Johannes 13:36 'Petrus’ volgen van de Heere Jezus' ds. W.E. Klaver

 

Lijdenspreek

 

Ps. 27:3                                              

Ps. 119:88                          

Schriftlezing: Johannes 13:31-14:14

Ps. 73:1,11,12                   

Ps. 89:1                                              

Ps. 17:4                                              

Preektekst: Johannes 13:36

 

 

Geliefde gemeente,

 

In het evangelie naar Johannes komen we meerdere malen het woordje ‘volgen’ tegen. Dat begint bij de roeping van de eerste discipelen. Wanneer Johannes de Doper wijst op de Heere Jezus met de woorden: ‘Zie het Lam Gods!’, zijn er twee discipelen die de Heere Jezus gaan volgen. En tot Filippus zegt Jezus ‘Volg mij’. Na de roeping van de discipelen blijkt dat het volgen van de Heere Jezus een belangrijk, zo niet een centraal thema is in het evangelie.

 

De  tekst die deze morgen/avond onze aandacht vraagt gaat ook over volgen. Namelijk Petrus’ volgen van de Heere Jezus. We schrijven boven de preek:

 

Petrus’ volgen van de Heere Jezus

-          Petrus ongeduld om te volgen

-          Petrus onmogelijkheid om te volgen   

-          Jezus belofte om te zullen volgen

 

Petrus ongeduld om te volgen.

De woorden van onze tekst staan in een gedeelte van het Johannesevangelie dat vooraf gaat aan de zgn. afscheidsrede van de Heere Jezus, de hoofdstukken 14-17. De Heere Jezus is op dat moment met Zijn discipelen in Jeruzalem. In opdracht van Hem hadden Petrus en Johannes in een opperzaal de maaltijd klaargemaakt om het Pascha te kunnen vieren. Daar heeft de Heere Jezus het avondmaal met hen gegeten en met hen gesproken over Zijn aanstaande lijden en sterven en over de heerlijkheid die daarna zal volgen. De Heere Jezus sprak met Zijn discipelen over Zijn heengaan.

 

Dat heengaan van de Hem komt in onze tekst ook nadrukkelijk aan de orde. Petrus vraagt: ‘waar gaat Gij heen?’ Waarom stelt Petrus deze vraag? Ziet hij Jezus ineens opstappen en weglopen en vraagt hij daarom waar Hij heengaat? Nee, de vraag van Petrus is een reactie op de woorden die HJ heeft gesproken in vers 33: ‘Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik den Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen; alzo zeg Ik ulieden nu ook’.

 

’Kinderkens’. Zo sprak een rabbi zijn leerlingen aan. Maar wanneer het klinkt uit de mond van de Zaligmaker, heeft het een bijzondere betekenis. Daarin klinkt liefde en genegenheid door, vaderlijke zorg en bewogenheid. Zo spreekt  Hij Zijn leerlingen aan, want Hij zal Zich van hen moeten scheiden. En die tijd breekt weldra aan. Dat is een afscheid dat zich over enkele uren zal aandienen. En nog een dag dan zal het zijn dat ze naar Hem zullen zoeken, maar Hem niet kunnen vinden. Dat had de HJ al eens eerder gezegd tegen de Joden: ‘Waar Ik heenga, kunt gij niet komen’.

 

Wanneer heeft Hij dat gezegd? Dat was tijdens het grote feest in Jeruzalem, het loofhuttenfeest (7:33,34). De HJ sprak toen over het heengaan tot de Vader. Over het heengaan in heerlijkheid. Over Zijn terugkeer naar de hemel. Maar deze joden zullen Hem niet volgen. Er zal geen plaats zijn in de hemel voor hen. Want ze blijven in hun ongeloof en onbekeerdheid. In 8:21 herhaalt de Heere Jezus deze woorden. ‘Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uw zonden zult gij sterven; waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen’.

Dat waren afsnijdende woorden voor de joden. Woorden die hen diep griefden. De Heere Jezus zei hen het oordeel aan. Ze zullen niet in de hemel komen, maar sterven in hun zonden. Maar waarom zegt Hij deze woorden tot zijn discipelen? Omdat de Heere met deze woorden Zijn discipelen wil voorbereiden op wat er gaat gebeuren. Wat een tere liefde!

 

Dat Hij ze zal verlaten komt voort uit diezelfde liefde. Hij zal ze nu verlaten, opdat ze straks daar zullen zijn waar Hij zal zijn. Maar dat blijft voor Petrus en de anderen nog verborgen. Hun ogen zijn daar nog niet voor geopend. En daarom kunnen ze deze woorden alleen opvatten als een naderend afscheid.

 

Probeert u zich eens in te denken wat dit onderwijs voor de discipelen moet zijn geweest. De Heere spreekt woorden die als een mes in hun binnenste snijden. Zal hun Heere en Meester voorgoed weggaan? Maar waarom hebben ze Hem dan gevolgd? Bij hun roeping hebben ze de schepen achter zich verbrand. Zij stonden elke dag in een bijzondere verhouding tot hun Meester. En de twaalven waren toch uniek in het navolgen van de Heere Jezus. Zij waren Zijn discipelen geworden.

En nu zegt hun Meester hen dat Hij een weg zal gaan, waarop zij Hem nu niet kunnen volgen. Dat betekent dus dat ze afscheid moeten nemen. Voor de discipelen een ongedachte en onwaarschijnlijke gedachte. Net nog had de Heere Jezus gezegd: ‘Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren’ (12:26).

 

Het is daarom toch niet zo vreemd wanneer Petrus  vraagt: ‘waarom kan ik U nu niet volgen?’ Hij is in zijn hart geschokt. Hij voelt zich met lichaam en ziel verbonden aan de Heere Jezus, die toch de Christus is.

 

Hoe moeten we die woorden van Petrus taxeren? De spontane Petrus die zijn hart op zijn tong droeg, zegt wat er in zijn hart leeft. Hij heeft het verlangen om te volgen. En door genade mag hij dat dagelijks doen. Daarom is Petrus verbijsterd als hij hoort van afscheid. Daarom vraagt hij: ‘Waar gaat Gij heen? Waarom kan ik U niet volgen?’

 

Petrus wordt gedreven door de liefde. De gedachte dat hij van zijn Meester wordt gescheiden kan de liefde niet verdragen. De liefde verlangt naar nabijheid. Nu, dat horen we achter de woorden van Petrus. Daarom moeten we Petrus niet te zwaar vallen in zijn reactie. Zijn eerste reactie komt voort uit een  oprecht verlangen om de Heere te dienen.

 

Toch is er meer te zeggen. Want Petrus vraagt niet alleen waarom hij de Heere Jezus niet kan volgen, maar ook waarom hij nú niet kan volgen. Daar klinkt ongeduld van Petrus in door. Hij is niet tevreden met het ´namaals´ volgen, zoals de Meester hem antwoordt. Nee, hij wil nu. Ik wil u nú volgen, niet straks. Petrus kan niet wachten op het ´namaals´. Petrus kan niet wachten op de tijd van de Heere. De doortastende Petrus wil daar liever op vooruit lopen.

 

Ongeduld, gemeente, dat zit in ons bloed. Van nature zijn wij niet zulke geduldige mensen. Wij kunnen niet wachten op Gods tijd. Dat begon al in het paradijs. Adam en Eva meenden vooruit te kunnen grijpen door de verboden vrucht te eten. De Heere wilde ze beproeven, maar ze waren ongeduldig. Ze meenden in hun hoogmoed het beter te weten.

 

Als gevolg daarvan kunnen wij niet wachten op de tijd van de Heere. Wij zijn vanuit onszelf het niet eens met de weg van de Heere. Wat kan dat een strijd geven. Als het anders gaat in je leven. Als de tijd van herstel of genezing langer op zich laat wachten. Om het dan eens te worden met de weg van de Heere, hebben wij ons eigen hart tegen. Wie zijn wij toch geworden, en dat door eigen schuld.

 

Zalig als je met je ongeduld en weerbarstigheid leert buigen. Al kun je nog zoveel niet begrijpen in je leven. Er is  bij de Heere genade om het  eens te worden met de weg van de Heere. Dan leer je het belijden: Uw weg is altijd wijs en goed. ‘’t is majesteit al wat Gij doet; dat ieder stil daarin berust’ (GdH:4). Luther heeft eens gezegd: ‘Gods tijd is altijd de beste tijd’.

 

Dat is wat Petrus moest leren. Dat is wat elk kind van de Heere moet leren. Om geduldig op de Heere te wachten. Als Hij onbegrepen wegen gaat in ons leven. Ziekte, zorg en verdriet. Wat kan het dan van binnen stormen: ‘Heere, is dit uw weg?’ Wat een strijd om dan niet ongeduldig te worden wanneer ons niet duidelijk is waartoe een bepaalde levensloop dient. Om niet ongeduldig te worden wanneer we de troostvolle nabijheid van de Heere missen. En dat is precies wat de Zaligmaker Hem op dit moment wil leren. Want Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen. Dat is onze tweede gedachte:

 

Petrus onmogelijkheid om te volgen.

Waar gaat de Heere Jezus eigenlijk heen? Dat heengaan slaat op Zijn heengaan tot de Vader. Hij gaat dus terug naar de hemel. In 14:2 zegt Hij: ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden’. Daar slaan de woorden van onze tekst op. We zouden kunnen zeggen dat dat het doel is van Jezus’ heengaan. Maar er is meer te zeggen. Want de Heere Jezus zegt dit tegen de discipelen op het moment dat Hij zichzelf zal overgeven aan het bittere lijden en sterven. De woorden van onze tekst hebben ook betrekking op Zijn aanstaande lijden. Op de weg naar het doel van Zijn heengaan.

 

Mattheüs en Markus melden ons dat de Heere Jezus toen ook heeft gezegd dat zij allen aan Hem geërgerd zullen worden. Want de profeet Jesaja heeft geschreven;’ Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden’. De Herder is hier de Heere Jezus. Hij zal Zijn leven zetten in de plaats van Zijn schapen. de Herder zal geslagen worden. De Herder zal gedood worden.

 

Petrus antwoordt dan dat al werden allen aan Hem geërgerd, zelfs de andere discipelen, dat Petrus zeker niet aan Hem geërgerd zal worden. ‘Ja’, zegt Petrus in ons teksthoofdstuk, vers 37, ‘Ik zal mijn leven voor u zetten’. Petrus voelt aan dat de Heere Jezus wellicht bedoelt dat Hij in de dood moet gaan. Dat ze de handen aan Hem zullen slaan. Maar Petrus weet zeker: daar zal hij een stokje voor steken. Hij gaat door het vuur voor zijn Meester. Hij zal het niet laten gebeuren dat zijn Meester gevangen, geslagen, ja gedood zou worden. Dan zou hij nog liever zelf sterven.

 

Wat een liefde, zou iemand kunnen zeggen. Ja, mooi klinkende woorden. En ze zullen ook vast en zeker oprecht zijn bedoeld. Maar wat is er van terecht gekomen. Hoezeer is niet gebleken dat Petrus  de Heere niet kon volgen. Daarvoor waarschuwt de Heere Jezus Petrus met ernst. Als met een eedzwering zegt Hij: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben’.

 

Want Hij weet hoe zwak Petrus is. Vandaar deze ernstige waarschuwing. Petrus is vol zelfvertrouwen. Overmoedig zegt hij dingen die hij niet waar kan maken. Dat maakt zijn schuld groter en het lijden van de Heere Jezus zwaarder. Petrus moet leren dat de Heere Jezus een weg moet gaan om de schuld voor Zijn volk te verzoenen. Een weg die Petrus nooit zou kunnen gaan.

 

Wat is dat voor een weg? Een weg van lijden en sterven. ‘Gij zult mij nu niet volgen’. Nu niet. Niet alleen als de Heere Jezus naar Zijn Vader gaat in heerlijkheid. Maar ook niet in de weg daar naartoe.

 

Waarom is dat? Omdat de weg die de Heere Jezus gaat niemand kan gaan dan Hij alleen. Daartoe is Hij in deze wereld gekomen. Hij is in deze wereld gekomen om de wereld te behouden in een weg van recht. Wil het ooit weer goed komen tussen God en de mens, dan moet de  mens zijn schuld voor God betalen. Onze schuld dat wij God kwijt zijn. Onze schuld dat wij Gods eer en majesteit vertrappen. Onze schuld dat wij van nature leven zonder God en zonder hoop in deze wereld. God eist betaling van die schuld. Maar wij kunnen die niet betalen. Maar wonder van het evangelie! Hij is gekomen om Gods recht te verheerlijken. Om aan Gods heilige eisen te voldoen. Daarvoor is Hij echt mens geworden, opdat Hij als Borg en Middelaar de schuld zou kunnen betalen voor Zijn volk. Daarvoor is Hij echt God, opdat Hij de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde zou kunnen dragen. Zo heeft Johannes de Doper Hem reeds aangewezen: ‘Zie het lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt!’

 

En dat is wat Petrus moet leren. Leren dat hij zichzelf niet kan redden. Dat hij zijn schuld voor God niet weg kan nemen, maar die alleen maar dagelijks vermeerdert. Dat hij moet leren buigen onder zijn onmacht, zijn onwil en zijn onkunde. Dat zijn trots en hoogmoed gebroken moet worden, wil hij werkelijk zalig worden. Wat is dat een moeilijke les voor Petrus. Hij dacht nog heel wat te kunnen. Gedreven door de liefde, wilde hij het opnemen voor zijn Meester. 

 

Zien we in het onderwijs van de Zaligmaker niet dat Hij de grote profeet en leraar is? Petrus kent zijn eigen hart niet. Maar de Heere kent het wel. Hij wil Petrus aan zijn onmacht en onwil ontdekken. Maar Petrus verstaat het niet. Straks zullen ze de opperzaal verlaten en kan hij nog niet één uur met de Heere Jezus waken. Straks zwaait hij wild met het zwaard om zijn Meester te beschermen, maar in plaats daarvan maait hij het oor af van Malchus, een dienstknecht van de hogepriester. Straks vluchten Petrus en de andere discipelen weg. Straks hoeft er maar één vinger van een dienstmeisje naar hem te wijzen en hij zegt dat hij Jezus niet kent.

 

Wat een les om niets te kunnen doen voor onze zaligheid. Om je onmacht, je onwil en onkunde voor de Heere te belijden. Om niets over te houden dan alleen schuld. Ook na ontvangen genade is het zo nodig dat we dat leren. Want we willen zo graag wat voor de Heere doen. We  zijn zo geneigd te bouwen op iets van onszelf. We moeten leren dat wat wij doen, niet meer is dan een wegwerpelijk kleed. Het is als vodde waarmee wij voor de Heere niet kunnen verschijnen.  Elke dag moet een kind van de Heere afgebracht worden van zijn hoogmoed en trots.

 

Heeft u het geleerd? Alles voor de Heere verliezen? Waar de Heere dat leert, heb je niet meer van die hoge, grote gedachten van jezelf. Leer je het af om weer allerlei voornemens te hebben om de Heere te dienen en te zoeken. Daar komt niets van terecht, omdat we menen zelf nog wat te kunnen. De Heere volgen begint met de les dat we het zelf niet kunnen.

 

Ja, zegt iemand. Ik herken daar iets van. Maar voor mijn gevoel verandert er niets in mijn leven. Ik ben wel eens bang dat ik mij alles verbeeld. Hoe zit het dan? Als de Heere Jezus zegt dat Petrus nu nog niet kan volgen, ligt daarin nog een andere geestelijke les? De Heere zegt daarmee ook dat Petrus er nog niet aan toe is. Eerst moet de  Heere Hem meer vormen, boetseren, kneden om hem geschikt te maken voor de zaligheid. Soms houdt de Heere Zijn hand in, omdat we nog niet toe zijn aan nieuwe blijken van Zijn genade. Waarom kan dat zo zijn? Omdat we nog te hoogmoedig of te trots zijn. Het kan ook zijn dat de Heere ons wil oefenen in het geloof en vertrouwen op Hem. Dat het geloof wordt beproefd. Dan moet er in ons leven plaatsgemaakt worden voor het doorgaande genade werk van de Heilige Geest. Er moet ruimte worden gemaakt voor geloofszekerheid, voor geloofszicht op de Heere Jezus Christus. Dat betekent dan ook: nu nog niet. Maar nadat u bent beproefd, zal u grotere zegen ten deel worden.

 

We moeten nooit vergeten dat leven van de bekering altijd twee kanten heeft. De kant van afbraak en kruisiging van ons eigen ik; sterven aan mijzelf. Maar ook de kant van het toenemen in de kennis en genade van de Heere Jezus Christus; opstaan in de nieuwe mens. Zo oefent de Heere Zijn volk en kinderen. Want dan ga je door het geloof zien dat Hij is voorgegaan in een weg van het bittere lijden, om Borg en Zaligmaker te zijn van een volk waar niets van is te verwachten.

 

Zo wil de Heere leren dat het volgen van Hem alleen genadewerk is. Dat is wat de Heere Jezus ook Petrus leert. Niet alleen wordt Petrus’ onkunde en onmacht aan de kaak gesteld. Ook wijst de Heere Jezus op de enige mogelijkheid om te volgen, nl. nadat de Heere Jezus Zijn werk als Borg en Zaligmaker op aarde heeft volbracht. Dat zien we in ons derde punt.

 

Jezus belofte om te zullen volgen.

Want aan het slot van onze tekst staat: maar gij zult Mij namaals volgen. Petrus, je zult mij nu niet kunnen volgen, maar straks zal je mij wel volgen. Hoe kan dat? Dat kan omdat de Heere Jezus een weg is gegaan waarin  Petrus Hem niet kon volgen. Een weg die Hij ging in plaats van Zijn volk. Daarom zal Petrus later wel volgen.

 

Want wat was dat voor een weg die de Heere Jezus ging? Een weg waarin Hij de schuld van Zijn volk met Zich meedroeg en zo tot zonde werd gemaakt. Een weg waarin Hij in plaats van Zijn volk helse pijnen en angsten leed. Een weg waarin Hij volkomen heeft betaald wat Zijn volk in de eeuwigheid niet kon betalen. Een weg waarin Hij zorgde dat aan Gods recht ten volle werd voldaan. Dat is het plaatsbekledend werk van de Heere Jezus. Zoals het avondmaalsformulier het zegt: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven’.

 

Johannes beschrijft het verderop in zijn evangelie. De Zaligmaker van zondaren hangt tussen hemel en aarde. Niemand kan Hem volgen. Door genade hoeft niemand Hem te volgen, want Hij verzoent de schuld van Zijn volk volkomen. Als Hij alles heeft betaald, roept Hij het uit: ‘Het is volbracht’. De vrede is aangebracht. De weg tot de Vader is geopend. Ik zal ingaan, en met Mij Mijn volk waarvoor Ik heb betaald. Het leven is door Hem bereid.

 

Het is om dat volbrachte werk van Hem, dat zondaren waarvan niets is te verwachten Hem toch zullen volgen. Hij heeft de schuld heeft verzoend en aan Gods recht voldaan. Petrus heeft daar iets van mogen ervaren en onder de leiding van de Heilige Geest in zijn brief verwoord: ‘Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt. Want gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen’ (1 Petr.2:24-25).

 

Dat is de grond, het vaste fundament voor het ‘namaals’ volgen. Maar wat betekent dat volgen? Dat betekent dat de Heere in het leven voorgaat als de Grote Herder der schapen. De Herder die geslagen werd, maar Die daarna de Zijnen opzocht.

 

Dat betekende voor Petrus een weg van vernedering. Een weg waarin hij zijn schuld leerde belijden. Een weg waarin hij leerde zien dat alleen de genade van de Heere Jezus hem kan redden. Aan het slot van het Johannesevangelie lezen we dat Petrus in zijn ambt werd hersteld. Dat was vanwege Christus plaatsvervangend lijden en sterven. Het is door die genade dat de Heere Jezus dan opnieuw tot Petrus zegt: ‘Volg gij mij!’ Dat is een volgen in het geloof. Een volgen door te luisteren naar de stem van de Goede Herder. Een volgen door zich te laten leiden door Woord en Geest.

 

Dat volgen eindigt in de hemelse heerlijkheid. Dat is het doel, de spits van het volgen van de Heere Jezus. Gij zult Mij namaals volgen. Hij zal allen die van Hem zijn brengen in het Vaderhuis met zijn vele woningen. Zo maakt de Heere het waar in het leven van Zijn kinderen. ‘Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij opnemen in heerlijkheid’.

 

Kent u dat leven? Een leven waarin u het van de Heere leerde verliezen? Waarin u het leerde belijden: door eigen schuld kan ik U niet volgen en wil ik U ten diepste niet volgen. Maar wilt U het mij leren, om de verdienste van de Heere Jezus die de Zijnen is voorgegaan. Dan wil de Heere je elke dag leren dat in Hem de genade is om Hem te volgen. Dat in Hem de zekerheid ligt dat allen die van Hem zijn ook daar zullen zijn waar Hij is: in het huis des Vaders met zijn vele woningen.

 

Dan heb je geen zekerheid in jezelf. Dan zoek je het ook niet in je ijver voor de Heere of in de dingen die je hebt beleefd. Maar dan leer je hopen op Hem die heeft gezegd: ‘maar gij zult Mij namaals volgen’. Want in die woorden klinkt een heerlijke belofte: gij zult Mij volgen. Dat zal omdat Hij is voorgaan. Hij is voorgaan door te lijden en sterven. Daarom kan Hij ook de Zijnen voorgaan in het leven van de beproevingen en van aanvechtingen. Hij zal voorgaan in de strijd, zodat u Hem zult volgen. Er is geen strijd in dit leven, of Hij weet er van.

 

Zalig als je het zo voor het eerst, maar ook telkens weer leert verliezen voor de Heere. Je door de ogen van het geloof mag zien op Zijn voorgaan voor de Zijnen. Tegelijk klinkt daarin ook een ernstige boodschap als we dat niet kennen. Dat betekent dat we nog buiten de zaligheid staan. Dan is er geen heilrijke toekomst, maar een eeuwige smart. Wat is nodig? Dat u zich tot Hem bekeert. Dat u Hem te voet valt en smeekt: Heere, leer mij U volgen. Gaat U mij met Uw heillicht voor.

Maar wat een troost als je er bij momenten iets van mag zien: ‘gij  zult mij namaals volgen’. Hij zorgt ervoor dat allen die van Hem zijn daar zullen zijn waar Hij is. Want Jezus Christus is de Hogepriester die dag en nacht voor Zijn kerk bidt. In hoofdstuk 17 horen wij de Heere Jezus bidden: (17:24) ´Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld´.

 

Ja, zegt u, dat gaat over Zijn volk. Maar ik weet niet of ik daar bij hoor. Zou de Heere Jezus dan wel voor mij bidden? U moet thuis dat gebed van de Heere Jezus in Johannes 17 nog maar eens lezen. Weet u voor wie de Heere Jezus bidt? Niet alleen voor degenen die al bekeerd zijn, maar ook voor degenen die nog tot bekering moeten komen: ‘Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord (dat is het woord van de apostelen) in Mij geloven zullen’. Zeg, zou u deze Hogepriester niet bidden: neem mij ook op in Uw voorbede?

 

Hij brengt ze allen thuis die op Hem leerden hopen. Hij maakt het waar in dit leven, maar ook bij het sterven: gij zult Mij namaals volgen.

 

Amen.