Zondag 8. Vraag en antwoord 24 - 25

                                           ZONDAG 8

                               Vraag en antwoord 24 en 25

 

        Psalm  113  : 1 

        Psalm    84  : 3

        Psalm      2  : 4,6

        Psalm  138  : 2

        Psalm  118  : 14

        1 Johannes    5

 

Onze tekstwoorden voor vanavond, grondslag voor ons catechismus­onder­wijs, vindt u in 1 Johannes 5 : 7

 

Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Eén.

 

En onze catechismus, zondag 8, vraag en antwoord 24 en 25

 

24. Vr. Hoe worden deze Artikelen gedeeld?

Antw. In drie delen.

Het eerste is van God den Vader en onze schepping.

Het andere van God den Zoon en onze verlossing.

Het derde van God den Heiligen Geest en onze heilig­ma­king.

25. Vr. Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest?

Antw. Omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopen­baard heeft, dat deze drie onderscheidene Personen de enige, waar­achtige en eeuwige God zijn.

 

Wel geliefde gemeente, de catechismus had ons de vorige maal gebracht tot de vraag: wat is dan een Christen nodig te geloven? Alles wat ons in het Evange­lie beloofd wordt, hetwelk ons de Artike­len van ons Christelijk geloof in een hoofd­som leren.

Voordat de catechis­mus de twaalf Arti­kelen van stuk tot stuk zeer uitgebreid zal gaan behan­de­len, is er nog een zondagsafdeling besteed aan de verde­ling van die twaalf Artike­len. Het is pre­cies zoals een leerboek moet zijn, het gaat zo van stuk tot stuk voort. Het ge­loof, heb ik weleens gezegd, is niet een zaak van álles te weten en het weten voor het geloof is niet een zaak van één keer en dan àlles. Het is ook een zaak van meer en meer, van opwassen en toene­men in de kennis en de genade van God.

En zo is het een heel nutti­ge zondag, zondag 8. Wanneer er ge­vraagd wordt: hoe worden deze Artikelen gedeeld? Als dan het ant­woord niet is: in twaalf aparte Arti­kelen, maar als dan het antwoord is: in drie delen. Het is een heel nuttig gedeelte van onze catechis­mus, omdat er een samenhang is in zondag 8 tussen vraag en ant­woord 24 en 25.

Hoe worden deze Artikelen gedeeld? En dan staat er: in drie delen. Het eerste van God den Vader en onze schep­ping, het andere van God den Zoon en onze verlos­sing, het derde van God den Heiligen Geest en onze heilig­ma­king. Dat is ook de verdeling van de twaalf Artikelen, het eerste gedeelte handelt inderdaad over God den Vader en onze schepping. In het tweede gedeelte, het middelste gedeelte van de twaalf Artikelen, zult u behandeld vinden: van God den Zoon en onze verlossing.

Dan moet u goed onderscheiden, dat het middengedeelte van de catechismus later uit­voerig aan de orde zal komen: van God den Zoon en onze verlossing. Dat spreekt dan over de verlos­sing in die zin, hoe het door Christus Jezus verworven is in Zijn vernedering. En als dan dat derde, het laatste gedeelte van de twaalf Arti­kelen, spreekt: van God den Heilige Geest en onze heilig­making, dan wil ik nu reeds bij zondag 8 zeggen, dat het woord heiligma­king ge­bruikt wordt in een ruimere zin, namelijk als de toepassing van de welda­den, die door Christus verworven zijn, door de Heilige Geest. Waar­bij dan meteen opgemerkt kan worden, dat het in de twaalf Arti­kelen vastgelegd is, dat er een nood­zaak is van de verwerving van de zalig­heid, maar ook van de toepassing door de Heilige Geest in onze har­ten.

Wanneer dan deze catechismuszondag, die drie namen genoemd heeft: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Wanneer dan het antwoord van vraag 24 is: in drie delen, het eerste van God den Vader en onze schepping, het andere van God den Zoon en onze verlossing, het derde van God den Heiligen Geest en onze heiligma­king, dan kan het ook opgevallen zijn voor de nauwkeurige lezer, dat hier bij iedere Persoon het woord God gebruikt wordt. Van God den Vader en onze schepping, het andere van God den Zoon en onze verlossing, het derde van God den Heiligen Geest en onze heiligma­king.

Aangezien er maar één enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest? Omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderschei­dene Perso­nen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn.

Het gaat om het leerstuk van de drie-eenheid gemeen­te. Een leerstuk wat zeer belang­rijk is, waarom ik van­avond met u de belijdenis van Athana­sius gelezen heb. "Zo wie wil zalig zijn, dien is vóór alle dingen nodig, dat hij het algemeen geloof houde. Zo iemand dit niet geheel en ongeschonden bewaart, die zal zonder twijfel eeuwig verloren gaan. Het algemeen geloof is dit, dat wij den Enigen God in de Drieheid, en de Drieheid in de Eenheid eren" (Art.1,2en3).

Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest? Deze vraag brengt ons bij het groot­ste wonder en bij een myste­rie dat boven het bevat­tingsvermogen van de mens uit­stijgt. Een onbegrij­pelijk wonder: één enig God, tòch Vader, Zoon en Heili­ge Geest onderscheiden.

Als u hier een uitleg van verwacht, dan vergist gij u. Er zijn heel wat povere pogingen onderno­men om deze zaak uit te leggen, een beetje toe te lich­ten, enigszins te benaderen. Hoe drie één kan zijn, heeft men weleens gepoogd uit te leggen aan de hand van de drieklank in de muziek: toon, terts en kwint, drie­toon, toch één melo­die. Er zijn veel meer voorbeel­den gegeven, maar daar­door wordt de zaak alleen meer ver­duisterd gemeente. Wanneer een nietig mens zich gaat onder­winden om te trachten iets te be­grijpen, wat niet te begrijpen is, wat ondoorgrondelijk is in God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Deze drie onderscheidene Perso­nen, tezamen de enige waarachtige en eeuwige God!

Uit de leer van hen, die getracht hebben in de theolo­gie om te bevatten, wat niet te bevatten is, zijn al zoveel dwalingen voortge­ko­men in de loop van de geschiede­nis. Dat begint al in de apostoli­sche tijd en dat zet zich voort, heel praktisch, tot aan onze deur, de deur van ons huis. Op de dag van vandaag door het Wacht­toren-genoot­schap.

Aangezien er maar een enig God is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest? Dan vragen ze aan uw deur: bewijs het eens?  En als u het dan niet bewij­zen kunt, dan zegt de mens in zijn hoogmoed: wat niet bewe­zen kan worden, dat kan ook niet bestaan. Weet u wat het grote wonder is, het is niet te begrij­pen, het is niet te bevatten, maar het is te geloven! En om er zo zuiver mogelijk over te spreken, over de drie­ëenheid, moeten wij maar zo weinig mogelijk onze eigen woorden gebrui­ken.

Wat is het dan een gewel­dige zegen dat God in Zijn voorzienigheid aan Zijn Kerk, die geweldige belijdenis van Athanasi­us geschonken heeft. Die het Woord na­spreekt, die God looft omdat het God ge­looft. Die de drieënige God looft omdat het de drieënige God ge­looft!

Calvijn heeft gezegd dat het gezongen moest worden. En inder­daad, wat zit er juist in die belij­denis van Atha­na­sius een loflied. Wanneer die belijdenis Gods Woord naspreekt: de Vader is God, de Zoon is God, de Heilige Geest is God; en nochtans zijn het niet drie Goden, maar het is één God. Het is een loflied van het geloof. De Vader is Heere, de Zoon is Heere, de Heilige Geest is Heere; en nochtans zijn het niet drie Heeren, maar het is één Heere.

O, wat een heerlijk loflied om na te spreken, om na te zingen. De Vader is almach­tig, de Zoon is almachtig, de Heilige Geest is al­machtig en nochtans zijn het niet drie almachtigen, maar het is één almachtige. O, wat een heerlijke zaak gemeente, als eigen woorden te kort schieten, dat God in Zijn voorzie­nigheid woorden ge­schon­ken heeft in de geloofsbe­lijdenis. Die door Calvijn zo hoog wordt ge­roemd, zodat hij zegt: ze moet gezon­gen worden, en daar komt het op aan, ik aanbid het, ik begrijp het niet, maar ik aanbid het.

Goed, wanneer er vanavond gevraagd wordt, aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest? Och dan geeft de catechismus het antwoord niet, omdat het zo in onze geloofsbelijdenis staat, niet, omdat het zo in de belij­denis van Athana­sius staat. Want: "Zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen heb­ben" (Jes.8:20), en daarom gaat het in de cate­chis­mus op de zaak zelf aan.

Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest? Omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheidene Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn.

Wel gemeente, dan gaat het er over dat de Schrift het ons leert. Dat God Zich in Zijn Woord openbaart als Vader, Zoon en Heilige Geest. Het gaat er om dat God Zich alzo openbaart, niet alleen in de woorden van het Nieuwe Testament, maar ook in het Oude Testa­ment als Vader, Zoon en Heilige Geest.

In het Oude Testament op verschillende plaatsen. Ik herinner u aan Psalm 2 waar gesproken wordt, dat God tot Zijn Zoon spreekt. Psalm 110 waar God tot Zijn Zoon spreekt. Aangaande de Heilige Geest, wat vinden we de gehele zaak duidelijk in de Profeet Jesaja wanneer er gesproken wordt : "Maar zij zijn wederspannig gewor­den, en zij hebben Zijn Heiligen Geest smarten aange­daan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestre­den" (Jes.63:10).

­Wat nog enigszins verborgen is in het Oude Testa­ment, wat komt dat klaar aan het licht in het Nieuwe Testa­ment. Al terstond in de geboorte-aankondiging van de Heere Jezus Chris­tus. Wat openbaart God Zich daar alzo, dat die drie onderscheidene Personen, de enige en waar­achtige en eeuwige God zijn. Wanneer de engel Gabriël tot Maria spreekt: "De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden" (Luk.1:35).

O, wat ligt het klaar door de Schrift verspreid, in het bijzonder in het Nieuwe Testament. We zullen ons houden aan wat de Neder­landse Geloofsbelijde­nis er van zegt: "De getuigenissen der Heilige Schrif­ten, die ons leren deze Heilige Drievuldigheid te geloven, zijn in vele plaatsen des Ouden Testaments beschreven; welke niet van node is te tellen, maar alleen met onderscheid of oor­deel uit te kiezen. Maar hetgeen voor ons wat duister is in het Oude Testa­ment, dat is zeer klaar in het Nieuwe" (NGB art.9). Wanneer de Heere Jezus Zelf de doop in­stelt: "Gaat dan henen, onder­wijst al de volken, dezel­ve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heili­gen Geestes" (Matt.28:19).

We zien het verklaard bij de doop van Jezus Zelf, wanneer de Heilige Geest op Jezus daalt in de gedaante van een duif, wanneer de Vader uit de hemel getuigt: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!" (Matt.3:17). Wat ligt de zaak ook duide­lijk in de apostolische brie­ven, dan bedoel ik met name de zegenwen­sen van de apostel Paulus. In het bij­zon­der, wanneer hij de gemeente gaat groeten, wanneer hij de gemeente gaat zegenen in de Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. De Vader, de Zoon en de Heili­ge Geest onderscheiden, en toch niet gescheiden.

­Wanneer die twaalf Artikelen in drieën gedeeld worden: het eerste dat handelt over God den Vader en onze schep­ping, het tweede over God den Zoon en onze verlossing en het derde over God den Heili­gen Geest en onze heiligma­king. Dan is dat een verdeling aan de hand van Gods weldaden, maar dan mogen we daar géén scheiding in lezen.

Als het eerste gedeelte spreekt van God de Vader, als de Schepper en Onderhouder van hemel en aarde, dan is dat inder­daad wel iets dat zeer in het oog springt, dat we God de Vader voornamelijk de Schepper noemen van hemel en aarde. Maar we moeten toch ook daarin niet te veel gaan scheiden, want u weet toch immers hoe het heilig Evange­lie van Johannes be­gint? Waarin ook Jezus Christus de Zoon van God wordt voorgesteld, als de Schepper van hemel en van aarde. "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding ge­maakt, dat gemaakt is" (Joh.1:1-3).

En scheidt dan niet te veel, geliefde gemeente, wat bij elkander hoort. Want de schepping is immers ook niet los te denken van de Heilige Geest. Dan is het heel opmer­ke­lijk: "In den beginne schiep God den hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond", maar ook daar lezen we dat de Heili­ge Geest scheppend "zweef­de op de wateren" (Gen.1:1-2). Ge­meente, we worden vanavond gewaar­schuwd, om niet al te veel te gaan schei­den.

Wanneer de twaalf Artikelen gedeeld worden en dat tweede gedeelte wordt genoemd: van God den Zoon en onze verlos­sing, mogen we niet zo ver gaan scheiden, want zonder de Vader en zonder Zijn eeuwig welbehagen, zou geen verlos­sing mogelijk zijn. We worden vanavond gewaar­schuwd niet te veel te scheiden, want zonder het werk van de Heili­ge Geest zou er ook geen verlossing zijn. We moeten ook dat laatste gedeelte: van den Heiligen Geest en onze heilig­ma­king, niet zo gaan schei­den, los gaan maken uit de drieëni­ge God.

Och, wanneer de catechismus de twaalf Artikelen gaat onder­schei­den in drie delen, het eerste van: God den Vader en onze schepping, het andere van God den Zoon en onze verlossing en het derde van God den Heiligen Geest en onze heiligma­king, dan hebben we heel goed te bedenken dat de cate­chismus een onderscheid maakt, maar dat er geen scheiding aangebracht wordt.

Zondag 8 is zo ontzettend prak­tisch, omdat we het nodig hebben voor onze geloofsbeleving. Want als er staat dat de drie Personen van gelijke eer zijn, dan ligt er vanavond ook veel onderwijs in zondag 8. Dat de kerk in het alge­meen daaraan niet mank zal gaan en dat een ieder van ons persoonlijk hierin niet mank zal gaan, dat God Zich openbaart: trinitarisch, drieënig. Dat er onder ons niet een doorvloeien moet zijn naar het een, noch naar het ander.

We vloeien door als we praktisch alleen zouden spreken en werk­zaam zouden zijn met één Persoon, zeg met de Vader, dan doet de Kerk toch onrecht aan de drie­nige God. Wanneer alleen de Vader de eer zou krij­gen. Maar ook wan­neer we alleen in de verlossing werk­zaam zouden zijn en zouden spreken over Jezus. O, dan kan er ook iets fout gaan, dan kan er ook een tekort in zijn ten opzich­te van God de Vader en van God de Heili­ge Geest. Wanneer Jezus alleen de eer zou krijgen. Och, daar liggen toch ook zoveel gevaren gemeente, wanneer we alleen de Heilige Geest zouden preken.

En zo brengt zondag 8 van de catechismus ons er toe om in de prediking, maar ook in het luisteren, als het ware, tot een herwaar­de­ring ge­bracht te worden. Het is als het ware een waarschuwing, dat de drieënige God gepreekt zou worden en dat ook de drieëni­ge God geloofd zou worden.

Want als er gevraagd is: wat is dan een Christen nodig te geloven? En als er dan gezegd is: al wat ons in het heilig Evangelie beloofd wordt, moet het dan in de eerste plaats niet zo zijn in de praktijk van zondag 8, dat we de vraag enigszins anders zouden stel­len en zouden gaan vragen: wat betaamt ons dan te geloven van God Zelf? Moet het dan niet een gehele God zijn, ge­liefde gemeente. Ik zeg het maar gebrekkig, maar dan bedoel ik inderdaad de drieënige God.

Moge de Heere ons bewaren voor een zondige eenzijdig­heid, ook in de praktijk, dat we nooit verder zouden komen. En dat wijst enigs­zins terug naar de drie stukken genoemd in het tweede antwoord. Dat we zouden blijven steken bij: God de Vader als onze Schep­per. Dat we zouden blij­ven steken in onze ellendigheid, in ons gezon­digd te hebben tegenover onze Schepper en Formeerder.

We worden vanavond ernstig gewaarschuwd, dat we ook bewaard moeten blijven om eenzijdig bezig te zijn met Jezus, alsof er een Verlosser zou zijn, alsof er kennis zou zijn van de Verlosser, indien we toch niet enigszins onze schuld hadden leren kennen ten opzich­te van de Vader, van Wie we afgevallen zijn in onze val, in onze bonds­breuk in Adam.

We worden gewaarschuwd om niet alléén te spre­ken over de Heilige Geest. Hetzij in een activiteit die grenst aan de Pinkster­gemeente, u kent dat, dat hoef ik niet uit te leggen. Hetzij in een lijdelij­ke zin, dat het alleen maar zou zijn onder ons, 'de Geest moet het doen'. Het gaat om de drieënige God, geliefde ge­meente!

Het is vanavond een zielsonderzoek, een harteonderzoek of God aan Zijn eer komt in onze levens, als drieënige God. Wat liggen er dan veel gevaren, juist wanneer de Kerk gaat vertrouwen op haar erva­rin­gen, wanneer de Kerk gaat vertrouwen op haar geloofservaringen, op haar geloofsbevinding. Dàn is het juist zo nodig gemeente, ik zeg dat niet tégen de bevin­ding, maar juist in een pleidooi vóór de bevin­ding. Wanneer de bevin­ding los komt te staan van het Woord, verachteren onze levens in het onder­wijs uit het Woord.

We worden vanavond ge­waarschuwd dat we gezon­digd hebben. Dat we een Schepper hebben en dat er een Verlosser is. We worden gewaarschuwd dat we niet één Persoon nodig hebben, maar dat we de drieënige God nodig hebben tot zaligheid.

Nu kan het in de ervarings-sfeer van het geloof en de bevinding weleens zo zijn, dat we wat kennis hebben van Jezus Chris­tus, maar dat er zo'n duis­ternis is aan­gaande de andere Personen, de Vader en de Heilige Geest. Dan kan er zo'n duister­nis zijn, zoals we ook lezen bij de discipelen. Jezus kennen­de en Jezus veel horende spreken over de Vader, heeft die discipel gevraagd, en wat is dat een kostelijk gebed geweest: "Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg" (Joh.14:8).

Het gaat erom gemeente, dat we de Drieheid in de Eenheid en de Eenheid in de Drieheid zullen eren. Dat we God onder­schei­denlijk zullen kennen, maar dat we toch dit ene vast zullen houden, dat God één is. Zoals iedere Jood het had geschreven op de post van zijn deur, zoals iedere Jood het geschreven had op de zomen van zijn kleed, dat de Heere één is, in dat kostelijke lied: "Sjema Israël Jahweh Elohenoe Jahweh echad" (Deut.6:4). Dat is: "Hoor, Israël! de HEE­RE, onze God, is een enig HEERE!" Maar dan wel enigheid in drieënig­heid: Vader, Zoon en Heili­ge Geest. Waarom? Omdat God het zo waard is ge­loofd en gedankt te worden, omdat ze van gelijke eer en heer­lijkheid zijn!

 

Waarom een verdeling van de twaalf Artikelen, als er toch maar één God is? Omdat God Zich alzo in Zijn Woord openbaart. Ik wil er vanavond nog iets koste­lijks bijha­len uit de Nederlandse Geloofsbe­lijde­nis, uit artikel 9, waar die heerlijke woorden gesproken worden die ook een antwoord geven op de vraag: waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest? Omdat God Zich zo koste­lijk openbaart in Zijn Woord, maar dan zegt de Nederlandse Ge­loofs­be­lijdenis erbij dat we de werkingen van God drieënig onder­schei­den­lijk in onze harten kunnen gevoe­len. Dat is het unieke van onze christelijke gods­dienst, het is naar het Woord een gods­dienst van de drie­nige God. Het gaat om pure bevinding, dat we de werkingen Gods, van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest in onze levens kunnen gevoelen!

Laat ik het maar zo zeggen, wanneer ons leven is in de ontdekkende gang, maar ook in de verzeke­rende gang, wordt God drieënig in het hart gekend. In de ontdek­kende gang, het is zeker waar, wanneer de Geest van God ons gaat ontdekken, geliefde gemeente, wat voelt het hart dan haarscherp aan, voornamelijk tegen God de Vader gezon­digd te hebben. Ik zeg voornamelijk, omdat dat nooit zuiver uit te drukken is. Maar wanneer een mens iets van zijn gevallenheid beleeft, wat is dat meteen een con­frontatie met God de Vader, onze Schepper, onze Formeer­der.

Wat is dat heerlijk juist gezegd, dat we nu die werkin­gen van die Personen in ons hart gevoelen, al in de eerste ontdek­kende gangen in het leven. Wat kunnen we het gevoelen in onze harten: de zaak van Jezus Chris­tus, de tweede Per­soon, wanneer Hij, door de Heili­ge Geest noodza­kelijk, dier­baar en gepast gemaakt wordt aan de ziel. Wat voelen we dan de onder­scheiden werkin­gen in ons hart. Als de ontdekking verder gaat ge­liefde gemeen­te, wat leren we dan de noodzaak van, niet alleen de Vader te kennen, de Zoon te ken­nen, maar ook de Heilige Geest in de toepas­sing te kennen in het hart. Wat wordt dat een even grote noodzaak als de verzoe­ning van Chris­tus tot zaligheid.

Wat is dat een heerlijk artikel gemeente, dat artikel 9 van de Neder­landse Geloofsbelijdenis over de drie­nige God. En wat wordt het zalig in het leven, wanneer we enige kennis krijgen van de Perso­nen. Dat harte-onderwijs is niet los van de Schrift, maar die Schri­ft vindt weerklank in onze harten, dat het alzo is. Wat een kostelijke zaak als we er iets van leren kennen, niet door één Persoon zalig te kunnen worden, niet door twee Personen zalig te kunnen worden, maar door drie Personen, Die noch­tans tezamen de enige en de drie­ënige God is. Wat een koste­lijke zaak, dat de Neder­landse Ge­loofsbelijdenis zegt: dat we dat in onze harten kunnen gevoelen, dat God drie­nig is. Zo wordt er ook in onze harten een hartelijke liefde geboren tot die drie Personen, zodat wat God gebiedt, dat God dat ook gaat werken in de harten van Zijn kinderen. Dat Hij aan Zijn eer gaat komen als drieënige God, Vader, Zoon en Heili­ge Geest.

 

Er is nog een zaak, ik schroom haast om het te zeggen, het is een tedere zaak voor de Kerk. Zo dierbaar als het is in de weg van ontdekking, wanneer we God leren kennen als drie Personen, zo dierbaar is het wanneer God Zijn werk gaat bevestigen op aarde in een zondaarshart. Ik wil er maar weinig van zeggen, het is zo'n tere zaak, die we bij Paulus lezen. Wanneer God de verzoening gaat uitwerken in het hart, wat wordt het dan een werke­lijk­heid, dat we een levende God hebben, een levende drie­nige God. Wanneer de Heilige Geest ge­schonken wordt in het hart, zodat Paulus zegt: "Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn" (Rom.8:16). O gemeente, wat een liefde voor de Heilige Geest, Die immers dezelf­de liefde waardig is als de Zoon en als de Vader.

Wanneer het ons te beurt mag vallen, dat die Heilige Geest ons geschonken wordt, wanneer we door die Heilige Geest onderwezen worden, wanneer de geest van de dienst­baarheid wordt weggenomen uit onze levens. Wanneer de verlossing zover doorwerkt in mijn ziel en in mijn gewe­ten, dat alle tegenspraak in mijn ziel gestild wordt door de inspraak van de Heilige Geest, dat we kinderen Gods zijn: "Die Geest getuigt met onzen geest". Wat een zaak, dat Gods Geest Zich verwaardigt om met onze geest te getuigen, dat we kinderen Gods zijn. Wat een zalige liefde gaat er dan uit van het hart naar de Heilige Geest, maar wat een zalige liefde gaat er dan ook uit naar de verdienende oorzaak, Jezus Christus, Die gestor­ven is, opdat Hijzelf de Erfenis zou worden van de kinde­ren Gods.

O, wat een liefde tot Jezus Christus wanneer de zaak bevestigd wordt. "En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeërfgena­men van Christus" (Rom.­ 8:17). Dan wordt de Kerk ook in de liefde ge­plaatst. Dan wordt de Kerk weleens verze­kerd van haar zalige toepassing van de Heilige Geest, van de zalige verlossing in Christus Jezus, maar dan mag de Kerk ook weleens verzekerd worden van haar genadige ver­kie­zing van eeuwigheid, uit het Vaderhart.

O, wat een liefde wordt er uitgestort in het hart, als zo een arme zon­daar als een verloren zoon aan de borst des Vaders valt. Ik vind het haast te teder om er veel van te zeggen, maar ik zeg het u toch: wanneer er van die geheiligde ogenblikken zijn in het leven, van die gehei­ligde zeldza­me ogenblikken, dat ze Christus Jezus na gaat spreken. Wanneer door de Heilige Geest, door de vrijmakende kracht in de geest van het kindschap, een zondaar verwaardigd wordt, een zondaar, o ja, maar een verloste, om het 'Abba Vader' uit te spreken.

Alleen nog dit ervan, geliefde gemeente, wat een liefde van God drieënig tot een zondaar, maar ook wat een liefde van een zondaar tot God drieënig. Waarom wordt die Kerk nu verwaardigd om te spreken 'Abba Vader'? Waarom geeft God zulk Aramees aan Zijn kerk, om 'Abba' te zeggen? Dat is hetzelfde woord, waarmee de Heere Jezus Zelf Zijn hemelse Vader heeft aangespro­ken.

En nu is er een vrijheid in Christus Jezus en er is een vrijheid in de Heilige Geest, er is een geopend Vader­hart, zodat wanneer de Heilige Geest in mijn hart fluis­tert, ik mag doorfluisteren wat de Zoon ge­fluisterd heeft, de eniggeboren Zoon, Die Zijn Vader heeft aange­sproken met het Aramese woordje 'Abba'.

Dan klinkt het uit de mond van een zondaar, o ja, een zondaar, maar een verloste o Heere, dan klinkt datzelfde woordje, dat liefde­woord­je, wat de eniggeboren Zoon van God mocht zeggen in de dagelijkse omgang. Dat ene lief­dewoordje mag dan op­klin­ken van die aangeno­men kinderen, door genadige adoptie door de Zoon, door de Heilige Geest. Opdat we erfgenamen zouden zijn, mede­rfgena­men van Jezus Chris­tus in de vòlle zaak.

O, wat zalig, dan komt God drieënig aan Zijn eer en dan laten we alles maar rusten, dan laten we het verleden maar rusten, daar rusten we in God. Dan leven we niet zozeer meer uit de weldaden die God ons ver­leend heeft, maar dan gaan we leven uit het Wezen Gods, de drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, te prijzen tot in der eeuwigheid.

Dan gaan we leven, niet meer uit het verle­den, dan gaat de toe­komst open naar die dag, dat de volle glorifica­tie van de Kerk zal plaatsvin­den voor Gods aange­zicht. Wanneer Jezus Christus het Koninkrijk zal over­dragen aan God en de Vader. Wanneer Hij Zelf ook onder­worpen zal zijn. Wanneer God zal zijn, God de Vader, de Schepper van hemel en aarde, wanneer Hij zal zijn alles en in allen.

Wanneer het alles vervuld zal zijn in een eeuwig groot halleluja.

Wanneer de schepping teruggekeerd is in God.

 

      Ere zij den Vader en den Zoon en den Heili­gen Geest,

      als in den beginne, nu en immer

      en van eeuwigheid tot eeuwig­heid!

 

AMEN.