Romeinen 5:6 'Christus gestorven voor goddelozen' ds. M.A. Kempeneers

Romeinen 5:7 zegt dat er nauwelijks iemand voor een rechtvaardige zal sterven; want voor de goede zal ook iemand bestaan te sterven. Dat gebeurt nauwelijks, maar het gebeurt. De geschiedenis laat ons zien, dat er mensen zijn geweest die zelfs hun leven gaven voor een medemens. Zo heb ik eens een boek gelezen, jongens en meisjes, waarin de gebeurtenis staat beschreven van wat er gebeurde in het concentratiekamp Dachau in de Tweede Wereldoorlog. Er was een gevangene ontsnapt en de Nazi’s wilden dat op de anderen wreken. En nadat ze alle gevangen hadden laten aantreden, haalden ze elke tiende man eruit en die schoten ze ter plekke neer.

En in die rij stond ook een vijftienjarige jongen. En hij stond te snikken van angst en verdriet, want hij had uitgeteld dat ook hij nummer 10 zou zijn. Naast hem stond een oude man. En toen de Duitsers even niet keken, verwisselde hij snel van plaats met die jongen. En hij fluisterde hem toe. Ik heb mijn leven al gehad, mijn jongen, maar jij hebt het nog voor je.
En toen de Duitsers kwamen, werd die oude man eruit gehaald en neergeschoten. En zo stierf hij voor die jongen, in zijn plaats. Dat bedoelt Paulus als hij zegt dat het iets uitzonderlijks is, dat komt bijna niet voor. Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven.

En Paulus bedoelt: als dat slechts zelden voorkomt, sterven voor een rechtvaardige, hoe zal het dan een goddeloos en slecht mens vergaan? Iemand die zijn naast altijd slechts heeft behandeld. Iemand die slechts vijanden heeft. Zal die mogen rekenen op een plaatsvervanger als hij sterven moet? Nee. Die staat er alleen voor. Die zal voor eigen rekening sterven. Er is geen mens die z’n leven voor zijn vijand zal opofferen. Ik hoop niet dat u een vijand hebt, maar als u er een hebt, dan hebben we ons leven toh niet voor hem of haar over.

Stel dat die man of vrouw vanwege een hartkwaal een donorhart nodig heeft, dan zult u waarschijnlijk niet tegen hem of haar zeggen: ik zal je mijn hart wel geven. Ik offer mijzelf voor jou op. Gemeente, zelfs als ’t om je eigen kind gaat doe je dat niet. Want dat betekent je dóód!

Hoe zien we in onze tekst dat Gods gedachten hoger zijn dan onze gedachten. Want God heeft gedaan wat onder mensen niet voorkomt. Hij heeft Zijn eigen lieve Zoon niet gespaard, maar heeft Hem als plaatsvervanger laten sterven. In de plaats van wie?
Vers 6: van krachtelozen; voor goddelozen.
Vers 8: van zondaars.
Vers 10: van vijanden.

Christus is te Zijner tijd gestorven.
1. toen wij krachteloos waren vanwege de daad der zonde
2. toen wij goddeloos waren vanwege de aard der zonde
3. toen wij reddeloos waren vanwege de straf der zonde.

1. Christus is te Zijner tijd gestorven toen wij krachteloos waren vanwege de daad der zonde
Christus is te Zijner tijd gestorven. Dat kan alleen maar van Hem worden gezegd. Wij mensen sterven niet op een tijd die wij zelf uitkiezen. Wij sterven wanneer het Gods tijd is. Geen dag eerder en geen dag later. Alles heeft Zijn bestemde tijd, zo zegt de Prediker: er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven. En dat kan over 10 jaar zijn. Dat kan ook volgende week zijn, dat kan ook vandaag zijn.

Toen Izaäk zijn zonen ging zegenen, had hij daar een reden voor. Hij zei: ik weet den dag mijns doods niet. We weten wel wanneer we geboren zijn. Dat kun je uitrekenen. Maar dat geldt niet voor onze sterfdag.
Maar Christus kon dat wel. Hij is te Zijner tijd gestorven. Geen minuut eerder en geen seconde later. Toen het Zíjn tijd was, toen is Hij gestorven. De mensen hadden dat al veel eerder willen laten gebeuren. Zij zochten Hem dan te grijpen, zo lezen we in Johannes 10 maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen. Dat konden ze niet. Dat hield Hij in Zijn eigen hand. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen.

Te Zijner tijd. Toen heeft Hij tegen Zijn discipelen gezegd: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen.
Te Zijner tijd, toen heeft Hij geroepen: het is volbracht! Toen Hij alles gedaan had wat er van Hem verwacht werd. Toen Hij volmaakt gehoorzaam geweest was. Dadelijk en lijdelijk. De wet volmaakt gehouden en de straf der zonde weggedragen. Toen Hij de toorn Gods had geblust en het eeuwige leven had verworven. Toen zei Hij tegen Zijn Vader: nu is het klaar, Vader, Mijn werk is af. En nu Mijn werk af is, is het tijd om te sterven. Toen zei Hij niet alleen: Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijn geest.

Maar toen gáf Hij de geest. Als Machthebbende. Te Zíjner tijd. Op dat door Hem bepaalde tijdstip.
Want dat sterven behoorde tot Zijn opdracht. Dat behoorde tot Zijn Middelaarswerk. En dat Hij te Zijner tijd is gestorven, dat wijst op Zijn kracht en majesteit.

En dat heeft betekenis voor onze tekst. Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd gestorven.
Krachteloos. Vanwege de daad der zonde. Vanwege die éne daad in het Paradijs. Daarvoor was de mens niet krachteloos. De mens stond daar in de kracht van het beeld Gods. In ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Bij machte om de duivel te weerstaan, bij machte om de boom der kennis des goeds en des kwaads te laten voor wat hij was. Bij machte om volmaakt God te dienen, om Hem lief te hebben boven alles, bij machte om de naaste lief te hebben als zichzelf.
En ’t is allemaal weg. Al die kracht. Verloren. We dachten nog kráchtiger te worden. Als Gód te zijn. Maar die hoogmoed is ons duur komen te staan, gemeente. Want in plaats dat wij krachtiger werden, werden we krachteloos. En dat is een óórdeel van God. Het oordeel, de stráf van de krachteloosheid. Niet alleen maar zwák van moed en kléin van krachten. Maar de onberijmde psalm zegt dat zo niet. Gedachtig zijnde dat wij stóf zijn.

Geliefden, ik wilde dat wij allen er eens een indruk van kregen wat die krachteloosheid inhoudt. Vanwege de daad der zonde. Stóf. Dood door de misdaden en de zonden.
Paulus wijst die werkelijkheid zo aangrijpend aan in Efeze 2. U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonde. Daar staat in het Grieks eigenlijk: daar gij lijken waart, door de misdaden en de zonden. Dat is onze staat van nature voor God.
Een lijk. Een dood lichaam. Dat kan niks. Niet ademen, niet praten, niet kijken, dat kan zelfs geen vinger meer bewegen.
En je kunt er ook van alles mee doen. Het zal niet protesteren.
En zo zijn we van nature voor God. Krachteloos. Geestelijk dood. Willoze prooien van de satan. Hij kan ons krijgen waar hij ons hebben wil. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Krachteloos.

Zijn we daar al aan ontdekt, geliefden? Aan die krachteloosheid? Zijn we al ontdekt aan die vreselijke doodsstaat? Dat we alléén maar kunnen zondigen?
Omdat ik dood ben kan ik alleen maar tekenen van de dood voortbrengen. De misdaden en de zonden zijn de tekenen van de doodsstaat.
En wat ik ook denk, en wat ik ook zeg, zelfs mijn beste werken zijn met zonden bevlekt. Ik ellendig mens!

En nu zegt Paulus want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd gestorven.
Te zijner tijd: toen is dat oordeel van de krachteloosheid op Hem geweest. O wat hebben ze met Hem gespot. Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen.
En weet u dat ze daar nog gelijk in hadden ook? Hij kón Zichzelf niet verlossen.
Maar de Heere Jezus was toch God, dominee? Hij kon die spotters toch in één klap de eeuwigheid in slaan? Hij had zó van dat kruis kunnen komen, als Hij dat wilde.

U hebt gelijk. Als Gód kon Hij dat. Maar als Borg niet. En weet u waarom niet? Hij had als Borg dat oordeel van de krachteloosheid voor Zijn rekening genomen. Hij hing daar niet als God, maar Hij hing daar als Borg onder de vloek en de zonde van Adam.
En als Borg heeft Hij Zich láten kruisigen. En is Hij vrijwillig in het oordeel van de krachteloosheid gegaan. Hij hing daar met de daad van de krachteloosheid en de oorzaak van de krachteloosheid. Hij hing daar met de zonde van Adam, en de gevolgen van die zonde. De dood.

Christus is die krachteloosheid ingegaan. Maar Hij heeft over die krachteloosheid getriomfeerd. Die heeft Hij overwonnen. Hij is gestorven opdat zij, die krachteloos in zichzelf zijn, machtig in Hem zouden zijn.
Zoals Paulus dat in 2 Korinthe 12 zegt: als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Christus is mijn kracht, want Hij heeft dat oordeel van de krachteloosheid gedragen. Hij heeft de zondedaad mee aan het kruis en in het graf genomen.

En als ik daar iets van ga zien, dan word ik in beginsel beroofd van mijn vrome eigengerechtigheid.
Als ik niet zie dat Christus daar in mijn krachteloosheid hing, dan ben ik nog zo sterk. Dan kan ik nog aan God beloven dat ik het voortaan beter zal gaan doen. En dan meen ik soms dat het me nog aardig af gaat ook.

Maar iemand die ontdekt wordt aan zijn krachteloosheid die heeft niet veel meer te vertellen en die heeft nog veel minder te beloven. Ach wat zullen wij beloven? Dat is dwaasheid, want we zijn machteloos en krachteloos door het verderf van de zonde.
Zeg ik daarmee dat we niet moeten strijden tegen de zonde? Natuurlijk niet, maar de vraag is uit welke bron wij strijden. Is dat nog vanuit goede voornemens, vanuit een eigengerechtigheid, dan zeg ik: hou er maar mee op, want het brengt u nergens. Maar als u nu in beginsel uit die Borg mag gaan leven. Uit wat Hij heeft gedaan. Dat Hij nu dat oordeel van mijn krachteloosheid heeft gedragen, dan wordt het anders.
Dan ga je misschien al struikelend en vallend in alle gebrek wenend je weg. Maar dan zeg je, ondanks al je krachteloosheid: en toch geloof ik dat het nog eens goed komt. Want Hij is te Zijner tijd gestorven, toen ik nog krachteloos was.

En niet alleen toen ik nog krachteloos was, nee ’t gaat nog dieper.

2. toen wij goddeloos waren vanwege de aard der zonde
Krachtelozen worden goddelozen. En de goddelozen, zijn dat de vloekers, de spotters, zijn dat de hoeren en de openlijke zondaars? Ja. Maar zij niet alleen. Het zijn alle mensen die zonder God leven. God-loos. Dat zijn we van nature allemaal. Goddeloos.
De natuur, de aard van de zonde is goddeloosheid. Het is ook de bron en de oorzaak van de zonde. Omdat we uit Gods zalige gemeenschap zijn gegaan, is er de zonde. David was er achter gekomen.
’t Is niet alleen dit kwaad roept om straf,
nee ik ben in ongerechtigheid, in goddeloosheid geboren.
De zonde kleeft mij altijd aan.
In dat heerlijke paradijs waren we Godzalig. Toen was God onze zaligheid. Toen leefden we met Hem en in Hem en uit Hem. Maar door de zonde zijn we goddelozen geworden. Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. De heerlijkheid Gods dwz de aanwezigheid Gods. Die derven we, die missen we. We zijn goddelozen.

Hebben we dat al ontdekt? Daar moeten we maar niet al te snel ‘ja’ op zeggen. Want daar spreek je heel wat mee uit. Wij zijn godsdienstige mensen, we zijn christelijk. We zijn bevindelijk, heel anders dan die moderne linkse stroming. Zo denken we gewoonlijk. Maar ’t is een zegen als u eens hebt leren zien dat uw god-loosheid de oorzaak is van goddeloosheid. Van alle zonde en ongerechtigheid. Dat u het leerde bewenen dat u goddeloos bent. Zo goddeloos dat alles wat in u is, God haat. Dat je zo goddeloos bent dat er geen plaats voor God is en geen behoefte aan Zijn gemeenschap, dat je niet meer met God kán leven.

Hebt u dat al leren belijden? Leren bewenen voor Gods aangezicht? O dat is zo nodig, wil de tekst betekenis krijgen in uw leven. Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.
Dwz Hij is het oordeel van de goddeloosheid ingegaan. Hij is als een goddeloze behandeld. In plaats van een goddeloos zondaarsvolk.
Hij is als een goddeloze buiten de legerplaats geworpen. Hij is met de misdadigers gerekend. En men heeft Zijn graf met de goddelozen gesteld. En zo is Hij ook de hel ingegaan.
Want daar horen de goddelozen toch thuis? Die horen niet in de tempel, niet in de kerk en niet in de hemel, maar goddelozen horen in de hel!

En weet u dat leert een goddeloze ook beamen. Hij gaat het recht van God toestemmen. Hij gaat eronder buigen.
Wil uwe knecht door schuld verslagen
O Heere niet voor Uw vierschaar dagen
Want niemand kan in dat gericht
Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen
Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.
Heere, zo kan ik niet sterven. En zo kan ik al helemaal niet naar de hemel. Want ik ben goddeloos. En goddelozen mogen niet naar de hemel. Dat ga je toestemmen. Daar wordt je het mee eens.

Een krachteloos mens is een goddeloos mens. En een goddeloos mens is ook een rechteloos mens. Een rechteloos mens voor Gods heilig aangezicht. En met een rechteloos mens kan God doen en laten wat Hij wil. Je kan geen enkel recht meer laten gelden. Geen recht om gehoord te worden. Geen recht op vrijspraak, zelfs geen recht op strafvermindering.

In een rechtszaak, als iedereen aan het woord is geweest, de aanklager, de getuigen, de verdediging. En voordat de rechter het vonnis gaat uitspreken, dan geeft Hij de beklaagde nog eenmaal het woord. Het laatste woord. Hebt u nog iets te zeggen?

Dat gebeurt als wij met het recht Gods te doen krijgen. Dan moeten we buigen: Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.

Dat is de taal van iemand die zich goddeloos bevindt.

En zó één gaat noodzakelijkheid zien in datgene waar de tekst van spreekt. Christus voor de goddelozen gestorven. Dat krijgt betekenis voor een man, een vrouw, een jongen of een meisje dat zijn naam hoort noemen. Goddeloze.
Zonder God. Zonder hoop in de wereld.
Die gaat steeds meer leren dat de énige mogelijkheid om nog aan die welverdiende straf te ontgaan, in het offer van Christus ligt. De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem.

Zonder dat plaatsbekledend offer ben ik reddeloos verloren.

3. toen wij reddeloos waren vanwege de straf der zonde.
Niet alleen zijn we krachteloos en goddeloos, maar ook nog reddeloos. Paulus zegt dat het in de wereld nog voorkomt dat er iemand zijn leven geeft voor een goede zaak of persoon. Daar ben ik de preek mee begonnen. Er zijn voorbeelden uit de geschiedenis van bekend. Ze hebben hun leven over gehad voor een ander.
7 Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven.
Waren wij dus rechtvaardig en goed, dan zouden we nog een hoopje kunnen hebben dat iemand voor ons zou kunnen sterven. Maar we zijn het niet. Niemand die leeft zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
We zijn dus reddeloos verloren. We hoeven niet op een plaatsvervanger te rekenen. Een miljardenschuld en geen cent om te betalen. Hij kan die prijs der ziele, dat rantsoen aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen.

Als je eens probeert te peilen hoe diep die put is waarin wij zijn weggezonken, dan kom je geen bodem tegen. Wij liggen in een bodemloze put van zonden en ellende en goddeloosheid. Reddeloos verloren.
En dat moet nou een vraag worden in ons zielenleven: hoe kom ik nou toch ooit tot God bekeerd? Hoe kan ik nou toch zonder verschrikken voor God verschijnen?
Mijn ziele doorziet ge uw lot,
hoe zult ge rechtvaardig verschijnen voor God?

Maar niet alleen staat een verloren mens voor die vraag, ook de Heere staat voor de vraag hoe Hij Zijn afgeweken schepsel weer terug kan halen. In Jeremia lezen we Dat Hij zegt: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten? Het is alsof Hij zegt: Ik kan het niet, vanwege Mijn heiligheid en rechtvaardigheid.

Maar dan het wonder van genade. Dat waar er nu van de mens uit geen enkele mogelijkheid meer was. Waar alle wegen waren afgesloten. Waar er nu geen mens die zielenprijs kan voldoen. Waar niemand kan bestaan in de hitte van de toorn Gods.
Daar heeft God nu zelf gezorgd dat er een waarachtig en rechtvaardig Mens was, die tegelijk ook waarachtig God was, waardoor Hij de schuld kon betalen en de straf kon dragen. De Christus.

Hij kan het. Die in de diepte van onze reddeloosheid is afgedaald. De Borg heeft dat oordeel van de reddeloosheid op Zich genomen. Toen Hij daar in de hof kroop als een worm en geen man. Toen Hij daar aan het vloekhout hing, reddeloos verloren. Toen de zon haar stralen inhield en de diepte van de hel opende zich voor Hem. Verlaten van God en mensen. En al Gods golven en baren gingen over Hem heen. En in die reddeloosheid schreeuwde Zijn ziel van angst en benauwdheid.
't Zij Ik, Mijn God, bij dag moog' bitter klagen,
Gij antwoord niet;
't Zij Ik des nachts moog' kermen,
Ik heb geen rust, ook vind Ik geen ontfermen,
In Mijn verdriet.

Juist in dat bittere lijden van de Borg, in de reddeloosheid van de Borg wordt onze reddeloosheid zichtbaar. Hij hing daar in de plaats van een schuldig zondaarsvolk. Als dé Mens, de Zoon des mensen, die zoals zondag 15 zegt, de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen heeft. En Hij ging reddeloos verloren. Er was niemand die zorgde voor Zijn ziel. Hij moest omkomen in de vloed van de toorn Gods.

En nu mocht Paulus in zijn leven getuigen van de liefde Gods.
God bevestigt Zijn liefde jegens ons, zo zegt Paulus in vers 8, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.
Dat bevéstigt Hij, zegt Paulus. Dwz niet alleen toen, maar dat blijft Hij doen. Het staat er in de tegenwoordige tijd. Dat gaat door tot op de dag van vandaag.
Die liefde wordt getoond in het lijden en sterven van Zijn Zoon. Ook in deze lijdenstijd van het jaar 2005. Als het Woord des kruises weer gepredikt mag worden.
Opdat ook in 2005 vijanden uit Doornspijk en uit Elburg en waar we vandaan komen, met God verzoend zouden worden.

Maar Paulus, we zijn toch allemaal vijanden? En krachtelozen en goddelozen en reddelozen. Wie is dat niet? Na de zondeval zijn we onze krachten kwijtgeraakt en derven we de heerlijkheid Gods. We zijn allemaal vijanden.
Maar Paulus hoe weet ik nu dat Christus ook voor mij gestorven is? Kan ik dat weten?
Ja, zegt Paulus, dat weet je als de liefde Gods in je hart uitgestort wordt. Vers 5. Dán weet je het, dat Christus te Zijner tijd voor de goddelozen is gestorven. Door het inwendige getuigenis van de Heilige Geest.

Als dat ingeleefd wordt - want daar komt het op aan, op waarheid in het binnenste - goddeloos te zijn, zonder God te zijn.
Toen wij nog krachteloos waren, toen wij nog goddeloos waren, toen wij nog reddeloos waren. Ja toen zaten die discipelen daar te wenen achter gesloten deuren. Geen kracht, geen God, geen redding.
Maar als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!.

Gemeente, als het Gode behaagt om de Christus te openbaren aan krachtelozen, goddelozen en reddelozen, dan wordt de liefde Gods in het hart uitgestort. En daar is het vrede.
Zelfs bij de meest krachteloze en de meest goddeloze en reddeloze. Zelfs bij een man als Thomas. Die man liep in zijn ongeloof maar een beetje heen en weer en hij wist niet waar hij ’t zoeken moest. Goddeloos. God kwijt. Alles weg.

En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden! En Hij zei tot Thomas: Breng je vinger hier, en zie Mijn handen, en je hand, en steek ze in Mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig. Want Ik ben gestorven voor krachtelozen, voor goddelozen.
En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God! En toen was het goed. Toen was er vrede, alles vrede. Ziende op die tekenen, ziende op die Borg, die dat volk zo innig liefheeft, dat Hij Zijn bloed, Zijn vlees, Zijn leven voor hen gaf. Voor mensen die in zichzelf alleen hun vijandschap maar kunnen uitleven.

O gemeente, die liefde Gods. Als we daar eens erg in krijgen. Te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. Toen ik nog een zondaar was. Toen ik me nog aan het uitleven was. Toen ik mij met genoegen wentelde in het slijk der zonde. Toen is Hij voor mij gestorven. O gemeente, wat een liefde.
Ik heb je liefgehad, Paulus, toen je daar stond te schreeuwen bij de steniging van Stefanus. Ik heb je liefgehad, Manasse, toen je je zonen door het vuur liet gaan. Abraham, David, Petrus.
Ik heb je liefgehad, zondaar, toen jij de wereld en de zonde liefhad.

Dan wordt de zonde en de goddeloosheid ’t diepst gevoeld. Op de plaats waar de goddeloosheid en de zonde worden gestraft. Als je daar eens in de dadelijkheid wordt gebracht. Aan zijn doorboorde voeten. Daar worden de bitterste tranen gestort.

Onder d’ ijz’ren nagelpunt
Die uw voeten houdt verbonden
Zij een plaatsje mij vergund
Waar ‘k mag treuren om mijn zonden
Geef m’ er de allerlaagste plaats
Zo Gij mij een plaats wilt geven
Nooit heeft iemand zoveel kwaads
Tegen zoveel goeds bedreven

Maar daar worden de tranen van smart en de tranen van verwondering wonderlijk vermengd. Omdat daar weleens geproefd en gesmaakt mag worden hoe goed God is.

En wat is dan ’t wonder van die liefde Gods?
Dat Hij gestorven is toen ze krachteloos waren, ja.
Toen ze goddeloos waren, ook en ook toen ze vijanden waren.
Maar vooral - en dat is zo’n geheim, lieve mensen - dat Hij te Zijner tijd is gestorven, dat is ten diepste, toen ze er nog helemaal niet waren. Toen dat volk er alleen nog maar in Zijn gedachten was.

Toen, in dat eeuwige welbehagen van de Drie-enige God, toen de Vader en de Zoon daar samen spraken en toen Hij Zijn Zoon naar deze verloren wereld stuurde. Zoals een vader zijn kind weleens om een boodschap stuurt. En Hij zei: Zoon, ga naar Bethlehem, ga naar Gethsemané, ga naar dat Golgotha. En ga dat graf in. En neem je bruid mee. Mee dat graf in, opdat ze met u in de dood begraven mogen zijn. Maar ook: sta op uit de dood, uit die krachteloosheid en laat dat allemaal achter en draag je bruid in je sterke armen mee. Ze is zo krachteloos, ze is zo reddeloos verloren in zichzelf. Maar Ik heb ze liefgehad met een eeuwige liefde.

Dat krijgt Gods volk nu nooit klein. Die eeuwige liefde. Dat soevereine welbehagen. Daar valt de mens zo schoon buiten. Daar telt niets meer van mij mee. Zelfs mijn roepen en mijn bidden. Mijn zuchten en mijn tranen. Het is alles vrucht van dat eeuwige welbehagen. De verkiezende liefde Gods.
Dat is niet te begrijpen. Dat is niet te verklaren. Dat is alleen maar te bewonderen.
Waarom was ’t op mij gemunt?

God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.

Zalig de mens die deze klanken verstaat.
Die in de beleving wordt wat hij is. Een zondaar. Een goddeloze. Een vijand van God.
Voor zulk één is het Woord des kruises een blijde boodschap.

Hoe zalig is dat volk dat naar die klanken hoort.

Amen