Zondag 23 ds. P. Roos

Zondag 23

Liturgie:

Ps.32:1,6
Psalm 32
Ps.122:2 (na geloofsbelijdenis)
Ps.103:2,5
Ps. 85:1
Ps. 65:2

Vr.59. Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft?
Antw. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens a.
a {#Hab 2:4 Ro 1:17 Joh 3:36};

Vr.60. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Antw. Alleen door een waar geloof in Jezus Christus a; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb b, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben c, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds d, uit louter genade e mij de volkomen genoegdoening f, gerechtigheid en heiligheid van Christus g schenkt en toerekent h, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft i, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem j.
a {#Ro 3:21,22,24 Ro 5:1,2 Gal 2:16 Eph 2:8,9 Php 3:9}
b {#Ro 3:9}
c {#Ro 7:23}

Vr.61. Waarom zegt gij dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?
Antw. Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is a, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëigenen kan .
a {#1Co 1:30 1Co 2:2}
b {#1Jo 5:10}


Gemeente,

In de bekende gelijkenis van de Farizeeer en de tollenaar komt het onderwerp, dat in zondag 23 aan de orde komt, in beeld, namelijk de rechtvaardiging.
De Heere Jezus richt Zich in deze gelijkenis tot hen die bij zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren; dat waren de Farizeen.
In het slot van de gelijkenis keert dit woord weer terug: de tollenaar ging af, gerechtvaardigd naar zijn huis.
Er zijn dus mensen die zichzelf rechtvaardig verklaren en zich ervoor houden en er zijn er die door God gerechtvaardigd worden. Dat is een groot verschil.
Wie meent rechtvaardig te zijn, mist de geschonken gerechtigheid van Christus. Hij heeft deze niet nodig. Hij leeft bij zelfbediening. Degenen echter die het in zichzelf niet kunnen vinden, krijgen deel aan deze wondere vrijspraak. Dat zien we ook in zondag 23.
Het thema van deze zondag is:

RECHTVAARDIG VOOR GOD DOOR HET GELOOF

Er zijn drie aandachtspunten:

de baat van het geloof
de vrucht van het geloof
het middel van het geloof


de baat van het geloof

De vraag naar de baat of de opbrengst van allerlei dingen beheerst de markt. We investeren om er later beter van te worden. We moeten werken om te kunnen leven.
Maar, kun je deze vraag nu wel stellen in de kerk? Daar gaat het toch om andere dingen? Deze vraag riekt naar bijbedoelingen. De duivel suggereerde dat Job de Heere diende vanwege de baat, de opbrengst. Is het om niet dat Job God vreest?
De Heere wil niet gediend worden om wat Hij geeft maar om Wie Hij is. Is dus deze vraag wel gepast?
Het is waar, het gaat in de eerste plaats om de Heere Zelf. Maar het is daarna toch ook wel eens heel goed dat we een vraag stellen als deze. Vraag gerust maar eens naar de opbrengst van uw kerkgang. Wat is de vrucht op mijn prediking, zo mag de voorganger vragen. Waarom ga ik elke zondag tweemaal naar de kerk? Waarom bid ik elke dag meermalen? Waarom lees ik de Bijbel? De Heere Zelf heeft zelfs het woord “beloning” gebruikt. De Farizeeën dienden slechts om loon en dat is het kenmerk van alle slaafse vrees. Maar tegenover Abraham sprak de Heere: “Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot”. Dat is een geestelijk loon. Paulus is in de lijn van deze vraag als hij de Corinthieërs vermaant dat zij de genade Gods niet tevergeefs zouden hebben ontvangen.
Het lijkt me ook een geschikte vraag voor jullie, jongelui. Wat heb je eigenlijk aan het geloof? Zulke vragen houden je bezig. Waarom ga ik die baan aannemen? Wat brengt me mijn inzet op? Die vragen zijn in het gewone leven ook echt wel nodig. Het hoort thuis in een goede boekhouding.
Wat baat het je dat je dit nu allemaal gelooft?
Ik stel eens een wedervraag: Wat brengt je facebook account op? Wat hebt u nu echt aan uw TV? Het zijn zaken die veel tijd opslokken. Vraag je je bij die dingen ook wel eens af waarom je het nu allemaal doet?
Zo is deze vraag van ons leerboek hoogst actueel en eigentijds te noemen. Als ik een antwoord zoek op deze vraag, denk ik aan eventuele revenuen die het geloof zou kunnen hebben. Word ik er rijk van? Brengt het me geluk? Levert het me straks een goed huwelijk? Ja en nee. Nee, want het geloof is geen succesformule. Vergis je niet. Dien de Heere niet om den brode. Dat is een gevaarlijke misleiding. Zo’n gedachte zouden de vervolgde christenen ver van zich werpen. Het levert hen alleen maar ellende op in uiterlijke zaken. Toch dienen zijn de Heere met blijdschap.
Dus geen materieel gewin. Toch ook weer een groot gewin, zoals Paulus zegt. Wat dat dan is? Ons leerboek komt inderdaad met een rijk antwoord: “Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven”.

Dat zal veel mensen behoorlijk tegen vallen. Is dat het nu? Leg dat eens uit aan je onkerkelijke buurman. Hij zal zich vol onbegrip afwenden van zulke woorden. Het lijken wereldvreemde zaken. Echt iets voor een preek.
Daar lijkt het ook wel op. Maar bedenk: dit antwoord grijpt ver uit boven al de dingen die we hier in dit leven nastreven. Het antwoord zegt dat er een God is, dat God bestaat. Dat de wereld een Schepper heeft. En dat boosaardige mensen een toestand van zuiverheid en heiligheid kunnen bereiken. Dat zijn grootse oplossingen voor de nood van deze verdorven wereld en mensheid. Het zou ook in uw en jouw leven een geweldige zingeving verlenen aan alles wat je doet. Het zou je echt vrolijk kunnen maken, meer dan wat de wereld geeft. Paulus spreekt van een grote gewin met vergenoeging (1 Tim. 6:6).
Een rechtvaardig mens is meer dan een rijke bezitter. De vruchten van het genadeleven overtreffen toch ver alle zaken die materieel bepaald zijn. Het gaat hier over geestelijke en innerlijke gaven die de Heere verleent.
Over die rechtvaardigheid zullen we het straks bij het volgende antwoord nader mogen hebben.
Het antwoord heeft het ook over de erfenis van het eeuwige leven.
Dus toch rijkdom! Deze erfenis is groter dan alle aardse erfenissen bij elkaar. Zeker, dat is een zaak van geloof, niet van berekening. En de leerling die dit antwoord geeft, spreekt uit overtuiging, uit ervaring. Hij weet het! Als wij dat persoonlijke leven niet kennen, laten we dan luisteren naar de Kerk die deze woorden spreekt. Weeg dan dit antwoord en stel je voor wat het is. Een ruime poort naar de eeuwigheid, een leven dat hier reeds begint, met droefheid en vreugde, met zuchten en juichen.
Ik begrijp absoluut dat dit voor ons, aardse gerichte mensen, vreemde klanken zijn. Gods volk, de eigenlijke erfgenamen, dragen deze overtuiging ook niet altijd uit. Maar als jij wist dat er een bank is die je zou kunnen helpen aan die onbereikbare hypotheek voor je huis, dan zou je op zoek gaan naar die bank. Doe dat dan ook maar als het gaat om deze God Die zulke erfenissen uitdeelt. En dat ga je te meer doen als je overal hier om je heen je neus stoot en met alles bedrogen uitkomt.
Nu komt deze vraag nog eens terug, persoonlijk. Wat hebt u er aan? U kerkganger, u Avondmaalganger? Beleeft u dit antwoord? Kunt u het nazeggen?
Wie dan niet kan, moet zich dan afvragen wat hij of zij heeft aan alles wat de aardse genoegens opleveren. Het einde is de dood. Het einde is de eeuwige dood. Buiten Christus komt u daar uiteindelijk terecht. Als het op sterven aankomt, moeten we alles achterlaten. Dat houdt de muziek op, dan helpen de pepmiddelen van de wereld niet meer, dan kunnen je vrienden je niet helpen, dan is het te laat. Als u nu moet zeggen dat u dat leven mist, lees dan de vraag nog eens goed.
Wat baat het u dat u “dit alles” gelooft?
Er is dan iets met uw geloof niet in orde. Het is dan namelijk geen waar geloof, waar het later over gaan zal. U gelooft dit alles niet…..! U gelooft wel de nieuwsberichten, maar u gelooft niet de God der Waarheid, u verwerpt Jezus Christus. Zie de consequentie daarvan onder ogen.
Het zou ook nog kunnen zijn dat u niet álles gelooft. Dus u gelooft wel maar niet de volle waarheid. Er zijn ook mensen die hier en daar wat wegplukken en daar hun godsdienst van maken. Zo onderwijst onze Catechismus ons om niet te rusten voordat we dit alles geloven: Wet en Evangelie, de volle Christus, de hele Bijbel, bevel en belofte, leven en dood.
“Dit alles” is aan de voorafgaande zondagen aan de orde gekomen. Het ging daarin om de inhoud van de Twaalf Artikelen. Daarin staan in beknopte vorm alle gaven en giften van de Drie-enige God opgesomd. Lees het nog eens na. Het zijn grote zegeningen en we kunnen de som van die schatten, tellen noch bevatten.

II
de vrucht van het geloof
Het volgende antwoord (60) wil nader ingaan op de reeds genoemde rechtvaardiging. We kunnen het ook omschrijven als de vrucht van het geloof. Hierover gaat dus dit antwoord. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Er verschijnt nu een betrekkelijk nieuw begrip in de Catechismus, namelijk rechtvaardiging. In het voorgaande ging het veelal om geloof. Het is een sleutelbegrip. Maar ook het woord “rechtvaardiging” is van het grootste belang. In dit woord horen we andere accenten. De kern van het woord heeft te maken met het recht van God. Het heeft de notie van de Rechter in zich. God de Rechter van hemel en aarde. Vooral Paulus heeft hierover in zijn brieven veel geschreven. Denk aan de bekende tekst: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God (Rom.5:1).

In deze zondag treffen we tweemaal God als Rechter aan. In de ene hoedanigheid is Hij uitzonderlijk barmhartig, in het andere geval is Hij uitzonderlijk streng.
Wat zouden we denken van een rechter in Nederland, die criminelen vrijuit zou laten gaan? Voor ons gevoel zijn de straffen soms te gering. Maar laten we dat niet te snel denken. Het ambt van rechter is een moeilijk beroep. Wie kan de juiste afweging maken, wie kan altijd een eerlijk vonnis vellen?
Maar stel u zo’n rechter voor. Hij laat zelfs misdadigers lopen die een potentieel gevaar vormen voor hun omgeving. Deze rechter vermijdt zelfs zoveel mogelijk elke straf die zou moeten worden uitgesproken.
Welnu, zo rechter lijkt God te zijn. Ik zeg: zo lijkt Hij te zijn. Maar het staat hier toch eigenlijk ook zo. Er staat een verdachte voor deze Goddelijke Rechter die tegen alle geboden heeft overtreden, die geen daarvan gehouden heeft en die nog steeds niets geleerd schijnt te hebben. Hij is nog steeds tot alle boosheid geneigd. Hier kan natuurlijk maar één vonnis verwacht worden, namelijk de zwaarst mogelijke straf. Maar dat gebeurt juist niet. De hoogste Rechter spreekt deze verdachte vrij van alle strafvervolging. Dat is ongehoord. In Nederland is zo’n rechter niet te vinden.
Maar de hemelse Rechter is wel zo; Hij spreekt zulke boosaardige mensen helemaal vrij. Niet vanwege gebrek aan bewijs. O nee, bewijzen zijn er genoeg. Het is te vergelijken met het verkeer. Iemand die te hard rijdt, kan dat ontkennen, maar de foto’s wijzen het uit. Ontelbaar veel bewijzen. Maar God legt deze alle terzijde.
Deze Rechter is dus buitengewoon barmhartig. Wat zijn er in Gods Woord een heerlijke deugden van God te vinden; en we zingen ervan: de Heere is goed en vriendelijk en weldadig, barmhartig, mild lankmoedig en genadig, Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken, Zijn goedheid ligt verspreid op al Zijn werken. Gelukkig die verdachten die zo voor deze Rechter moeten en mogen verschijnen.
Maar nu dat andere beeld van deze Rechter. Ook zo’n rechter is er in onze maatschappij niet te vinden. Deze Rechter toont Zich zo onbuigzaam als het maar kan. Niet het kleinste vergrijp wordt door de vingers gezien. Zijn vijanden vragen zich af of Hij wel een hart heeft. Het is gebeurd dat Zijn eigen Zoon als beklaagde voor Hem als rechter stond; en zelfs in dat geval toonde Hij geen barmhartigheid. Ik zeg: Hij toonde dat niet, al is Hij wel zo. In Zijn Zoon toont Hij op een heel andere manier weer Zijn goedheid. Christus stond voor het recht van God, voor de hemelse rechtbank en Hij werd door Zijn God, de Rechter, veroordeeld. Hoewel Hij nimmer gezondigd had en nooit een gebod had overtreden. En toch werd Hij veroordeeld tot de zwaarste straf. Is deze Rechter voor ons gevoel niet streng, veel te streng? Zo is God, de Rechter ook!
Hoe kan het nu zijn dat deze twee zijden van God als Rechter met elkaar te verenigen zijn? Het komt er toch wel heel erg op aan dat u de Heere eens zult aantreffen als een Rechter, vol van mededogen. Maar hoe kan dat nu ooit?
Wij mensen kennen onze luimen. We zijn de ene dag zus en de andere dag zo. Er zijn mensen die volkomen onberekenbaar zijn. Je weet nooit hoe het uitpakt.
Maar zo ligt het bij de Heere gelukkig niet. U kunt precies weten hoe het met u afloopt. Maar hoe kan dat dan? Oordeel en voordeel kunnen toch niet samengaan?
Gods Woord geeft ons het antwoord. Omdat God zo streng was tegenover Zijn eigen Zoon, daarom is Hij zo genadig voor de grootste der zondaren. Omdat Christus getreden is in de plaats van de goddeloze; omdat Hij tot zonde gemaakt is in de plaats van zondaren. Omdat er een genadige ruil mogelijk is: Christus neemt de schuld van de Kerk over en Zijn gehoorzaamheid wordt hen toegerekend. In Christus is God eindeloos barmhartig. In Hem vinden liefde en recht elkaar. Gena wordt van waarheid blij ontmoet.
Dus hebt u die Christus nodig. Als Hij de uwe is geworden, worden al uw zonden u kwijt gescholden. Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis, dan Christus alleen mijn gerechtigheid is. Elders zegt ons leerboek dat Christus Zich in het gericht Gods om mijnentwil gesteld heeft. Dus als we buiten Christus leven, is er geen hoop. Dan is de Heere, die barmhartige God, voor u een verterend vuur. Maar in Hem gevonden, kan geen oordeel u treffen.

We kijken nog eens wat nauwkeuriger rond in de rechtszaal.
Daar staat de verdachte. Zijn positie wordt vertolkt in de woorden: “alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben”.
Is het werkelijk zo erg? Geldt dit nu van u en van mij? Zo zien we ons toch ook weer niet. Iemand zou dat maar eens tegen je moeten zeggen. Deze mens, deze zondaar is onverbeterlijk, hij heeft een spoor van vernielingen achter zich getrokken. Hij is iemand die God niet vreest en niemand ontziet. Als er zulke mensen voor de rechter staan, schrijven de kranten er lange verhalen over en roepen de mensen om het hardst om wraak en recht.
En ben jij nu werkelijk zo iemand? Is dat nu je profiel? Hoe ver staat deze beschrijving van ons af. Wat protesteert mijn gemoed tegen zo’n voorstelling. Ik zou deze foto maar het liefst willen verscheuren.
Wij zijn toch nette mensen, goede burgers, we hebben hopelijk nog nooit voor een rechter gestaan? We zijn nimmer veroordeeld. Toch moet ik u als gerechtsdienaar dit beeld van u en mij bijbrengen. In het paradijs begon het al. Daar hebben we allen in onze vader Adam Gods gebod overtreden. Sindsdien zit dat ons in de genen en in het bloed. We zijn allemaal al ontelbaar vaak geflitst. Hoe stellen we ons op tegen een heilig God? Hoe gaan we soms met elkaar om? Welke boze gedachten spelen soms door ons hoofd. De Heere Jezus Zelf heeft het gezegd: uit het hart van de mens komen voort “ boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen“ (Matth. 15:19). In Romeinen 3 geeft Paulus ook een angstaanjagende tekening. Deze dingen brengen ons niet voor de aardse rechter, maar de hemelse Rechter ziet het allemaal niet door de vingers. Zou Hij dat wel doen, dan zou Hij het kwaad accepteren. Maar tegen alle geboden en dan nog wel zwaar? Gods wet is een eenheid en breek je een scherf uit deze mooie vaas dan is de vaas helemaal weg. Ik heb hier geen tijd om al de geboden eens na te lopen, maar Jakobus zegt het zo: wie de gehele wet zal houden en in een zal struikelen, die is schuldig jegens alle (2:10). De Heere Jezus legt ons de wet anders uit dan wij doen. Hij noemt een verkeerde blik al overspel. Hij daalt daarmee af in de diepten van ons hart.
Wat nu volgt, is van groot belang. Deze verdachte heeft ook geen enkel gebod gehouden. Het gaat hier over de dadelijke gehoorzaamheid. Ook daarvoor hebben we de Heere Jezus nodig, Die een volkomen dadelijke gehoorzaamheid heeft geboden aan de Heere. Dat betekent, dat alles wat Hij deed, zonder zonde was. Hij leefde altijd in overeenstemming met Gods wet. Wij denken vaak alleen aan de verkeerde dingen die je doet. Dat noemen we zonde. Maar zonde is ook wat je allemaal niet doet. U zou altijd God moeten verheerlijken en altijd leven tot Zijn eer en u zou altijd en overal ieder mens zo veel mogelijk moeten liefhebben, met álles wat in u is. Ik heb God dus ook nooit gegeven wat Hem toekomt.
Dan staat er ook nog dat ik tot alle boosheid geneigd ben. Dat stond ook al in zondag 2; zijn we dan niets gevorderd? Nee, die neiging blijft kennelijk nog wel bestaan. De zonde sluimert voortdurend in je hart. Paulus zei dat als hij het goede wilde doen, dat het kwade hem bijligt (Rom.7:21). We zien in de levens van Gods kinderen in de Bijbel, dat het echt zo is: ze deden soms de meest gruwelijke zonden. Maar uw eigen levensbeschrijving weet er ook van. Ik ben er zeker van dat u dat kunt toestemmen. U schrikt van die gedachte, u schaamt u voor sommige woorden en daden.
Deze verdachte heeft zijn aanklagers: de wet en de duivel bijvoorbeeld en natuurlijk ook God, de Rechter. Maar er is nog een getuige, namelijk het eigen geweten. Dat is hier het bijzondere. Het geweten is het helemaal eens geworden met God. Omdat het door de wet van God gestempeld en bewerkt is, omdat Gods Geest de mens eerlijk gemaakt heeft.
Ons geweten is in zekere zin de vertegenwoordiger van God in ons leven. Maar u kunt er zonder meer niet op doorgaan. Sommige mensen hebben een veel te ruim geweten. Dat hebben ze zelf zo gevormd. Allerlei stemmen van binnen hebben ze telkens en telkens maar weer het zwijgen opgelegd en daardoor is het geweten soms in slaap gevallen en dicht gebrand. Het spreekt lang niet altijd meer zuiver. Er zijn ook mensen met een te nauw geweten. Ook dat kan. Zij worden soms op het ziekelijke af lastig gevallen door die medeweter. Door een te strenge en verkeerd gerichte opvoeding of een doorgeschoten prediking zegt het geweten hen steeds de wacht aan. Let wel, op soms heel onbeduidende dingen, terwijl andere grove verkeerdheden zo maar geslikt worden.
Hier echter is het geweten gevormd door Gods Geest. Het is zuiver en staat aan Gods kant. Dat maakt het de Rechter wel makkelijk: de verdachte stemt het allemaal van harte en met berouw toe.
Vinden jullie, jongelui, dit mensbeeld misschien te zwaar aangezet? Overdrijft ons leerboek niet? Bedenk dat het hier nu niet staat om zonder meer de zwaarte van je zonde aan te geven; nee, hier staat het zo, om de grootte van Gods genade aan te geven. Al zou je de grootste van de zondaren zijn, dan nog is er genade. Hier staat het om aan te geven dat zelfs zo’n ellendige en verkeerde zondaar bij déze Rechter nog mag rekenen en hopen op vrijspraak. Daarom spreekt Gods Woord ook over de rechtvaardiging van de goddeloze. We zouden verdwalen als we het hebben over de rechtvaardiging van de gelovige of de uitverkorene, of de bekeerde zondaar. Dan zouden we een grond zoeken in de mens. Nu is het alles genade en het is veel genade.
Bedenk daarbij dat dit niet de enige waarheid is. We zullen zien dat dit antwoord ook spreekt over die nieuwe mens, die een vijand is geworden van alle zonden.
We zien dan een heerlijk portret van die vernieuwde mens. Hij krijgt namelijk de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus toegerekend.

Hier worden drie grootse weldaden van Christus genoemd. Laten we deze eens nader bezien. Deze drie komen hier tweemaal voor, namelijk in antwoord 60 en 61.
Genoegdoening is hetzelfde als voldoening. Voldoening kunnen we omschrijven als betaling, het is een vereffening van de schuld. Over de betaling heeft de Catechismus in het begin uitvoerig gesproken. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede (antw. 12). daarom moet er betaald worden.
In de handel krijgen we niets gratis. We moeten overal voor betalen. Stel u de schuld van de mens, van ons voor als een bedrag, dat dagelijks oploopt. Dat begrijpen we in onze tijd best nu er zoveel mensen ongewild schulden maken en er voor hun gevoel niet meer uit kunnen komen. Het zou mooi zijn om eens te overwegen wat de kerken aan dit probleem zouden kunnen doen. Maar los daarvan, we maken allemaal schuld bij God. En hoe werkt daar de schuldsanering? Gaan we onze schuld afbetalen, via een lange en vermoeiende weg?
De Heere wilde het anders doen. Geen terugbetaling, maar een volkomen gratis voorziening. Er is iemand Die de volle schuld betaalt voor een geestelijk bankroete zondaar. Die zondaar heeft ermee geworsteld, heeft ook getracht het bedrag bij stukjes en beetjes te voldoen, maar het liep op niets uit. Er was een tijd dat hij allerlei voornemens had en vele beloften deed. Maar hij heeft gemerkt, dat er geen verwachting kon zijn in die weg.
Christus heeft de schuld met Zijn bloed, met Zijn leven voldaan. Dat is de hoogste prijs die iemand betalen kan. Hij heeft als het Lam Gods de zonden van Zijn Kerk weggedragen. Nu kan gezegd worden dat Zijn bloed reinigt van alle zonden.
Hij heeft aan het kruis genoeg gedaan. Er is een volheid van genade-certificaten die uitgedeeld worden aan hen die erom verlegen zijn. Het is een volkomen pardon, het is een volkomen voldoening. Wie ook bent, de Heere stelt deze genade in het vooruitzicht. Het is genoeg! Tob niet langer onder de last van uw schuld. Zie op Hem, kom tot Zijn volheid om te ontvangen genade voor genade.
Nu zult u het tot op zekere hoogte wel geloven dat er kracht is in het bloed van Christus. Toch overkomt het velen dat zij telkens weer aangevallen worden met gedachten aan hun bedreven zonden. Zou dit of deze zonde wel verzoend kunnen worden? Dat de Heere anderen wil verlossen, maar ook u? Kunt u, volk van God, geloven dat de dagelijkse zonden die telkens weer bedreven worden, ook steeds weer aanspraak mogen maken op vergeving en verzoening? Zonden tegen beter weten in, tegen uw geweten in, zonden die een dubbele mate van schuld aangeven? Dat zijn vragen die zo maar niet even worden opgelost. Zouden we dat wel doen op die manier, dan zouden we een verkeerd gebruik maken van de genade. Het gaat in een weg van strijd. In de weg van een dagelijks bidden: Vergeef ons onze schulden. Er zijn in uw en mijn leven zonden en zonden. Er zijn er die voor ons gevoel wel vergeving kunnen ontvangen. Er zijn er ook, die ons blijven achtervolgen.
Daarom wil ik u wijzen op het woordje: genoeg. Genoegdoening spreekt van “genoeg”. Neem dat aan. Er is genoeg. U zult niet tekort komen als u het van Hem verwacht. Maar bedenk dan wel dat er voor uw zonden duur betaald is. Dat moge u in ernst uw zonden doen wegen in de weegschaal van Gods liefde.
Het tweede woord dat hier staat, is: gerechtigheid. Voor veel jongeren een moeilijk woord? Ja, maar evengoed voor ons als ouderen. Het woord geeft aan dat iemand volkomen overeenstemt met een wet, in dit geval met de wet van God. De genade van de Heere Jezus bestaat in gerechtigheid. Er wordt in Gods Woord gesproken over de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid (Jes. 61:10).
Een mantel overdekt het hele lichaam. Al zou het helemaal vol melaatsheid zitten, een mantel onttrekt dat alles aan het gezicht. Of denk aan een naakte zondaar. Die naaktheid is in Gods Woord aangeduid als schande. Een naakte is nameloos arm, voelt zich ellendig, schaamt zich weg voor anderen. In onze dagen wordt dit soms heel anders gezien, maar dat is dan wel een tegennatuurlijke gedachte. Gods Woord spreekt duidelijk over de “schande uwer naaktheid” (Openb. 3:18). Nu liepen de mensen in Laodicea uitgerekend rond in allerlei mooie en dure kleren. En toch ziet de Heere in hen niets anders dan naaktheid. Ze hebben andere en betere kleding nodig.
Geen aardse kleding kan ons helpen om er werkelijk gekleed en bekleed uit te zien. Voor de Laodicenzen was het schokkend te horen dat ze naakt waren. Velen van hen zullen dat niet geloofd hebben. Maar Adam geloofde het wel in het Paradijs. Hij wilde er alles aan doen om zich te verbergen. Aan zulke naakte en beschaamde zondaren wil de Heere die klederen wegschenken. Ik raad u dat ge van Mij koopt goud en witte klederen en ogenzalf. Rijke giften. Ze liggen in de etalage van Gods genade. En als de Heere dit aanraadt, kunt u er ten volle van op aan dat Hij het u geven zal.
Christus heeft deze klederen geweven en verworven, door Zelf als een naakte zondaar aan het kruis te sterven. Wat moet dat niet een smaad en schande voor Hem geweest zijn. Wat stemt dat naakte zondaars tot droefheid. Wat zien we ook in deze lijdende Man van smarten ons beeld. Hier dus een volkomen gerechtigheid waardoor alle naaktheid wordt bedekt. Zoek een zodanige mantel, die elke lichaamsdeel bedekt. Deze mantel heeft kracht en schoonheid.
Het beeld van Jozua in Zacharia 3 spreekt ook over deze klederen. Hij stond daar als Hogepriester met allerlei smetten en vlekken op zijn dure gewaad. Dat was volkomen tegen de wet van het heiligdom. En hij stond daar niet als privé persoon, maar als Hogepriester. Hij onder de vlekken dan heel het volk bevlekt en onrein. Hij kreeg niet de raad om deze kleding rein te wassen; nee, hij kreeg uit Gods garderobe een ander gewaad. Een rein gewaad en een reine hoed op zijn hoofd. En dat deed hij niet zelf, maar deze kleding werd hem aangetrokken, op Goddelijk bevel. Ook een heerlijk beeld van de staatsverwisseling van zondaren. In deze klederen kunnen zondaren echt voor God verschijnen. Het is een feestkleed, een duur gewaad en ook al komt het telkens weer onder de vlekken, ze mogen deze steeds weer wit wassen in het bloed des Lams. Bent u goed gekleed? Dat is in het gewone leven een goede vraag. Ook in het geestelijke leven. Er is toch wel verschil tussen een naakte of iemand die zich met wat bladeren wil bedekken. Dat laatste is toch wel een armoedige bedoening. Zo zou toch niemand in de bruiloftszaal willen verschijnen. Het zou ook niet kunnen, want de vraag zou gelden: “Vriend, hoe zijt ge hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende?”
Nu wordt er nog een derde gave genoemd, namelijk heiligheid.
Er is verschil tussen gerechtigheid en heiligheid. Ik houd nog even het beeld van die mantel aan. Het kwam ook al ter sprake. De mantel der gerechtigheid geeft zondaren het recht om in de rechtszaal te verschijnen. Maar deze mantel blijft niet rein en zuiver. Er komen dagelijks allerlei smetten en vlekken op. Verloste zondaren blijven helaas zondaren tot hun dood toe. Ze komen er soms weer opnieuw onheilig te staan. Vuile klederen, die ooit rein waren.
De heiligheid van Christus geeft hen reiniging van de dagelijkse zonden. Het is waar dat Gods vergeving alle zonden betreft, die uit het verleden, uit het heden en die van de toekomst. Dat gebeurt allemaal in één keer bij de toerekening van de genade van Christus. Er zijn echter twee aspecten van het christenleven: voor zover zij in Christus zijn, zijn ze volkomen rein, alle dagen. Maar in de praktijk van het dagelijkse leven blijven zij zondaar. Zij staan in Christus volmaakt en smetteloos voor God. Omdat zij geheel overdekt zijn met die mantel van Christus' genade. Een asielzoekster kan, als hij als Naderlander is ingeschreven, recht doen gelden op alle wetten en voorzieningen. Maar hij moet nog veel leren. Hij moet het gevoel van zijn nieuwe omgeving als het ware in zich krijgen, hij moet de taal leren spreken, hij moet oude gewoonten en ingeroeste patronen uit zijn vroegere land leren vergeten. Verlaat uw land, dat eens u kon bekoren, uwe ‘s vaders huis en alles wat voorheen, u dierbaar en beminnenswaardig scheen. Een zwak voorbeeld. Jongelui kunnen een goed diploma hebben ontvangen, maar de praktijk moet nog helemaal geleerd worden. De staat van Gods kinderen ligt vast en blijft zoals deze is, maar de stand kan heel erg aan wisselingen onderhevig zijn. Van de aarde zingen we: haar stand blijft vast al wisselen haar tonelen.
Worstelen we met deze deugd? Gods volk is bekommerd menigmaal om de vergeving der zonden. Maar zou het niet uw dagelijkse bekommering moeten zijn: Hoe bent u heilig voor God? Dat is Gods uiteindelijke bedoeling. En ook daarop kunt u wel antwoorden: alleen door een waar geloof, maar dat geloof moet ook zichtbaar worden in uw handel en wandel. Christus is uw heiligheid maar met deze heiligheid moet nu uw dagelijkse leven in verbinding staan. U moet meer worden wat u bent. Buiten Christus vervallen we in werkheiligheid; dan denken we het zelf te moeten en te kunnen doen. Alleen vanuit Zijn gave kan het geloof ook gaan doorwerken in uw dagelijkse leven, in het gezin, in de gemeente, op straat en in de zaak. Daar moeten we ook iets uitstralen van Christus’ genade. We leren zo alle dingen te betrekken op deze heiligheid. We lezen dat zelfs de bellen der paarden het opschrift dragen: de heiligheid des Heeren (Zach. 14:20). De schalen in de keuken, de banken in de klas, de snelheid van uw auto, de taal die we spreken, de uitgaven die we doen, de opvoeding die we geven aan de kinderen, en zo kunnen we doorgaan. Dat kan alleen vanuit de bede van Christus: Heilig hen in uw waarheid (Joh. 17:17).

Onder dit alles wordt nu door dit antwoord nog eens een dikke streep gezet. Het is geen twijfelachtige zaak, het blijft niet een levenslange vraag of we hier deel aan hebben. Nee, het antwoord spreekt over een grote mate van zekerheid:” evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft “.
Hieruit spreekt grote zekerheid. Het antwoord geeft aan dat er geen vergissing mogelijk is. Hier is radicaal afstand gekomen met elke vorm van schuld en zonde. Geen enkele reden meer tot straf. In ons spraakgebruik denken we dan aan mensen van een onbesproken gedrag. Nooit met de justitie in aanraking gekomen. Let wel, dat is niet in werkelijkheid zo, maar vanuit Christus bezien is dat wel zo. De zondaar krijgt een verklaring van goed gedrag.
Dit kan alleen zo gezegd worden omdat Christus onze schuld heeft overgenomen, zo dat dit schuldprobleem afgehandeld is. Hij is overgeleverd om onze rechtvaardigmaking.
Maar mogen Gods kinderen daar nu ook uit leven? Mogen zij dat de Catechismus nazeggen? Er is vaak een grote mate van schuchterheid en zelfs van twijfel. Hun waarneming is dat zij de last van hun zonden vaak nog zo gevoelen. Moet je dit niet eerst op een bepaalde manier beleven voordat je dat kunt nazeggen?
Fundamenteel is voor u of u in Christus bent. Hebt u Hem als Borg leren kennen? Is Hij nu van de Vader geschonken? Zie dan door het geloof op Hem. In het gelovig zien op het Lam Gods is er reden en aanleiding om dan de woorden van ons leerboek na te zeggen.
En als we niet in Christus zijn, dan is er ook alle reden om op Hem te zien. Dan mogen we roepen met Bartimeus: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner. En dan wil de Heere u de verzekering geven dat Hij Zijn belofte aan u zal vervullen.
We zien hier wat de rechtvaardiging nu inhoudt. Wie gerechtvaardigd is, staat recht en rein en zonder zonde voor God, precies zoals dat nu voor een ieder nodig is.
Deze zekerheid hangt ook samen met wat in de vraag wordt gesteld. Hoe zijt gij rechtvaardig…… voor God? Er wordt niet gevraagd hoe ik zelf die rechtvaardiging beleef. Er wordt hier gezegd hoe u voor God staat. Hij ziet u zo, als u staat in de kracht van dit geloof. Maar u kunt er zelf heel anders en heel verschillend tegen aan zien. Gods volk wordt nimmer in dit leven verlost van de inleving van eigen zonde en ellende. Deze kunnen u als een zware last over het hoofd groeien. Dan mist u, als u het daarvan laat afhangen, toch die vastheid. Maar hier staat dat God u zo ziet. De Heere ziet geen zonde in hen, die hopen op Christus en die Hem door het geloof hebben leren kennen. Het is daarom zo belangrijk dat u in de strijd en de aanvechting ziet op Hem Die zonde en oordeel gedragen heeft. Het hangt samen met de waarachtigheid en de betrouwbaarheid van God dat u dan nimmer beschaamd zult uitkomen.

III
Het middel van het geloof
Er lopen twee lijnen door deze zondag wat betreft het geloof. De eerste is deze dat alles in handen van de Heere wordt gelegd. Hoe krijg ik ik de gerechtigheid van Christus? In het antwoord staat dat de Heere deze schenkt en toerekent.
Alles gaat hierbij dus van God uit. Er is geen sprake van een werk van de mens. Letten we eens op die beide woorden. De Heere schenkt. In ons leerboek heeft dit werkwoord een bepaalde betekenis. Het wijst op de schenking van God in de beloften. Er staan in Gods Woord ontelbaar veel beloften en toezeggingen. Bijvoorbeeld deze: Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn (Gen. 17:7; Jer. 7:23). Kenmerkend voor veel beloften zijn de woorden “Ik zal”. Volgens Genesis 17:7 belooft de Heere dit in de weg van het genadeverbond, dat Hij met Abraham oprichtte. Met deze belofte had het volk deze weldaad nog niet in bezit. Integendeel, velen van het volk gingen verloren zonder dat deze belofte hun deel werd. Zij zijn door ongeloof in de woestijn gestorven.
Maar dat neemt niet weg dat de Heere het hen wel beloofde. Deze belofte aan het volk laat hen zien wat zij nog missen, maar ook wat zij verkrijgen kunnen. De Heere wil hen op deze wijze werkzaam maken met hun zaligheid. En vooral deze belofte wil tonen dat de Heere werkzaam is tot hun zaligheid. U is ook deze belofte en zo heel veel andere geschonken. In uw doop, maar ze worden ook telkens weer op elke bladzijde van de Bijbel u voorgesteld en in de prediking krijgt u daarvan een verzekering.
Deze beloften hebben een brede strekking, een breed spectrum. In welke nood u ook terecht kunt komen, er is voor elke situatie een belofte. Voelt een mens zich voor onmogelijkheden gesteld, dan zegt de Heere: Als ge zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn. Deze belofte werd gegeven, met andere woorden, toen Israël stond voor de Rode Zee. U kunt overmeesterd worden door allerlei aardse zorgen en noden. Het kan gaan over uw gezondheid, over uw huwelijk, over uw kinderen, als de Heere u deze heeft gegeven. In al die gevallen en zo zijn er nog veel meer wil de Heere u Zijn hulp tonen. Er staan in Gods Woord talloos veel voorbeelden die dat onderstrepen.
In het zielenleven komen ook allerlei omstandigheden voor. We kunnen overmeesterd worden door een blik op de veelheid van onze zonden, we kunnen door de duivel beschuldigd worden dat we geen heil hebben bij God en niets van Hem te verwachten hebben. We kunnen horen de stem van het geweten dat ons aanklaagt. We kunnen door de donder der wet overtuigd worden van de oordelen Gods. Maar in al deze toestanden staan er beloften in de Bijbel. Daarom is het zo belangrijk dat u uw Bijbel kent en dat u leeft bij het Woord.
Deze beloften mogen hoop geven. Er is hulp te verkrijgen in elke situatie. Maar nu staat er nog een woord: de Heere schenkt niet alleen, maar Hij rekent ook toe. Dat noemen we dan met een ander woord de toepassing. Als de Heere het toerekent, is het ook in ons bezit gekomen. Dat is de Heere onze God en dan zijn we voor eeuwig Zijn volk. Dan delen we in de weldaden van Christus en dan is Hij onze Borg en Zaligmaker. Dan kunnen we leven bij de gedachte dat Christus ons leven is.
Er zijn veel mensen, en u hoort wellicht ook tot hen, die denken: het hangt van mij af of de belofte werkelijk mijn deel zal worden. Ik moet het zelf geloven of ik moet mij eerst bekeren of ik moet voldoende berouw hebben om gered te worden. Sommigen leven zodoende op hun eigen werken. Anderen kunnen het daar niet in vinden. Integendeel, zij zien wel dat hun geloof niet echt de grond kan zijn. Het ligt alles in Christus. Zie het nu zo dat deze toerekening, deze toepassing, ook reeds in de belofte ligt. U moet er mee bij de Heere komen. U moet leren worstelen aan de genadetroon op grond van Gods eigen werk en toezegging. Dat geeft een extra hoop en een dubbele pleitgrond in het gebed.
Dit is in de volle zin de vervulling van de woorden: Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof en dat niet uit u; het is Gods gave (Ef. 2:8). ook zelfs dat geloof is Gods gave!

Dat geloof nu wordt in ons leerboek echter ook met klem benoemd. De drie vragen van deze zondag spreken steeds weer over het geloof. De rechtvaardiging is de baat van het geloof (59), het geloof is ook het middel tot deze rechtvaardiging (60 en 61).
Reeds heb ik gezegd dat dit geloof Gods gave is. Maar niet zo dat u kunt gaan afwachten of de Heere het u dan wel wil geven. Er staat immers ook vaak in Gods Woord een bevel tot het geloof: Vrees niet, geloof alleenlijk, of: Bekeert u en gelooft het Evangelie (Mark. 1:15). Antwoord 60 noemt bijzonder de noodzaak van het geloof. In zover ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem. Eigenlijk staat er: als ik tenminste zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem. De Heere stelt dus ook de zondaar aansprakelijk. Neemt u het aan door het geloof? Gelooft u deze God Die dit alles belooft en geven wil? Of hechten we meer geloof aan de bedenkselen van ons eigen hart of geloven we de duivel als deze de Heere verdacht maakt? U wordt dus wel allen voor de keus gesteld.
Werkt uw zaligheid met vreze en beven! Het geloof is als een hand waarmee we iets aannemen. De apotheek geeft u een medicijn in handen en u neemt dat graag aan, als u bijvoorbeeld veel pijn hebt. Het Avondmaal is hierbij illustratief voor het geloof. Geen Avondmaalganger neemt zelf brood en wijn. Deze wordt hem aangereikt. Misschien niet bij ieder door de voorganger zelf, maar wel als deze het brood doet rondgaan. Als het u aangeboden wordt, mag u er deel aan krijgen.
Zo is het ook met het geloof. Als de Heere het u aanreikt, hebt u vrijmoedigheid om het aan te nemen. Ook nu wordt het u aangeboden. U wordt nu gewezen op de noodzaak van het geloof. Ook op een gevend God, Die het u zegt: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik Mijn welbehagen heb, hoort Hem! We kunnen u niet anders aanraden dan dit woord ernstig te nemen. Hoort Hem. Kom aan Zijn voeten, geloof dat Hij u alles te bieden heeft. Zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt.
Dat lijkt misschien de makkelijkste en de kortste weg naar de hemel. Dat is het in feite ook. Maar vat dit niet verkeerd op. Dit geloof gaat werken als u ook geloofd hebt dat Gods Woord u bedreigt en dat het oordelen over u uitspreekt. Dat geeft zorg en verdriet, benauwdheid en tranen, zoals we overal in Gods Woord kunnen lezen. Daarom hebben Gods knechten ook de plicht om u te wijzen op de schrik des Heeren. De wet veroordeelt u overal en telkens weer. Banden des doods en angsten der hel bedreigen u. Wat wordt dan de Heere Jezus noodzakelijk. Zoals Israël bedreigd werd door de vurige slangen, zo geldt dat ook ons. De vloek der wet drijft ons voort. Maar de verhoogde Christus wordt u voorgehouden en een ieder die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden.
Gods Woord gebruikt het beeld van het anker (Hebr. 6:9). Het anker moet houvast vinden in de bodem. Dat is de ankergrond. Maar het schip wordt door middel van de ankerketting met die bodem verbonden. Christus is de grond, waar houvast gevonden wordt. Het schip kan slingeren op de woeste baren, maar als het anker grond vindt, dan ligt het schip vast. Zo zien we dat Christus alleen de grond is. In Hem ligt alle rust die u in de storm nodig hebt.
Maar hoe is het schip verbonden met die bodem? Dat gebeurt door middel van die ketting. Die ketting is natuurlijk ook belangrijk. Zonder ketting geen verbondenheid met de ankergrond. Deze ketting wordt op zee door de zeelui grondig geïnspecteerd. Eén zwakke schakel zou alles op losse schroeven zetten. Een ketting is zo sterk als de zwakste schakel.
Deze ketting is beeld voor het geloof. Dat verbindt de wankele zondaar met de vaste grond, de Heere Jezus.
Stel u voor: een schipper vaart uit met een zeewaardig schip; alles lijkt in orde. Maar op zee blijkt dat anker en ankerketting ontbreken. Wat nu als de storm opsteekt? Dan is er geen verbinding met de vaste zeebodem.
Zo kan het met ons ook zijn. U gelooft wel dat de bodem vast ligt en dat Christus alles is, maar u mist de verbinding met Hem, u mist elke vastheid. En dan komen de stormen en het levensscheepje slingert vervaarlijk. U probeert van alles om het schip zo goed mogelijk door de woeste golven te loodsen. Het zou, lieve hoorders, zo veel makkelijker en beter zijn als u een anker had om u vast te klampen aan de bodem. Dan hebt u een vast punt buiten uw wankele ziel en dat hebt u nodig. Er is ook voor u een ankergrond, er is ook voor u de Christus. U gelooft dat Hij er is, maar u zoekt verbinding. Hebt u een ketting aan boord, hebt u geloof? Dat geloof verbindt met Jezus. U kunt die ketting krijgen om niet. Inspecteer het ruim. Vaar niet uit zonder dat geloof. Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.
Maar hoe zal ik dat kunnen? Hebt u iets van dat geloof? Werp dan het anker uit, de donkere golven in. Dat is een zaak van hoop tegen hoop. Dat zal rust geven. Zolang het anker in het eigen schip ligt, hebt u er niets aan. Zoek de vastheid in de Heere Jezus.
Maar, zo vraagt u, is mijn ketting, is mijn geloof wel deugdelijk? Die vragen worden u in de preken ook wel eens gesteld. U moet dat ook doen; inspecteer de ketting. Maar u begrijpt wel, als u dat aldoor maar blijft doen, dan blijft de onzekerheid. Dus blijf niet steken in het onderzoek naar de beste ketting, naar uw geloof. U kunt u afvragen: is mijn geloof wel een waar geloof, zijn er geen zwakke schakels, is de ketting wel lang genoeg? Belangrijke vragen, maar ze kunnen u ertoe brengen dat u het anker maar binnen boord houdt. Werp het uit! Het gaat op Christus aan. Daar moet u zijn, dat is de grond.
We raden u allen het anker uit te werpen. De stormen zijn er, de stormen zullen komen. U zit er misschien midden in, in de storm van Gods oordelen, in de storm vanwege uw zonden, in het noodweer van uw gemis en tranen. Blijf niet op goed geluk dobberen op de woedende golven. Denk niet: het zal wel goed komen. Denk om het anker. Denk om het geloof.
Ons leerboek zegt: het geloof zelf redt u niet. De ketting zelf, zonder de ankergrond, biedt geen vastheid. Nee, alleen Christus geeft rust en vertrouwen. Daar gaat het om. Zo alleen bent u rechtvaardigt voor God.
Dat is de kracht van allen die op Hem betrouwen. Zij zullen door God, in gunst beschouwd, niet schuldig worden verklaard!
Amen