Zondag 6. Vraag en antwoord 18

                                           ZONDAG 6

                                    Vraag en antwoord 18

 

        Psalm     68  : 5

        Psalm   116  : 9

        Psalm   102  : 11,12

        Psalm   138  : 2

        Psalm   130  : 4

        1 Korinthe 1

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonder­wijs, vindt u in het voorgelezen schriftgedeelte 1 Kor. 1 : 28 - 31

 

En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitver­ko­ren, en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken;

Opdat geen vlees zou roemen voor Hem. Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaar­digheid, en hei­ligma­king, en verlossing;

Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere.

 

Zondag 6, vraag en antwoord 18

 

18. Vr. Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waar­achtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is?

Antw. Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijs­heid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlos­sing ge­schonken is.

 

Geliefde gemeente, we zijn hier aan een bijzonder punt geko­men in de Heidelbergse Catechismus. Er is gesproken over een middel, er is gespro­ken over een Middelaar. Er is gesproken over de naturen van de Midde­laar, dat Hij waarachtig God moest zijn en dat Hij ook waarachtig en rechtvaardig mens moest zijn. Nu­ is er het ontroe­rende moment dat de catechismus die naam noemt, waarvan we kunnen zeggen: Geen naam is er zoeter en beter voor het hart.

Jezus, dat is Zaligmaker, "Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden" (Mat.1:21). Misschien vraagt u zich af: is dat niet een beetje simpel, om in een kerk die opgevoed is bij de Heere Jezus en bij die naam, om dan in de catechismus, om dan in een vragenboek nog zo'n simpele naam, zo'n simpele vraag op te nemen: Wie is deze Midde­laar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig recht­vaardig mens is? Ik hoop dat u door de bewerking van de Heilige Geest, door ontdekkende genade en door armmakende genade, iets ervan geleerd hebt, dat: al zouden we van Jezus weten iedere dag in ons leven, ieder uur in ons leven, vanuit onze opvoeding, vanuit onze kerkgang, vanuit al onze activi­teiten, we dan toch moeten zeggen dat Jezus de grootste verborgen­heid is. De grootste verborgenheid!

Het gaat in deze catechismus toch ook over een open­baring, een persoonlijke openbaring aan een arm zon­daarshart, door de toepas­sing van de Heilige Geest. Zoals ook Paulus zegt: "Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Zijn Zoon in mij te openbaren" (Gal.1:15-16).

Wie stelt hier eigenlijk de vraag: maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaar­dig mens is? Het is geen intellectuele vraag, het is geen verstandelijke vraag. Het wordt gevraagd door een ziel voor wie het voorafgaande in de catechis­mus, onze huive­ringwekkende verdoemelijk­heid, in meerde­re of mindere mate, werkelijk­heid geworden is. Het gaat om een ziel die gevraagd heeft, niet als een weet­vraag, maar als een vraag op leven en dood: Is er nog enig middel om de welverdiende straf te ontgaan? Het gaat om iemand die goed begrepen heeft, dat God niet alleen barmhartig is, maar dat Hij ook volmaakt rechtvaardig is. Zodat Hij de zonde, die te­gen Hem is gedaan, met de hoogste straf, dat is met tijdelij­ke en met eeuwige straf zal straffen.

De vraagsteller is een 'ontblo­te bid­der'. Zo wordt zo'n persoon genoemd in de preek van Comrie over Psalm 102. Een behoef­tig mens, die door de ontdek­kende werking en door de armmakende bediening van de Heilige Geest, alles van zichzelf verloren heeft. Deze stelt vanavond de vraag: Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waar­achtig God en een waarachtig rechtvaardig Mens is? Dat is een ziel, waarin enigs­zins een licht is opgegaan, omdat het al gezegd is in de catechismus: een Middelaar en een Verlosser.

En dan nu de vraag: Maar wie is deze Midde­laar? Wanneer we het voorgaande een beetje bevindelijk hebben leren kennen in onze eigen levens gemeente, dan zullen we er wel weet van hebben dat Jezus de grootste verborgen­heid is. Daarom gaat het niet om een antwoord zonder meer, dat we een naam zullen horen, de naam van Jezus, die we mis­schien wel tiendui­zend keer gehoord hebben. Maar dat we werkelijk een andere naam leren, of laat ik mogen zeggen, dezelfde naam maar dan eindelijk eens in de volle bete­kenis: Hij, Die Jezus, Zaligma­ker heet en ook werkelijk zalig maakt! Deze vraag is zo kostelijk: Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarach­tig rechtvaar­dig mens is? Ik wil u herinne­ren aan een preek van een poosje geleden, van die blinde man, die aan de Heere Jezus Zelf vroeg: "Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge gelo­ven?" (Joh.9:36).

Wat kan het dan een heerlijk antwoord zijn, wan­neer dit uw persoon­lijke vraag geworden is: Wie is deze Midde­laar? Dan wordt Jezus Christus voor­gesteld met Zijn naam: onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijs­heid, rechtvaar­digheid, heiligmaking en tot een volkomen verlos­sing geschonken is.

Als we werke­lijk besef hebben wat de prediking in wezen is, dan gaat het hierom, dat als het ware Chris­tus u allen wordt voorgesteld. Zoals Mozes de slang heeft verhoogd in de woestijn, zo wordt ook van­avond Christus Jezus verhoogd en voorge­steld. Zoals Jezus Christus Zelf gezegd heeft: "Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden" (Joh.3:14).

Ook ù moet Hij voor­gesteld worden, opdat een iegelijk die de Zoon aans­chouwt, en dit is een eeuwig Godswoord, waar niets bij gedaan kan of behoeft te worden, maar waar ook niets afgedaan kan worden: "Opdat een iege­lijk, die den Zoon aan­schouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe" (Joh.6:40). Dat is het heerlij­ke van deze cate­chismus, dat is ten diep­ste de bedoeling van iedere predi­king.

Maar dan is het toch wel een bijzonder moment, w­anneer in Gods naam die heerlijke naam uitge­sproken mag worden, de liefde klinkt er in door: Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaar­dig­heid, heilig­making en tot een volkomen verlossing ge­schonken is.

Weet u dan waarover het gaat? In dit antwoord zit zo'n volmaakte volheid, dat, als er hier mensen mogen zijn die op het punt gekomen zijn, dat ze volmaakt niks meer in zichzelf zien, hier de overgang ligt om over te gaan in een Ander, in te gaan in een Ander. Wat hebt u daar nu voor nodig, geliefde gemeen­te, en wat hebben we daar telkens voor nodig? Niet meer dan een kruimel geloof! Zo eenvoudig is de zalig­heid van Gods kant vandaan.

Het is een heerlijk antwoord: Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heilig­ma­king en tot een volkomen verlossing geschonken is. Het is bijna letterlijk, en zakelijk is het geheel, 1 Korin­the 1 : 30, zoals we dat voorgelezen hebben. Het gaat om het eeuwig welbehagen van de Vader, dat Hij Jezus Chris­tus in deze wereld heeft gezonden om verzoe­ning door voldoe­ning teweeg te brengen.

Dan kan het ons duidelijk zijn uit 1 Korinthe 1 dat het gaat om Jezus Christus, de Gekruisigde. Ik heb er van­mor­gen iets van gezegd: "Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid; Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods" (1 Kor.1:23-24). De Jood heb ik vanmor­gen gezegd, dat is de mens, de reli­gieuze mens, de Griek dat is de intellec­tuele mens. De vernederde Christus is voor beiden een erger­nis. Jezus Chris­tus is alleen zoet en dierbaar voor het verslagen hart, voor de verbrijzel­de geest.

Wanneer dit hoofdstuk spreekt over: den Joden wel een erger­nis, dan wil ik dit nog zeggen: de Joden wilden een Messias, Die in glorie zou nederdalen. De ver­wach­ting is zelfs letterlijk zo geweest, dat ze een Midde­laar ver­wacht hebben, Die in donder en blik­sem met zeer grote tekenen uit de hemel recht­streeks neder zou dalen. Wel ge­meente, we kunnen ook Jood zijn en we kunnen ook Griek zijn, heb ik vanmorgen gezegd, als christen, laten we daar nu dus verder niets over zeggen.

De grote vraag is vanavond: hebt u een Verlosser, hebt u een Zalig­maker nodig gekregen? En is het alzo, dat we door de Heilige Geest zo diep vernederd zijn, dat we zalig willen worden uit een Ander? Want er kan zoveel weerstand zijn tegen het zalig worden uit een Ander. Van het zalig worden uit niets in onszelf, heeft een pro­fessor eenmaal gezegd, in zijn vijandschap tegen vrije genade: "mijn portie voor Fikkie". W­aarmee bedoeld wordt, dat de hoogmoe­dige mens ten diepste niet wil dat een ander zijn schuld boet, hij zal het zèlf wel dragen. Maar we zullen het in der eeuwig­heid niet kùnnen dragen.

Ik wil heel praktisch zijn, het gaat er om, of het met u al zover gekomen is, dat u door de wer­king van de Heilige Geest ver­waardigd zijt geworden om naar een zaligheid uit te zien buiten uzelf. Of, zoals de vrager in de catechismus, die iets heeft geleerd van de diepe val in Adam. Die heeft geleerd wat hij verlo­ren is: het beeld Gods, de kennis, de gerech­tigheid en de hei­lig­heid.

De vraag is heel prak­tisch gemeente, of u zielsworste­lin­gen kent. Of deze vraag ten diepste een zieleworste­ling is: Wie is dan deze Midde­laar? Waar kan ik een Verlosser vinden? Hoe wordt ik van mijn schuld ver­lost? Hoe krijg ik een Borg? Hoe krijg ik een Midde­laar? Hoe is er een Plaatsbekleder voor mij heel per­soonlijk te vinden? Is Jezus Christus ons al eigen geworden, gelief­de gemeente, is er al een uitzien in ons leven geboren? Is er al iets bewerkt door de Heilige Geest in onze harten waardoor er de noodzaak gekomen is voor een Midde­laar, laat ik het nader mogen zeg­gen, de noodzaak voor Jezus Christus? Is Hij in ons leven al geworden, niet alleen nood­za­kelijk, maar ook dier­baar en ge­past.

Er wordt gesproken over Jezus Christus, Die ons geschon­ken is van God. Het gaat dus heel persoonlijk over ons. Maar wanneer ik het vuur nà aan uw schenen leg van­avond, in een toepasselijk woord, dan moeten we elkaar ook vragen: is Hij mij geschonken van God tot wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid en tot een volkomen verlos­sing?

Het gaat er om dat de Heere Jezus Christus persoonlijk toegepast wordt door de Heilige Geest. Een algemeen geloof zal ons niet kunnen redden, brengt voor ons geen gerech­tigheid mee, brengt voor ons geen heilig­heid mee, zal voor ons geen verlos­sing mee­brengen. Dat kan alleen maar het allerpersoon­lijkste geloof, in de toeëigening: die mij geschonken is. Zoals de catechismus namens de gehele Kerk spreekt: die ons gegeven is tot gerechtig­heid, tot heiligheid en tot een volkomen ver­lossing. Dan worden daar niet zo maar willekeurige zaken genoemd: Die ons gewor­den is tot wijsheid, tot rechtvaar­digheid, tot heiligma­king en tot verlossing.

Het gaat in vraag en antwoord 18 om dezelfde zaken als in onze tekst uit 1 Korininthe 1. Het is een samen­vatting van alles wat wij verloren hebben in onze val in Adam, namelijk het beeld van God, de kennis, de gerech­tigheid en de heilig­heid, die we eenmaal in een oor­spron­kelijke zin, zèlf gekregen hebben van de Heere God en die we schromelijk verloren zijn door de zonde.

Wanneer dan de weg van zaligworden ontslo­ten wordt in Christus Jezus, wordt er in dit antwoord in de eerste plaats gezegd Wie Jezus Chris­tus is, name­lijk de tweede Adam. De enige Volmaakte, Waarin het beeld Gods nog zichtbaar is, Waarin het beeld van God volmaakt uit­straalt. De Medegenoot van God de Vader, de Partner Gods zouden we kunnen zeggen. Jezus Christus, Die uit Maria geboren is als de Mens, de enige Mens hier op aarde na de zondeval, Waar God de Vader mee om kan gaan in wijs­heid, in gerechtigheid en in heilig­heid.

Dan gaat het om dit gegeven, dat Jezus Christus ook voor de Vader, in Zijn vleeswording, de Enige hier op aarde geworden is, Waarin God een welgeval­len kon hebben. Over Wiens leven is uitgeroepen: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Gelief­de, in Denwelken Ik Mijn welbeha­gen heb!" (Mat.­3:17).

Dan gaat het er niet in de eerste plaats over, hoe dat beeld in een zondaar hersteld wordt, maar hoe dat beeld dat wij verloren zijn, in een Ander aange­trof­fen wordt. Dat heerlijke Godsbeeld in Jezus Christus, namelijk in ware kennis. Het gaat er om dat alles wat ik mis, in die dierbare Jezus Christus ligt, in die Borg, in die Midde­laar. Plaatsbekledend in die Heiland, in die Messi­as. Jezus Christus in ware kennis.

Het gaat er om dat Hij het is, Die God als Zijn Vader vol­maakt kent. Op een volkomen en vol­maakte wijze met God omgaat. Jezus Chris­tus is geworden, de Enige in de wereld bij Wien het waarachtige kennen is van de Vader. Bij wien het waar­achtige enige kennen is, in de volle overge­geven­heid, in de volmaakte liefde. Een zaak niet van het hoofd van de Heere Jezus alleen, maar een zaak van het hart, dat is, in volmaakte liefde. De Zoon Gods Die in de schoot des Vaders is, Die ons gegeven is tot wijsheid, dat betekent ten slotte dat Hij, Die de Vader kent, Zijn discipelen van die kennis ook mede­deelt door Zichzelf. Het gaat om Jezus Christus, Die zo de Vader gelijk­vormig is in wijs­heid, in ge­rechtig­heid en in hei­ligheid, dat Hij kon zeggen: "Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien" (Joh. 14:9).

Dan wordt ons EEN voorgesteld, tussen de dui­zenden ongehoorza­me mensen, tussen de miljoenen onge­hoorzame mensen. De Ene vol­maakt Gehoorzame, name­lijk Jezus Christus: "Die gehoorzaam­heid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden" (Hebr.5:8). Dan wordt ons de volmaakt Rechtvaar­dige voorgesteld. Dat is de Enige, Die hier in de wereld is geweest, Die het gebod des Vaders nooit overtre­den heeft.

Die niet alleen onderworpen is ge­weest, maar volmaakt onderworpen. Meer nog, die eenswil­lens geweest is aan de Vader, zelfs in de bangste uren. In de diepe verzoeking in de woestijn, toen de satan Hem tormenteer­de, is Hij nòg de Rechtvaar­dige gebleven. Hij is het ook gebleven in de Hof van Gethsémané, in Zijn gebedsstrijd in Geth­sémané, waar Hij moest bid­den, beangst en benauwd gewor­den zijnde: "Abba Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem deze drink­beker van Mij weg, doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt" (Mark. 14:­36). Wat is er een zonde geboet in dat gebed, geliefde gemeente.

De cate­chismus juicht: er is er Eén Die kan bestaan voor Gods aange­zicht. Het is precies wat de ziel nodig heeft, dat we eerst Iemand moeten hebben, Die kan bestaan voor Gods aange­zicht, en dat ik later in zondag 7 met het geloof me aan die Borg, die Midde­laar vast mag klampen. Het gaat om Jezus Christus in Zijn volmaakte gehoor­zaamheid, in Zijn volmaakte gerechtigheid. Want immers: gehoor­zaamheid is gerechtig­heid en gerechtigheid is gehoor­zaam­heid. Hij, Die gebeden heeft: "Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk", maar Die ook gebeden heeft: "Niet Mijn wil, maar de Uwe geschie­de".

Ik kan het niet laten om die tekst nog een keer te noe­men: "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waar­dig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is" (1Tim.­1:15). Nu staat er van deze wereld geschre­ven, dat de Heere van boven naar beneden zag of er iemand was, die goed deed. Na de zondeval zijn de zon, de maan en de ster­ren er tot verlus­ti­ging van God, zij hebben niet gezondigd. Maar deze wereld, bevolkt met miljoenen men­sen, deze wereld is juist de zondigste plaats, de plaats waar verzoening nodig is. "De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. Zij zijn allen afgewe­ken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is nie­mand, die goed doet, ook niet een" (Ps.14:2-3).

Het gaat om het grote wonder, in Jezus Christus is er Een in de wereld gekomen, Die volmaakt gehoorzaam was. Waar God mee om kon gaan, zonder dat er een Midde­laar tussen was. Want God kan wel omgaan met Zijn kinderen maar nooit zonder Middelaar. Maar met de Zoon kon Hij omgaan, Die gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij geleden heeft en geheiligd zijnde een oorzaak geworden is van onze zaligheid.

Dan gaat het om Jezus Christus, Zijn wijsheid en Zijn gerechtigheid. Zal ik die twee zaken eens samen­voegen? Die de hoge prijs betaald heeft op de betaaldag van de Kerk, op Goede Vrij­dag. In wijsheid en in gehoor­zaam­heid, in kennis en in gerechtigheid, de ganse schuld van de Kerk verzoend heeft in Zijn lichaam en in Zijn ziel, in bittere Godsverlating. Betalende gerechtigheid ge­weest is voor arme zonda­ren. In Zijn werkverbond, ik zeg dit maar zo, in Zijn werkverbond met de drieëni­ge God, staande is gebleven in de gehoorzaam­heid van de vrede­raad Gods, voor een volk dat het werk­verbond verbroken had.

Het gaat er om dat Christus er geweest is, Die zo gehoorzaam geweest is, Die niet alleen geleden heeft, maar Die zelfs de laatste druppel gedronken heeft uit de lijdensbeker. O God, "hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!" (Luk.12:50). Het moet u eerst maar eens voorgesteld worden gemeente, dat ìn Jezus Chris­tus niet alleen veel is voldaan, maar dat alles voldaan is, in een volmaakte gehoor­zaam­heid. Zodat Hij, toen Hij ge­perst is totdat alles volbracht was, nadat Hij uitgeroe­pen had: "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verla­ten?" (Matt.27:46), ook uit heeft kunnen roepen: "Het is vol­bracht!" (Joh.19:30).

Wat zullen we zeggen van de heiligheid van de Heere Christus? Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, recht­vaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschon­ken is. Als hier over heilig­making gesproken wordt, gaat het in deze zondag nog niet zo zeer in de eerste plaats om de toepas­sing. Eerst moet er maar eens gezegd worden, dat Hijzelf de volmaakt Heilige geweest is voor de Vader.

O, wat denk ik dan aan die heerlijke geschiedenis toen Hij een kind was. Toen was Hij toch ook Borg en Midde­laar, de Gegevene van de Vader? Wat is Hij toen in de plaats gaan staan van zondaren, toen Hij als Kind al uitgesproken heeft: "Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?" (Luk.2:49). Beschouw de Heere Jezus eens heilsbe­vindelijk, gemeente. Druk die Zalig­maker eens aan uw hart. Die tenslotte, als Man der smar­ten op Golgotha met de nagels aan het kruis gekrui­sigd, ook toen nog in dezelfde gestalte was, in dezelfde gezindheid. Toen de spotters gehoond hebben: "Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons" (Luk.23:39). O, toen had de Heere Jezus ook kunnen zeggen: "Maar wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Va­ders?"

Wat zullen wij zeggen over de heiligheid van de Heere Jezus Chris­tus. Hij is de Vol­maakte, zonder smet en zonder rimpel. In Wiens mond geen bedrog gevonden is. Die als Hij leed, niet dreig­de, maar als een schaap ter slachting werd geleid, dat stom is voor dengene die hem scheert (Jes.53).

O, wat een wonder van die Ene, Die in deze wereld ge­weest is tussen duizenden goddelozen, miljoe­nen goddelo­zen. Die zo geheel gekluisterd was in een vrij­wil­lige, heilige gehoorzaamheid aan Zijn Vader, dat Hij volmaakt kon zeggen wat David eenmaal geprofe­teerd had: "Want de ijver van Uw huis heeft Mij ver­teerd" (Ps.69:­10). Dan gaat het om de Midde­laar Die voorge­steld wordt. Onze Heere Jezus Christus, Die in deze wereld gekomen is, zoals Psalm 40 het zegt: "Zie, Ik kom; o Mijn God! om Uw welbehagen te doen; Uw wet is in het midden mijns ingewands" (Ps.40:8-9).

Wel gemeente, het gaat in onze zondagsafdeling om de Heere Jezus Christus. Wat hier van de Heere Jezus Chris­tus gezegd wordt zal op een andere plaats breedvoe­riger aan de orde komen, zodat het genoeg is, wat er over gezegd is voor deze avond. Maar wat er nog wel gezegd moet worden, dat is: welgelukzalig die hier iets van mag kennen bij bevinding, van de toeëigening, die ons van God ge­schon­ken is, zegt de catechismus, tot wijs­heid, recht­vaardig­heid, heiligma­king en tot een volkomen verlossing.

Het gaat hierom dat men in het Oude Testament, po­pelend heeft uitgezien naar deze Christus, naar deze Middelaar, naar deze Verlos­ser. Ze hebben popelend uitgezien, alle heiligen vanaf Adam en Eva in het paradijs, tot de laat­ste die is inge­gaan, tot Simeon die de Heere ver­wachtte en noem ze maar op. Dan gaat het om die geweldi­ge zaak: Hij is gekomen. Maar daar tegen­over, Hij is ons gewor­den.

Het gaat toch ook niet buiten de toepas­sing om. Welza­lig die de inhoud van deze tekst uit Korin­the, die de inhoud van deze catechis­mus, mag kennen bij bevin­ding. Dat wordt geleerd in een weg van afsnij­ding van ons­zelf, in een weg van omkomen met onszelf. Het is zo hardgron­dig nodig in onze levens dat we leren, dat al wat er in Christus is, in ons zelf absoluu­t nìet is. Ik wil heel prak­tisch zijn, er moet een wanhopen komen aan onszelf, opdat nu deze Jezus Christus nood­zake­lijk wordt, vanuit de zelf­kennis dat we zelf alle wijs­heid verloren hebben. Dat deze Jezus Christus nood­zake­lijk wordt vanuit de zelfkennis, dat we alle gerech­tig­heid, die God ons gege­ven had in het paradijs, verloren heb­ben. Vanuit de zelfkennis, dat we alle heiligheid verlo­ren hebben. Vanuit de zelfkennis, dat we zelf nooit zonder Verlos­ser zalig kunnen worden.

Nu wordt er gesproken: die ons geschonken is. Dat schen­ken en toepassen zal nader verklaard worden in zondag 23. Maar laat ik er vanavond dit van mogen zeg­gen, dat Psalm 102 er van spreekt, dat God Zichzelf weg­schenkt aan een gans ont­bloot schepsel. Het is zo nodig dat we tot 'niet' wor­den. O, wat is een mens dwaas in de weg van bekering. We denken dat we groeien moeten. We denken dat we geschikt moeten worden. We denken dat we iets mee moeten bren­gen. We denken dat we iets moeten doen. We denken dat we moeten helpen. Dat wordt allemaal afgesneden van Gods kant.

Ik wens u toe dat u door de Heilige Geest, door de ontdekkende kracht van de Heilige Geest ontdekt mag worden aan onze gerechtig­heid-loosheid, aan onze heilig­heid-loosheid, aan onze wijs­heid-loosheid. Dat we dwazen zijn, dat we goddelozen zijn, dat we besmeurd zijn en dat we besmet zijn. Het is zo nodig, dat we niet alleen zondaren worden voor God door ontdekking, maar het is ook zo nodig, dat we armmakende genade bij de ontdek­kende genade krijgen. Opdat we ook leren al onze leun­sels en al onze steunsels op te geven. Armmakende gena­de, ge­lief­de gemeente, armmakende genade!

Dat we eens afleren het in onszelf te zoeken, afleren om nog mee te willen helpen zelfs. Het is nodig dat we voorwer­pen worden van vrije genade en het is ook zo nodig dat we er iets van leren om schuldenaar te worden aan vrije gena­de. En schulde­naar te blijven tot in der eeuwigheid aan vrije genade. Het is een weg, ik heb het al meer gezegd, van afgebro­ken worden, het valt niet mee. We wensen overkleed te worden. We willen niet naakt bevon­den worden. We willen niet ontkleed worden zegt de apostel (2 Kor.5:2-4). Maar het is zo nodig dat we tot niets worden, opdat niemand roeme. "Opdat het zij, gelijk geschre­ven is: Die roemt, roeme in den Heere" (1 Kor.­1:31).

We moeten verlost worden van alles waarmee we onszelf omhan­gen, om nog enigszins aangenaam te zijn voor God. Wat zijn we bezig om ons aanneme­lijk te maken voor de Heere. Wat wringen we ons in duizend bochten ook in ons gebedsleven. Wat wringen we ons in boch­ten van bevinding. Maar zalig, wanneer we afgesneden worden. Wanneer we niet alleen zondaren worden, maar ook naakte zondaren voor God. Dat er niets meer overschiet dan ongerechtigheid, onhei­ligheid en dwaasheid voor God. Dat is zo nodig, wil God ons Jezus Christus schenken tot wijsheid, tot rechtvaardiging, tot heiliging en tot een volkomen verlossing.

Laat ik het heel kort mogen zeggen, het bloed van de Heere Jezus Christus, Gods Zoon, dat is zulk een dier­baar harte­bloed. Het wordt niet besteed aan onze kle­ding, het wordt alleen toegepast aan naakte zondaren. En daar wordt de reinigmakende kracht ervaren, door een zondaar die tot niets geworden is. Daarom is het evange­lie zo krach­teloos onder ons, daarom wordt er zo weinig geloof gevonden. Daarom wordt Christus Jezus zo weinig omhelst. We zijn niet te slecht gemeen­te, maar we zijn nog veel te goed. We bouwen onszelf duizend maal liever op in een eigen gerechtig­heid. We bouwen onszelf dui­zend maal liever op in een bepaalde wettische be­trach­ting. We willen het zelf kunnen en we willen het zelf doen.

O, wat worden er een uren besteed, bevinde­lijk, bevin­delijk hoor gemeen­te, en ik smaal er niet op, dat we ons reken­boek­je, ons geestelijke rekenboekje weer hante­ren. Dat we de weldaden van God op gaan schrijven en een streep eronder zetten om ze op te tellen, of we er mee ver­schij­nen kunnen voor God, maar er komt een nul uit. Dat wil zeggen er moet eens een keer een nul uit komen in onze levens. Wat zijn we duizend keer, wat ben ikzelf duizend keer bezig geweest om op te bouwen en het lukte nog ook.

Maar het moet gebeuren, dat het eens een keer ganse­lijk mislukt. Comrie noemt dat, dat we eens 'voor God in de dood vallen'. En daar wordt het leven gevonden. Want laat ik u mogen zeggen dat Jezus Chris­tus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Ik heb het niet één keer ervaren, maar meerdere malen. Als ik maar een zon­daar was, dan heb ik het gemerkt dat Jezus Chris­tus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken. Hij heet Zaligma­ker, Hij doet niet liever dan zalig maken.

Maar waarom worden er nu zo weinigen zalig in deze wereld? Omdat er zo weinigen 'zondaar' zijn. Wat heeft die dier­bare Zalig­maker toch weinig werk in deze wereld. O, wat een genade zou het zijn, geliefde gemeen­te, wan­neer we maar meer zondaar mochten worden voor Gods aangezicht. O, Gods volk, dat er iets van heeft leren kennen, dat ze toch maar weer opnieuw mocht leren ken­nen, zóndaar te zijn. Want dat volk klimt zo gauw in de boom. Maar het is nodig, telkens weer, niets te zijn, niets te zijn in ons eigen oog voor God.

Als een zondaar voor het eerst kermt, werke­lijk kermt, wanneer een zondaar bij vernieu­wing leert om te kermen uit zijn 'niets zijn' in de beleving, uit zijn onwaar­digheid, dan wordt het ervaren voor het eerst en bij vernieuwing, dat God zo'n kermer niet laat doorkermen. Dan wordt het ervaren dat Jezus Chris­tus geschonken is, voor alles wat ik nu zelf net mis. Voor mijn dwaasheid is Hij wijsheid gewor­den. Voor mijn goddeloosheid is Hij ge­rechtigheid geworden. Voor mijn onmacht is Hij heilig­heid geworden en tot een volkomen verlossing in de toekomst. Om ook mijn hart en mijn li­chaam een­maal vol­komen te verlossen en met elkaar te vereni­gen. Dan zal ook het verderfe­lijke onverderfelijk­heid aan­doen. En dan zal het sterfelij­ke onsterfelijk­heid aan­doen.

Laat ik het met eer­bied mogen zeggen, erger er u niet aan: mijn ziel moet tot niets worden, maar ook mijn li­chaam moet eerst tot niets worden, wil het door die dierbare Heiland, door die Verlos­ser be­zocht worden. Om de verderfelijkheid onverderfelijk­heid aan te doen en de verwelkelijkheid onverwelke­lijk­heid aan te doen.

Wat een zaligheid: Jezus Christus! Mijn dwaasheid staat tegenover Zijn wijs­heid, mijn goddeloosheid tegen­over Zijn gerechtigheid, mijn onheiligheid tegen­over Zijn heiligheid. En dan die volkómen verlos­sing. Want, één ding ervaren we ook, wanneer we iets kennen van dat zaligmakende werk, van dat bevrijdende werk, van dat verlos­sende werk van Jezus Chris­tus. Dat de tong van een onverlost schepsel te klein is, te kort, om Gods lof groot te maken. Daar is de eeuwigheid voor, daar is de verlossing voor en daarom staat er geschreven, niet alleen tot een verlossing, maar tot een volkomen verlos­sing. Dat wil dit zeg­gen: in mijn beste ogen­blik­ken heb ik de beperktheid ervaren van mijn ziel, heb ik de beperkt­heid ervaren van mijn lichaam. In mijn beste ogenblikken heb ik de ontoe­reikendheid van mijn tong, mijn oren, mijn ogen bemerkt.

Dan gaat het er om, dat Jezus Christus geschonken is ook tot een volkomen verlossing. Om een­maal Zijn naam dan ook volkomen groot te maken tot in der eeuwigheid. De drieënige naam, de naam des Va­ders, en de naam des Zoons en des Heiligen Geestes. De Heilige Geest moge ons er maar veel in onderwijzen, ons tot niet maken, geliefde gemeente.

Bidt maar veel, het gaat tegen vlees en bloed in, maar bidt maar vaak tegen vlees en bloed in, om ontdekkende genade, hernieuwde ontdekkende genade, armmakende genade en nog eens hernieuwde armma­kende genade. Aan zondaren kan God Zijn genade kwijt. Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. Dat is een getrouw woord en aller aanneming waardig. Maar dan moeten we ook weer eens zover komen: "Van welke ik de voor­naam­ste ben" (1 Tim.1:15).

Ik wens het u toe, veel ontdekkende genade, veel armma­kende genade. Dan zal er zeker ook zijn: vervul­lende genade. Want de Heere heeft het beloofd hoor, als er zulke zielen zijn: 'Dat wat Zijn hand begon­nen is, Hij dat ook voltooien zal. Hij laat nooit varen de werken Zijner handen' (Ps.138:8).

Hebt u er een beetje kennis aan, God is ge­trouw, Hij zal zeker Zijn woord vervullen. Hij, Die het ene doet zal het andere niet nalaten. Hij maakt het land begerig om het dan ook te verzadigen met regen. Hij maakt de zielen dor, om ze te verzadigen met de Heilige Geest. Hij heeft het gesproken en zo waar als Zijn woord is, zo waar is God en zo waar als God is zo waar is ook Zijn woord. "Zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?" (Num. 23:19).

Dan heeft de Heere het ook gezegd: "Zou ik de baarmoeder openbre­ken, en niet genere­ren?" (Jes.66:9). Vraag maar veel ontdekkend licht, armmakende genade om tot niets te worden. Hij, Die het ene werkt zal ook het andere wer­ken.

O, het is zo goed om grondig, grondig afgesneden te worden door de gerechtigheid Gods. Om ook grondig te leren verstaan de barmhar­tigheid Gods in Christus Jezus onze Heere. Het is zo nodig en het is zo nuttig om niet alleen christen te zijn in de hoop, maar ook dat de Kerk des Heeren weer eens mocht ontwaken in de verzekering des geloofs in de kennis van die Zaligmaker. In de genade van die Zaligmaker. Laat het dan ook niet voor niets gezegd zijn in de Schrift: "Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Chris­tus" (2 Petr.3:18).

De catechismus zal straks verder gaan, zal het gaan verkla­ren waar­om deze Middelaar Jezus genoemd wordt: Hij zal Zijn volk zalig maken van al hunne zonden, dat is vervullen, dat is troos­ten! Hij geeft moed aan moedelo­zen, Hij geeft kracht aan krachtelo­zen, Hij schenkt de zaligheid aan rampzaligen. AMEN