Zondag 15. Vraag en antwoord 37

                                         ZONDAG 15

                                    Vraag en antwoord 37

 

                                  Psalm  119 : 83

        Psalm  119 : 20

        Psalm    89 : 9,10

        Psalm  138 : 2

        Psalm    31 : 19

        Jesaja    53 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismus­onder­wijs voor vanavond vindt u in 1 Johannes 4 : 10

 

Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezon­den heeft tot een verzoening van onze zonden.

 

We behandelen vanavond uit de Heidelbergse Cate­chis­mus zondag 15, vraag en antwoord 37

 

37. Vr. Wat verstaat gij door het woordeken: Gele­den?

Antw. Dat Hij aan lichaam en ziel, den gansen tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des gansen menselij­ken geslachts gedra­gen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoeme­nis verlos­te, en ons Gods genade, gerech­tigheid en het eeuwige leven verwierf.

 

Het gaat deze keer, geliefde gemeente, over het lijden van de Heere Jezus. Er is eigenlijk al iets typisch in de vraag, daar wordt een ver­kleinwoord gebruikt. Er wordt niet gevraagd: Wat verstaat gij door het woord: Geleden? Maar er staat: Wat verstaat gij door het woor­deken: Geleden? Daarmee wordt eigenlijk al in één woord iets gezegd, waarvan dit gehele boek vervuld is: geleden. "Zie, ik kom; Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen" (Ps.­ 40:8-9).

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? In dat woordeken ligt de liefde Gods, want: "Hierin is de liefde Gods jegens ons geopen­baard, dat God Zijn enig­geboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God lief­ge­had heb­ben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening van onze zon­den" (1 Joh.­4:9-10).

Nu weten wij uit het voorgaande van de catechismus dat er geen sprake zou kunnen zijn van verzoening, zo er geen voldoening was aan het recht Gods. Maar wat geen mens voor elkaar zou kunnen krijgen, dat heeft God in Zijn onuitsprekelijke wijsheid bij elkaar gevoegd: gerech­tigheid en barmhartigheid, recht en genade. Maar God heeft nòg een deugd: Zijn wijsheid. Met enige beeldspraak werd dat zó onder woorden gebracht door een veroordeelde, die naar de plaats van de terechtstelling onderweg was:

 

      Gerechtigheid hield aan om straf,

      Genade smeekte om vrijgeleide,

      Hier kwam de Wijsheid tussenbeide,

      Die ze allebei voldoening gaf.

 

Dat vinden we ook in dit heerlijke woord van Johan­nes dat hij schrijft in die eerste Johannesbrief. Als een mens wat ouder wordt, heeft hij soms zo'n groot verhaal niet meer nodig, dan kan hij het zo heel kort zeggen: "Hier­in is de liefde, niet dat wij God liefgehad heb­ben". En dat zegt dan de apostel die altoos aangeduid wordt in het Evangelie als: "de discipel, welken Jezus lief­had" (Joh.20:2). Hij, die altijd in de liefde Gods, in de liefde van de Heere Christus, zo heel dicht in Zijn nabijheid geweest is, die heeft het geproefd: "Hierin is de liefde, niet dat wij God lief­gehad heb­ben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een ver­zoe­ning van onze zonden".

De liefde Gods geeft dus zèlf de oplossing van gerech­tigheid en genade. In het diepe lijden van Zijn Zoon, de Heere Jezus Chris­tus heeft God er Zèlf voor gezorgd, dat die twee zaken in overeenstem­ming gebracht werden.

Wij hebben een vorige maal in de catechismus al het wonder gezien, dat God Zijn Zoon gezonden heeft in deze wereld. Toen de catechis­mus behandelde dat Hij ont­van­gen is van den Heiligen Geest, gebo­ren uit de maagd Maria. Dat gewel­dige wonder waarvan Bach zingt:

 

      Als ik dat wonder vatten wil

      Staat mijn verstand met eerbied stil.

 

Het ìs een wonder, een onmetelijk groot wonder, dat God Zijn Zoon in deze wereld gezonden heeft om de zonden te verzoenen in Zijn vlees, in het bittere lijden.

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? Dan gaat de cate­chis­mus op het lijden van de Heere Jezus Chris­tus in.

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? Dan wil dat zeggen, dat dit kleine woordje gela­den is met het Godswonder van de eeuwige liefde Gods, Die eer dat Hij de zonde ongestraft liet blij­ven, ze aan Zijn lieven Zoon Jezus Christus gestraft heeft.

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? Dat de Heere Jezus Christus niet in deze wereld gekomen is als de Verhoogde, maar als de Vernederde. We zitten hier met het gedeelte van de catechismus, dat spreekt van de vernedering van de Heere Christus. U zult wel weten dat dit voorgesteld wordt in trappen van vernedering. En wat zegt nu dat woordje 'geleden'? Dat Jezus afgedaald is tot de laatste trede, tot de laagste trede, tot de diepste trede van vernedering. We hebben daar iets van gelezen in de profeet Jesaja. "Hij had geen gedaante noch heer­lijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was" (Jes.­ 53:2-4).

Geleden, dat wil zeggen dat Hij aan lichaam en ziel, den gansen tijd Zijns levens op de aarde, de Vernederde is geweest.

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? Dat Hij inzon­der­heid aan het einde Zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedra­gen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, daar hebt u dat woordeken 'geleden', opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, ge­rechtigheid en het eeuwige leven ver­wierf.

Er is veel lijden en er is veel leed in deze wereld. Maar dat de Zoon Gods, de Heere Christus, de broederen in alles gelijk geworden is, uitgenomen de zonde, dat betekent dat niemand zoveel geleden heeft als Hij.

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? Daar zit ten diepste een heel ernstige waarschuwing in gemeente! Het komt hier op neer, dat God de zonde bezoekt. Voor iedere zonde, of u bekeerd bent of onbekeerd, of hoe u dat ook aan wilt duiden, moet er betaald wor­den.

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? Dìt, dat God gezegd heeft: "Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood ster­ven" (Gen.2:17). En de mens heeft zich, eerlijk is eerlijk, een duizend­vou­dige dood, ja de verdoe­menis zelf op de hals gehaald. Daarom moest Jezus Christus zo diep, zo heel diep bukken om, eer­lijk is eerlijk, zondaren, Zijn Kerk, vrij te kopen van de straf naar lichaam en ziel: vrij te kopen van de ver­doeme­nis.

Onze catechismus spreekt over het lijden. We lezen dat de Heere Christus geleden heeft aan ziel en lichaam. Wat betekent het, dat de Heere Jezus gele­den heeft aan lichaam en ziel? Dan moet u de belij­denis van Athanasi­us er maar naast leggen, waar wordt beleden dat de Heere Christus een waarachtig mense­lijk lichaam had, maar ook een redelijke menselij­ke ziel.

Er is nog al eens de misvatting, zowel bij catechisan­ten als bij ouderen, dat men denkt dat de Heere Jezus toch ànders van ziel was dan een mens. Dan stelt men zich voor dat, wat bij ons de ziel heet, bij de Heere Chris­tus Zijn Godheid was. Maar dat is niet zo. Daar­om lees ik van tijd tot tijd zo graag de geloofs­belijdenis van Atha­nasius. Daar kunt u in vinden dat de Heere Jezus de broederen in alles gelijk gewor­den is, dat Hij een menselijke ziel en een mense­lijk lichaam had. Dat Hij geleden heeft aan Zijn lichaam en aan Zijn ziel.

Om duidelijk te maken wat dat lichaamslijden ge­weest is, zult u wel begrij­pen, dat dit het lijden van de nagels in Zijn handen geweest is, de nagels in Zijn voeten, de doornen­kroon op Zijn hoofd en de speer­stoot in Zijn zijde. En wat Hij gele­den heeft aan Zijn ziel, dat kunnen we héél goed vinden in de geschie­denis van de hof van Gethsémané, zoals u dat vindt in het Evangelie naar Mat­théüs: "En Hij begon droevig en zeer beangst te worden. Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe" (Matt.26:37-38). Dat is een zielelij­den geweest zo diep, zo diep dat dit lijden waarlijk genoemd kan worden: 'neder­ge­daald ter helle'.

Zo moet ons duidelijk zijn, dat Jezus naar Zijn mensheid, menselijk in het vlees geleden heeft, maar ook menselijk in Zijn ziel geleden heeft. Geleden aan lichaam en ziel. Wat wordt een zondaar daarin getekend, gemeente! Want dat Jezus geleden heeft met li­chaam en ziel correspondeert met ons zondi­gen. De mens heeft gezondigd met zijn lichaam en met zijn ziel. Een mens zondigt met zijn handen en daarom moes­ten die dierbare Middelaarshanden door­nageld worden! Onze voeten, die snel zijn om bloed te vergie­ten zijn vastgena­geld in de Heere Christus!

Maar nog meer: dat hart en dat hoofd! En dan komen we al aardig dicht bij de zetel van de ziel. Dat hart, dat hart! Het zijn niet alleen mijn handen die zondi­gen, het zijn niet alleen mijn voeten die zondigen en het zijn niet alleen mijn zintuigen die zondigen, maar mijn hart! We lezen toch immers in de Schrift: "Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade ge­dachten, overspelen, hoererijen, doodslagen. Dieverij­en, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand. Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens" (Mark.7:21-23). Daarom is die ziel van de Heere Chris­tus, Zijn mensen­ziel doorstoken geworden. Wij zondigen met handen en voeten, met onze zintuigen, maar ook met ons hoofd, geliefde ge­meente, zodat Zijn hoofd is getooid met een doornen­kroon, want eerlijk is eer­lijk bij God!

Het gaat om twee dingen, om twee zaken: wij liggen met lichaam en ziel verloren. Dat kunnen we al weten uit de eerste catechis­muszondag. Die twee zaken horen bij elkaar: ziel en lichaam, lichaam en ziel. In het lijden van Jezus Chris­tus gaat het er niet alleen om dat Hij het lichaam koopt, maar dat Hij ook de ziel koopt! Laat ik het ook eens andersom mogen zeggen gemeen­te, dat de Heere Jezus niet alleen zielen verzoent, maar ook licha­men! Al zal het u mis­schien vreemd in de oren klinken, maar er wordt straks zelfs gesproken over: dit mijn vlees.

Nu heeft de catechismus het al aangeduid, dat Hij ons niet met goud of met zilver gekocht heeft, maar met Zijn dier­baar bloed. Zo moet het duide­lijk zijn, dat het lijden van de Heere Chris­tus waarlijk lijden is ge­weest. Dat het maar geen schijnvertoning is ge­weest, want dan zou de zaligheid ook maar een schijnzaligheid zijn.

Maar het lijden is zo'n waarachtige werkelijkheid geworden in de Heere Jezus Chris­tus, dat ook de zalig­heid de hoogste werkelijk­heid is gewor­den in de Heere Jezus Christus. "Zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem ver­heerlijkt worden" (Rom.8:17). Dit is zo'n heerlijk Evange­lie, dat Jezus Christus in deze wereld geko­men is, afgedaald is uit de hemel om een Onzalige te zijn, opdat zondaren door het geloof zouden worden opgenomen in de hemel, om zalig te zijn. Jezus is geko­men, het Woord is vlees geworden en heeft onder ons ge­woond, opdat door Zijn zaligende kracht, dìt vlees eenmaal bij God zou wonen.

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden? Dat Hij aan lichaam en ziel, den gansen tijd Zijns levens op de aarde, den gansen tijd Zijns levens... Men rekent dat de Heere Christus ongeveer dertig jaar was, toen Hij Zijn open­bare optre­den is begonnen. Men rekent uit de Evange­liën dat de omwandeling op aarde drie jaar heeft geduurd. Nu bedoelt de catechis­mus, dat we ons niet voor moeten stellen dat het lijden slechts drie jaar geduurd heeft, maar dat het drie­ndertig jaar ge­duurd heeft­. Ik heb het ook weleens benadrukt in een preek, dat toen de Heere Jezus in deze wereld gekomen is, meteen het lijden begonnen is. Hij Die Zijn kruis draagt naar Golgot­ha als Man der smar­ten, is in Bethlehem neergelegd in de kribbe als het Kind der smarten.

De catechismus zegt wel: maar inzonderheid aan het einde Zijns levens. Dat is inderdaad waar. Wat is het einde van het leven van de Heere Christus een lijden geweest, toen metterdaad de ure geko­men was, waarvan de Heere Jezus sprak: "Vader, de ure is geko­men, ver­heer­lijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheer­lijke" (Joh.­17:1).

 

Geliefde gemeente, u moet wel bedenken dat dit niet zó maar een lij­denspreek is. We moeten ons realiseren dat het lijden van de Heere Jezus Christus twee zaken omvat: dat er in Jezus Chris­tus een dadelijke gehoorzaamheid geweest is en dat er in Jezus Chris­tus een lijdelijke ge­hoor­zaamheid geweest is. Het is zeer belang­rijk om dat te onder­scheiden, want het wordt in ketterse stromingen weleens verkeerd onder­scheiden. Het gaat om deze zaak, die men ook wel­eens noemt: de passieve gehoorzaam­heid en de actieve gehoor­zaamheid. Die woorden en die aanduidin­gen laat ik nu verder rusten.

Maar de zaak waarom het gaat, dat is dat de Heere Chris­tus niet alleen de zonde van Adam heeft geboet en dat de Heere Christus de zonde van de ganse uitverkoren Kerk heeft geboet. Maar ook, en daar zou eens meer uit geput en uit geleefd moeten worden, dat de Heere Jezus Christus de tweede Adam gewor­den is. Dat Hij ook alle gehoorzaamheid aan de Vader heeft volbracht, dat Hij dáárin de tweede Adam geworden is. Dat Hij dus niet alleen de schuld op Golgotha heeft voldaan, maar dat Hij ook Plaatsbekle­der is gewor­den, om in de plaats van de eerste Adam, in gehoorzaamheid de tweede Adam te zijn, in een leven dat volkomen tot Gods eer was. We zien dat al in het zeer jeugdige leven van de Heere Jezus, wan­neer Hij zegt: "Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?" (Luk.2:49).

Dat moeten we goed in het oog houden gemeente! Waarom dat zo belangrijk is, zal ik u zeggen: daar waar een overdreven nadruk wordt gelegd op het laatste lijden van de Heere Christus, zonder oog te hebben voor de gehoor­zaamheid van de Heere Christus, daar gaat de poort open voor de goede werken. Dat we zouden denken dat we toch nog iets tot onze zaligheid toe moeten brengen, om Gode welbe­haag­lijk te leven. Ten diepste zullen we ons daar vrese­lijk mee vergissen, als we proberen met goede werken een eigen dade­lijke gehoor­zaam­heid op te richten.

Het gaat om deze zaak, heilsbevindelijk, laat ik het maar heel ge­woon in de 'ik' vorm mogen zeggen. Dat de Heere Jezus Christus niet alleen mijn zonden heeft verzoend, maar dat de Heere Jezus ook alle gerechtig­heid in mijn plaats, voor mij, vervuld heeft in Zijn ganse leven. Zodat die tekst, die we lezen in de Hebre­ënbrief, voor mij persoonlijk één van de meest dierbare Godswoorden is: "Die hoewel Hij de Zoon was, nochtans ge­hoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden. En gehei­ligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zalig­heid gewor­den" (Hebr.5:8-9).

Het gaat in dat lijden ook om die onuit­sprekelij­ke gewilligheid, om die gehoor­zaam­heid van de Zoon, zoals we dat ook lezen in Jesaja 53. "Als een lam" en anders dan als lam kon het niet, want alleen het vrijwillige offer behaagt God de Vader, "Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aange­zicht zijner scheer­ders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?" (Jes.53:7-8).

Het lijden van de Heere Chris­tus heeft zo'n onuit­sprekelijke waardij gekregen vanwe­ge Zijn vrijwilligheid, zoals we dat ook lezen in Psalm 40: "Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen", en daar hoort bij: "Uw wet", de gehoor­zaamheid aan U, o Vader, "is in het midden mijns ingewands" (Ps.40:9). O, die vrijwilligheid des harten van de Heere Christus.

Er wordt hier gesproken over het lijden, wat dat in zijn kern was. Er wordt hier niet gesproken over de wonden, er wordt hier, lieve kinderen, niet gesproken over de nagelen; maar hier wordt gespro­ken over de toorn Gods tegen de zonde. Dan zitten we in de kern van het lij­den, dat Jezus Christus Zich gebukt heeft onder de recht­vaardige gramschap Gods. Voor een mens is het niet uit te spreken wat die recht­vaardi­ge gramschap Gods inhoudt. Heilsbe­vindelijk kunnen we er soms iets van proeven en smaken in ons hart, wan­neer ook wìj verbaasd en beangst beginnen te worden. Als God, door de Heilige Geest, onze schuld en onze onge­rechtig­heid in het hart uiteen gaat leg­gen.

We moeten goed bedenken dat hier gesproken wordt over de toorn Gods, niet tegen de Zoon, maar tegen de zonde van het ganse mense­lijke geslacht. De gramschap des Vaders richt zich tegen de zonde. Misschien zit er bij het bedenken daarvan iets in van enige zondedo­dende genade, hier in dit antwoord van de catechismus. Dat Hij inzonderheid aan het einde Zijns levens de toorn, de gram­schap Gods tegen de zonde des gansen menselijken ge­slachts gedragen heeft. Dat is een heel moeilijke zin, ­want hier wordt niet geleerd dat Jezus Chris­tus gestorven is voor alle mensen. U kent die remon­strant­se, die verderfelijke opvatting wel. Dan wordt nog weleens aangehaald of verkeerd verklaard, dat Jezus de zonde gedragen heeft van het bepaal­de getal der uitver­korenen Gods. In het hoge­priester­lijk gebed bidt Chris­tus: "Vader, Ik bid niet voor de we­reld, maar voor dege­nen, die Gij Mij gegeven hebt" (Joh.­17:9).

Er staat hier: de zonde des gansen menselijken ge­slachts. Dat wil niet zeggen dat Jezus Christus de zonde van alle mensen heeft verzoend! Want dan zouden ook alle mensen zalig worden.

Er staat hier nìet dat de Heere Jezus de zonde van alle mensen ver­zoend heeft, maar dat de Heere Jezus alle zonde van de mensen verzoend heeft. Het gaat niet om de zonden, maar om de zonde, enkel­voud.

Dat houdt in, gemeente, dat de voldoe­ning van de Heere Jezus Christus in zichzelf zo genoeg­zaam is dat, al zou er maar één zondaar zalig wor­den, de lij­densbeker van de Heere Chris­tus niet met één druppel zelfs, verminderd zou kunnen worden. Maar daarin zit ook deze Evangelieprediking dat, al waren er duizend werelden uitverko­ren, het bloed van Jezus Chris­tus voldoende zou zijn. Dan zou dat lijden van de Heere Chris­tus niet vermeerderd behoeven te worden, zo zegt Erskine het.

Jezus Christus heeft de toorn Gods tegen de zonde, enkelvoud dus, des gansen menselijken ge­slachts gedra­gen, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, ge­rechtigheid en het eeuwige leven verwierf. Het gaat om twee zaken, ik herhaal ze nog een keer: de dadelijke en de lijdelijke gehoor­zaam­heid van de Heere Christus. Het één waardoor Hij de zonde ver­zoend heeft, het ander waardoor Hij het eeuwige leven ver­diend heeft, voor al diege­nen die de Vader Hem gegeven heeft.

Dan gaat het om de toerekening en om de toepassing door de Heilige Geest. Jezus Chris­tus is de tweede Adam geworden. Laat ik eerst mogen zeggen wat onze ramp geworden is in de eerste Adam. Zoals God ons geschapen heeft, hadden we een origi­nele gerechtig­heid, verstaat u dat? Dat is een eigen gerech­tigheid, waardoor wij voor God konden staan, Adam en Eva, u en ik. En zij waren naakt en zij schaam­den zich niet voor elkaar en ze schaamden zich niet voor God. Op grond van die geschapen gerech­tigheid in Adam en in Eva, was er iedere dag een verkwikkende omgang met God Zelf in het ruisen van de moerbeibomen in de hof.

En nu is dìt de breuk, probeer me nog even te volgen gemeente, luisteren is misschien een beetje moeilijk, preken is ook moeilijk, maar laten we het nog even­tjes probe­ren. Nu is door de val, en daar ligt de breuk tussen God en onze ziel, daar ligt de breuk tussen de Schepper en het schepsel, die eigen gerechtigheid verloren. Zodat Adam zegt en zodat wij moeten zeggen, wanneer God langs komt door de hof, wanneer God langs komt in ons leven en we ons verbergen moeten voor Gods aange­zicht: ik schaam me Heere, "Ik vreesde, want ik ben naakt" (Gen.3:10). Dat bete­kent ten diep­ste: ik schaam me Heere, want ik ben mijn eigen gerech­tigheid verloren. En dat is nu de diepe breuk waarom de Schep­per geen gemeenschap meer kan hebben met Zijn schepsel, omdat we onze originele gerechtig­heid verloren hebben in de eerste Adam en die krijgen we nooit meer terug.

Maar nu is dit de genade Gods des Vaders, des Zoons en des Heili­gen Geestes, dat de Vader hulp besteld heeft bij een Held, bij Zijn Zoon en dat de Heilige Geest die zaken uitwerkt in onze levens, die zaken vast en bondig maakt. Waar we de kleding van de eerste Adam, onze origi­nele gerechtigheid verloren zijn, krijgen we het terug in het geloof in Jezus Christus. Een toegere­kende ge­rechtig­heid, waarvan Paulus niet alleen schrijft in Romeinen 7 over het leven en in Romei­nen 8 over de  krach­t, maar waarvan ook Jesaja schrijft: "Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerech­tigheid heeft Hij mij omgedaan" (Jes.61:10).

Het gaat om de lijdelijke gehoorzaamheid en om de dadelijke gehoorzaamheid, dat dit ten diepste de klede­ren van Christus zijn, waarmede een arme zon­daar be­kleed wordt. Waardoor hij weer voor Gods aange­zicht mag staan, de ogen weer op mag slaan tot zijn Schepper in die zalige toegerekende gerechtigheid.

En vat het nou eens een keer geliefde gemeente, we zijn rampzalig veel verspeeld in de eerste Adam. Wat wordt er een jammer beleefd over dat eerste verbond dat verbroken is. Maar nou dat koste­lijke genadeverbond! Wanneer de Heilige Geest een greintje geloof in onze levens geeft, dan zeg ik: wat is het zalig, zalig om uit die eerste Adam uitgelijfd te zijn en door het geloof die tweede Adam ingelijfd te zijn. Zijn gerech­tigheid en Zijn heiligheid, rechtvaar­digmaking en heilig­ma­king deelachtig te zijn door vrije toerekening, door het geloof waardoor Hij ons van de eeuwige verdoe­menis verlost. Waardoor een zon­daar in het bruilofts­kleed van Jezus Christus weer voor Gods aangezicht kan verschij­nen. Weer genade verkrijgt in Gods oog, weer gerechtig­heid heeft in Jezus Christus en het eeuwige leven zal ontvangen.

O, gemeente, kinderen, grijsaards, hebt u wel eens gejammerd onder de breuk van het werkverbond? Wat is het genadeverbond véél voortreffelijker dan het werk­ver­bond ooit geweest zou kunnen zijn. Om in Jezus Christus als de tweede Adam begrepen te zijn. In Hem weer een vrije toegang te hebben tot de Vader. Vervuld te zijn in Hem, door de Heilige Geest, omdat de Zoon van God de menselij­ke natuur deelachtig geworden is, door de zalige toepas­sing van de Heilige Geest. Petrus zegt: " Opdat gij door dezelve der goddelijke natuur deelach­tig zoudt worden" (2 Petr.1:4), door dat koste­lijke Borg­werk, door dat kostelij­ke zoenwerk van de Heere Jezus Chris­tus.

"Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht" (Jes.­64:4). Dan zal de eeuwigheid dìt zijn, ge­lief­de gemeen­te, dat we nooit meer kunnen vallen. In Adam stonden we toch zo hachelijk, zelfs in het paradijs: ieder ogen­blik konden we vallen en het ìs ook gebeurd, we zìjn gevallen!

Maar o, de voortreffelijkheid van het genadeverbond! Om in Chris­tus Jezus geborgen te zijn, in Jezus Chris­tus veilig te zijn, nooit meer te kunnen vallen. Een­maal ook nooit meer te kunnen zondi­gen, eenmaal altoos bij de Heere te zijn en eenmaal Hem te zien, Die we door het geloof zo onuitsprekelijk hebben lief gekre­gen.

"Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen.

Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen" (1 Joh.3:2). Het is echter wel geopen­baard wat we doen zullen: we zullen eeuwig Jezus te voet vallen, om Hem tot in der eeuwigheid te prijzen voor dat koste­lijke liefdewerk. We zullen in eeuwigheid verkon­digen het lijdende liefhebben en het liefheb­bende lijden van onze Heere Jezus Christus. Dat zal de eeu­wigheid zijn! AMEN.