Zondag 4. Vraag en antwoord 9

                                           ZONDAG 4

                                        Vraag en antw. 9

 

        Psalm     61 : 3,4

        Psalm     26 : 10

        Psalm   119 : 69,74,84

        Psalm     65 : 2

        Psalm     72 : 7

        Romeinen      3

                                                                                                                

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonder­wijs, vindt u in Romeinen 3 : 5 en 6

 

Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid beves­tigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrecht­vaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.)

Dat zij verre, anderszins hoe zal God de wereld oorde­len?

 

Catechismus, vraag en antwoord 9 van zondag 4, daar wordt ge­vraagd

 

9. Vr. Doet dan God den mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan?

Antw. Neen Hij; want God heeft den mens alzo ge­scha­pen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zich­zelven en al zijn nakome­lingen, door het ingeven des duivels en door moedwil­lige onge­hoor­zaam­heid, van deze gaven be­roofd.

 

Het gaat eigenlijk een beetje anders, geliefde gemeente, dan we misschien verwacht hadden. Het gaat inderdaad wel eens anders, ook in het geeste­lijk leven, dan we ver­wacht hadden. Het antwoord van vraag 8 vorige week daar zat toch iets hoopvols in, want daar werd gesproken over wedergeboorte. Ja wij, was het antwoord, tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden. Van­avond gaat de catechismus niet over de wederge­boorte spreken, maar we gaan de ellende weer in met de cate­chismus.

Was het vorige week voornamelijk de erfschuld: dat we schuldig staan in een ander, in de vreemde schuld van Adam verdoemelijk zijn. Nu gaat het over de erfsmet. En dat, terwijl vraag en antwoord 8 toch echt iets hoop­vols had. "De uitgestelde hoop krenkt het hart", zegt de Schrift, "maar de begeer­te, die komt, is een boom des le­vens" (Spr.13:12). Misschien mogen we het ook zo zeg­gen, wan­neer de Heere dit leerboekje gaat heiligen aan ons hart, en dat is toch immers de bedoe­ling, dan gaat het van­avond juist goed! Het is een goede zaak, wanneer we onszelf maar grondig leren kennen. Het is ten diepste een zaak van wederge­boorte, wanneer we onszelf grondig leren kennen in onze verwerpelijkheid, in onze doem­waar­dig­heid.

Zondag 4. Doet dan God den mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan?

Het is in hoofdzaak de kerkvader Augustinus ge­weest, die op een onna­volgbare wijze haast, gepeild heeft het ongeluk van de mens. Zijn doem­schuld en zijn doodstaat, erfschuld en erfsmet. Door Gods voorzie­nigheid is dat doorgegeven naar de kerk van de reforma­tie. De kennis van die kardinale punten: doemschuld, doodstaat, erf­schuld en erfsmet.

Doordat God in Zijn voorzienig­heid een Augustijner monnik gebruik­te: Maarten Luther. Het was in Gods voor­zienigheid, dat Hij niet zomaar een monnik was, maar een Augustijner monnik. Zodoende heeft de reformatie een helder licht laten schijnen over wat de mens in zijn ongeluk is geworden.

Augustinus onderscheidt drie zaken. De mens in de staat der recht­heid, de gevallen mens en de mens die eenmaal de heerlijkma­king deelachtig zal zijn. Daar heeft Augus­tinus drie dingen van gezegd. Hij heeft het gezegd in het Latijn: De mens in de hof verkeerde in een staat van "posse non peccare". Dat wil zeggen dat de mens zo heerlijk door God ge­scha­pen was, zo begif­tigd, dat die mens "bij machte was om niet te zondi­gen". De val wordt door Augustinus beschreven als een toestand van "non posse non peccare". De mens is zo'n ongelukkig schep­sel geworden, dat het gewoon "niet moge­lijk is om niet te zondi­gen". Dat zondi­gen gaat altijd maar door na de val. Ten­slotte heeft Augustinus gezegd, van de ver­loste kerk, dat zij in der eeuwigheid zal zijn in de heer­lijke staat van "non posse peccare". U begrijpt wel dat het een woordspeling is. Augustinus bedoelt er mee, dat dan de kerk gezaligd zal zijn, in een staat zal zijn, die vér uit­stijgt boven de heerlijke staat der rechtheid. Want dan zal Gods volk zelfs tot in eeuwigheid "niet meer kúnnen zondigen".

Geliefde gemeente, nu hoeft u die Latijnse woorden niet te leren, maar die drie zaken, dat is zo nodig, dat we daar iets van leren in onze levens. We zouden haast zeggen: twee treurzangen en een lofzang. Het eerste is: dat we een blik krijgen op het paradijs en dat we daar ook onze schuld zien liggen. Dat we het eerlijk gaan belij­den: In Adam, ik kon wel, maar ik wilde niet. Ik was geschapen om tot Gods eer te leven, maar ik wilde niet. Het is nodig, dat we iets leren van ons ongeluk. Wanneer Gods Geest ons wederbaart, wan­neer onze wil vernieuwd wordt. Om dan iets te leren van dat ongeluk van: nu wil ik wel. O, ik zou zo graag God vre­zen, ik zou zo graag God dienen, maar nu kan ik niet.

Het is een diep leerstuk, wanneer het niet meer een beschou­wing is, maar wanneer het werkelijkheid wordt in ons leven. Wanneer we, als het ware, half bekeerd zijn, half ver­nieuwd, zodat we moeten klagen: o, God, nu wil ik wel, maar nu kan ik niet.

Maar dan is er ook het heerlij­ke voor­uitzicht, waar de levende kerk, als ze leven aan haar hart mag hebben, naar uitziet. Dat is niet in de eerste plaats de zalig­heid, de gouden stad, maar het gouden hart. Dat dan de wil weer aan de macht verenigd zal zijn. Of, om het anders­om te zeggen, de macht weer aan de wil verenigd zal zijn, zodanig dat het ver uit­stijgt boven de groot­heid van het werkver­bond. Dat we eeuwig God zullen dienen, kunnen dienen, zonder daar ooit meer uit te vallen.

Het is nodig dus, dat we van die drie zaken heilsbevin­delijk iets leren kennen. Dan gaat het er nog niet eens over hoeveel u ervan leert kennen, maar zoveel dat we eens verwaardigd worden om wanhopende aan onszelf, ho­pen­de gemaakt te worden, aan de door­boorde Middelaars­voeten van de Heere Christus.  Zo is dan de eerste klacht:­ ik kon wel, maar ik wilde niet.

Doet dan God den mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan? Neen Hij; want God heeft den mens alzo gescha­pen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelven en al zijn nakome­lingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige onge­hoor­zaam­heid, van deze gaven beroofd.

We zitten hier op zo'n dieptepunt. Doet dan God de mens geen on­recht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan? Hebt u het ook al opgemerkt, dat het is alsof hier vragen klinken die in de rechtszaal van het geweten gesteld worden?

Doet dan God de mens niet onrecht dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan? Daar wordt ons antwoord op gevraagd, ons eigen antwoord. Dat antwoord, dat we gezongen hebben. Wanneer we iets leren kennen van de moedwilligheid van de zonde en van onze val. Dat we, wanneer we zien op de oordelen Gods die boven onze levens branden, een klein beetje leren zingen: "Gij zijt vol­maakt, Gij zijt recht­vaar­dig, HEERE, Uw oordeel rust op d'allerbeste wetten" (Ps.119:69 ber.).

Het kan zo nuttig zijn als het er eens een beetje rich­terlijk langs gaat in onze levens. Als hier ge­vraagd wordt: doet dan God de mens geen onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan? Och, dan is het eigenlijk zo'n soort vraag, die je ook wel­eens hoort in een wereldse rechtszaak. Of er mis­schien nog verzachtende om­stan­digheden zijn aan te voeren, voor dat rampzálige gedoe van de mens. Of er mis­schien iets is, waardoor een eerlijk mens, een eerlijke rechter nog bewo­gen zou worden, om te zeggen: och, er moest toch maar ietsje vanaf gedaan worden. Want in het dagelijkse leven zijn er nog ver­zachtende omstandigheden, maar voor Gods rechter­stoel niet.

Moedwil­lig, er wordt ge­sproken over moedwillige onge­hoorzaam­heid, waardoor we ons van die gaven hebben beroofd. Moed­willig zijn we uit die zalige stand geval­len, die Augus­tinus noemt: "posse non peccare", vrij vertaald, God tot ere leven, tot in eeuwigheid.

Waren we toerekeningsvatbaar? U weet wel, als er geen verzachten­de omstandigheden zijn voor de rechtbank, dan ten laatste is eigenlijk de vraag: de man die het deed, de vrouw die het deed, dat kind, die jongen, was hij, was zij wel volledig toerekenings­vatbaar?

O jazeker! Want God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen; Maar de mens heeft zich­zelven, en al zijn nakomelin­gen, door het ingeven des duivels en moedwillige onge­hoorzaamheid, van deze gaven beroofd.

Het is alsof u wat terug mag zeggen. U mag wat terugzeg­gen ge­meente! Wat zou het een genade zijn, wanneer we  ons hoofd eens helemaal bogen. Wanneer we het werke­lijk eens, niet de ruimte inzongen, maar voor Gods aange­zicht:

        Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaar­dig, HEER;

 

        Uw oordeel rust op d'allerbeste wetten;

        Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer.

        Gij eist van ons, dat w'op Uw waarheid letten. (Ps.119:69a)

 

Daar gaat de kerk een treur­zang zin­gen, een klaag­zang, uit de schuld: ik kon wel, maar ik wilde niet.

Geschapen zodat ik het doen kon, maar ik wilde niet. Zo, in de staat der rechtheid, door God rechtop gescha­pen, maar ik wilde vallen, door het ingeven des duivels. Moedwillige ongehoorzaam­heid. Verloren, verloren! Wat? Onze voornaamste deugd, de eigen gerech­tigheid, waarin God ons geschapen had. Een gerechtigheid, waardoor de mens kón staan voor Gods aangezicht, zonder de ogen neer te hoeven slaan. Omdat tegenover de deugd van Gods gerechtigheid, ook de mens in de staat der rechtheid, een eigen gerechtigheid van God ontvangen had om voor Gods aangezicht te staan. Maar de mens heeft zichzelven door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoor­zaamheid, van deze gave, we mogen wel zeggen van deze deugd, beroofd.

Nu schiet er maar één zaak over, namelijk: dat we net als Adam en Eva onze ogen van schaam­te niet meer op kunnen slaan tot God, omdat we onze eigen gerechtig­heid verlo­ren hebben. Laat ik dan ook dit nog mogen zeg­gen: die eigen gerech­tigheid, dat is een éénma­lig geschenk ge­weest aan de mens, een éénmalig ge­schenk. Daar ligt de ernst van de zonde, en de ernst van de val, dat we nu die eigen gerechtig­heid, waar we in geschapen waren naar het beeld Gods, nooit meer terug­ ontvangen, ook niet door bekering, ook niet door genade. Zo diep is die val geweest.

Onze eigen gerechtigheid verloren, maar "halle­lujah" mogen we wel zeggen. laat dan die eigen gerech­tigheid een één­malig geschenk ge­weest zijn. Dat verloren te hebben, dat is de diepe kloof, waardoor een mens niet tot God kan komen, en God niet tot de mens. Omdat het gaan van de mens tot God en het gaan van God tot de mens alleen kàn in een weg van gerech­tigheid en van heilig­heid. Welzalig is de mens wien het mag gebeu­ren, dat we voor een eigen ge­rechtig­heid (ik benadruk het nog één keer), een eigen gerech­tigheid, die nooit meer terug­komt, een toegereken­de gerechtigheid ontvangen uit de Heere Jezus Christus.

O, wat is de mens diep gevallen. Ik heb er eens een boek van gele­zen dat het historisch probeert te benaderen: "Het verloren paradijs", geschreven door Milton. Dan zien we Adam en Eva als het ware gaan, voor Gods aange­zicht verdreven. "Ach, moeder Eva, waarom weent gij zo? Ik heb niet anders dan tranen, al het andere liet ik achter in het paradijs". Het is zo nodig, dat we niet alleen de diepte van de val pei­len, maar ook de diepte van de moedwil, die er in lag, hoogmoed. Dat is nog niet eens het juiste woord, misschien moeten we zeggen: overmoed. Zoals het Grieks zegt: 'hybris'. dat wil zeg­gen: een overmoedige hoogmoed, een hoge, hoge over­moed voor God. Ten diepste zit er in de val en de zonde van de mens, van zich zo moedwillig beroofd te hebben van die gaven, iets zo ongerijmds, dat het er vanavond ook niet om gaat dat we het begrijpen, maar dat we het een beetje zouden peilen.

Ik ga maar verder, geliefde gemeente, want nu is het wel nodig, om iets van onze val te peilen, maar daar kunnen we ook niet mee leven. Ik wil vanavond toch de kant van de waarachtige wedergeboorte uit. Het gaat over de nawerking van de val in de erfsmet. Dat hij, die genade kent, door het werk van Christus verlost wordt, gewassen wordt, gerei­nigd wordt van zijn schuld, gewassen, gereinigd wordt door dat kostelijke bloed van de Heere Jezus Christus. O, die heerlij­ke zaak, waarvan Jesaja zingt: "Hij heeft mij bekleed met de klede­ren des heils, den mantel der gerech­tigheid heeft Hij mij omge­daan" (Jes.61:10). Waar­van Paulus zingt, naar de recht­vaardig­making, over dat werk van Jezus Christus, die toegerekende gerechtig­heid, die in de plaats gekomen is van de verloren eigen ge­rechtig­heid.

Waar Paulus het uitjuicht en waar iedere vrij­gemaakte ziel het wel eens uit mag juichen: 'Wie zal nu beschul­diging inbrengen tegen de uitverko­re­nen Gods?'

Ik ga nu de bekering niet ver­klaren, maar als het God behaagt, vrij van de hemel, in plaats van onze verloren eigen gerechtig­heid, de toegerekende gerech­tig­heid aan te brengen in Jezus Christus, kunnen we naar de recht­vaardigmaking juichen: "Wie zal be­schuldiging inbren­gen tegen de uitverkore­nen Gods? God is het, Die recht­vaar­dig maakt. Wie is het, die ver­doemt?" (Rom.8:33-34).

Ik ga maar verder met het praktische gees­telijke leven. Dan komen we niet alleen achter de erf­schuld, maar ook achter de erfsmet. Dan leren we na die eerste klaag­zang als het ware nóg een treurzang. Dat nu de gevol­gen van de zonde, van die moedwilli­ge ongehoor­zaam­heid door­werken in het leven van Gods kinderen, Juist in het leven van Gods kinderen. Dat we dag aan dag geconfronteerd worden met wat Guido de Brès noemt: "Die onza­lige fontein van ons hart" (NGB art.15).

O zeker, de vrijgesproken kerk is de klagende kerk. Hij die roemt naar de rechtvaardigmaking, wordt een klager naar de heiligma­king.

Ik hoor Paulus zeggen: "Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont", die zo vreselijk in mij woont. "Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het wil­len...." (Rom.7:17-18). Ziet u? Dat is het tweede, dan is de wil ver­nieuwd, om niet naar één gebod, maar om naar ál Gods geboden te gaan leven. Wat een zalig voor­recht, als onze wil zo vernieuwd wordt, om tot eer van God te willen leven. Maar dan juist, gemeente, wanneer de wil ver­nieuwd is, wat leren we dan? Onze onmacht. "Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet" (Rom.7:18).

De klaagzang naar de heiligma­king, zouden we kunnen zeggen. Dat is een klaagzang, een treurzang, die we leren zingen tot onze dood toe. Want als Gòd in ons werkt, zodat ons leven door bloed gerei­nigd wordt, dan gaat dat altoos gepaard met een tweede wel­daad. Zoals er uit dat kostelijke lichaam van de gezegen­de Zoon des Vaders, bloed gekomen is tot rechtvaardig­ma­king, zo is er ook water uitge­komen tot heiligmaking. Wat wil dat zeggen voor het praktische geestelijke leven, voor de beke­ring, voor de doorwerking van de genade?

De cate­chismus houdt altijd twee zaken bij elkaar. Waar het bloed van Chris­tus gevonden wordt, wordt ook altoos iets gevonden van die kostelij­ke Geest van Christus. Maar juist vanuit die Geest van Christus wordt Gods kind ontdekt. Nu niet meer aan de schuld als zoda­nig, want er is een volk dat er weet van mag hebben, waar zijn schuld gebleven is. Maar zij krijgen nu juist armma­kende gena­de, doordat ze de Geest van Christus tot heiligma­king deel­achtig gewor­den zijn. Daarom juist worden ze kla­gers, niet naar de rechtvaar­digmaking, maar naar de heiligma­king. Want waar dat bloed nu gesprengd wordt aan een zondaars­hart, betekent dit, dat daar twee levens op het allernauwst aan elkaar verbon­den worden.

In het Oosten placht men een verbond te maken met bloed. Men heeft er ook wel menselijke liefde mee bezegeld. Men heeft er zich mee verloofd en men is er mee getrouwd: met bloed. Hoe meer, hoe helder­der we nu liggen in het bloed van Jezus Christus, hoe meer we nu ook ver­liefd, verloofd, aan Christus gehouden worden in ons leven.

Dan komt er zo'n hoge roeping in ons leven, om nu bruid te zijn. Maar dan ook een waardige bruid voor de hemelse Bruidegom. Daar is nu alle eigen hoogmoed aan vreemd, door genade. Dat is zo'n hartelijke lief­deswerking, zo'n hartelijke werkelijke liefde. Ik haal er een spreek­woord bij uit het spraakgebruik van alle dag, 'adeldom ver­plicht'. Naar mate we nu meer leven uit Christus en uit Zijn bloed, naar die mate zal er in onze levens een armoede komen. Vanuit de liefde voor die Borg en Zalig­maker. Armoe­de van: nu wil ik Hem vrezen, maar ik kàn het niet. Nu zou ik Hem zo graag liefhebben met de daad, maar ik kàn het niet. Dan leren we iets verstaan van die diepe klacht van Augustinus: "non posse non pecca­re". Nu geen dag des levens, geen uur des levens dat we niet zondi­gen. De wil is wel ver­nieuwd, "Het goede dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik".

Als we pàs iets van dat nieuwe leven leren kennen, dan denken we weleens dat het steeds beter zal gaan, dat we steeds meer bekeerd zullen worden. Dat we zullen worden: "Jeruzalem, een lof op aarde" (Jes.62:7). Maar in geen andere weg dan: "Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel" (Openb.21:2). 

Als de Heili­ge Geest doorwerkt in het leven van Gods kinderen, dan zegt Paulus tenslotte: "Ik ellen­dig mens, wie zal mij verlos­sen uit het lichaam dezes doods?" (Rom.7:24). Dan ligt daar een smart in verklaard, dan ligt daar een klacht in verklaard, ge­liefde gemeente. Ik hoop dat u er bevin­delijk iets van kent, van dat verlan­gen, dat heimwee, om nu een waardige bruid van die hemel­se Bruidegom te mogen zijn. "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes d­oods?"

Men zegt dat op de achtergrond van deze tekst het beeld uit oude tijden staat, van de moordenaar die veroordeeld werd om het lijk van zijn slachtoffer op zijn rug mee te dragen. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het li­chaam dezes doods? Die straf van zo'n veroor­deelde in de oud­heid, werd iedere dag zwaar­der. Het bestaan iedere dag walgelijker.

Zo is het, wanneer genade een lust tot heiligmaking in onze levens werkt. Wanneer we de levende Geest van Christus deelachtig zijn, komt er een zucht in ons leven: "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" Dat is ten diepste: wie ver­lost mij van mijzelf? Dat is wat God gezegd heeft in Ezechiël, ik zal dat huis van Israël weldoen. Ik zal ze weder­brengen, ik zal ze voeren in Mijn hart. En dan? Alsdan zal Ik maken dat ze een walg aan zichzelf zullen hebben (Ezech.­20:43).

Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Nu wil ik God zo graag vrezen, nu wil ik God zo graag dienen. Mijn wil is vernieuwd, maar mijn vermogen nog niet. Dan ligt de volle troost, wat ook meteen de volle bekering zal zijn, aan de andere kant van het graf. Dan zal de kerk pas áf bekeerd zijn, in der eeuwigheid. Want dan is dit het werk: de recht­vaardigma­king, het is volmaakt, ook in de zondaar. De heiligma­king het is zo gebrekkig, het zál volmaakt worden, door wat op de heiligmaking volgt. Wat is dat? De heerlijkma­king. Dat Gods kerk door dood en graf gelouterd zal worden. Mate­rieel ook gelouterd zal worden, in het graf. Zo diep heeft de mens gezondigd, zo diep is de mens gevallen. Niet alleen de ziel gevallen, ook het lichaam, ook het vlees. Dat nu toch die koste­lijke twee-eenheid tezamen gereinigd, geheiligd zou worden door de loute­ring van het graf. Om eenmaal zuiver te zijn, om eenmaal heilig te zijn, om eenmaal te kunnen staan, niet alleen in volmaakte gerech­tigheid, toegerekend in Christus Jezus, maar ook in volmaakte hei­ligheid, uitgewerkt in de heerlijkmaking door de Geest van de Heere Jezus Chris­tus.

Dan zal er een lofzang zijn in de eeuwigheid, en het geloof antici­peert soms op die eeuwigheid. Dan zal er een lofzang gezongen worden: nu wil ik het en nu kan ik het. Dat zal de eeuwigheid zijn. De staat der recht­heid was: ik kon wel, maar ik wilde niet. Wanneer God ons gaat wederbaren, door genade, dan wordt de klacht: ik wil wel, maar ik kan het niet. Het eeuwig­heidslied zal zijn: nu kan ik het, nu wil ik het, nu zal ik het, tot in eeuwigheid!

Dan zal de bruidskerk, zonder vlek en zonder rimpel voor haar hemelse Bruidegom verschijnen.

 

        Welzalig, dien Gij hebt verkoren,

        Dien G'uit al 't aards gedruis

        Doet naad'ren, en Uw heilstem horen,

        Ja, wonen in Uw huis. (Ps.65:2 ber.)

 

Dan zullen we één ding ver­staan, geliefden, tot op de bodem, welke voor­treffe­lijke zaak het genadeverbond is boven het werk­verbond.

AMEN.