Zondag 9. Vraag en antwoord 26

          VAN GOD DEN VADER EN ONZE SCHEPPING

                                           ZONDAG 9

                                    Vraag en antwoord 26

 

        Psalm    89 : 3

        Psalm    89 : 7

        Psalm    73 : 12,13,1­4

        Psalm  103 : 7

        Psalm    56 : 4

        Psalm    73 

 

­Psalm 73 : 25-28, grondslag voor ons catechismusonder­wijs

 

Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!

Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rots­steen mijns harten, en mijn Deel in eeuwig­heid.

Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert;

Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.

 

Onze catechismus voor vanavond, zondag 9, vraag en antwoord 26

 

26. Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik ge­loof in God den Vader, den Almachtige, Schep­per des hemels en der aarde?

Antw. Dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Chris­tus, Die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niet gescha­pen heeft, Die ook door Zijn eeuwi­gen raad en voorzie­nigheid ze nog onder­houdt en regeert, om Zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader is; op Welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twij­fel of Hij zal mij met alle nood­druft des li­chaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammer­dal toe­s­chikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almach­tig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.  

      

Wel, geliefde gemeente, we zijn dan vanavond gekomen aan dat gedeelte van de Heidelbergse Catechismus waarin de Apostolische Geloofsbelijde­nis, de twaalf Artikelen van stuk tot stuk behandeld zullen worden. En in dat kader is het eerste geloofsstuk uit de twaalf Artikelen aan de orde, waarin gezegd wordt: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

Ik wil u er allereerst op wijzen dat die twaalf Artike­len een geloofs­belijdenis zijn. Als ik dat zo zeg, wat bedoel ik daar dan eigen­lijk mee? Dan bedoel ik, dat het een geloofsbelijdenis is van het zalig­ma­kend geloof, wat meteen ook is, een heel persoonlijk geloof.

Zo beginnen de Artikelen met: Ik geloof, allerpersoon­lijkst, ik geloof. Het gaat er niet om wat de kerk gelooft of wat een ander gelooft maar, met insluiting van mezelf, wat de kerk gelooft en wat ik zelf persoon­lijk geloof mèt de kerk van alle plaatsen.

Het is een begin van de behande­ling van de twaalf Arti­kelen. Ik heb het u, meen ik, toch weleens eerder gezegd dat het woord 'geloven' zo ontzag­lijk veel te maken heeft met 'beloven' en dat het woord geloven dan ook zoveel te maken heeft met loven, in de betekenis van prijzen. "Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalm­zingen, terwijl ik nog ben" (Ps.104:33). Zo is het met een geloofs­belijdenis, daarin spreekt niet alleen de kerk zich uit, maar daarin maakt zij God ook groot in al Zijn daden, in al Zijn genade­weldaden. Daarin prijst zij de Heere. De kerk die gelooft, die looft ook God, die brengt de eer aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Ik geloof, het is dus meteen een lofzang. Ik heb het Calvijn horen zeggen, dat de geloofsbelijde­nissen gezon­gen moesten worden in de gemeente, want het is een lied. En inderdaad gemeente, wanneer het geloof er mag zijn, gewerkt door de Heilige Geest, dan zijn die ge­loofsge­tuigenissen zoals de twaalf Artikelen er één is van onze drie christelijke geloofsbelijdenissen, ook lofzangen. Dan kunnen we daar ook van zeggen wat David getuigt in Psalm 40, "Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode" (Ps.­ 40:4). De geloofs­belijdenis leert ons niet al­leen: "Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort! Zij wand'len, HEER, in 't licht van 't Godd'lijk aanschijn voort" (Ps.89:7 ber.).

Maar, zoals al gezegd, die geloofsbelij­denis is ook tot lof en prijs van God drieënig. In het eerste gedeel­te van de twaalf Artikelen van God de Vader, in het middenge­deelte van de twaalf Artike­len van God de Zoon, in het laatst van de twaalf Artikelen van God de Heilige Geest. De kerk die gelooft, zal er ook weet van hebben wàt zij gelooft. Ze neemt niet alleen toe in de genade maar ze neemt ook toe in de kennis! Zo zal die kerk ook ken­nis hebben van de zaken die God in Zijn Woord open­baart aangaande Zichzelf. Die kerk zal ook verstand hebben van de drieënige God, zoals David roemt in Psalm 119: "Alleen door Uw bevelen krijgt mijn geest ver­stand van God en Goddelijke zaken" (Ps.119:52 ber.).

De gelovige Kerk heeft geen impliciet geloof, die ge­looft niet zo­maar, zonder meer, wat de kerk gelooft, die Kerk gelooft concreet, om te beginnen met ons eerste Artikel: Ik geloof in God, den Vader den Almachtige, Schep­per des hemels en der aarde.

Dan heeft zo'n geloofsartikel ook wezen en inhoud voor de Kerk. Zij gelooft dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niet geschapen heeft, Die ook door Zijn eeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en re­geert, om Zijns Zoons Christus wil, en dan krijgen we weer dat allerpersoon­lijkste, mijn God en mijn Vader is; op Welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzor­gen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammer­dal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een ge­trouw Vader.

Zodoende heeft dat geloof, dat levende geloof ook werke­lijk een levende inhoud voor de levende Kerk. En om het u vanavond enigs­zins gemakkelijk voor te stellen, zien wij drie dingen in dit catechis­musonder­wijs.

 

      Ten eerste, wat Hij is: onze Vader in Christus Jezus.

      Ten tweede, wat Hij kan: Hij is een almachtig God.

      Ten derde, wat Hij wil: Hij is een getrouw Vader.

 

Wanneer het gaat over: Ik geloof in God den Vader, den Almachti­ge, Schepper des hemels er der aarde, dan zegt de catechismus wel dat deze Vader, mijn hemelse Vader is. Dat de eeuwige Vader van de Heere Jezus Christus ook mijn God en Vader is. Dan moeten we wel voor ogen hou­den, dat op andere plaatsen in de cate­chismus aan de orde ge­steld wordt, hòe de Vader, heilsbevindelijk, Vader wordt van Zijn kinderen!

Van der Groe verplaatst dat gedeelte naar het "Onze Vader, Die in de hemelen zijt", wanneer die koste­lijke Vader­naam behandeld wordt, om daar een uitleg te geven hóe God Vader wordt van Zijn kinde­ren. Per­soonlijk heb ik het zelf dikwijls geplaatst bij die zondags-afdeling waar gevraagd wordt: Waarom is Hij Gods enigge­boren Zoon ge­naamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Voor alle dingen moet vanavond gezegd worden, dat het eerste geloofsartikel niet spreekt over de heilswelda­den zoals zij verworven zijn door Christus en toegepast zijn door de Heilige Geest. Waar dat eerste artikel voorna­melijk over gaat is, heel praktisch, dat we vermaand worden veel kinderlijke vreze Gods te beoe­fenen. Naar­ma­te we kinderlijke vreze zullen mogen beoefenen, door de genade van de Heili­ge Geest, en ook dat zal nooit buiten Christus, Zijn lieve Zoon omgaan, hoe meer we ver­waar­digd worden tot een kinderlijke vreze, des te meer zal God Zich verwaar­digen een vaderlijke, zorgza­me God in onze le­vens te zijn.

Er wordt gesproken over: God den Vader, den Almachtige, Schep­per van hemel en van aarde. Daarin belijdt dat eerste geloofsartikel iets van de Almachtige God. Die de Maker is van álle dingen die aan­schouwd worden en die niet aanschouwd worden. De geloofsbe­lijde­nis van Nicéa zegt het nog iets uitgebreider dan onze twaalf Artike­len: "Ik geloof in één God, den almachtigen Vader,­ Schep­per des hemels en der aarde, aller zienlijke en onzien­lijke dingen".

Dan wordt er nog weer eens benadrukt Wie de Auteur is van hemel en van aarde. Wie de Schepper en Formeerder is van alle dingen. Want als het geloof daarin faalt, dan kunnen we wel ophouden met de rest van de geloofsbelij­denis. Laat ik het nu maar eens heel praktisch mogen houden: ik ben wel eens zo godde­loos geweest, dat ik inderdaad wel eens gehoopt heb, dat er maar géén God zou zijn. Ik ben wel eens zo godde­loos geweest dat ik dacht: 'was het maar waar, dat de wereld uit een evolutie is ont­staan'.

Maar laat ik dan vanavond mogen zeggen en getuigen, geliefde gemeente, dat, als er iets vreselijk zou zijn, dan zou het zijn als er geen God was. Als het nu eens echt waar zou zijn, dat de mens een stom produkt was van evolutie! O, wanneer we daar over door gaan denken jonge­lui, catechisanten, probeer me te volgen, probeer eens mee door te denken, want jullie hebben er dagelijks mee te maken op school. Als er nu eens géén God was en alles was maar stomme evolutie, wat zouden we dan rampzalig zijn.

Dan knaagt de wanhoop aan de deur van mijn hart, als ik er aan zou denken, dat er slechts stomme evolutie zou zijn, want waar gaan we dan naar toe, als we werkelijk zouden evolue­ren? Dan moet ik u zeggen dat we op weg zijn om ongelukkig, om voor eeuwig met z'n allen ramp­za­lig te worden. Dat wijst de ontwikke­ling van deze wereld aan, dat we steeds ongeluk­kiger zullen worden, tot we met z'n allen voor eeuwig verdoemd zullen zijn.

Maar dan houdt het ook in, dat hout en steen evolue­ren zouden tot dezelfde rampzaligheid, zodat er niets overblijft dan een volmaakte rampzaligheid voor God. O, kinderen, je mocht wel roepen: "halle­lu­ja, de Heere zij geloofd, dat Hij bestaat"!

Als Asaf de dingen ziet zonder God, dan is Asaf zo vreselijk onge­lukkig. Dan ziet hij de voorspoed van de dwazen en dan ziet hij zijn eigen ongeluk, wanneer het heiligdom losgelaten wordt. Dat geldt ook voor jullie jongelui, wanneer je het heiligdom los­laat, dan word je een groot beest voor God.

Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almach­tige, Schepper des hemels en der aarde? Wat een zalige wetenschap dat er Eén is, Die re­geert, namelijk God. Laat het dan waar mogen zijn uit het Woord, dat er ook een rampzaligheid is voor de godde­lozen, dan weten we toch ook uit datzelfde Woord dat er een gelukza­ligheid is voor allen die God vrezen.

Wanneer we dan belijden: Ik geloof in God den Vader, den Al­mach­ti­ge, Schep­per des hemels er der aarde, dan houdt dat in, dat het misschien niet naar mijn zin gaat, hier op aarde. Dat het mis­schien niet naar uw zin gaat, hier in de wereld, maar dat God gelijk heeft en dat God zal triomferen. Hij, Die de Schepper is van hemel en van aarde, is ook de Eigenaar van hemel en aarde en Hij zal met alles doen wat Hij wil, naar Zijn welbeha­gen. "En in God is geen onrecht" (Ps.92:16).

Het kind van God dat in het geloof mag staan, belijdt niet slechts dat de wereld geschapen is door God en dat de wereld onder­houden wordt door God. Maar zij noemen die God ook de Vader van onze Heere Jezus Chris­tus, Die de hemel en de aarde en alles wat erin is uit niet gemaakt heeft. Dan zit daar liefde in, dat er een wijs Wezen is, Die wij niet kunnen begrij­pen. "God is groot en wij begrijpen het niet" (Job.36:26), maar Die de wereld geschapen heeft uit louter liefde, niet uit haat om de mensen te ver­drie­ten. Niet uit haat om een jammer­dal te scheppen voor de mensen, maar uit louter liefde, opdat Hij ver­heer­lijkt zou worden! "In de mensen een welbe­ha­gen" (Luk.­2:14), hebben de engelen des hemels gezon­gen.

De eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die de hemel en de aarde met al wat daarin is, uit niet gescha­pen heeft, onderhoudt en regeert dezelve door Zijn eeuwige raad en voorzienig­heid.

Dan gaat het erom, geliefde gemeente, dat deze wereld die zo van God verlaten schijnt, tòch nog vastligt in Gods handen. Al wankelt alles, al schudt alles, al wanke­len zelfs de fundamenten der aarde, al werd de aarde verzet in het hart der zee. Het geloof mag weten, dat God er is en dat God regeert. Dat Hij gescha­pen heeft en dat duivel noch hel, verzoe­king noch ver­lei­ding, daar ooit iets aan kan veran­de­ren, maar dat het ooit weer terug zal komen in Zijn Godshanden.

En daarom wordt ook de naam hier genoemd van Zijn geze­gende Zoon, de Heere Christus. Nu niet in de eerste plaats ga ik er van zeggen dat Hij onze Borg, onze Middelaar en Zaligmaker is. Maar dat Hij de waarach­tige Zoon van God is, Die het werk des Vaders volvoerd heeft in deze wereld door Zijn verzoenend sterven aan het kruis.

Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met alles wat erin is, uit niet gescha­pen heeft, Die ook door Zijn eeuwigen raad en voorzie­nig­heid ze nog onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus wil mijn God en mijn Vader is.

O, wat een geloofsbelijdenis om te mogen belijden, dat die hoge, eeuwige, recht­vaardi­ge en heilige God, voor Wien de engelen het aange­zicht bedek­ken en uit­roepen: "Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige" (Openb.4:8), om Christus wil mijn God en Vader is. Het is nog wel te begrij­pen, dat God Schep­per is van hemel en aarde. Maar nu, het grote wonder in antwoord 26 dat is: dat die­zelf­de God, mijn God en Vader zij, om Zijn Zoons Chris­tus wil.

En dan gaat het naar het persoonlijke leven: dat Hij ons nog door Zijn eeuwigen raad en voorzienigheid onder­houdt en regeert. Dat zijn twee woorden: onderhoudt en re­geert, die vanavond niet aan de orde komen voor de verklaring, omdat u ze terug zult vinden in vraag en antwoord 27. Dan zal behandeld worden, hoe God regeert en hoe God onderhoudt. Maar vanavond is er een loflied, dat Hij onderhoudt en dat Hij regeert, als de Al­machtige God, zodat er ook gespro­ken kan worden: ik geloof, dat is meteen: ik vertrouw. Op welken ik alzo vertrouw dat ik niet twijfel....

Wil dat zeggen dat de gelovigen nooit twijfelen? O, dat geloof in Gods kinderen is zo vaak aan verzoeking ­en aan beproeving onder­he­vig, dat juist Gods kinde­ren zingen:

 

      Dan peinst de ziel: is 't waar, zou God

      Ook weten van mijn droevig lot?

      Zou d' Aller­hoog­ste van mijn klagen

      En bitt're rampen kennis dra­gen? (Ps.73:6 ber.).

 

God, Die Zich hier in Chris­tus Jezus, de Vader van Zijn kinderen noemt. Wat kan dat Vader-zijn beproefd worden. Dan hoor ik Jeremia zeggen van diezelfde Vader: "Hij is mij een loe­rende beer" (Klaagl.3:10). Dan zegt Jeremia in de beproe­ving: "Zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet be­stendig zijn?" (Jer.15:18).

Op welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel. De catechismus legt de vastheid niet in ons geloof, gelief­den. De catechismus legt de vastheid waar ze behoort te liggen: in God de Vader van onze Heere Jezus Chris­tus, Die om Christus wil mijn God en mijn Vader zij. Dan zal het juist de volgende keer blijken, dat er wel twijfels kunnen zijn. Twijfels, waarvoor? Voor het ongeloof, maar het geloof mag verzekerd zijn: "Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen on­recht" (Ps.92:16).

 

De catechismus vat nog eventjes samen wat dat is, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des li­chaams en der ziel verzor­gen. Dan gaat het om een een­heid, geliefde gemeente. Zij, die in God geborgen zijn, hebben niet alleen een geborgen ziel, ook hun lichaam is geborgen. Waarom? Om Christus wil. Heeft de eerste zondag van de catechismus niet beleden dat Jezus Chris­tus, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed, niet alleen de zielen van Gods kinderen heeft vrijgekocht, maar ook hun lichamen. Zodat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen.

We moeten wel letten op dat woordje nooddruft. Dat woordje kunnen we door midden delen en dan houden we nood en drift over. Daar­mee wordt niet bedoeld, wat ik aangenaam vind, o nee. Een vader geeft zijn kinderen niet wat zij aangenaam vinden, maar wat ze nodig hebben. Als we een goed opvoe­der van onze kinderen zijn, dan geven we ze immers bij ziekte geen snoepgoed, dan geven we ze een bitter drank­je. De meeste medicijnen smaken zo lekker niet, maar God onderhoudt Zijn kinderen met eer­bied gesproken, niet met snoepgoed, maar met medi­cijn.

Het gaat erom dat Hij mij met alle nooddruft des li­chaams en der ziel verzorgen zal. Dan gaat het erom wat nodig is en dan kan er ook weleens nooddruft nodig zijn, dan kan er weleens beproeving nodig zijn. Dat doet Hij, omdat Hij een Vader is, juìst omdat Hij Vader is. Weet u, God is niet alleen een getrouw Vader en een almachtig Vader, God is ook een wijs Vader.

En ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toe­schikt, mij ten beste keren of van mij weren kan. Gods kinde­ren misgaan dit jam­merdal niet. Als we een verge­lijking moeten maken, och, dan ont­gaan Gods kinderen hier beneden op aarde dit jammerdal zeker niet. O nee, want de Heere vindt het nodig voor Zijn kinderen, dat ze meer en meer ontworteld worden van deze aarde. We lezen het: "Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelij­ken zoon, dien Hij aan­neemt" (Hebr.­12:6).

Zodat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jam­mer­dal toeschikt, niet altijd afweren, maar ook weleens mij ten beste keren. Och kind, God kan op twee manieren helpen in dit jammerdal. Als we in het kwade zitten wat Zijn hand ons toeschikt, dan kan Hij ons op twee manieren helpen. Dan leren Gods kinderen weleens dat God een uithelpend God is, maar dan leren zij nog vaker dat God een doorhelpend God is. Begrijpt u het verschil? Dan worden alle moeilijkheden niet uit mijn leven weggehaald. Dan is God niet altijd een uit­helpend God voor Zijn kinderen, o nee, maar God is wel een doorhelpend God!

Zo lezen we in Psalm 73 van Asaf dat hij niet altijd een Uithelper maar wel een Doorhelper had: "Gij hebt mijn rechterhand gevat". Dan is God, Die ons leidt door dit jammerdal, als Vader ook wel eens de goede Herder en als goede Herder ook wel eens Vader. Wanneer God onze rechter­hand dan maar vat en wanneer Hij ons leidt door Zijn raad. Dan mogen Gods kinderen zeg­gen: "Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die ver­troos­ten mij" (Ps.23:4).

Op Welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzor­gen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jam­mer­dal toeschikt, mij ten beste keren. Het gaat om twee dingen: Hij kan zulks doen als een Almach­tig God en Hij wil zulks ook doen als een getrouw Vader.

 

Dus dan moeten we ons op twee dingen bezinnen, geliefde gemeen­te, en dat is de almacht Gods en dat is de wil Gods. Er wordt dikwijls onder de almacht Gods ver­staan, dat God alles kan. Dat is toch een misvat­ting dat God alles kan. Dat klinkt u misschien vreemd in de oren maar het is inderdaad zo, dat God niet alles kan. Catechisan­ten zeggen dat weleens: God kan toch alles, want Hij is toch almachtig. Nee, God kan niet alles, God kan alleen dat, wat Hij wil, God kan nooit doen wat Hij nìet wil! Daarom staat het hier bij elkaar: want Hij kan zulks doen als een al­machtig God en wil zulks doen als een getrouw Vader. Namelijk, zijn kinderen onder­houden in dit jammer­dal.

De almacht van God is ook aan de wil van God onderwor­pen, dat moet héél goed onder­scheiden worden. U moet mij niet kwalijk nemen als ik een voorbeeld neem, een heel gewoon voorbeeld. Almacht houdt niet in: 'alles te kunnen doen'. U zult begrijpen dat, hoewel ieder mens poten­tieel machtig is om een moord te begaan, het onmo­ge­lijk is, om iemand die je liefhebt ook kwaad te doen, begrijpt u? En zo is de almacht van God onder­worpen aan Zijn wil.

God is almachtig, maar ik kan u nog een paar dingen opnoemen die Hij nooit kan, heel toepasselijke din­gen. God kan twee dingen niet: Hij kan nooit een weldaad geven, die wìj verdiend hebben, opdat alles vrije genade zij. God kan in dat opzicht Zijn eer nooit uit handen geven, ook al is Hij almachtig. En zo kan God, wat een dierba­re gedachte, een zondaar nooit weldoen omdat een zondaar het verdiend heeft. Nòg iets wat God niet kan: God kan nooit van Zijn Woord af, wat Hij gesproken heeft blijft vast en onver­broken. God is zo strikt eer­lijk, Zijn almacht is onder­worpen aan Zijn wil. God kan niet liegen: "'t Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken" Ps.89:14 ber.).

Daarom wordt er zo'n inner­lijke liefde in je hart gebo­ren. Omdat we geen produkten zijn van evolutie, omdat we geen pro­dukten zijn van een stom noodlot, maar omdat de mens een schepsel van God is. Een schepsel van de goede God, zoals de catechismus spreekt: van God den Vader, den Almach­tige, Schepper des hemels en der aarde. Die om Chris­tus wil ook mijn God en mijn Vader is, Die ons zo ge­trouw verzorgt, dat Hij nooit iets zal nalaten wat tot onze eeuwige zalig­heid zal gedijen. Zodat we het lezen in de Schrift: "En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewer­ken ten goede, name­lijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroe­pen zijn" (Rom.­8:28).

Als er dan staat, ik geloof in God den Vader, den Al­mach­tige, Schepper des hemels en der aarde, dan is dat zo'n dierbare Naam, de Vadernaam. Het is niet ontleend aan het aardse vaderschap, maar het is net andersom. Het aardse vaderschap is ontleend, is beeld van het hemelse. Dan betekent dat een liefelijke betrokken­heid met dege­nen die Hij geschapen heeft, met Zijn schep­selen. Die schep­selen, die Hij heeft wedergekregen in Chris­tus Jezus. Dan tekent dat een relatie. Veel kinder­lijke vreze aan onze kant, maar aan Gods kant enkel liefde, Hij heeft de wereld geschapen enkel uit liefde. Hij gaf liever Zijn eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders was, om die verloren schepselen weer onder die Vader terug te brengen. Alle­maal liefde en die liefde in het geestelijke, straalt uit in de na­tuur, in de schep­ping. Zodat Hij alle kwaad van ons weert en zo Hij het niet van ons weert, dan nochtans ons ten beste keert.

O die Vader, dat is niet een aardse Vader, maar het is een hemelse Vader. Aardse vaders, lief­hebbende aardse vaders bederven vaak meer, dan dat ze goed maken. Maar die hemelse Vader overtreft alles in wijsheid en beleid. Aardse vaders zijn niet almachtig. Er kunnen situaties zijn, dat onze aardse vaders ons niet kunnen hel­pen. Ze willen wel, maar ze kùnnen niet. Als God wìl dan staat Hem Zijn almacht ten dienste om te helpen. Al liep ons pad zelfs door de zee, het zal aan hulp niet ontbreken, als het is tot Gods eer. Wan­neer Hij er nut in ziet voor Zijn kinderen.

O die Vader! Er zijn hier op aarde wel vaders geweest waar boeken over geschreven zijn, over de liefdedaden, die zij gedaan hebben voor hun kinderen. Maar er is er Eén die alles overtreft:

 

      Geen vader sloeg met groter mededogen

      Op teder kroost ooit Zijn ontfermend' ogen,

      Dan Isrels HEER op ieder, die Hem vrees­t;

 

O, zo mag de levende Kerk dat woordje Schepper en For­meerder weleens verwis­selen voor mijn hemelse Vader,

 

      Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten,

      Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,

      En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

 

AMEN.