Zondag 10. Vraag en antwoord 27 - 28

                                         ZONDAG 10

                               Vraag en antwoord 27 en 28

 

        Psalm     48 : 4

        Psalm     76 : 5

        Psalm   147 : 3,6

        Psalm   145 : 5,7

        Psalm     20 : 4

        Romeinen 8 : 18-39

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonder­wijs, vindt u in Romeinen 8 : 38 - 39

 

Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegen­woordi­ge, noch toeko­mende dingen,

Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

    

En voor vanavond dan de catechismusafdeling, zon­dag 10, vraag en antwoord 27 en 28

 

27. Vr. Wat verstaat gij door de voorzienig­heid Gods?

Antw. De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsga­­­­ders alle schepse­len, gelijk als met Zijn hand nog onder­houdt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruch­tbare en on­vruchtbare ja­ren, spijze en drank, gezondheid en krank­heid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij ge­val, maar van Zijn Vader­lijke hand ons toekomen.

28. Vr. Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles ge­schapen heeft en nog door Zijn voorzienig­heid onder­houdt?

Antw. Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schep­sel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schep­selen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

­­

U zult het nog wel weten, geliefde gemeente, dat eigen­lijk in zondag 9 de kernwoorden in het antwoord besloten lagen, de kern­woor­den ook voor zondag 10. En die kernwoorden zijn: onderhou­den en regeren! Dat vinden we in antwoord 26, en in vraag en ant­woord 27 wordt dat nader behandeld. In vraag en ant­woord 28 gaat het om de prakti­sche toepas­sing van het regeren en onderhouden Gods.

Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt? Dan krijgen we drie dingen: opdat we in voorspoed dankbaar zouden zijn, in tegenspoed geduldig en voor het toeko­mende vertrouwend.

Het gaat dus vanavond over de zaak die genoemd wordt: de voor­zie­nigheid. Dat zien we al in de vraag, wat verstaat gij door de voorzie­nigheid Gods? En die voorzienigheid hangt ten nauwste samen met het scheppen Gods. Het is niet voor niets dat nog eens in vraag 28 ge­vraagd wordt: waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft? De inhoud van deze vragen en deze antwoor­den, noemen wij de voorzienigheid Gods.

Nu is dat woord voorzienigheid voor tweeërlei uitleg vatbaar. Je kunt dat zo vertalen: God ziet alles voor­uit, Hij weet wat er gebeu­ren gaat, Hij weet wat er komt. Dat is zeker waar, maar als het gaat over de voor­zienigheid dan heeft dat woord toch een andere beteke­nis. Het betekent: God voorziet in alles, God zorgt. De Schrift leert ons, God zorgt voor U: "Weest in geen ding bezorgd" (Fil.4:6).

Nu hebben we de vorige keer gesproken over de schepping en over die verderfelijke leer, de evolutieleer. En omdat hier veel jonge mensen zijn, wil ik ingaan op iets dat nog veel verderfelijker is dan de evolutieleer, zoals we de vorige keer gezien hebben. Dat mag vanavond ook weer ter sprake komen, omdat er gesproken wordt over de schep­ping: waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft? In die grove evolutieleer komt de duivel op zijn klompen, maar er is ook een evolutie­leer en daarin komt de duivel op slofjes! Dan negeren we niet dat er een God zou zijn, dat wordt wel beleden. Natuur­lijk is er een God, maar je moet er niet aan tillen of Hij de wereld geschapen heeft in zeven dagen of in zeven miljoen jaren of zeven miljard jaar, het gaat erom dat er een God is.

 

Dat is een leer die de kerken binnendringt en ook voor  onze kerk­deuren geen halt zal houden. Het klinkt ook alle­maal zo buitenge­woon vroom en aanneme­lijk. Dan zegt men: God is zo wijs, Die is de oorzaak, Hij heeft ge­scha­pen. Hij heeft de natuur­wetten gesteld zodat alles gaat, zoals Hij het wil. Je moet er niet aan tillen of het zeven dagen, zeven miljoen jaren of zeven mil­jard jaren zijn, wij belij­den ook dat God de Schepper is.

Dan zegt men: God is zo wijs, Hij heeft de wetten in de materie gelegd en dat spreekt ons wel aan, want wij weten allen in ons dagelijks leven, dat wij van minuut tot minuut te maken hebben met oorzaak en gevolg. Het een volgt uit het ander. Men zegt heel vroom: God is de Oorzaak, Die het alles zo gescha­pen heeft en Die het alles geschapen heeft met wetten, waar­aan alles gehoor­zaam is.

Dan zegt men: we moeten theo­logie niet verwar­ren met wetenschap. Dan spreekt men zogenaamd weten­schappe­lijk over de schep­ping. Toch kan dat niet! De consequentie van die zogenoemde wetma­tigheden in de natuur is: dat we dan ook het geestelijke aan wetma­tigheden gaan onderwer­pen. Dan krijgen we iets wat heel dicht­bij is gemeen­te, zo'n gematigde evolutietheorie en een ge­loofsleer, die eigen­lijk ook inhoudt dat alles, bij de gratie Gods, zeggen we dan heel vroom, een zaak is van oorzaak en gevolg. Zo gij maar gelooft, ge wordt zalig.

Wanneer het vanavond gaat over de voorzienigheid Gods en de schepping Gods, dan gaat het hier over een machtig belijden: dat God er is! Dat God spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er en God gaat door van gedachte tot gedachte, van minuut tot minuut. Dat God bestaat en dat God regeert en dat God alles onder­houdt, dat wordt in de catechismus zo gezegd: als met Zijn hand.

God is niet de grote Afwezige, Die alles in gang gesteld heeft. Men noemt dit heel populair: een horloge­makers godsdienst. Een horloge windt men op, en zo heeft God de wereld geschapen en de rest loopt vanzelf. Dat wordt afgewezen. Er wordt op gewezen dat God be­stuurt en onderhoudt, niet door wetmatigheden van oorzaak en gevolg, maar als door Zijne hand. Weet u, dat andere klinkt zo vroom, God staat boven alles.

Het is waar, geliefde gemeente, God staat boven alles, maar de Schri­ft en de catechismus benadrukt: God is ook ín alles. Hij staat er niet alleen boven, Hij is er ook in. Wat we mogen weten uit die bekende tekst: "Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij" (Hand.­17:28). Het gaat om de heerlijke gedachte van het troos­t­stuk: de regering Gods.

Het lijkt weleens zo, alsof God de Afwezi­ge is in deze wereld. Voor miljoe­nen ìs God ook de grote Afwezige en men stapelt bewij­zen op: moet je eens zien naar dit en moet je eens zien naar dat. Ze zien God er niet meer in, dat is de armoede van deze tijd. Als we God er niet meer in zien, dan zien we er ook geen gat meer in. ­Wanneer God voor ons ook zou worden: God de Afwe­zige, dan houdt de levens­mogelijkheid en de levensmoed op!

Dat is ook het diepste probleem geweest van de Bijbel­heiligen: "Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God" (Ps.42:11).

Dan is er van­avond een geweldige bemoediging, God ìs er en God re­geert de wereldgeschiedenis. Dan kan ik er niet alles bijhalen, maar ook als we de grote verbanden zien, dan mag het geloof, het is dan ook een geloofsbelijde­nis, tòch zeggen: "Rust mijn ziel, uw God is Koning, heel de wereld Zijn gebied". "Door Mij rege­ren de konin­gen" (Spr.8:15).

Er is een beetje geloof voor nodig gemeente, ik zeg het maar heel bescheiden, ik zeg er maar 'een beet­je' bij, en er zou véél Schrift­ken­nis nodig zijn, dan zien we dat God de lijnen al getekend heeft, ook voor deze tijd, in het boek Openba­ring vooral. Daar zien we dat: "God regeert en Hij zal Zijn almacht tonen; Hij heerst, zover de blind­ste heidenen wonen" (Ps.22:14 ber.). Mis­schien zegt er iemand: ja, dat is waar, je kunt het merken aan de grote dingen, dat God er is, want als er geen God zou zijn! Weet u wat zo geweldig is, God is er ook voor de kleine dingen, zegt de catechismus.

We worden niet alleen onderwezen in het boek Openbarin­g dat God er is en dat Hij de geschiedenis schrijft met Zijn eigen hand, maar dan mogen we ook weten in de kleine dingen, dat de Heere Jezus gezegd heeft: "Worden niet twee musjes om een penningsken ver­kocht? En niet één van deze zal ter aarde vallen zonder uw Vader" (Matt.10:29). Dan mogen we weten, de Heere Jezus heeft ons daarin onderwezen: "Ook uw haren des hoofds zijn alle ge­teld" (Matt.­ 10:30). Dat is een machtig troost­stuk, want het kan door het onge­loof weleens zijn dat we nog wel gelo­ven aan de grote dingen, dat God regeert in de we­reld. Maar als we dan ook weer eens mogen weten: God regeert, niet alleen in de wereld, in het grote geheel; God regeert ook in onze huizen, in onze persoon­lijke levens, in onze persoonlij­ke harten.

De catechismus gaat voor­beelden geven, heel pastoraal, beel­den uit het leven gegrepen. Daarmee door­breekt de cate­chismus ook de ge­dachte, alsof het alleen maar oor­zaak en gevolg zijn, loof en gras. Hoe komt het, dat het zo slecht groeit? Dan zeggen wij: geen regen. Hoe komt het dat er geen regen is? De wind zit verkeerd en ga zo maar door. Maar het kan ondertussen buitenge­woon belang­rijk zijn voor de landman.

Wij worden gewezen op de hand des Vaders, Die het alzo regeert, dat loof en gras ons van Zijn Vaderlijke hand toekomen. Gras, dat is niet speci­aal het kostbaarste wat er hier op aarde is, behal­ve als we het nodig hebben, dan besef­fen we het weer eens een keer. Regen en droogte zijn ook oorzaken waarom het soms goed gaat, soms slecht gaat naar mijn gevoel. Vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, het raakt ook weleens mijn lijf, mijn leven: gezondheid en krank­heid, rijkdom en armoede en alle dingen, ze komen niet bij geval maar van Zijn Vaderlijke hand ons toe.

Och, daar hoeft eigenlijk niets van bewezen te worden, het geloof laat zich niet bewijzen. We worden hier als het ware, door de opstel­lers van de catechismus, getroost en gesterkt tot in het dage­lijkse leven, tot in het dage­lijkse bestaan, waarin loof en gras, regen en droog­te, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, ge­zondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle din­gen, niet bij geval, niet zomaar, maar van Zijn Vader­lijke hand ons toekomen.

Dat heeft dan consequenties, wanneer we gaan belijden dat het God is en dat het Zijn hand is.

 

De catechismus is zo bijzonder praktisch, ook in de volgende vraag: Waar­toe dient ons dat wij weten dat God alles gescha­pen heeft en nog door Zijn voorzie­nig­heid onderhoudt? Dat zou een vraag kunnen zijn die in onze dagen is uitgevon­den. 'Wat geeft het dominee, waar het vandaan komt, als we het toch immers maar heb­ben!'

Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt? Dan krijgen we de drie noties uit het antwoord, dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zouden mogen zijn en in het toekomende een goed toevoor­zicht zouden hebben op onze getrouwe God en Vader. Als er staat, op onze getrouwe God en Vader, ja, dan voelen we toch eigenlijk ook wel, dat daarin niet met­terdaad ieder mens gete­kend is.

Als er gevraagd wordt: Waartoe dient ons dat we weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voor­zienig­heid onderhoudt? Dat het door Gods hand geschiedt, dat onvruchtbare jaar, dat het ook door Gods hand ge­schiedt, dat rijke jaar. Dat het door Gods hand ge­schiedt, die ziekte, de gezondheid. Als we dan vragen: waar brengt het de mens, die zich niet van ganser harte tot God be­keerd heeft? Dan kunnen we wel zeggen, dat voorspoed ons niet dankbaar zal maken. We lezen in de Spreuken dat Agur bidt: "Armoede of rijk­dom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels; Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE?" (Spr.30:8-9).

En de tegenspoed voor een goddeloze? Is de goddeloze in tegen­spoed geduldig? Is het echt waar, wat we weleens horen zeggen: nood leert bid­den? Laten we maar heel eerlijk zijn gemeente, wanneer God onze nood niet hei­ligt, dan leren we niet bidden, maar vloe­ken. Dat is het vreselijke van te geloven dat God het doet, dan dus ook een dader aan te kunnen wijzen in mijn leven, waarom het mis gegaan is. Vloeken! Nood leert bidden, ik geloof het niet. Nood brengt ons wel in één van de twee situaties: gebalde vuisten of biddende handen. We kunnen onze vuis­ten ballen, we kunnen ook onze handen vouwen.

Trouwens, als het ook over die tegenslagen gaat van de goddeloze, dan moeten we niet zeggen dat het zijn God en zijn Vader is, Die dat toeschikt. Dan moet ik toch terug­denken aan Heidelbergse Catechis­mus zondag 4, dat we niet alleen onder tijdelijke, maar ook onder eeuwige straffen liggen, waarmee God de zonde bezoekt. Ik heb gezegd: deze catechismus is een geloofs­belijde­nis. Het gaat dus voornamelijk over de kinderen Gods.

Waartoe dient ons, dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt? Dat wij in allen tegen­spoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed toevoor­zicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aange­zien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewe­gen kun­nen. Het is kostelijk ge­zegd, maar wat is de praktijk erg beschamend gemeente!

Ik ken wel mensen die wisten, het is God, het is mijn Vader. En laat ik dan maar twee mensen mogen noemen, die God metterdaad hun Vader noemden en die in de tegen­spoed terecht gekomen zijn: Jeremia en Job. Toen heeft Jeremia in de tegenspoed niet gezegd: is het niet goed wat Vader doet? Hij zei iets heel anders, hij noemde God Zijn Vader niet, maar, het is vreselijk om te zeggen, toen heeft hij gezegd: "Gij zijt mij een loerende beer gewor­den" (Klaagl.3:10). En Job heeft ge­zegd: "Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij" (Job 30:21). Denk erom, ten aanzien van de voorzienigheid Gods, dat er veel te leren is gemeente. En zo heeft de een God Zijn Vader: een loerende beer genoemd, de ander noemde Hem: een wrede.

Het is niet automatisch zo: kind van God, dus dankbaar in voor­spoed, kind van God, dus geduldig in tegenspoed, kind van God, dus vertrouwend in de toekomst, o nee! We lezen van Job in zijn verzoe­king: "In dit alles zondigde Job niet" (Job 1:22). En toen de beproe­ving zwaarder werd, staat er: "In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet" (Job 2:10), dat is heel iets anders. Naar­mate de beproe­ving zwaar­der werd, heeft ten slotte ook Job met zijn lippen gezon­digd.

Nochtans, we hebben gelezen dat alle dingen moeten medewerken ten goede, denge­nen die God liefhebben. Daar is soms een hele weg voor nodig, diepe levensgangen om van beide zaken iets te leren, om in tegen­spoed geduldig en in voor­spoed dankbaar te zijn. We moeten ook niet denken dat het vanzelf gaat, om in voor­spoed dankbaar te zijn. Het is even moeilijk wel­licht als in tegenspoed geduldig te zijn.

Weet u wat eigenlijk de kern is, de sleutel is? Dat ook dat harde, zondige hart van Gods kinderen pas b­reekt, en een klein beetje wordt, wat het worden moet, als er in de voorspoed en in de tegen­spoed een levende omgang met God is. Als dat ontbreekt, lees dan Psalm 73, o wat is dat Godskind niet alleen nijdig op de goddelo­zen, ziende der goddelo­zen voorspoed, maar hij is ook nijdig op God. Hij moet het later eerlijk belij­den: "Ik was een groot beest bij u" (Ps.­73:22) En wanneer gaat Asaf dat belijden? Als hij in het heiligdom wordt ingebracht (Ps.73:17).

God oefent Zijn kinderen om er iets van te leren gemeen­te, geduldig te zijn in tegenspoed en dankbaar in voor­spoed. Daar is soms een heel leven voor nodig, om iets te leren van wat God te leren geeft. Om te leren zwijgen in tegen­spoed, om Gode niets ongerijmds toe te schrij­ven. Want dan lezen we ook: "Alle dingen moeten mede­wer­ken ten goede, dengenen, die naar Zijn voornemen geroe­pen zijn" (Rom.­ 8:28). En daarna wordt er uitge­werkt in Romei­nen 8, dat we het beeld van Zijn Zoon gelijk­vor­mig zullen worden (Rom.­ 8:29).

Reken erop, gij allen die God vreest, dat naar de ver­wer­ving Chris­tus de pers alleen getreden heeft en er was niemand van de volkeren met Hem. De Kerk waarvoor het bestemd was, heeft geslapen, geen traan tot de eigen zaligheid toegedaan. Maar in de toepassing gaat God de zaligheid toepassen in dezelfde weg, waarin zij verwor­ven is. Romei­nen 8 laat dat hoogtepunt van een kind van God zien, dat dáár gelegen is, waar het meer en meer het beeld van Christus gelijkvor­mig wordt. We hebben een heel leven nodig, geliefde gemeen­te, om daar iets van te leren.

Maar dan zijn er zulke schone voor­beelden van wat genade vermag, wanneer we dan inderdaad worden bewerkt om het beeld van Chris­tus gelijk­vormig te worden. Ik denk aan vader Hellenbroek, u weet toch wel, dat dat kind van God, een ècht kind was geworden: hij was kinds. Nooit ge­hoord? Hij zat in een grote kinderstoel en men heeft zich ver­baasd. Toen vroeg iemand: Och, is dat Hellen­broek? Toen zei Hellenbroek: "Is het niet goed, wat Vader doet?"

De Psalmen getuigen ervan, in de Psalmen zien we de Kerk in het hart. En daar zien we de kerk ook in het hart ten aanzien van zondag 10, wat betreft dat vertrouwen in de toe­komst: "Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opne­men" (Ps.73:24). Daar heeft de Kerk het allermeeste van, als ze veel kinderlijke vreze des Heeren mag beoefe­nen. O, dan oefent die hemelse Vader ook wel eens veel hemelse Vaderliefde in het hart. Dat is eigen­lijk de kern: zijt gij een kind van God? Zijt gij een geheilig­de, een voorwerp van de Heilige Geest, zodat God ook uw getrouwe Vader is? Dan kan het zo zijn: "Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde hare plaat­s, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën;" (Ps.46:3).

Dan is het metterdaad gebeurd, dat er een aardbe­ving was en dat de wereld rammelde op haar grond­vesten. Wat is dat voor een goddelo­ze vreselijk, iedereen vlucht­te uit de huizen om zich te bergen voor de dood. Maar er was ook een kind van God, die vluchtte het huis uit om Gods Naam te verhogen, om God te prediken, en ze sprak al die arme mensen toe: "Moet je eens zien, wat mijn Vader kan". Och, wanneer er veel kinderlijke vreze is, leren we het enigszins, om God te volgen in wegen en paden die we zelf niet gekend hebben.

Er was een kind aan het vliegeren en die vlieger stond zo hoog in de lucht, je zag hem niet meer. Het was een beetje belachelijk, dan zie je zo'n jongen staan met een touwtje dat naar de lucht gaat, meer niet. En dan moet je het maar geloven dat er een vlieger aan zit. Toen vroegen ze aan hem: zit er wel een vlieger aan, weet je het wel zeker? Toen zei dat kind: "Ja, voel maar hoe hij trekt­". Hebt u wel eens gevlie­gerd? Dan kun je dat weten!

Dat zalige vertrouwen, daarvoor moeten we werkelijk kind zijn: "Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens" (Matt.­ 18:3), als we niet worden als een kind, dan kunnen we ook weinig leren van dat heer­lijke Vader­schap. Ik heb eens gehoord van een schip in nood, het dreigde ieder ogen­blik te vergaan en alles was in rep en roer, behalve een kleine jongen. Men vroeg aan hem: "Waar­om ben jij niet bang?" Toen zei hij: "Mijn vader staat aan het roer".

Zo kunnen er ogenblikken zijn, dat we enigszins worden verlost van onze eigen hoogmoed en dat we gaan roemen in verdrukking. Dat is toch even een les zoals Paulus dat zegt: "En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdruk­kingen, wetende, dat de ver­drukking lijdzaamheid werkt; En de lijd­zaam­heid bevin­ding, en de bevin­ding hoop; En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven" (Rom.5:3-5). Waar gaat het dan om? Om de liefde Gods die in onze harten is uitge­stort. En dan zijn de laagste les­sen, geliefde gemeente, de dier­baarste lessen in het leven, wanneer we ver­waardigd worden het beeld van Christus ge­lijkvormig te worden.

Dan vraagt de ziel weleens, en dat is geen vreemde zaak voor een kind van God, dan kermt mijn ziel weleens God achter­na: Waarom, o Vader? En dan voel je het meteen, dat er Eén gekermd heeft, God achterna! Die deze dierbare Vader­naam niet op de lippen nam, maar slechts klaagde: "ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI!" (Matt.­ 27:46). Van­daaruit mag er een gehei­ligde, kinder­lijke vreze zijn tot op de bodem van het hart, zodat het geen opstan­dige vraag is, maar een kin­der­vraag. Als het hart schreit in de nacht van beproe­ving: Vader, waarom? Omdat Ik u liefheb! "Hij geselt een iegelijken zoon, dien Hij aanneemt" (Hebr.­12:6). En dan zegt mijn ziel: dank u Vader! Dan kunnen zelfs verdruk­kingen een Gods­geschenk zijn. "Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn gewor­den, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen" (Hebr.12:8).

In het dagelijks leven grijp ik wèl mijn eigen jongens en ik geef ze een draai om de oren, als ze het verdiend hebben. Maar ik kijk wel uit om het vreem­de kinde­ren te doen, dan kom ik met de politie in aanra­king. Nee, dat niet alleen, maar er moet liefde zijn om waarlijk te kunnen kastij­den. Dan die diepte­punten, dat zijn de punten dat je er bij­na ­bent!

Dan vraagt de ziel niet alleen: Heere, waarom? Omdat Ik u liefheb! Dan vraagt de ziel ook weleens: Heere, maar waarom dan toch zovéél? En dan spreekt die koste­lijke Vader in het kinderhart: omdat Ik u zovéél liefheb! Dan kan het lichaam uitgemer­geld zijn, maar dan is de ziele zo verzadigd. Dan wordt er weleens gezongen op een sterfbed: "Wien heb ik nevens U in den hemel?". Maar dan is er ook zo'n geest van hei­ligmaking en van hee­rlijkma­king, "Nevens U lust mij ook niets op de aarde!". Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten hoe rijk ik wel ben! "Bezwijkt dan ooit, in bittere smart, Of bangen nood, mijn vlees en hart". Dank u Vader! Want:­ "Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed, Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed" (Ps.73:13 ber.).

 

Dat kinderlijke aandeel, geliefde gemeen­te, ik weet niet of het bij iedereen zo is, maar dit wil ik u wel zeggen, het heeft nooit vaster gelegen, dan juist in de diepte van de verdrukking. O, die Vader­hand op het voor­hoofd waar het doodszweet op staat.

O, die gezegende Zone Gods, Die het Zelf alles vol­bracht heeft, Die door­gegaan is van lijden tot dood, van hellevaart tot graf. Die dier­bare Heilige Geest, zalige zaak, wanneer we er door geoefend mogen worden. "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwin­naars" (Rom.­ 8:37). Niet, dat wij dat lesje geleerd zouden heb­ben, o nee, maar "door Hem, Die ons liefgehad heeft" (Rom.8:37).

"Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven", dat is nog eens iets ander dan loof en gras, "dat noch enge­len, noch overhe­den", dat is nog iets anders dan een te droge of een te natte zomer, "noch tegen­woordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere" (Rom.­8:38-39).

Wel gemeente, staat gij naar veel liefde des Vader in uw leven? Dan zult u er uzelf voor over moeten hebben, om dan ook zeer veel het beeld van Christus gelijkvormig te wor­den. Maar dan is het een zalige zaak: "In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars". Ieder kind van God heeft er ìets van. Johannes zag ze gaan naar de heilige stad, naar de straten van goud en hij vroeg: "Wie zijn zij, en van­waar zijn zij gekomen? En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote ver­drukking komen; en zij hebben hun lange klede­ren gewas­sen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams" (Openb.7:13-14). Dan zal één van de liede­ren die daarboven gezongen worden, een lied zijn, van over­wonnen verdrukking, van over­wonnen beproe­ving.

Dan zullen we als het ware nog eens terug mogen blikken in deze hui­lende wildernis, in dit Mesech. Dan zullen we nog eens terug mogen blikken op de levensleidingen, op de be­proevingen en de verdrukkingen. De ganse Kerk die zalig wordt, zal dan danken op volmaakte wijze voor alles wat zij hier te dragen gekregen heeft van haar hemelse Vader. Dan zal zij zingen, zingen voor Gods Aange­zicht: "Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij" (Jes.12:1).

Dan zullen alle tranen van de ogen worden afgewist. In die dag, wanneer wij Jezus zullen ontmoe­ten, worden de zielevragen opge­lost: "In dien dag zult gij Mij niets vragen" (Joh.16:23). Daar, waar de Kerk in de heerlijk­ma­king ge­steld zal wor­den, zal de verdrukking voorbij zijn. Zij die in dit leven de vernederde Chris­tus ge­lijk­vormig gewor­den is, zal daar de ver­heerlijk­te Chris­tus gelijkvormig zijn. Daar zal geen rouw zijn, daar zal geen ziekte zijn. "En geen inwo­ner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal verge­ving van ongerechtigheid hebben" (Jes.33:24).

Geliefde gemeente, God voedt Zijn kinderen op. Hij wil Vader zijn van Zijn kinderen. Hij is een wijze Vader! We worden als kinderen Gods werkelijk niet verwend, we krijgen geen snoepgoed, om het zo eens te zeggen. Wat God ons schenkt is vaak medicijn en medicijn is vaak bitter. Hij kastijdt niet uit lust tot plagen, maar opdat wij Zijner heiligheid deelachtig zouden worden. Meer en meer gelijk­vormig aan het beeld van Christus naar de vernede­ring. "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1 Joh.3:2).

Wat een heerlijke toekomst! Zijt gij geborgen in God? Want dan zal de deur gesloten worden: "Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereer­ders, en de doodslagers, en de afgodendie­naars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet" (Openb.­22:15). Daarmee zal ook een grote oorzaak van het leed van de Kerk, van het leed dat zij hier moet lijden, weg zijn gedaan. Wan­neer God de goddeloze zal wegdoen als schuim van de aarde.

Moge de Heere het verhoeden, geliefde gemeente. Dan beter een misoogst op het land, maar dat er groei in uw ziel mag zitten, dan liever ziekte in het lichaam, maar dat  het hart genezen mag wor­den, dan liever als een hond dit leven door, om dan eenmaal ver­waardigd te mogen worden om in te gaan. Wij, die de ganse dag worden gedood, geacht worden als schapen ter slachting. Om dan eenmaal in te gaan in de vreugde onzes Heeren.

Dan zal het gelden: "Wel, gij goede en getrouwe dienst­knecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren" (Matt.­ 25:23). O, bekeert u toch, onbe­keerden! Want laat het wat verdruk­king meebrengen, maar het lijden van deze tegen­woordi­ge tijd is niet te waar­deren tegen de heer­lijk­heid, die ons zal geopen­baard worden.

De Heere, de Geest werke het uit in een weg van zeer veel kinder­lij­ke vreze, opdat Hij u Vaderlijk leiden mag naar de eeuwig­heid. AMEN.