Zondag 7. Vraag en antwoord 21

                                           ZONDAG 7

                                    Vraag en antwoord 21

 

        Psalm   138  : 1

        Psalm     72  : 4

        Psalm     43  : 3,4

        Psalm     32  : 1

        Psalm     32  : 3,6

        Hebreën 11

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonder­wijs, vindt u in Hebreën 11 : 1 en 6

 

Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.

Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te beha­gen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoe­ken.

 

We waren met onze catechismus gekomen aan zondag 7, vraag en antwoord 21

 

21. Vr. Wat is een waar geloof?

Antw. Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarach­tig houd, wat ons God in Zijn Woord geopen­baard heeft, maar ook een vast vertrou­wen, hetwelk de Heili­ge Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen ande­ren, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwi­ge gerechtig­heid en zalig­heid van God geschonken is, uit louter gena­de, alleen om der ver­dien­ste van Christus wil.

 

Geliefde gemeente, de vorige maal hebben we stil ge­staan bij de vraag: Worden dan alle mensen wederom door Chris­tus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden? En dat antwoord: Neen zij, maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden inge­lijfd en al Zijn welda­den aannemen.

En dan nu vanavond: Wat is een oprecht geloof? Een heel belangrij­ke vraag om te beantwoorden. Wat is een oprecht geloof? Die vraag schijnt ook in te houden, dat er veel geloof is dat nog géén oprecht geloof is.

Bij de vorige behandeling van de catechismus heb ik u er op willen wijzen dat God de Eerste is. Dat het niet in de mens ligt, om zich­zelf zalig te maken, of om zichzelf zalig te geloven. De doodstaat dus! Een hard stuk en door sommigen een onbarm­hartig stuk genoemd. Toch is dat niet zo! Wie de smaak te pakken heeft van vrije genade, maar dan ook werkelijk, vrije genade, die zou nooit anders willen, dan alleen door vrije genade zalig wor­den. Wat is de kerk altijd geteisterd door remon­strantis­me. We lezen ervan in het Oude Testa­ment, we lezen ervan tij­dens de omwandeling van de Heere Jezus op aarde, de Farizeeërs: doe, doe!

Ik wil heel eerlijk zeggen: wat zijn de gevaren op de dag van van­daag groot voor een her­nieuwd remonstrantis­me, zelfs in de recht­zin­nige kringen. Ik geloof dat ik het maar eerlijk moet zeggen waar de gevaren liggen. Ook waar de gevaren liggen voor ons als kerk, de kerk die we liefhebben: daarom een eerlijk woord.

We weten allen dat er naar aanleiding van de samenspre­king met de Neder­lands Gere­formeerde Kerk een stuk op tafel geko­men is over het geloof. Het is nog maar kort geleden dat die zaak weer opgera­keld werd over het geloof. Laat ik maar heel eer­lijk zijn en heel duide­lijk ge­meente. Dan krijgt u artikel 24 van de Neder­landse Geloofsbelijdenis voorgehouden in dat stuk. En wanneer we de Nederlandse Ge­loofsbelijdenis niet kennen zit daar een geweldig gevaar in. We lezen namelijk in arti­kel 24 van de ge­loofsbe­lijdenis: "Dat dit waarach­tig geloof, in de mens gewrocht zijnde, door het gehoor van het Woord Gods en de werking van de Heilige Geest, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens en doet hem leven in een nieuw leven, en maakt hem vrij van de sla­ver­nij van de zonde" enz.(NGB 24).

Wat ligt daar een gevaar in, wanneer we één ding niet in ogen­schouw nemen, namelijk dat arti­kel 24 wel spreekt over de weder­ge­boorte, maar niet over de levendma­king. Ik wil u waarschu­wen, artikel 24 spreekt over de door­gaande wedergeboorte of heiligma­king. Maar willen we weten waar het geloof vandaan komt in zijn onafhanke­lij­ke geschon­kenheid van God, dan moeten we terug naar artikel 22. "Wij geloven, dat, om ware kennis dezer grote verbor­gen­heid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ont­steekt een op­recht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdien­sten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten Hem zoekt" enz. (NGB 22).

Het geloof en de doodstaat van de mens, wat is er een verzet tegen. Het gaat er dus om, ik wil het u nog één keer duidelijk zeggen, dat er in artikel 24 dat ons onder de neus geschoven wordt over het geloof, dat het daar niet gaat over de weder­geboorte als levend­ma­king, maar over de wedergeboorte als heiligmaking. Het is inder­daad juist: het geloof gewrocht zijnde, werkt zelf ook!

 

Wat is een oprecht geloof? Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrou­wen. Om u nog eenmaal duidelijk de le­vend­making van de zon­daar voor te stellen, laat ons het beeld nemen van Lazarus, die gestorven was, dood in zijn graf lag. Zo is ook de mens der zonde. De levend­ma­king is op ­de tijd van Gods welbeha­gen, dàn komt Jezus om Lazarus levend te maken. Zou Lazarus zich daar kunnen beroe­men op zijn geloof? Lazarus was zo dood, dat, al had de hele wereld luid geroe­pen voor dat graf: 'Lazarus kom uit', dan had er nog niets gebeurd, zo dood was Lazarus. Zo dood zijn wij, al staat de hele wereld te roepen, 'kom uit', 'geloof', 'geloof'!

Het gaat om het godde­lijke Woord, om het leven­wekkende Woord van de Vorst des Levens, van Hem Die gezegd heeft: "Ik ben de Opstanding en het Leven" (Joh.11:25). Het gaat erom gemeente, wanneer God roept, zoals Jezus riep bij dat graf: "Laza­rus, kom uit", dan kòmt Lazarus ter­stond levend uit. Dan is het zo dat Laza­rus die stem hoort: "Doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven" (Joh.5:25) Zo lijdt het geen twijfel of Lazarus die stem gehoord heeft: "Lazarus, kom uit" (Joh.11:43). Het scheppend spreken gaat vooraf aan het zaligend horen!

De levendma­kende daad, al valt zij in de tijd samen, gaat in orde vooraf aan het geloof. Lazarus leeft en gelooft! Het moet ons maar heel duide­lijk zijn, dat Lazarus leeft door het machtswoord des Heeren. Maar nu aan de andere kant datzelfde geloof, dat door Gods welbe­hagen, door de Heilige Geest, in een zondaar ge­werkt wordt, dat geloof is meteen ook een ge­loofsge­hoor­zaamheid. Als Jezus roept: "Lazarus, kom uit", dan kòmt hij uit.

Het geloof! Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord geopen­baard heeft, maar ook een vast vertrouwen, het­welk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt. Zoals het met Lazarus was, zo is het met iedere arme zondaar. "Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor is door het Woord Gods" (Rom.10:17).

Een oprecht geloof. Wat zou daar mee bedoeld worden, met een oprecht geloof? De wereld, de kerk is vol van mensen die oprecht zijn. Zou dat betekenen dat je het echt moet menen gemeente? Natuurlijk betekent het dat ook, maar dat wordt er niet alleen mee bedoeld. Er zijn er dui­zen­den die het echt menen. We worden in Gods Woord gewaar­schuwd dat er velen zullen zijn, die menen in te gaan en die niet kunnen.

Wat is dan dat op­recht geloof? Het is een oudneder­lands woord dat ont­zag­lijk gedevalu­eerd is. Tegen­woordig bete­kent op­recht inder­daad: als je er maar helemaal achter staat! Als je maar geen reserves hebt, als je het maar echt meent! Maar in het oudneder­lands bete­kent oprecht eigen­lijk: het ware. Dat woord 'oprecht' in het oudne­der­lands wordt bij­voor­beeld gebruikt voor bepaalde bijbeluitgaven, dan staat er: 'Biblia, dat is de oprech­te ganse Heilige Schri­ft'. Dat betekent waarachtig, je kunt er van op aan. Het zegt ook iets over de her­komst van het geloof. Het komt alleen van die ene bron, waar het geloof vandaan kan komen, name­lijk van de Heilige Geest, door God Zelf gewerkt in het hart.

­Waar komt ùw zaligheid vandaan? Komt ze uit God, dan zal ze ook weerkeren tot God. Dan zal het een­maal erkend worden door de Almachti­ge. Dan zal het erkend worden in de dag van het gericht. Een oprecht geloof is iets, dat God Zelf geschon­ken heeft, dat God zal erkennen in de dag des gerichts. Evenals Juda moest erkennen, dit is mijn ring, dit is mijn staf, dit is mijn keten.

Een oprecht geloof, hetwelk de Heilige Geest door het Evange­lie in mijn hart werkt. Het oprecht geloof wordt hier verbonden met het Heilig Woord van God, met het Evan­gelie. Dat waren we ook tegengekomen in antwoord 18: maar wie is deze Middelaar? Onze Heere Jezus Chris­tus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaar­dig­heid, heilig­making en tot een volkomen verlossing geschonken is. Waaruit weet gij dat? Uit het Heilig Evangelie. Ziet u, zo is de oorsprong van dat allerheiligst ge­loof, van dat kostelijke geloof, uit het Evangelie. Het staat nooit los van het Woord. Daar hebben alle heiligen iets van begre­pen. Daar hebben ze ook onder het Oude Testament iets van begrepen, toen David gezongen heeft: "Uw Woord kan mij, of­schoon ik alles mis, door Zijnen smaak, èn hart èn zinnen strelen" (Ps.119:84 ber.).

Ten tijde van de reformatie was er ook een uitglijden van het Woord vandaan naar bijzondere openbaringen, los van het Woord in het hart, inwendig licht. Dat leert de Schrift nergens. Het gaat om het Woord, waarvoor de Heilige Geest Zèlf zorg gedra­gen heeft. Het Woord, dat de Heilige Geest Zèlf thuisbrengt in het hart van een zondaar. Eerst in zijn ontdekkende kracht, maar daar gaat het nu vanavond in de eerste plaats niet over, daarna in Zijn zaligmakende kracht.

Iedere gelovige kent toe­standen, iedere gelovige kent bepaalde zaken. Maar wat is er dikwijls een staan naar dingen die in wonder­da­den soms uitstijgen boven het Woord. Maar wat zalig, als onze beke­ring, als ons geloof grond vindt in dat Woord. "Zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad hebben" (Jes.­8:20). Daar ligt ook de vastheid in! Denk erom dat vaste christe­nen ook altijd Woord-christenen zijn. De vastheid in Gods Woord: "Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord" (Ps.56:5 ber.), daar zit een vastheid in, van nooit vervalst te kunnen wor­den. Dan zit er ook een vastheid in:" Hetgeen uit Zijn lippen ging, blijft vast en onver­broken" (Ps.­89:14 ber.).

Juist in de bestrijding van het geloof is het soms niet alleen dat wìj die Bijbel voor onze ogen hebben, het mag zelfs zo zijn, dat we Gòd Zijn Woord voor gaan hou­den. "Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet" (Hebr­.11:1). Maar dan zal het wel geloof moeten zijn dat door de Heilige Geest in mijn hart gewerkt is, door het Evangelie.

Wan­neer er gevraagd wordt: Wat is een oprecht ge­loof? Dan zegt de opsteller van de catechismus: Een op­recht geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord geopen­baard heeft. Zeker, het is ook nodig dat we alles voor waarachtig gaan houden wat God in Zijn Woord geo­pen­baard heeft. De kennis gaat vooraf aan het geloof, aan de toepas­sing, geliefde gemeente. Maar de kennis is niet genoeg. Het hoort wel bij het geloof, dat ik het àl voor waarach­tig houd. Dat er een zekere weten­schap, een zekere kennis in ons hart gegeven wordt, waardoor ik het alles voor waar­achtig houd wat God in Zijn Woord geopen­baard heeft.

Maar meer nog is het geloof iets dat de Heilige Geest uit dat Woord doet over­vloeien in mijn hart, in mijn ziel. Het is niet dat ik weet dat er mensen zalig zullen worden, dat die of die bekeerd is, dat ik bekeerde mensen aan kan wijzen. Maar dat is geen ge­loof!

Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis waar­door ik het alles voor waarachtig houd wat God in Zijn Woord geopen­baard heeft. Als het werkelijk over het waarachtige geloof gaat, het ware geloof, zoals het hier genoemd wordt, dan zit daar toeëige­ning in. Dat is niet het geloof van een lezer-zonder-meer, dat is niet het geloof van een toeschouwer-zonder-meer.

Wanneer de Heilige Geest in onze harten gaat werken, gemeente, dan vinden we in de Schrift iets terug van onszelf, wie we zelf zijn: arme zondaren. We vinden in die Schrift iets terug van onze veroor­deling. We vinden in die Schrift iets van onze verdoemelijkheid. Waaruit kent gij uw ellende? Uit de heilige wet Gods. Laat ik ook mogen zeggen, uit de Heilige Schrift Gods. Er zal iets over moeten gaan van de Heilige Geest en van dat Woord in onze harten, zodat we geen toeschou­wer meer zijn, maar dat we betrokken raken in de zaak.

Het gaat erom dat de Schrift ons zo toegeëigend zal worden, dat de Schrift ons zò toegepast zal worden, door de Heilige Geest, dat het waarlijk mìjn boek wordt, dat ook mìj leest. Ik lees niet alleen dat boek, maar het boek dat leest ook mij. Dan kunnen er tijden in ons leven zijn, dat je zegt: dat dierbare Woord. ­Maar wan­neer de Heilige Geest dat kostelijke Woord gaat gebrui­ken in zijn ontdek­ken­de kracht in onze levens, dan is het ook het Woord, wat soms brandt van de donders en de bliksems van de Sinaï in ons eigen hart.

Wat is een oprecht geloof? Blijft het geloof daar dan steken, dat we waarlijk gaan geloven, dat we zondaar zijn? Dat we waarlijk gaan geloven, dat we gevallen zijn? Dat we waarlijk gaan geloven, dat we schuldig zijn? O nee gemeente, het gaat nog verder. Dat boek des Levens is een Leidsman ten le­ven, voor diege­nen in wien het God behaagt het geloof te werken door Zijn Heilige Geest.

Er is iets in dat Woord, dat ontkleedt ons, dat Woord maakt ons arm, dat Woord maakt ons naakt. Niet, dat we daar het leven in zouden vinden gemeente. Besef het goed, dat we uit onze ellende niet kunnen leven. We kunnen uit onze schuld niet leven. We kunnen uit onze verdoemelijkheid niet leven. Och lieve kind, als je daar nou alleen mee voor God moet ver­schij­nen, dan is het toch immers nòg abuis. Dan is het toch immers nòg voor eeuwig kwijt. Maar dit is het grote Godswonder: dat Hij, wat Hij begint ook voltooit. Er staat in de Schrift: "Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters" (Ps.65:10). Hij laat de aarde verdrogen om het te bezoeken met Zijn regen.

Dan ligt er, zelfs in de ontdekking, zo'n heer­lijke krach­t: Hij zal, er is uitzicht! Psalm 130, "Uit diepten van ellenden", kent u het heils­be­vin­delijk, ge­meen­te? "Maar Hij zàl Israël verlos­sen van al zijn onge­rech­tighe­den". Dan ligt er troost in de Schrift, zelfs voor een arme ontblote zondaar, een bidder, een kruiper voor God. Troost in de woorden: "En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerech­tighe­den".

Dan zegt de Heere Zelf in Zijn Woord: "Zou ik de baar­moeder openbreken, en niet genere­ren?" (Jes.66:9).­ Wan­neer de Heilige Geest ons gaat ontkle­den, ons arm gaat maken, dan is het zo dat we uitge­wist zullen worden als een scho­tel, zoals de Schrift zegt: "Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist dien uit, en men keert hem om op zijn holligheid" (2 Kon.­21:13). Dat wil zeggen dat God ons ledig maakt, dat God ons zelfs nog uitwist, om ons te ontdoen van de laat­ste resten van onszelf. Waar­om? Opdat Hij zou kunnen gaan vervullen, de koste­lijke weldaden kwijt zou kun­nen, die er in Christus Jezus verworven zijn, in Zijn ganse lijden, in het bij­zonder op Golgot­ha.

"Die gehoor­zaam­heid geleerd heeft, uit het­geen Hij heeft geleden" (Hebr.5:8). O, haal er uw hart eens aan op gemeente, u, die anders niet zo uit de voeten kunt. "Die ge­hoor­zaam­heid geleerd heeft, uit het­geen Hij heeft gele­den. En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoor­zaam zijn, een oor­zaak der eeuwige zalig­heid gewor­den" (Hebr.5:8-9).

Vindt u het dan een wonder, ge­liefde gemeen­te, dat, wanneer de Heili­ge Geest een krui­meltje van dat zaligma­kende werk, van dat geloof, door het heili­g Evange­lie in onze harten werkt, onze ziel niet werk­zaam wordt met een klein deel, maar met de volle Christus en de volle zalig­heid. Hetzij dat we het beseffen of dat we het niet beseffen.

En dan is dit de grondwaarheid, dat de vereni­ging met Chris­tus voorafgaat aan de ver­eniging met Zijn welda­den. In die zin, dat wie Christus heeft, die heeft alles. Die heeft die hemelse Bruidegom, die is een hemelse erfge­naam. "Zo zijn wij ook erfge­namen, erfgena­men van God, en medeërfgena­men van Christus; zo wij anders met Hem lijden" (Rom.8:17). Het gaat erom dat het geloof altijd een toeëige­nende kracht heeft.

Het geloof in zondag 7, zijn twee zondaarsarmen die zich sluiten om Jezus Christus, omdat Hij twee open armen uitgestrekt heeft aan het kruis van Golgotha. Weten of niet weten, geliefde gemeente. "Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligma­ker Jezus Chris­tus" (2 Petr.3:18). Het gaat er nu om, hoe de zaken zijn: die de Bruide­gom heeft, die heeft ook de erfenis te wachten, al kan hij het niet ten volle bevatten.

Er is trap en mate in dat geloof, hoor gemeente, net zo goed, als er trap en mate is in de kennis van onze Heere Jezus Chris­tus. Maar er is in ieder geloof, in het klein ge­loof, in het aangevochten geloof, als het maar het oprechte geloof mag zijn, tòch iets, dat Jezus Christus aan­neemt en omhelst. En er zal ook altoos iets zijn, van het aanne­men van die dierbare welda­den door het geloof, door het Heilig Evangelie in mijn hart gewerkt, door de Heilige Geest. Dan gaat het wonderlijk worden in mijn leven, dat niet alleen anderen, maar ook mij verge­ving der zonden, eeuwige gerechtig­heid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der ver­dienste van Christus wil.

Het is heus geen vrome frase aan het eind hoor: om Jezus wil, om Christus wil, om Zijn ver­dienste. Maar daar ligt het geheim voor het geloof. Als het geloof iets aan moet boren, laat het die goudader aan mogen boren van Chris­tus alléén, van Jezus Christus en Dien gekrui­sigd. Jezus Christus, Waarvan de catechismus gezegd heeft: Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijs­heid, recht­­­vaardig­heid, heilig­making en tot een volkomen ver­lossing geschon­ken is.

Waaruit weet gij dat? Uit het heilig Evangelie! Dan wordt er in vraag en antwoord 21 inderdaad gesproken over de vergeving der zonden, dat ze niet alleen ande­ren, maar ook mij geschonken is. Eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil.

Nu is het zo nodig geliefde gemeente, dat wanneer we ooit onze armen uitgestoken hebben in het geloof naar die Zaligmaker Jezus Christus, dat er een doorwerking komt in onze levens, een doorwer­king naar de volkomen in-vrijheid-stel­ling, door de Heilige Geest. Dat de geest der dienstbaar­heid ons wordt afgenomen, en dat we de Geest der aanneming tot kinderen verkrijgen zouden, door Welken wij roepen: "Abba, Vader" (Rom.8:15).

Het gaat om een zaak die in God de Vader vast­ligt, die in Jezus Chris­tus vast­ligt, die in de Heilige Geest zo vastligt, dat het van geen wankelen weet.

Maar dan is dat geloof, dat oprechte geloof, dat zalig­ma­kende geloof door de Heili­ge Geest, een zaak van meer-en-meer, in het leven van de zondaar. Een zaak van was­dom: "Wast dan op in de kennis en in de genade van onze Heere Jezus Christus" (2 Petr.­ 3:18).

Moge de Heere het rijke­lijk schenken gemeente, opdat het eens door mag breken. Jezus Chris­tus en Zijn gerech­tigheid te omhelzen en vandaaruit te proeven en te smaken, gevoe­lig te geloven en gelo­vig te gevoe­len:

                                                                              

       Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;

       Die van de straf voor eeuwig is onthe­ven;

       Wiens wanbe­drijf, waardoor hij was be­vlekt,

       Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt.

       Welza­lig is de mens, wien 't mag gebeuren,

       Dat God naar recht hem niet wil schul­dig keu­ren.

 

En dat geloof dat kan aange­vallen worden:

 

       En die, in 't vroom en onge­veinsd gemoed,

       Geen snood bedrog, maar blank' oprecht­heid voedt.

 

AMEN.