Zondag 13. Vraag en antwoord 33

                                         ZONDAG 13

                                    Vraag en antwoord 33

 

        Psalm    135 : 1

        Psalm    135 : 2

        Psalm      89 : 2,12

        Psalm      73 : 13

        Psalm    106 : 26

        Romeinen         8 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonder­wijs, vindt u in Romeinen 8 : 15 - 17

 

Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienst­baarheid weder­om tot vreze; maar gij hebt ontvan­gen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Va­der!

Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erf­genamen, erfge­na­men van God, en medeërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.

 

Catechismus zondag 13 en daarvan vraag en antwoord 33

 

33. Vr. Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon ge­naam­d, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Antw. Daarom dat Christus alleen de eeuwige na­tuurlijke Zone Gods is; maar wij zijn om Zijnen­­­t­wil­ uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

 

Het gaat vanavond over het Godswonder van de aanneming tot kinde­ren. ­Daarover drie gedachten:

 

     1. De zaak van het kindschap.

     2. De Geest van het kindschap.

     3. De troost van het kindschap.

 

Dus drie gedachten: de zaak, de Geest en de troost van het kind­schap.

Het gaat, geliefde gemeente, met recht om een Godswon­der. Om het eeuwige wonder dat er mensen zijn, zondaren zijn, die niet alleen genoemd worden 'bekeerde mensen' of 'veranderde mensen' of ook wel door anderen aange­duid als 'levende mensen', maar vanavond gaat het over de benaming: kinderen Gods.

Dat is zo'n eeuwig wonder, daar kun je bij iedere apos­tel in de brieven en ook in de Evange­liën wel iets van terugvinden, dat ze de aanneming tot kinderen ervaren hebben als een ­won­der Gods. En laat ik dan maar één tekst mogen noemen, Johan­nes de apostel der liefde heeft gezegd: "Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gege­ven heeft, namelijk dat wij kinde­ren Gods zouden genaamd worden" (1 Joh.­3:1). Dat is een grote zaak om een kind van God ge­naamd te wor­den.

Me dunkt dat ieder vanavond diep in zijn hart denkt: ik zou ook wel een kind van God willen zijn. Het is zo geweldig aanlokkelijk dat Vader­huis, die eeuwige zalig­heid en dan zullen we God maar op de koop toenemen. Maar weet u, als God ons gaat bekeren, dan wordt het net an­ders­om in ons leven. Dan wordt het allereerste wat we begeren dit: dat de verbroken relatie met God weer hersteld wordt. Dat we God weer terug zullen krij­gen. Dan is het om God Zèlf begonnen en dan krijgen we de hemel en de hemelse zalig­heid op de koop toe. Inplaats dat ons leven andersom is, Vaderhuis, zalig­heid en God op de koop toe nemen.

Dat Vaderhuis wordt ook genoemd het Koninkrijk Gods. En daarin wordt meteen de vraag opgelost: Wie, wie zijn kinderen Gods? De Heere Jezus heeft Zelf gezegd: "Tenzij dat iemand wederom gebo­ren worde, hij kan het Koninkrijk Gods (en laten we dat voor alle duidelijkheid vervangen met Vaderhuis) niet ingaan". Ja, het staat er zelfs veel scherper geschreven, het is zelfs veel scher­per gezegd: "Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Konink­rijk Gods niet zien" (Joh.3:3), hij heeft er het rechte zicht niet op.

En nu gaat het over de vraag: wie zijn de kinderen Gods? Dan wil ik vanavond vóór alle dingen vragen: wat is een kind? In het dage­lijks leven gebruiken we dat woordje kind juist voor iets wat klein is. En als we dat woordje kind gaan gebruiken in de sfeer van het geeste­lijke leven, in de sfeer van de genade, laat ons dan oppassen dat we er niet iets heel groots van maken. Laat ik dit vooraf mogen zeggen, dat de hoogste stand van de Kerk meteen de laagste stand van de Kerk is. De hoogste stand van: "Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods zouden genaamd worden" (1 Joh.3:1), is meteen de laagste stand van een kind en ook slec­hts een kind te willen wezen voor Gods aangezicht.

Als we vanavond vooraf de vraag moeten beant­woorden: wie zijn de kinderen Gods? Dan zijn dat diegenen: "Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn" (Joh.­1:13). Zo wordt die vraag opge­lost in het Evange­lie van Johan­nes in het eerste hoofd­stuk. Daar wordt ook gezegd van de Chris­tus, Die in de wereld gekomen is: "Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aange­nomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden" (Joh.­1:11-12).

Wanneer we vanavond Romeinen 8 gelezen hebben, dan hadden we ook die tekst kunnen nemen die eveneens een antwoord geeft op die vraag: Wie zijn de kinde­ren Gods? Namelijk het veertiende vers: "Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods". Zo kan het ons duide­lijk zijn, dat die wondere gemeente van kinderen Gods geboren is uit het welbeha­gen en gekocht door het bloed van Jezus Chris­tus Gods' Zoon, dat reinigt van alle zonden. Dan wijs ik ook nog op antwoord 34, dat hier straks op volgt: die met li­chaam en ziel van al hun zon­den, niet met goud of zil­ver, maar met het dierbaar bloed van Christus gekocht zijn. Het kan u duidelijk zijn, dat zìj genoemd worden: kinde­ren Gods.

En om nu die zaak van dat kind­schap te verstaan komt de catechis­mus met een vraag die heel redelijk is: Waarom is Hij, namelijk Jezus Christus de Heere, in de twaalf Artike­len ook nog eens de enigge­boren Zoon van God genaamd? De catechismus gaat er van­avond op in: Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn? Voelt u het al een beetje aan wat de vraag precies behelst gemeente? De twaalf Artikelen spreken er niet slechts over dat Jezus is de Zoon van God, maar dat Jezus is de eniggeboren Zoon van God. En waarom dan de eniggeboren Zoon, terwijl er zovéél kinderen Gods zijn, zovéél zonen Gods?

Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn? De zaak van het kindschap! Daarom dat Chris­tus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is. En om dan de zaak te verklaren: wat is een natuurlijke zoon op het menselijke vlak? Dat is alleen maar hij, waarvan ik de werkelijke vader ben, die ik gegene­reerd heb. En zo staat er in Psalm 2 van de Heere Jezus Christus: "Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd" (Ps.­ 2:7). Daarbij moet iedere gedach­te aan menselijke generatie ons vreemd zijn. Christus is gege­nereerd van eeuwigheid. En zo is er maar één natuur­lijke Zone Gods en dat is de Heere Jezus Christus, Die naar Zijn Godheid van eeuwigheid was.

En nu zijn er toch veel kinderen Gods, maar dat zijn geen natuurlij­ke kinderen Gods maar wettige, aangenomen, door vrije genade geadop­teerde kinderen. En nu is dit het grote wonder: Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinde­ren zijn? Dan zal die vraag en dat antwoord u duidelijk zijn. Daarin worden Gods kinderen gewezen op hun afkomst, dat zij om Chris­tus' wil, uit genade tot kinderen aangeno­men zijn.

Als God een zondaar vindt, geliefde gemeente, dan vindt Hij ons bij wijze van spreken in de goot van het leven. We lezen dat zo ontroe­rend in een van de Profeten, hoe God een zondaar vindt in zijn schande en in zijn schaam­te. Dan wordt beschreven hoe God de zondaar vindt als een pasgeboren zuigeling, uit overspel geboren. "Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!" (Ez.16:6).

En dat is nu de ge­schiedenis om tot dat kindschap Gods te geraken. Een andere weg is er niet, dan persoon­lijk opgeraapt te worden in de schaamte en in de schande van onze zonden. Er is geen andere weg om weer een kind van God te worden dan door het bloed van Jezus Chris­tus, door genadige aanne­ming door God de Vader Zelf. Ik heb dat een eeuwig wonder genoemd. Ook het volgende ant­woord spreekt van gekocht en van alle geweld des duivels verlost en alzo tot Gods' eigendom ge­maakt te worden. Ik zal u een voorbeeld geven.

De kinderen hebben misschien weleens gelezen dat er vroeger slaven waren. Als zo'n slaaf dan naar de markt gebracht werd, was dat natuurlijk heel erg spannend. Er werd geld voor je betaald en de ketting werd wel losge­maakt, maar waar ging je dan heen? Mis­schien wel van de duivel naar Beëlzebul, bij wijze van spreken. Je kon het iets beter krijgen, maar je kon het nog veel slechter krijgen ook, als je uit handen van de ene mens in handen van de andere kwam.

Ik weet een voorbeeld uit de Bijbel. De ene duivel was weggegaan en het huis was met bezemen gekeerd, "Maar wedergekomen met zeven andere geesten, bozer dan hij­zelf, werd het laatste van denzel­ven mens erger dan het eerste" (Matt.12:43-45).

Maar toen die éne slaaf, hè kinderen, die stond op de markt. Hij had een vreselijke harde dienst gehad, zijn baas heette: de duivel en zijn ganse rijk. Toen werd die slaaf gekocht, de ketting werd losgemaakt en hij liep met zijn nieuwe meester mee. Onderweg sprak die mees­ter vriendelijk met de slaaf en deze dacht: dat is een goede heer, nu zal het wel gaan. Toen kwam er zoveel hoop in zijn hart dat hij eindelijk eens een baas getroffen zou hebben, die beter was dan zijn vorige eigenaar. En terwijl ze door dat stadje liepen dacht die slaaf: wat kan ik dan eens terug doen? ­Ik zal altijd mijn best doen, ik zal hard werken, misschien zal mijn meester tevreden zijn en dan zal ik het tamelijk goed hebben.

Toen kwamen ze bij een prachtig huis, gemeente, en die heer liep naar de voordeur, maar die slaaf ging achter­om, want hij veronder­stelde dat hij wéér een slaaf zou zijn. Toen riep die heer de slaaf terug en hij zei: dat is de bedoeling niet, ik heb u niet overge­kocht, ik heb u werkelijk vrijgekocht! Toen is die slaaf gemeente, met gebukt hoofd, zo klein, zo deemoedig, zo ootmoe­dig, die voor­deur ingegaan! Nog nooit was hij door de voor­deur naar binnen gegaan. En dat is de zaak van de aanne­ming tot kinderen!

Zoals die slaaf betaald moest worden, zo gaat het deze keer niet om het gehele werk van de Heere Chris­tus, maar het gaat er toch wel om òf we door Christus Jezus ge­kocht zijn. Zoals we het de vol­gende keer in de cate­chismus tegen zullen komen.

Het gaat om het eeuwige wonder van de prijs die Christus be­taald heeft. Dan moeten we eventjes terug naar zondag 6, dat Jezus Chris­tus ons vlees en bloed heeft aange­nomen, dat "Hij Die het geen roof geacht heeft, Gode even gelijk te zijn, Zichzelven vernietigd heeft en de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, den mensen is gelijk geworden" (Fil.2:6,7). Het gaat om deze heerlijke zaak dat Chris­tus Jezus, en nu ga ik heel persoon­lijk worden, als prijs voor mìjn kindschap, mìjn vlees en bloed heeft aange­nomen, opdat ìk Zìjn Geest deelachtig zou zijn. Opdat deze zondaar Zijn Geest deel­achtig zou zijn.

 

En zo kom ik op dat tweede punt: de Geest van het kind­schap. Dat is dus niet het eerste, geliefde gemeente, wat God ons leert bij de wederge­boorte.

Dat kostelijke Romeinen 8 leert ons dat er een opwassen zal moeten zijn, dat er een opgroeien zal moeten zijn, een toenemen in de kennis en in de genade van onze Heere Jezus Christus.

En bij dat kind­schap van een arme zondaar behoort de Heili­ge Geest. Ik zal proberen het u te verklaren, het u enigs­zins duide­lijk te maken. En moge de Heilige Geest er een rijke toepassing van geven in uw persoon­lijk leven, om tot die volle vrijheid der kinderen Gods te geraken. Om waarlijk tot de troost te geraken van het kindschap, is het nodig dat we ver­stand krijgen van God en van Godde­lijke zaken. Waar gaat het dan om? Dit, dat we door het ge­loof, door de Heilige Geest, de gangen Gods in Chris­tus Jezus mogen leren kennen.

Maar ook dit, als we de gangen Gods in Christus Jezus hebben leren kennen, dat we dan de Heilige Geest als Persoon in onze levens leren kennen. De troost van het kindschap ligt daar, waar het bloed van Jezus Christus geopenbaard wordt en verklaard wordt in onze harten door de Heilige Geest. Want om weer kind van God ge­naamd te worden, moet er een weg gebaand worden naar het Vader­hart en van het Vaderhart. Bloed!

Laat ik er dit van mogen zeggen: twee dingen staan het kindschap in de weg in een zondaar. Twee dingen, dat is de gerechtig­heid en de heiligheid Gods. En nu ga ik dit zeggen van de recht­vaardigma­king: er is bloed nodig naar twee kanten. Niet bloed naar één kant, maar naar twee kanten, zoals dat ook gebeurde in het heiligdom. Dit gemeente, wat de volgende keer aan de orde komt, gewassen te worden door het bloed van Jezus Chris­tus Gods Zoon, waardoor wij van onze ongerechtighe­den worden ver­lost.

Laat ik het dan maar verkondigend mogen zeggen: één tipje van dat kostelijke bloed van de Heere Jezus Chris­tus reinigt ons van alle zonden, effec­tief! Ik bedoel dit: wanneer we door de Geest des ge­loofs in contact komen met dat kostelijke bloed van de Heere Jezus Chris­tus, dan metter­daad, wordt er zielsbe­vin­delijk erva­ren dat het wast en reinigt van alle zonden. Dat is maar niet een slagzin, dat is maar niet een bijbeltekst, dat is de levende inhoud voor het geloof. Daar wordt een zon­daar gewassen en gereinigd, (zondag 23), alsof ik zèlf voor al mijn zonden betaald had. Dat is gerechtig­heid! De verspeelde gerech­tigheid, de origi­nele gerech­tigheid uit het paradijs is in der eeuwigheid niet meer terug te krijgen, geliefde gemeente! Maar in één spatje bloed van de Heere Christus krijg ik een toegere­kende gerechtig­heid terug.

Bloed naar twee kanten heb ik gezegd, want als dat bloed van Jezus Christus over mijn hart gaat, dan krijg ik wezenlijk een nieuw hart om de Heere te vrezen. Wanneer we gereinigd worden van onze zonden door het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, ik zal u vertellen dat het werkt hoor gemeente! Daar gaat het hart van een zondaar weer open, naar Wie? Naar de Vader, de Schepper, de Formeerder, mijn Pottenbak­ker!

Maar ook dit, en dat is hemelvaart in de ziel, dat nu Christus Jezus met een levend offer is ingegaan in het binnenste heiligdom. Zo heeft Jezus Christus Zichzelf ingebracht bij de Vader, als gerechtig­heid voor de Vader, voor zondaren. Dat is ook een deel van de recht­vaardi­ging, zodat Jezus Christus kon zeggen: "Degenen die Gij Mij gegeven hebt Vader, heb Ik bewaard, en nie­mand uit hen is verloren ge­gaan" (Joh.17:12).

Zo brengt Jezus Zijn bloed ook binnen bij de Vader. En zo effectief als door dat bloed een zon­daarshart geopend wordt, gemeente, zo effectief wordt ook dat hart van de Vader geopend door het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden. Dat is het, wat God de Vader aanneemt als losprijs, als koopprijs voor een arme zondaar. En zoals door dat kostelijke bloed van Jezus Christus Gods' Zoon een zon­daarshart geopend wordt voor de Vader, zo wordt door dat kostelij­ke bloed van Jezus Christus, ingebracht in het binnenste heiligdom, het Vaderhart geopend voor een zondaar. In welk opzicht? Naar de gerechtigheid Gods!

En als dat het alleen zou zijn gemeente, dan zouden we nog geen bestaan hebben voor God. Die heilige Vadernaam nog niet uit kunnen spreken: "Abba Va­der". Want God is niet alleen rechtvaar­dig, maar Hij is ook heilig. Probeer me te volgen, dan zal ik probe­ren met hulp van God het uit te leggen. Het wordt in het hart soms ook gevoeld, ervaren, dat er een toe­gang kan zijn in dat bloed, maar dat er een stui­ting kan zijn naar de heilig­heid Gods. Onderzoek uw hart er eens op!

Dan wordt het heilsbevindelijk zo nodig, laat ik maar praktisch blijven, dat, wanneer Chris­tus ons is geschon­ken tot gerech­tigheid, Hij ons ook wordt geschonken tot heilig­ma­king in de Heilige Geest en door de Heilige Geest. Het is zo ontzettend nuttig om ook de voortgang van Romeinen 8 heilsbevinde­lijk te leren. Vervuld te worden met de Heilige Geest, de Heilige Geest ook te leren kennen als Persoon! Want in het bloed van Christus ligt de recht­vaardi­gende kracht, de vrij­kopen­de krach­t; maar de vrijmaken­de kracht zit in de Heili­ge Geest. Zoals de Apostelen ook gebonden waren aan Jeruza­lem, tot de Pink­sterdag.

Het gaat hierom gemeente, dat we nog véél armer zijn in onszelf, dan dat we al dachten. Eerst geleerd te hebben dat ik mijn gerech­tig­heid ver­speeld heb in Adam, dan dat kostelijke bloed van Jezus Christus te ervaren waardoor een zondaarshart èn een Vaderhart geo­pend is. Maar dan te leren dat die Geest even noodzake­lijk is, die Heili­ge Geest om tot God te gaan. Daarin leren we nòg eens dat er niets bij zal komen van de mens, ook niet van de bekeerde mens, ook niet van de gerechtvaar­digde mens. Nee hoor, zijn gebe­den niet, zelfs zijn fluisteren 'Abba Vader' niet. Er kan niemand tot de Vader komen, dan in de bloedgerechtig­heid van Christus en in de Heilige Geest.

Dan wordt de Heilige Geest als Persoon zo noodzakelijk zoals we dat lezen in Romei­nen 8: "Die de harten door­zoekt". Ja laat ik eens héél vrij­moe­dig mogen zijn, dan kan er naar de recht­vaardiging vrede met God zijn, en naar de heiligma­king kan het zo zijn, geliefde gemeen­te, dat we het aange­zicht verbergen voor God. Waarom? O, dan zakken we door alles heen, zelfs door onze gebe­den. Dan leren we iets verstaan van die noodzaak van de Heilige Geest. "En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt" (Rom.8:27).

Nu heel praktisch, als dat niet doorwerkt in onze le­vens, dat stuk van de Heilige Geest, wanneer de Geest Zich niet openbaart, dan kunnen we in een toestand komen die we geen naam kunnen geven, maar dat we toch moeten zeggen: nou heb ik alles, maar ik mis de vrede, ik mis de vreug­de, ik mis de vrijmoedigheid. Is daar uw leven soms in getekend? Van dat bloed in begin­sel te kennen en toch zoveel vreugde te moeten missen. Ik zal niet zeggen dat iedereen dat er­vaart, nog minder dat iedereen dat ervaren moet. Maar dan kan het ervaren worden dat je uit de ene slaver­nij in de andere slaver­nij gekomen bent. Alsof we ver­lost zijn van onze zonden en onder een nieuwe Geest der dienst­baarheid gekomen zijn.

Nu gaat het daarom: "Zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods" (Rom.8:14). Dan gaat het er om, dat de Heilige Geest God is tezamen met de Vader en de Zoon. Dat Hij zo noodzakelijk is voor het zieleleven, niet om mij aan te kleven zoals het bloed van Christus, maar om mij geheel en al te doen verschui­len. Dat ik er iets van leer met Petrus, dat we de godde­lijke natuur deelach­tig zijn (2 Petr.1:4). Dat Jezus Christus vlees en bloed heeft aange­nomen, opdat zondaren ­vervuld zouden worden met de Heilige Geest, niet slechts met Zijn werkingen, maar met die dierba­re Persoon des Heiligen Gees­tes. Daar ligt de vrijheid van de kinderen Gods.

Dat woordje 'Geest' kan op vele manieren ver­taald wor­den. In ons dagelijks spraak­gebruik gebruiken we dat woord ook weleens: in de geest van dit of in de geest van dat. Paulus onderwijst ons dan ook vanavond, dat waar die Geest Zich laat kennen, dat daar een vrij­heid, dat daar een geredheid, dat daar een vreugde, een zalig­heid is (2 Kor.3:17).

 

            Waar is een vreugde, een kalmte, een heil,

            zo zalig als dit hoogst genot?

            Het vloeit uit God en keert tot God,

            het heeft noch maat, noch perk, noch peil.

 

Die Heilige Geest, dat is het hem nou maar net, dat we die Geest van het kindschap ontvan­gen, geliefde gemeen­te. Toen die slaaf vrijge­kocht was liep hij wel in dat prachtige huis van die heer, maar hij had nog een sla­ven­hart. En als zijn meester hem dan riep, het heeft nog maanden geduurd, dan kromp hij in elkaar als hij zijn naam hoorde roepen. U voelt toch wel dat, als we aange­nomen worden tot kinderen, het zo nodig is ook de Geest van het kind­schap te ontvan­gen. En dat breekt zich baan wanneer het werk van de drieëni­ge God bekroond wordt in het hart, door de dier­baarste openba­ring van de Heilige Geest als Per­soon. Die het werk des Vaders en des Zoons gaat verzege­len, waar­van Paulus zegt: "In Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte" (Ef.1:13).

Ik heb vroeger de raad eens gekre­gen: 'zeg maar veel in stilte 'Abba Vader' dan krijg je van lieverlee die kindergeest. Die Geest van het kindschap daar moet je in geoefend worden'. Welnee gemeente, het is een geschonken goed, we moeten die Geest van het kind­schap genadiglijk ontvangen om vandaaruit hersteld te worden in de relatie met de Vader naar de heiligmaking.

Wanneer we daar oog voor krijgen, dan is dat maar niet een zaak die wel wenselijk is en misschien aange­naam, nee, nee! Dat is een zaak die zo noodzakelijk is, de openba­ring, de vervul­ling met de Heilige Geest, want anders kan ik niet tot God gaan. Naar de recht­vaardig­ma­king zou het gaan, maar naar de heiligmaking ligt er een duister­nis, een dikke duister­nis op de ziel, zodat we ons hoofd zouden begraven in het naderen tot God.

Dan kun je soms weken gehad hebben dat je in de ge­rechtigheid van Christus geroemd hebt, dat je door de gerechtigheid van Jezus Chris­tus die Vadernaam op de lippen gehad hebt. Maar was er alleen de gerechtig­heid van de Heere Christus, hoe wordt naar de heiligma­king het verkeer met God hersteld? Dan heb ik een Heilige nodig, Die het mijne uitzuivert, Die het mijne achter­houdt en Die het Zijne in mij werkt en ook alleen dàt maar doorlaat naar de Vader. U kunt dat zeer schoon beschre­ven vinden in 'De Heilige Oorlog' van Bunyan, waar het gaat over de smeekbrieven die geschreven wer­den, maar die de Heilige Geest, de Secretaris, passe­ren moesten.

Maar o, wan­neer de Heilige Geest dan in het hart komt, wanneer het Hem behaagt Zich te openbaren in het zon­daarshart, dan open­baart Hij Zich als de Geest van het kindschap. Dat is dan metter­daad het kindschap, dat wil zeggen, we worden toch zo klein voor Gods aange­zicht, we worden zo nietig voor Gods aangezicht. We verliezen het laatste restje van onszelf om het alles in God te her­winnen.

En dàt bedoelt Paulus wanneer hij zegt, niet vanuit de beredenering, maar vanuit de ge­loofsbele­ving: "Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaar­heid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvan­gen den Geest der aanne­ming tot kinderen, door Welken wij roe­pen....", dan staat er in het Grieks 'kradzomen', door Welken wij schreien, iets dat een kind, een heel klein kind doet. Is het u wel­eens opge­vallen, geliefde ge­meente, dat het onver­taald gebleven is dat woordje "Ab­ba", dat troetelnaampje voor de aardse vader, dat troetel­naampje voor de hemelse Vader, "Abba Vader". O, wanneer die Geest het in mij spreekt, ja, dan kan ik het spreken. Daar is de Geest van het kind­schap voor nodig, om op een kinder­lijke wijze die Vadernaam uit te mogen spreken, om te mogen komen tot de troost van het kind­schap.

 

O, dan zijn dat de momenten, dat de aarde tot de hemel reikt. Of misschien moet ik het zo zeggen dat de hemel tot de aarde reikt. Wanneer we verwaardigd worden om die heilige naam, om die kostelij­ke naam uit te spreken. Dan is het zo heel merkwaar­dig, dat men dat woord onvertaald heeft gelaten, dat Aramese woord. Wan­neer God ons als kinderen aanneemt, worden we geen natuur­lijke kinderen, maar dan gaat Hij ons wetti­gen, zoals vondelingen gewet­tigd kunnen worden, zoals opraap­sels gewettigd kunnen wor­den. Dan worden we èchte zonen en daarom spreekt Paulus ook: "Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinde­ren, door Welken wij roepen", schrei­en zouden we misschien moeten zeggen, van blijd­schap schrei­en en van blijd­schap wenen "Abba Vader"!

Dan vraag ik u nog eens, waarom gemeente, waarom is dat woordje onvertaald gelaten? Hierom, als God kinderen aanneemt, dan neemt Hij ze aan als wettige kinderen. En dan is dat Aramese woordje hetzelfde, wat ook die enig­geboren Zoon van God, die natuurlijke Zoon zó tot Zijn Vader gespro­ken heeft. De Heere Jezus Zelf heeft het gebruikt: "Abba Vader! alle dingen zijn U mogelijk" (Mark.­14:36). In de zielsworsteling van Gethse­mané, "Abba, lieve Vader, niet Mijn wil, maar de Uwe geschie­de". En wederom ten derde male "Ab­ba Vader".

En dan ligt daar de rijkdom voor de kinderen Gods dat ze aangeno­men worden tot wettige kinderen. ­Vergeet nooit het verschil dat Jezus de énige na­tuur­lijke Zoon van God is, maar zij worden aange­nomen tot broeders van de Heere Jezus Chris­tus. Dat gaat zo ver dat ze in het testament van God worden opge­nomen. "En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgena­men, erfgenamen van God, en mede­ërfgena­men van Christus; zo wij anders met Hem lij­den, opdat wij ook met Hem verheer­lijkt wor­den".

O wat staan wij hier voor een kostelijke zaak, waarom worden wij kinderen Gods genaamd? Het is maar niet een hersenschim, het is levende werkelijkheid. Hier en nu wordt er iets van beleefd, wan­neer die Geest als een Geest van vrijheid vaardig wordt in de kindergeest. Het zal voltooid worden in de eeuwigheid, wanneer de erfenis gekomen zal zijn. Dan zal het ervaren worden dat we erfge­na­men Gods zijn en medeërfgenamen van Jezus Chris­tus. Dat er een gelijk­schakeling is, niet in onze af­komst: Jezus is de enige natuurlij­ke Zoon van God en ik ben maar een opge­raapte vondeling. Maar in de bestemming zal er een gelijkschakeling zijn. Erfgenaam Gods dat zegt nog niet alles, maar medeërfgenaam van Christus dat zegt hoe ver die liefde van de Vader gaat, die Hij gege­ven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods zouden worden.

Dan gaat het om deze zaak: Jezus heeft alles beërfd en wij zullen alles met Hem beërven. Hef uw hoofd dan maar omhoog en roem maar eens in God, omdat er een toekomst is, omdat er iets in het ver­schiet ligt: "Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben" (1 Kor.2:9).

Het is soms alsof door het openen van de Schrift het kabi­net van de hemelse erfenis weleens op een kier gaat. Eenmaal zal het werke­lijk­heid zijn, erfge­naam Gods te zijn en medeërfgenaam van Jezus Christus. Dan zal er een gelijkheid zijn, geliefde ge­meente, Hij, Die mijn vlees en bloed deelachtig is gewor­den, ik, die Zijn Geest deelachtig geworden ben. Ik zal maar heel direct spre­ken, dan is er zulk een gelijkheid, dat de eeu­wigheid vervuld zal zijn door slechts één natuurlijke Zoon en door een schare die niemand tellen kan van aangeno­men en nochtans wettige kinderen.

Dan zal zich dat zo realiseren in de eeuwigheid zoals de Apostel moet belijden: "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1 Joh.3:2).

Dat is de erfenis gemeente, dat is de erfenis van God in Chris­tus, van de Vader in Christus, door de Heilige Geest. Dat is de erfenis, om in eeuwigheid onder het aange­name gelaat des Vaders te verke­ren. Hier fluis­te­ren we het weleens een keertje "Abba Vader", daar zal de eeuwig­heid ermee vervuld worden. Hij de enige na­tuur­lijke Zoon, ik slechts een vondeling, tòch echte broe­ders door aanne­ming uit genade, vervuld met de Heilige Geest.

O zalig wonder van de drieënige God, van de schepping Zijner handen, die van God àfgevallen is, maar uit het welbehagen des Vaders, door het bloed van de Heere Christus, in de vervul­ling van de Heilige Geest, eenmaal weer zal keren tot God, de grote Pot­tenbak­ker, de grote Formeer­der, de grote Schepper. Zodat de eeu­wig­heid zal zijn:

 

      Ere zij den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest,

      Als in den beginne,

      Nu en immer,

      En van eeuwigheid tot eeuwigheid.

 

O zalig wonder, onderzoek uw hart erop, geliefde gemeente, is het niet op de hoogste stand. Onderzoek uw hart erop, of u door Gods Geest geleid wordt. "Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods". Wanneer we daar iets van mogen weten, komt er een gebed om hemels onderwijs. HEERE, vermenig­vuldig het hemels onderwijs aan onze zielen om Jezus wil. AMEN.