werkverbond verbro­ken is, in het genade­ver­bond. Het werkverbond was dit: de mens zou God dienen, maar het genadeverbond is dit: God dient de mens.

Hebt u er geen zin in, geliefde gemeente? Om nu alle godde­loze vragen maar eens aan de kant te zetten. Van: waarom dit en waarom dat? Waarom is Adam gevallen? Waarom ben ik zo'n ongelukkig schepsel? Zet nou al die vragen eens aan de kant, en vraag deze ene vraag alleen eens: waarom is Christus Jezus in de wereld gekomen? Dan is dit het ant­woord: opdat Hij gevallen mensen, opdat Hij zondaren zálig zal maken.

Wanneer we iets leren van allebei die verbon­den, niet alleen van een verbroken werkverbond, maar ook van een genadever­bond. Wanneer we niet alleen Adam leren kennen, maar ook de Heere Jezus Chris­tus, dan gaan we de wijs­heid Gods roe­men in onze levens. Dan komt er de vrij­willige liefde in onze levens, van nu aan tot in der eeu­wigheid. Dan gaan we ook weer aan Gods bedoelen beantwoorden, staan­de in die vrijwillige liefde: "Ik zal U harte­lijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!" (Ps.18:2), van nu aan tot in eeuwigheid.

Ik weet het, de mens is zo diep gevallen, hij is zo boos, en zo boosaardig geworden door de val. Maar wan­neer de Heilige Geest in ons leven gaat werken, gaat de Heilige Geest in ons leven een hartelijke liefde bewer­ken, precies wat God bedoelde in Genesis 1. Daar loopt Open­baring 22 op uit, werkelijk waar! Als Gods Geest in onze harten gaat werken dan komt er lief­de. Dan gaan we iets beseffen van die wondere weg die God ge­baand heeft door het genade­verbond. Die wondere weg die God gebaand heeft door de Heere Jezus Christus.

Wel kind, dan zeg je: "Die God, Die zal ik nu tot in ééuwigheid lief­hebben". Dan zegt Johannes: 'We hebben Hem zo ontzaglijk veel lief, omdat Hij ons eerst zo ontzag­lijk heeft liefgehad' (1 Joh.4:19).

Van Adam werd gevraagd: gehoorzaamheid. Van Jezus Chris­tus: het aller-, allerbitterste lijden, de dood.

Van Adam werd gevraagd te leven voor Gods aangezicht, van Chris­tus werd gevraagd te sterven voor Gods aange­zicht, opdat zondaren léven zouden in en door Hem. AMEN.