Zondag 11. Vraag en antwoord 29 - 30

          VAN GOD DEN ZOON EN ONZE VERLOSSING

                                         ZONDAG 11

                               Vraag en antwoord 29 en 30

 

        Psalm     33 : 6

        Psalm     85 : 4

        Psalm     16 : 2,3

        Psalm   102 : 11

        Psalm     73 : 13,14

        1 Johannes    3

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonder­wijs, vindt u in het voorgelezen schriftgedeelte 1 Johan­nes 3 : 23

 

En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander lief­heb­ben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heef­t.

 

Zondag 11, vraag en antwoord 29 en 30

 

29. Vr. Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligma­ker ge­noemd?

Antw. Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij niemand an­ders enige zalig­heid te zoeken of te vinden is.

30. Vr. Geloven dan die ook aan den enigen Zaligma­ker Jezus, die hun zaligheid en wel­vaart bij de heiligen, bij zichzelven, of ergens elders zoeken?

Antw. Neen zij; maar zij verloochenen met de daad den enigen Zaligmaker Jezus, ofschoon zij met den mond in Hem roemen; want van tweeën één: óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die dezen Zalig­maker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zalig­heid van node is.

 

We zijn aan een nieuw hoofdstuk gekomen geliefde gemeen­te, een nieuw hoofdstuk van de catechismus. En daarboven staat: Van God den Zoon en onze verlossing. Het is het vervolg op het voorafgaan­de, zondag 9: Van God den Vader en onze schepping. En zo gaat het dan vanavond over God, den Zoon. En dan gaat de catechis­mus ons onderwij­zen in die geze­gende Zoon van God, Jezus Chris­tus de Heere.

Dan is er een vraag: waarin moet de Middelaar gekend worden? Want inderdaad, de Middelaar zal gekend moeten worden, daar sprak zondag 4, 5 en 6 al over. Het houdt ten nauwste verband met het zaligmakend geloof, dat er een kennen zal zijn. Daarvan heeft ook de Heere Jezus Zelf gesproken in dat allertederste Hogepriester­lijke gebed: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt" (Joh.17:3). En u vindt dat terug in de catechismus, dat het noodza­ke­lijk is, die Middelaar Gods en der mensen, de Heere Jezus Chris­tus te leren kennen: in Zijn namen, in Zijn ambten, in Zijn naturen, in Zijn staten en in Zijn weldaden.

Dat kennen is niet een kennen zonder meer. Met dat woordje kennen wordt niet bedoeld iets van het hoofd, maar iets van het hart, liefde. Het is heel merkwaardig dat het woordje kennen het eerst voorkomt in de bijbel wanneer het de volle inhoud heeft van: ervaren met het hart en liefhebben met het hart. De allereerste plaats in de Heilige Schrift waar we het woordje kennen tegenko­men, dat is in de liefde: "En Adam kende Eva, zijn huis­vrouw" (Gen.4:1). En zo is dat kennen een bijbels ken­nen, wat gekenmerkt wordt door de liefde. We zouden ook kunnen zeggen door het geloof. "En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Chris­tus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft" (1 Joh.3:23).

Het gaat vanavond niet over stukken en standen in het geestelijk leven, maar ons wordt heel een­voudig voorge­steld, waar nu het keer­punt ligt van: eeuwig verloren te gaan of eeuwig behou­den te wor­den. Namelijk in het geloof, het zaligmakend geloof.

Wat is dat een wonderlijke zaak, geliefde gemeente, de zaak van het ongeloof. Hoe komt het eigenlijk dat, als er in een volle winkel of op de markt een grote leugen verteld wordt, zo'n pertinente leugen, dat als je even nadenkt, je zou kunnen weten dat het niet waar is, hoe komt het, dat het geloofd wordt? En als de winkel dan leeg is, dat het verder verteld wordt in de huizen? Daar­in is de mens gete­kend in zijn ongeluk van onge­loof. Dat we zo toege­val­len zijn aan de duivel, de overste der leugenen, dat de mens nu wel vatbaar geworden is voor leu­gens in deze wereld.

Maar dan die boodschap uit de hemel van God: "Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam Zijns Zoons Jezus Christus". O, wat is de mens diep en diep ongeluk­kig, dat wij bij duizenden niet willen gelo­ven in Jezus de Zaligma­ker. Als we iets hebben leren kennen van de zonde van het ongeloof, dan zeg ik: wat zijn we ook onge­luk­kig, wanneer we leren dat we zelfs niet kùnnen gelo­ven.

En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam Zijns Zoons Jezus Christus. Eenvoudiger is de zaligheid niet voor te stellen. Daar zal nu werke­lijk de eeuwige be­slissing op vallen, of gij ge­loofd hebt in de Naam des Zoons Jezus Christus, of niet. Diezelfde Johannes ge­tuigt van het ongeloof, dat het God, Die niet liegen kan, Die Zelf de eeuwige Waarheid is, tot een leuge­naar maakt (1 Joh.5:10). Stel nu die twee zaken eens tegenover elkaar, dat de mens wèl bevattelijk is voor de duivel die de waar­heid niet spreken kan, en dat we nu zo ongeluk­kig zijn, dat we God, Die niet liegen kan, tot een leugenaar maken!

Ik ga u vanavond vragen gemeente, bent u daar wel eens recht ongelukkig onder geworden, dat u niet kùnt geloven in God, Die nog nooit één woord heeft laten vallen, van alles wat Hij gesproken heeft? Nu kunnen we er godde­loos tegenaan, en we kunnen er vroom tege­naan gaan. Wat zullen er velen verloren gaan, velen ook vroom verloren gaan, die geen grotere zonde gedaan hebben, bij wijze van spre­ken, dan dat ze alleen maar gezegd hebben: Ja maar..­. Begrijpt u, wat ik bedoel? En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam Zijns Zoons Jezus Christus. Als we hier ons 'ja maar'.... achter stel­len, dan zullen we voor eeuwig verloren gaan!

Hebt u er eigenlijk weleens bij nagedacht wie het vonnis uit zal spreken? Dat lezen we heel nauwkeurig in Johan­nes 5: "De Vader heeft de Zoon macht gegeven, ook ge­richt te houden, omdat Hij des mensen Zoon is" (Joh.­5:27). Die Jezus, geliefde gemeente, Die gezegende Zoon van God. Laat ik het héél menselijk mogen zeggen: in deze wereld is er niemand liever geweest dan Jezus, de Zaligma­ker, Die het land is doorgegaan, ook onze gemeen­te doorgaat. Die u werkelijk, hoofd voor hoofd, als het ware, aanziet, Die ù vanavond vraagt: en wat wilt gij dat Ik u doen zal? En wat wilt gij allen, dat Ik u doen zal? Die Jezus, Die gezegd heeft: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven" (Matt.­ 11:28).

Hij, Die Jezus heet, de zoetste naam, de beste naam op aarde, maar Die ook Jezus ìs! Die Zaligmaker heet, maar ook Zaligmaker is! O, wat is Hij nabij aan onze harten, ook nu, heel persoonlijk! Wanneer wij allen eenmaal voor Zijn rechterstoel zullen staan, wat zullen we het dan weten, dat Hij niet alleen in het algemeen Zich gewend heeft tot ons, maar ook in het bijzonder. Wat zullen wij het dan weten dat Hij in Zijn liefde aan de deur van ons hart heeft gestaan: "Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop" (Openb.3:20). O, wat zullen we het weten. Maar Diezelfde Jezus, Die zal ook eenmaal het oordeel uit­spreken over ons.

Voordat ik wil gaan zeggen hoe goed en hoe zoet Jezus is, wil ik toch als een ernstige waarschuwing zeg­gen, hoe streng diezelfde Jezus zal zijn in het gericht. Lieve kinderen, lieve grijsaards, dan zullen we geen excuses hebben, als we verloren gaan. Dan zal Jezus er Zèlf van weten. En lieve kinde­ren, Hij zal jùllie vragen, en lieve grijsaards, Hij zal ù vragen: heb Ik het aan u ook niet gevraagd: "Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?" (Luk.­18:41). Wat is het vreselijk om verloren te gaan onder een Rechter van hemel en aarde, Die we gekend hebben uit de predi­king. Wat zal het dan met recht gelden: "Gijlie­den hebt niet ge­wild" (Matt.23:37).

Wat zal het ook vreselijk tot ons doordrin­gen, dat het Heilig Evan­ge­lie, dat zo moeilijk kan zijn dat Petrus zelf zegt dat er plaatsen zijn in de Heilige Schrift, met name van zijn geliefde broeder Paulus: "In welke sommige dingen zwaar zijn om te ver­staan" (2 Petr.3:16), maar dat het heilig Evangelie in de kern zo eenvoudig is: "En dit is Zijn gebod dat wij gelo­ven in den Naam Zijns Zoons Jezus Chris­tus".

De catechismus gaat ons straks onderwijzen in die drie namen: Jezus, Christus en Heere. Het gaat hier in zondag 11 over de naam Jezus.

 

Waarom wordt Hij Jezus, dat is Zaligmaker genoemd? Omdat Hij ons zalig maakt en ons van al onze zonden verlost, daarbene­vens dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is. Jezus, het is een naam die we in de Heili­ge Schrift vaker tegenkomen, er zijn wel meer mensen geweest die ook Jezus heetten. Zo is het niet met Zijn ambtsnaam Christus, er zijn geen mensen geweest die de naam Christus droe­gen, maar de naam Jezus wel. En dan gaat het om de betekenis van die naam. O, het is heel een­voudig, iedere Israëliet wist dat die naam Zaligmaker betekende.

Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker genoemd? "Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden" (Matt.1:21). We merken het vaker in de Heilige Schrift dat een naam iets te betekenen had. Een Isra­ëliet gaf niet zomaar een naam, de ware Israëliet verzon niet iets. Aan de naam werd vroeger veel meer waarde ge­hecht. Een klassiek spreekwoord zegt: nomen est omen, wat betekent: moge de naam een voorteken zijn.

Dan verbaas je je er weleens over dat de naam van een persoon in de Heilige Schrift, soms geheel onthult wie die persoon dan wel was. Er zat dus als het ware een profe­tie in. Zo werd zo'n naam niet zomaar gegeven, maar vanuit het geloof: "Juda" gij zult God loven, "Jezus" Gij zult Uw volk zaligmaken van hun zonden. Daar zat dus profeti­sche kracht in, maar nog iets meer, daar zat ook een roeping in, want wie gaf eigenlijk de naam aan het kind? Het kan ons bekend zijn uit de ge­schiede­nis van Zachari­as, dat het niet een zaak was van vader èn moe­der. Het geven van een naam was de zaak van de vader. Dat lezen we ook met name toen Benjamin geboren is, hij kreeg niet de naam die de moeder goeddacht, maar de naam die de vader goed­dacht.

De gedachten Gods des Vaders liggen besloten in de naam Jezus. Laat het tot u doordringen en verwerk het geeste­lijk, geliefde ge­meente, dat het de Vader geweest is van onze Heere Jezus Chris­tus Die Zèlf bepaald heeft: "En gij zult Zijn naam heten JEZUS, want Hij zal Zijn volk zalig­ maken van hun zon­den" (Matt.1:21). Het is de engel geweest, de engel Gabriël die voor Gods aange­zicht staat, die het geboodschapt heeft: "En gij zult Zijn naam heten JEZUS".

O, laat ik wat heilsbevindelijker mogen spreken van­avond. Die zoete naam komt niet zomaar ons leven binnen, die naam had ook een ontwikkeling in het Oude Testament. En die ontwikke­ling ligt ook in het geestelijk leven. ­Die naam kwam eerst voor als Hosanna. Dat was eigenlijk dus de ouderwetse naam voor Jezus. We kennen dat woord nog uit de Heilige Schrift, toen Jezus Zijn intocht deed in Jeruza­lem. Toen hebben zij gezon­gen: "Hosanna, den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!" (Matt.­21:9).

Waar­uit blijkt dat die dochters van Jeruzalem allang niet meer wisten waarom het ging? Ver­geef het mij, om duidelijk te zijn zal ik het heel banaal zeggen, ze hebben geroepen: Hosa­nna, Hosanna, zoals wij roepen: hiep, hiep, hoera! Maar zo was het niet! Hosan­na, Hosanna, dat is het gebed geweest van het Oude Testament, dat bete­kende: ontferm U Heere, erbarm U! Dat was de schreeuw van een oudtesta­mentische bidder: 'Wie zal mij uit de wrede kaken van den dood eens los gaan maken' (Ps.102).

Hosanna kwam later voor als Hosea. Laat ik het maar zo mogen zeg­gen, toen kreeg het volk lucht voor hun ziel. Het was het ant­woord op dat Hosan­na, erbarm u Heere. O, wat handelt de Heere God, de Vader, wonderlijk met Zijn volk. In die naam Hosea, ik ga het niet taal­kundig uitleggen, maar heilsbevindelijk, zat iets van: 'Hij komt er aan'! En weet u wat dat betekent voor de onge­nteres­seerde? Niks! Maar voor hem die de klacht geleerd heeft: Hosan­na, ontferm u Heere, daarvoor betekent Hosea 'Hij komt eraan', dat het moede hoofd wordt opgelicht. Dat, als het ware, een ster­vende opgericht wordt om te zien: 'Hij komt eraan'!

Zoals iemand in de tent die door de slangen gebeten was, op de koperen slang moest zien. O, dan heeft niet ieder­een er even­veel zicht op hoor! Maar het gaat erom, of u er iets van kent, al hadden we maar een krui­meltje geloof. Die koperen slang in de woestijn, weet u niet, dat was het beeld van de Heere Christus. Toen zijn er mensen geweest die hebben gekeken en zij zagen gewoon een slang op een paal. Maar er zijn ook mensen geweest die zo veraf waren, dat ze niet wisten wat voor vorm of dat het was. Ze konden niet zien dat het een slang was. Maar weet u, wat het grote Gods­wonder is, ook heils­bevin­delijk? Die slang was van koper en de oos­terse zon stond erop te branden, zodat hij glom.

En zo kan het ook heilsbevindelijk weleens zijn. Ziet gij die slang, ziet gij die Christus aan Zijn Kruis? Nee, ik zie het niet! Zie je dan misschien iets glimmen in de verte? Al zou het maar één licht­straal­tje zijn, geliefde gemeen­te, één licht­straal­tje, iets van die zoete naam Jezus in het hart. Dan voel je, dat je gene­zen wordt, zoals die bloed­vloeien­de vrouw. Zij voelde dat er kracht uitging van die Zaligma­ker en de Zalig­maker voelde, dat er kracht uitging van Hem! En toen waren er twee zielen ver­enigd, de ziel van de Zaligmaker en de ziel van die vrouw.

Hebt u gelezen in de Christenreis, dat Chris­ten de weg gewezen wordt en dat men ook vraagt: ziet gij die poort daar, om binnen te gaan? O nee, misschien ziet u hele­maal geen poort waar u doorheen kunt. Ziet ge dan dat licht? O nee! U moet ook rekenen, Christen was zo be­droefd dat hij door zijn tranen het heldere zicht niet had. Maar toen daalde dat Evange­lie zo laag af voor zondaren. Ziet u dan helemaal niets? Toen zei hij: ik meen dat ik iets zie, heel in de verte, een licht­straal­tje. Maar dat is het dan ook helemaal gemeen­te, want of we er weinig van zien, of dat we de hele poort zien, of slechts een lichtstraaltje, de zaak blijft hetzelfde: "Dit is, dit is de poort des HEEREN" (Ps.118:10 ber.). Dan zeg ik niet: daar zal het rechtvaardi­ge volk door gaan, maar dan zeg ik: daar zal het volk, rechtvaardig door naar binnen gaan.

Toen is de tijd vervuld, eindelijk vervuld, en zij baarde haar eerstge­boren Zoon en zij heeft Hem Jezus genoemd, dat is Zaligmaker. Eigenlijk is dat niet zo'n precieze verta­ling, de echte naam in het Hebreeuws van Je­zus, wordt het beste weergege­ven met die versre­gels die wij zingen: "Om hen uit de wrede kaken, Van den dood eens los te maken" (Ps.102:11 ber.).

Zaligmaker: in het Hebreeuws ligt het accent dáárop, dat er één bevrijd wordt die overvallen is, één die dreigt gewurgd te worden door de zielevijand. Zaligma­ker: dat is het beste weer te geven met die schone versregels, voor iemand die voelt 'het knelt': "Ik dacht in mijn verdriet te smoren" (Ps.140:6 ber.) en "Ik heb hulp besteld bij een held" (Ps.89:20).

Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker genoemd? Omdat Hij ons zalig maakt en van àl onze zon­den verlost. Dan heeft dat Nederlandse woord 'zalig' iets wat het Hebreeuws niet heeft en dat is dat heerlij­ke vervul­len­de, want Hij zal Zijn volk zaligmaken. Dat oudneder­landse woord 'zalig' betekent: vólge­maakt wor­den, vólgegoten worden. Het werd in oudneder­lands zelfs gebruikt voor iemand die volkomen verzadigd was, die dronken was, daarvan werd gezegd dat hij 'zalig' was.

En zo is het een koste­lijke naam voor ieder die er iets van heeft leren kennen in zijn ziel. Wanneer het naakte geloof die kostelijke Naam gaat omhelzen, wanneer God door Zijn Heilige Geest ons gaat verwaardigen, dat wij geloven in den Naam Zijns Zoons Jezus Christus. Dan hoeft er niet veel gespro­ken te worden over vraag en antwoord 30, of Christus ook een ge­deeltelijke Zalig­maker kan zijn? Het kan niet! Het gaat om het totale, om het finale:

 

      Geef mij Jezus of ik sterf,

      Want buiten Jezus is geen leven,

      Maar een eeuwig ziels­verderf.

 

Die Naam is beslis­send in onze levens. Dat we die Naam niet zouden leren kennen als naam, maar in zijn kracht.

Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker genoemd? Daarom, omdat ik, als ik die Naam niet ken met het hart, de ellen­dig­ste ben van alle mensen, dan ben ik rampzalig. Dronken, verza­digd van rampen, dat is rampza­lig! Ik hoef het niet uit te leggen wat dat is. Dat betekent, dat ik het allerongelukkigste schepsel ben, wanneer ik Jezus moet missen. Rampzalig dat betekent ook dat het tot in der eeuwigheid voort zal duren, die rampzaligheid. Wat zit er een huive­ringwekkende kant aan, om Jezus niet te kennen met het hart. Wan­neer we dat zullen missen, dan zal werke­lijk het gemis van zulk een glans, van zulk een naam, een eeuwige nacht gaan baren.

En als ik iets heb leren kennen van die Naam, uit vrije genade, dat ik als een verlorengaande zondaar verwaar­digd ben, door de levend­ma­kende bediening van de Heilige Geest, te hopen op die Naam. O, dan kan het woordje geloven nog weleens te groot zijn, maar dan zeggen we het misschien zo: of ik nu werkelijk gelovende ben in die Naam van de Zoon van God, Jezus Christus, dat weet ik niet, maar ik ben in ieder geval hopende ge­maakt op die Naam.

Ik hoor iemand zeggen: ik weet niet of ik dat na kan zeg­gen, dat ik een gelovi­ge ben, dat ik dat zaligmakende geloof heb. O, ik vrees nog dat ik alles mis en dat mijn werk geen waarheid is. Het kan ook zo zijn dat u zegt: dat hopen, dominee, och ik kan het ook niet zeggen dat ik hopende gemaakt ben. Dan heb ik een laatste vraag, ge­liefde gemeente, is er liefde geko­men in uw leven voor die heerlij­ke Naam van de Zoon van God, de Gezegende des Vaders? Is er liefde in het hart gekomen voor die Naam?

Wanneer we die Naam enigszins hebben leren kennen, het­zij in het geloof, hetzij in de hoop, hetzij in de lief­de, dan is dat ten diepste dezelfde zaak: geloof, hoop en lief­de. Wanneer we iets van die Naam hebben leren ken­nen, dan verbleekt ons geloof, onze hoop, onze liefde voor deze wereld. Dan zal de wereld ons meer en meer gekrui­sigd worden en de wereld mij. Dan ligt er een zoetheid in die naam Jezus, Zaligmaker, die alle stukken en stan­den overtreft. Dan is het als een ziek kind, dat zijn naam hoort fluisteren, dan brengt het alle vrede mee, Jezus, Zaligmaker.

Een naam is zo ontzaglijk persoonlijk, ieder heeft zijn eigen naam. Zo heeft ook de gezegende Zone Gods een naam. Ik hoop dat u mij volgen kunt vanavond, het is zo zalig, om je allereigenste naam uit te horen spreken door iemand die je liefheeft. Wanneer het werke­lijk gaat spannen in onze levens, wanneer er niet meer met ons gespro­ken kan worden. Wanneer die naam door geliefde lippen gefluis­terd wordt, ònze naam, mìjn naam, slechts drie letters (Jan). O, dan ligt daar alle geluk des levens in. Zo ligt ook de welgelukza­ligheid van de Kerk met haar Zaligmaker, in die naam en ook de welge­lukza­ligheid van Jezus, in het horen uitspreken van Zijn naam.

Weet u wat het met een naam is? Als ik honderd vrienden heb die mij liefheb­ben, dan zullen ze allemaal die eenvoudige naam van drie letters tòch zo verschil­lend uitspreken zodat, al zou ik in mijn uiterste liggen en mijn vriend zegt mijn naam, ik zou weten wie die naam uit­spreekt!

En moge er zo zaligheid zijn in de hemel, bij de Heere Jezus Chris­tus door die lieflijke naam, in liefde uitgesproken door arme zonda­ren, dan is dat de hele welgeluk­za­ligheid, dat is ziele-omgang. Het kan soms geheel ver­tolkt worden in één woord, in één lieflijke naam.

Ik zal u een voorbeeld geven: Maria Magdalena was toch zo be­droefd, ze herkende haar Heere niet in Zijn ge­daante, maar ze herkende Hem in Zijn spre­ken. Zo is het ook met mij: ik heb Jezus niet gezien met mijn vlese­lij­ke ogen, maar ik heb Hem leren kennen in Zijn spreken. Dat diepbedroefde hart van Maria Magdalena had geen verhaal nodig, dat hart had slecht dìt nodig, vijf let­ters. Dat die dierbare Heiland, die Ziele­bruidegom haar naam uits­prak: "Maria". De gehele openba­ring van de verheerlijkte Chris­tus lag daarin beslo­ten. Dat was een dierbaar geheim, zoals Jezus "Maria" zei, zo was er maar Eén op de aarde en in de hemel Die zo Maria kon zeg­gen.

Dan hoeven we niet te vragen: wie zijt gij? Dan hoeven we niet te vragen: wie spreekt er met me? "Maria", als God haar naam noemt, dan fluistert zij terug "Rabbou­ni" (Joh.20:16). Zo was er ook maar één, die zo Rabbouni kon zeggen. Wat zaligheid kan er liggen in een Naam, een zalige Naam!

Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker genoemd? Omdat Hij ons zalig maakt.  Dan hoeft Hij slech­ts­ mijn naam  uit te spreken en ik de Zijne. Dan is de hemel op aarde, of moet ik het zo zeggen, dan is de aarde in de hemel, in die zalige communicatie met die Naam, omdat Hij ons zalig maakt en ons van al onze zonden verlost.

Wat een dierbare Naam! Ik weet heel goed dat het een gezang is, maar dan zegt mijn ziel toch: die regels zijn zeker waar,

 

      Geen Naam is er zoeter en beter voor 't hart,

      Hij balsemt de wonden en heelt alle smart.

 

Die Naam schenkt me kracht om door dit Mesech heen te gaan, door dit jammerdal, door alle menselijke moeite heen. Die Naam zal ook eenmaal de kracht en de behoude­nis zijn om door de doodsjor­daan heen te gaan.

Zoals Israël door de Jordaan geleid werd, door de oud­tes­tamen­tische Jezus de zoon van Nun, zò zal de nieuw­tes­ta­menti­sche Kerk geleid worden door de Jordaan naar de eeuwig­heid.

En de naam Jezus, Zaligma­ker, zal op haar lippen zijn. AMEN.