Zondag 12. Vraag en antwoord 31

                                         ZONDAG 12

                                    Vraag en antwoord 31

 

        Psalm   111 : 4        

        Psalm   115 : 7

        Psalm   110 : 1,2,3,4

        Psalm     89 : 8

        Psalm     72 : 7

        Psalm   110 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonder­wijs, Psalm 110 : 4

 

De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet be­rou­wen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Mel­chizédek.

 

En onze catechismus, vraag en antwoord 31 van zondag 12

 

31. Vr. Waarom is Hij Christus, dat is een Gezalf­de, ge­naamd?

Antw. Omdat Hij van God den Vader verordineerd is, en met den Heiligen Geest gezalfd, tot onzen hoog­sten Profeet en Leraar, Die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volko­menlijk geo­penbaard heeft; en tot onzen enigen Hogepriester, Die ons met de enige offerande Zijns lichaams verlost heeft, en voor ons met Zijn voorbidding steeds tussen­treedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest re­geert, en ons bij de verworven verlossing be­schut en behoudt.

 

Geliefde gemeente, vanavond gaat het opnieuw over de namen van de Heere Jezus Christus. Drie namen: Jezus, Christus en Heere wordt Hij genoemd. Onze vorige cate­chismus­afdeling heeft gespro­ken over de naam Jezus. Die zoete naam, die dierbare naam, Jezus dat is Zalig­maker. Hij heet niet alleen Zaligmaker, maar Hij is het ook, Hij doet het ook, Hij maakt zondaren zalig van hunne zonden.

Maar Hij heeft nog meer namen. Naast die naam Jezus die zo zoet is, is er ook de naam Christus die zo goed is. Ik heb het u vorige keer al gezegd: die naam Jezus is een gewone menselijke naam. We komen diezelfde naam ook tegen in het Oude Testament, waar hij vertaald wordt met Jozua of met Hosea. In het geslachtsregister van Mat­theüs 1 wordt deze naam vertaald met Ozias.

En in het Nieuwe Testa­ment zult u nog wel meerdere keren de naam Jezus tegen­komen. Het was dus een naam die wel minder voorkwam dan bijvoorbeeld de naam Johannes en de naam Jakobus, maar het was toch een naam die een Isra­ëliet gewoon kon dragen. Hij kon Jezus heten. Dat doet men tegenwoor­dig niet meer, uit eer­bied voor de Heere Jezus, de Enige, Die deze naam met recht gedragen heeft. Daarom noemen wij onze kinderen nog wel Johan­nes of Jako­­bus, maar wij zouden ze nooit de naam Jezus geven, hoewel dat nog wel gebeurt in rooms-katholieke landen, daar dragen nog kinderen de naam Jezus.

Met de naam Christus is dat anders, Christus is geen eigennaam. Jezus dat is, om het zo eens te zeggen, de menselijke natuur, het sittimhout, het kostbare hout van het verzoendeksel. Maar Christus is de naam van het loutere goud, waarmee het verzoendeksel overto­gen was. Christus is Zijn goddelijke ambtsnaam. Het is dus geen eigen­naam. U zult niemand vinden in het Oude of Nieuwe Testa­ment die Christus heet. Want Christus is Zijn ambtsnaam, zodat het ten diepste niet helemaal juist is om over Jezus Christus te spreken, alsof dat zondermeer een dub­bele naam is. We zouden eigenlijk moeten zeggen: Jezus de Christus.

Want wat betekent Christus eigenlijk, geliefde gemeente? Dat bete­kent heel gewoon: Gezalfde, dat is iemand die met zalf gezalfd is. Jezus, Die met zalf gezalfd is, wordt de Christus genoemd, de Gezalfde des Vaders.

U weet dat het gebruikelijk was in het Oude Testament dat iemand gezalfd werd als hij in een ambt gesteld werd. Daarvan weet ik eigenlijk nog maar één voorbeeld uit deze tijd: Koningin Elizabeth van Engeland is door de aartsbisschop gezalfd met heili­ge zalf­olie tot haar ambt. We weten dat het in het Oude Testa­ment ten deel viel aan diegenen die in het ambt gesteld werden. Een heel sprekend voor­beeld dat iedereen wel weet is bij­voorbeeld de zalving van David, die gezalfd werd om koning te zijn over het volk van God. Ook pries­ters werden gezalfd, we zingen daarvan in Psalm 133, van die heilige zalfolie die uitgegoten werd op het hoofd van Aäron, die nederdroop tot op de zoom zijner klederen en die het heilige huis geheel vervul­de.

U weet, dat God drie ambten had ingesteld in Israël, het eerste ambt was het ambt van profeet, het tweede was het ambt van pries­ter en het derde was het konings­ambt.

Het is heel merkwaardig, naast de vele personen die één ambt droegen, laat de Schrift ons twee mensen zien, twee bijzondere gunste­lingen Gods, die niet één ambt droegen, maar een dubbel ambt. Ik zal u de namen noemen, het was David die twee ambten droeg, hij was pro­feet en meteen ook koning. En ik zal u nog een naam noemen, we hebben hem gezongen in Psalm 110, Mel­chi­zédek die koning was en meteen ook pries­ter. En dan zal ik u vanavond een naam noemen van Ie­mand, heel bijzonder, Die drie ambten droeg: Profeet, Priester en Koning. Eén, Die drie­voudig volmaakt gezalfd is, Zijn naam is Jezus.

Dat had een bedoeling wanneer men gezalfd werd, als men het ambt intrad. Die zalving is in later tijd ver­vangen door handoplegging. Maar de echte zalving was zo­als we dat lezen in de Heilige Schrift, een zalving met heilige olie. Dat had een betekenis, net zoals de doop plaats heeft met water, om ons daardoor de onrein­heid onzer zielen aan te wijzen, zo heeft ook dat dopen met olie, die zalving met olie, iets te zeggen. In de eerste plaats dit: water is gauw opge­droogd, maar olie kleeft aan, olie dringt in de huid in. Als iemand ge­zalfd was, werd de plaats waar zo'n gezalfde zich bevond daarna nog lange tijd vervuld met een heerlijk aroma. Je kon het ruiken en je kon het ook zien aan het stralende ge­zicht, het gaf schoonheid en gratie aan de persoon. Het heilige der heiligen werd als het ware vervuld door de heilige zalf­olie, als de ge­zalf­de pries­ter binnen­trad.

Welke betekenis had die olie nog meer, dan dat het aan­kleeft, in­dringt en dat het een heerlijk aroma geeft? Die olie, dat was ook licht. In de tempel brand­de het licht op olie, dat heeft ook iets te zeggen: God is Licht, en Jezus heeft gezegd: "Ik ben het licht der wereld" (Joh.8:12), olie is ook licht. En God openbaart Zich in licht, zoals in dat zeer duistere heilige der heiligen, daar was een licht­glans boven de cherubim, boven het verzoendeksel. Dat licht bete­kende God Zelf, zoals wij ook zingen:

 

      Gods vriend'lijk aangezicht

      Heeft vrolijkheid en licht

      Voor all' oprechte harten

      Ten troost verspreid in smar­ten  (Ps.97:7 ber.).

 

Olie, dat betekende heerlijkheid in de oosterse wereld. Hoe rijker de persoon was, hoe duurder de olie en hoe heerlijker het aroma.

We lezen dat Jezus voor Zijn begrafenis, voor Zijn priesterlijke bediening gezalfd is door een vrouw met kostbare olie uit een albasten fles, en we lezen: "En het huis werd vervuld van den reuk der zalf" (Joh.12:3). Olie geeft ook licht in de duister­nis. Daarom lezen we ook van Jezus Chris­tus, de Gezalfde tot het drievou­dige ambt dat Hij genoemd wordt: "Die in het midden der zeven kande­la­ren wan­delt" (Openb.2:1).

Jezus is de Gezalfde des Vaders, we lezen dat op ver­schillende plaatsen, laat ik een plaats aan mogen wij­zen. Toen Jezus Zijn ambtelijke loopbaan begonnen is, lezen we dat de Heilige Geest op Jezus neder­daalde in de gedaante van een duif en dat de Vader Zelf gesproken heeft: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde" (Matt.3:17).

Die zalving had ook alles met God Zelf te maken. Die zalving werd wel door mensen voltrokken, maar ten diep­ste werd de zalving voltrok­ken in de naam des Vaders. Het was als het ware een hand uit de hemel, die op het hoofd gelegd werd van diegene die gezalfd werd. Vandaar dat het zo duide­lijk is, dat als de Heilige Geest op de Heere Jezus nederdaalt, de Vader Zich niet onbetuigd laat, maar dat er een stem word gehoord uit de hemel: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde".

Een mens die gezalfd is, mag een beetje licht van God uit de hemel hier op aarde dragen. De mens die door God gezalfd is mag enigs­zins een aroma, een goede reuk van God zijn hier beneden. O, zo is het Jezus Christus ge­weest in de allerhoogste zin, Die gezalfd is. Wat bete­kende die zalving dan eigenlijk, wat beteken­de die symbo­lische handeling, dat iemand zalfolie over zich uitgegoten kreeg? Twee zaken geliefde gemeente, de Heilige Geest roept Zelf tot de heilige dienst: een profeet om te profete­ren, een priester om te verzoe­nen, een koning om te regeren.

In de eerste plaats bete­kent de zalving, dat zo'n per­soon macht en last krijgt van God, om de wil van de Aller­hoogste hier op aarde, in naam van God, uit te voe­ren. Een profeet om te leren, een priester om te verzoe­nen en een koning om te regeren. Dan is die zalving een teken van Goddelijke verkiezing, God Zelf roept immers tot de ambten. Een ambt is niet hetzelfde als een be­roep!

Een ambt wordt uitgeoefend bij de gratie Gods en God heeft het Zelf in de hand. Vandaar dat hij die gezalfd wordt, macht en last krijgt, niet alleen om te leren, maar om te leren in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Wat ook heel duide­lijk is in de doop­opdracht, zodat het ambt niet alléén hoeft te spre­ken. De kracht van het profeten ambt was: "Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeg­gen: Zo zegt de Heere, HEERE!" (Ezech.2:4).

Zo is het met het profetisch ambt, met het priesterlijk ambt en ook met het koningsambt, het is geen vrijblij­ven­de zaak. Het is niet alleen mogen, de macht hebben, maar ook moeten, de last hebben, de opdracht hebben om datge­ne uit te richten, waartoe God de Vader ons veror­di­neerd heeft van eeuwigheid en in de tijd roept.

Dan zult u ook begrijpen dat een mens zich klein­ voelt. Wat kniel je dan laag zeg, die eerste keer dat je uitge­zonden wordt. Wat is er dan een besef van: wie is tot deze dingen bekwaam? Nu is het heerlijke van de zalving, dat het niet alleen inhoudt de roeping van God, de macht en de last, maar dat het ook meteen inhoudt de be­kwaam­ma­king des Heeren, de be­kwaamma­king van de Heili­ge Geest. Wan­neer God iemand stelt in het ambt, moet hij slechts mond en stem van God zijn. Zoals Johan­nes de Doper het zo schoon heeft gezegd toen zij hem vroegen: "Wie zijt gij?". Hij heeft toen gezegd: Ik ben slechts stem: "Ik ben de stem des roepen­den in de woes­tijn" (Joh.­ 1:23).

Wat is dat groot en wat is dat ook zwaar, maar daar van­avond niet op ingegaan, geliefde gemeente. Hoe hebben de profeten zichzelf aangeklaagd, vanwege het ambt dat zij bekleedden. Ik hoor Jesaja klagen: "Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben" (Jes.­6:5).

Ik ken de geschiedenis van Salomo, die geroepen werd tot het koningsambt, ik ken de geschiedenis van Aäron, de hogepriester. Maar tot een drievoudig ambt geroepen te zijn, macht en last te ontvangen! Vraagt gij Zijn Naam zo weet, dat Hij de Christus heet.

Waarom heet Hij dan Christus, dat is Gezalfde? Omdat Hij van God den Vader verordineerd is. Want denk erom als het ergens van geldt, dan wel van het ambt, u kunt dat in Hebreën heel nauwkeurig lezen: "Dat niemand van zich­zel­ven die eer aan­neemt, maar die van God geroepen wordt" (Hebr.5:4). Christus is van God den Vader verordi­neerd en met den Heiligen Geest gezalfd tot onzen hoogsten Profeet en Le­raar, Die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlos­sing volkomenlijk geopen­baard heeft, en tot onzen enigen Hoge­priester, Die ons met de enige offerande Zijns lichaams verlost heeft, en voor ons met Zijn voorbid­ding steeds tussentreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlos­sing beschut en behoudt.

Wat zullen we er van zeggen, Jezus de Christus is pre­cies wat ù had moeten zijn en wat ìk had moeten zijn. Ik herinner u aan het drie­voudig ambt dat Adam gedragen heeft, dat u en ik gedragen hebben in het paradijs. De mens is dat beeld Gods, dat drievou­dige ambt verloren. Maar nu krijgt de mens er weleens één terug, een ambt om leraar te zijn. Onder het Oude Testa­ment om aardse priester te zijn, een ambt om koning te zijn. Die zalige David had twee ambten, die heerlij­ke Melchizédek had twee ambten. Maar o, dat beeld Gods, wie is hij die voor mij Borg en Midde­laar kan zijn?

Het gaat erom gemeente, dat er uitkomst is voor een zon­daar, dat er uitkomst is voor een gevallen zon­daar, die het beeld Gods kwijt is. Het gaat erom, dat het beeld Gods in Christus, in de tweede Adam, gevonden wordt en dat het ook voor een arme zondaar te hervinden is in Christus. Wat hijzelf zo geheel en al verloren heeft in het paradijs. Christus is in het volmaakte beeld Gods gezet, in Zijn drievoudig ambt, Profeet, Priester en Koning. Niet zomaar een profeet, maar onze hoog­ste Profeet en Leraar wordt Hij genoemd. Die ons maar niet een béétje open­baart aangaande onze ver­los­sing, maar het gaat om de hoogste Profeet, Die u werke­lijk wijs kan maken, kan onderwijzen, niet alleen in de geopen­baarde wil van God, maar Hij heeft de verborgen raad en wil Gods, van onze verlossing, zelfs volko­men geopen­baard.

Wat een Profeet, geliefde gemeente, indien iemand wijs­heid ont­breekt, wat een Profeet! Zijn hier zondaren? Is hier een besmeurde dochter Sions? In de tijd van het Oude Testa­ment kon je naar de hoge­priester gaan als je gezon­digd had, en dan kon je een zoenof­fer brengen. Dat was wel aardig­, maar wanneer we werke­lijk geestelijk waren, dan moesten we, als we terugkwamen van de tempel en van de priester­dienst toch nog zingen: "Brandofferen, noch offer voor de schuld, volde­den aan Uw eis, noch eer" (Ps.40:4 ber.).

Hebt u het nooit ervaren dat de ceremonie ons hart toch niet troos­ten kan, ons geweten niet kan reinigen? O, lees het eens in Hebreën, dat hadden die mensen onder het Oude Testament eens moeten weten. Maar denk erom, dàt ze het wisten hoor, ze hadden er kijk op, hoewel Hij nog niet gekomen was. Wat had David er een kijk op:

 

      Brandofferen, noch offer voor de schuld,

      Voldeden aan Uw eis, noch eer.

      Toen zeid' ik: Zie, ik kom, o HEER;

      De rol des boeks is met mijn naam ver­vuld.

 

Wat heeft dat volk van het Oude Testament gehijgd: 'Wie neemt mijn schuld weg?' Het liefste dier dat je had, kon je als offer naar de priester brengen, de priester kon een gebed voor je doen en het altaar kon roken, maar die rook der verzoening klom niet op tot in de hemel. Maar tòch hebben ze het geweten en ze hebben het in de geest aanschouwd, dat er eenmaal een Hoge­priester zou komen. Hij wordt hier genoemd: de enige Hogepriester, Die werkelijk onze zonden verzoenen kan. Die werkelijk onze ongerechtigheid wassen kan in Zijn bloed, in de enige offerande Zijns lichaams.

O, wat een zalige zaak dat drievoudige ambt van de Heere Jezus Christus, dat Hij een Hogepriester geworden is, naar de ordening van Melchizédek. Dat Hij één offer gebracht heeft en de ganse uitverko­ren Kerk volmaakt heeft voor de Vader. Die ook aan de rechterhand des Vaders is en met Zijn voorbidding steeds tussen­treedt bij de Vader.

O, wat een Koning! Laat nu Salomo maar in het niet vallen, laat David maar in het niet vallen, wij hebben een heerlijke Koning, Die ons met Zijn Woord en met Zijn Geest re­geert. Niet met een strenge roede, maar met Zijn Woord en met Zijn Geest, zodat er alleen maar vrijwilli­ge onder­danen onder Koning Jezus zijn, Hij heeft een gewil­lig volk.

Die ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt. Dat drie­vou­dige ambt van de Heere Christus, wat een heerlijk zaak! O, maak er toch veel gebruik van. Vroe­ger, in het Oude Testament, ging iemand die niet wist hoe hij zalig moest worden toch immers naar de profeet toe. Als er iemand onder het oude verbond vroeg: hoe kom ik van mijn schuld af, dan ging hij toch naar zijn priester toe! Als er iemand in nood was, bescherming behoefde: hij riep toch immers tot de koning! Maar hier, Jezus de Christus, Profeet, Priester en Koning.

 

Laat ik nog een praktisch woord met u mogen wisselen, geliefde gemeente. Ieder ziet weleens wat in Jezus, niet­waar? De één ziet soms iets meer van Zijn Koning­schap, de ander ziet soms iets meer van Zijn Priester­schap, nog een ander ziet mis­schien iets meer van het Profe­tische ambt van de Heere Jezus Christus. Ik wil u nog iets zeggen tot besturing van uw ziel, ik wil u nog enige geeste­lijke raad geven, hoe we nu deze Jezus Christus in Zijn drie­voudig ambt het beste kunnen benodi­gen.

Ik zal proberen u daar enige raad in te geven: begin dan toch goed! Het is net zoiets als de drie stukken die de mens moet leren, ellen­de, ver­lossing en dankbaar­heid. Ik zou ze niet graag tot een systeem verheffen, maar de volgorde heeft toch wel iets te zeggen. En zo ook met de kostelijke ambten van de Heere Christus, die worden hier ook in een kostelijke volgorde gezet: Pro­feet, Priester en Koning. Nu word ik heel praktisch: begin in de praktijk van uw leven toch nooit verkeerd.

Weet u, we zijn zo geneigd, om bij Jezus als Koning te beginnen. We zijn zo geneigd om Hem te gaan dienen, en we zeggen zo vroom tot elkaar: Hij is het immers zo waard! Gemeente, hoe zou het komen dat er zoveel mensen zijn die soms jaren ronddolen en jaren rondtobben in het geestelijke leven en zo weinig vorderen? Zou het soms kunnen zijn dat we Jezus niet eerst als Koning moeten benodi­gen, en ik zou haast zeggen ook niet aller­eerst als Hoge­priester, maar dat we de Heere Jezus allereerst eens als Profeet leren benodigen?

Moet ik eens heel duidelijk zijn? Ik heb zoveel jaren en jaren zèlf rondgedoold, terwijl ik echt wel iets wist van Jezus als Profeet, als Pries­ter en als Koning. Maar toen heb ik de dwaasheid be­gaan, om Jezus eerst als Koning te willen gaan dienen. En dan komen we in een weg van het werkverbond, dan komen we toch weer in wetti­sche werk­zaamheden. Al is het maar dat het woordje 'geloof' een gebod wordt, waar we nooit aan kunnen voldoen. Toen is er toch een opening gekomen in mijn leven, ja ik praat niet graag over mezelf, maar mis­schien kan ik u er mee helpen, daarom vertel ik het. Toen is er toch een ope­ning gekomen in mijn leven, dat ik heel diep voor Jezus als Profeet leerde knielen. De ene dag vroeg ik om dit, de andere dag vroeg ik om dat, maar toen heb ik aan de Heere Jezus als Profeet gevraagd waar het nu eigen­lijk mis was in mijn leven. Toen ben ik eindelijk eens om raad gaan vragen bij die Profeet.

En laat ik u dit dan mogen zeggen, dat me toen haar­scherp aange­wezen werd, niet buiten de prediking om, maar dóór de prediking, waar de breuk lag tussen God en tussen mijn ziel. Toen heb ik er iets van geleerd, dat een geschonken gebed toch altijd maar het bèste gebed is. Toen mocht ik begeren, wat die Profeet mij Zèlf onderwe­zen had. Toen kende ik mijn ellende een beetje, ik wist wat er aan scheelde. Als we dat niet weten en Jezus zou in onze straten langsko­men en zou het persoonlijk aan u vragen: "Wat scheelt er­aan?". Wanneer we het dan niet onder woorden zouden kunnen brengen, is dat zo erg nog niet, maar het is nodig dat het hart wel weet waar het gebrek ligt.

Ik ben heel praktisch vanavond, neem het mij niet kwa­lijk, maar als we onderwezen worden in onze schuld, zodat we onze schuld leren kennen, dan komt er een opening, een opening naar dat kostelijke Pries­terschap van de Heere Christus, om gewassen en gereinigd te worden door Zijn bloed.

En wanneer we daar iets van mogen ervaren in onze le­vens, van die kostelijke wassing, van die zondeverslin­den­de kracht van deze Hoge­priester en van Zijn offer, dan komt er een plaats in ons hart, een rechtmatige plaats voor het eeuwige Koningschap van de Heere Chris­tus. Dat wordt hier in de catechismus ge­noemd: geregeerd te worden. Niet in een wettische dienst­baarheid, niet zoals het oudtes­ta­mentische volk geregeerd moest worden door de donder en de bliksem van de Sinaï, maar hier wordt gesproken over de Geest van Christus. Dat is een kostelijke zaak gemeente, dat hebben ze in de cate­chis­mus zo heerlijk in het licht gesteld, dat we die twee zaken nodig hebben: het bloed en de Geest van Christus.

Als we door het Woord worden gere­geerd, wil dat zeggen, dat we iets leren, niet wat slaafse vreze is, maar wat kinderlijke vreze is. Dan wordt er iets geleerd van die vrijwillige liefde om onder Koning Jezus te bukken en onder Zijn heerschappij. Wij kennen de wet van dat Ko­ninkrijk. De grondwet van het koninkrijk van Ko­ning Jezus lezen we in Psalm 72: "Hij zal Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht. De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid. Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlos­sen, en den verdrukker verbrijzelen" (Ps.72:2-4).

O, wat een zalige Godsregering als Jezus Koning wordt over onze levens gemeente! Benodig Hem toch, benodig Hem als Profeet, opdat u uit Zijn profetisch ambt geleid mag worden naar Zijn priesterambt, naar Zijn kostelijk hartebloed. Opdat u geleid mag worden uit Zijn pries­terlijk ambt naar dat heerlijke koningsambt, dat nimmer zal eindigen. O, dan blijft Hij Profeet, dan blijft Hij onder­wijzen, dan blijft Hij de Priester van mijn ziel, hoewel dat ene offer genoeg is, hoewel die ene toepas­sing genoeg is.

Een priester had nòg iets te doen voor arme zondaars, die het zelf niet kunnen, hij mocht voor ze bidden. En nu is dit de zalige zaak van deze Hoge­priester: "Dat Hij altijd leeft om voor Zijn volk te bidden" (Hebr.7:25). Dan kan er zo'n armoe zijn, gemeente, geen woord om te bidden, geen zucht om te zuchten. Dan mogen we toch naar die lieve Hogepries­ter gaan om te vragen: bidt Gij voor ons? Dan denken we soms weleens dat we het danken zèlf nog wel kunnen, maar het wordt ons wel geleerd in de diepte van ons leven, in de diepte van ons be­staan, hoe noodzake­lijk een biddende Hoge­priester is, maar dat het net zo noodzake­lijk is om een eeuwig dan­kende Hoge­pries­ter te hebben voor het aangezicht des Vaders.

Wat een heerlijke zaak om in Christus begrepen te zijn, in die drievoudige bediening begrepen te zijn. Dan ben ik dat Godsbeeld verloren, werkver­bondsma­tig, maar dan krijgen we dat terug naar de regel van het genade­verbond. We kreunen weleens over onze diepe val, maar wanneer we er oog voor gekregen hebben, wat is dat genadeverbond dan veel voortreffelijker dan dat werkverbond.

Wanneer Adam staande geble­ven was in het werkverbond, zouden we niemand hebben om te danken. We zouden niet voor Adam kunnen knielen, we zouden niet voor Adam mogen knielen, zo hij staande gebleven ware. Maar nu ligt alles in Jezus Christus. O kniel dan, o kniel dan, wie u ook bent! Indien iemand wijsheid ontbreekt, kniel voor Chris­tus als Pro­feet. Indien iemand gerechtigheid ont­breekt, kniel voor Christus als Hoge­priester.

En is er in uw hart een hartelijke begeerte, om gere­geerd, om be­keerd en om ècht vernieuwd te worden? Kniel dan voor Jezus, kniel dan voor Chris­tus de Gegevene des Vaders. Die gezalfd is, Die een heilig aroma bracht, Die het Licht der wereld is. Die er ook iets van over­draagt aan al Zijn gelovigen.

Waarom wordt Hij Christus genaamd? Omdat Hij van de Vader verordineerd is. Het zal zo verkeerd uitpakken, wanneer we met een andere middelaar voor Gods rechter­stoel zullen verschijnen. Het zal niet mogelijk zijn, want er is er maar Eén Die het kan, er is er ook maar Eén Die het mag en dat is de Zoon des Va­ders. Daarom, wie vrede vindt in Jezus Christus de Pro­feet, wie vrede vindt in Jezus Christus de Hogepries­ter, wie vrede vindt in Jezus Christus de Koning, die vindt vrede in God de Vader tot in alle eeuwig­heid.

De Heilige Geest, geliefde gemeente, schenke een rijke toepassing in uw harten. AMEN.