Hebreeën 11:24-26 'De keuze van Mozes' ds. M.A. Kempeneers

Prediking over Hebreeën 11:24-26 door ds. M.A. Kempeneers te Katwijk aan Zee

Bij de liturgie is gebruik gemaakt van de Statenvertaling (GBS) en de psalmberijming 1773
19:5; 73:13; Lezen: Hebreeën 11:22-40; 105:14,15; 43:4; 17:7, 8

De brief aan de Hebreeën is eigenlijk geen brief,  maar eerder een preek. En deze preek is gericht aan christenen, die moe waren geworden van de geestelijke strijd en van de zware vervolgingen onder keizer Nero. En ze dachten: wat levert ons dat geloof in Christus nu eigenlijk op? Wij hebben het zo moeilijk en de wereld heeft het zoveel makkelijker.
In zo’n toestand is het gevaar reëel, dat je terugvalt in het oude leven en weer met de wereld mee gaat doen. En daarom waarschuwt de schrijver met klem tegen de zonde van het leven bij de zichtbare dingen. En hij wijst ze op die dingen, die voor ons gewone oog niet zichtbaar zijn.

En ter verduidelijking van zijn boodschap gebruikt de auteur in deze brief een werelds beeld. Hij wijst op een atletiekstadion, met daarin een parcours, een renbaan. En op de baan daar rennen de atleten om het hardst om de eerste prijs te behalen. En om dat parcours staan tribunes, met daarop het publiek, dat de atleten aanmoedigt. En dat met name hún held aanmoedigt.

En die atleten, dat waren mensen van verschillende afkomst. Daar liepen jonge mannen uit de rijke kringen, maar ook uit de arme laag van de bevolking. En wat gebeurde daar dan wel eens. Als er nu zo’n arme atleet die rijke atleten voorbij snelde, dan gooide het rijke publiek, dat verschrikt zag hoe hun idool zou gaan verliezen, dan gooide dat rijke publiek allerlei kostbaarheden voor de voeten van die arme atleet. En dan kwam het erop aan of zo’n man de verleiding kon weerstaan, om niet te stoppen en die kostbaarheden, die juwelen, en dat goud en geld op te rapen.
Dat publiek dat probeerde zo’n atleet ertoe te verleiden om de strijd op te geven en te kiezen voor het zichtbare goud, dat daar maar voor het grijpen lag.
Maar dan was er ook nog publiek dat hem toeriep om dat goud te laten liggen en te jagen naar de prijs, de eerste prijs. Om te zien naar wat nu nog niet in zijn bezit was, nu nog onzichtbaar, maar als hij de loop zou voleindigen, dan zou hij de eerkroon mogen dragen.

En dan zijn we bij Hebreeën  11. De schrijver gaat om het zo te zeggen, dat laatste publiek voor ogen schilderen. Dat publiek dat zélf trouwens ook in die loopbaan heeft gelopen en dat door het geloof die loop ook heeft geëindigd. Ze hebben volhard door het geloof, ook al zagen ze nog niets van de eindzege. Maar de belofte van de eerkroon, daar hadden ze genoeg aan.
En temidden van die lange rij geloofshelden, heeft ook Mozes een plaats gekregen.
En dan willen met elkaar gaan luisteren naar de kracht van het geloof zoals dat bij Mozes openbaar kwam. En dat geloof van Mozes, dat was bepalend voor:

1 zijn keus,
2 zijn rijkdom en
3 zijn loon.

1 Het geloof van Mozes was bepalend voor zijn keus.
Dat kon ook niet anders. Want stelt u het zich eens voor: de dochter van één van de machtigste en rijkste koningen van de oudheid had hem tot zoon aangenomen. En volgens sommige bronnen had deze Farao maar één dochter en zou Mozes ook eenmaal op de troon komen. Een schitterende toekomst lag dus voor hem open. Fabelachtige rijkdommen waren binnen handbereik. Zelfs in onze welvaartstijd verbazen we ons over de schatten, die in de graven van de Farao’s worden aangetroffen.

En als prins kreeg Mozes les in de Egyptische wetenschap. Mozes werd door de priesters van de zonnegod Re onderwezen in de sterrenkunde, de medicijnen, de wiskunde. Stefanus zegt in Handelingen 7 dat Mozes in alle wijsheid der Egyptenaren werd onderwezen en dat hij een zeer goede leerling was: machtig in woorden en werken. Maar met zijn godsdienstige opvoeding stond het er niet zo best voor. Want hij werd doorkneed in de theologie van de Egyptenaren, de religie van de wereld.

En dan toch geloof. Temidden van al die rijkdom en al dat heidendom. Wanneer de Heere dat is gaan werken, weten we niet. Evenmin weten we iets van zijn geestelijke strijd en van zijn wederwaardigheden aan het hof.
Maar we kunnen ons wel voorstellen hoe zijn ouders, Amram en Jochebed, hem hebben voorbereid op zijn leven in het paleis. Hoe zullen ze hem hebben verteld van de God van Abraham, Izak en Jakob, van het land der belofte en van de beloofde Verlosser. Hoe zullen ze voor hem gebeden hebben, toen de dienaren van de farao hem kwamen halen.

En de Heere heeft het willen gebruiken. Er staat in onze tekst expliciet: ‘nu groot geworden zijnde’. Toen kwam het openbaar. In twee dingen. Hij kreeg in te zien, dat Egypte maar voor een tijd gezien wordt. Éven kun je er van genieten. Éven mag ik het in handen houden, maar het is maar éven: het gaat allemaal voorbij.   

En daarbij kreeg hij zo’n betrekking op dat onderdrukte slavenvolk in Gosen. Het liefst had hij zijn prachtige prinsenkleding ingeruild voor een gescheurd en bebloed slavenkleed. Uiterlijk was er geen gedaante noch heerlijkheid, dat hij dat volk zou begeerd hebben. Integendeel,  ze beleefden de meest ellendige tijd in hun bestaan. Maar tóch was dat volk daar in Gosen een gelukkig volk. Vanwege de Gód van dat volk.

En dat bracht Mozes tot een keus. Je zou met zondag 33 kunnen zeggen: toen kwam Mozes tot waarachtige bekering. Toen werd er bij Mozes een afsterven van de oude mens en een opstanding van de nieuwe mens gezien. Want hij ging wat nalaten en hij ging wat doen. Zijn omgang met zijn stiefmoeder ging hij nalaten. Hij weigerde zelfs nog langer om haar zoon te zijn. En wat deed hij: hij ging uit tot zijn broederen, zegt Exodus 3.

We zouden zeggen: dat was niet zo slim van hem. Had hij niet beter de middenweg kunnen bewandelen? Want aan dat hof van de Farao kon hij toch veel meer bereiken voor dat volk? In zijn positie en met die invloed kon hij er toch wel voor zorgen dat de lasten verlicht werden? Had hij die Farao niet beter voor zich kunnen ínwinnen en zo de Israëlieten een rustig leven kunnen bezorgen?

Nee, want Mozes kón daar niet blijven. Toen Jozef nog aan het hof was, toen kreeg deze de vrijheid om de God van zijn vaderen te aanbidden. Hij had godsdienstvrijheid, evenals Nehemia. Maar aan het hof van déze Farao was er maar één koning; en dat was hij. En was er maar één god en dat mocht niet de God der Hebreeën zijn.
Mozes moest dus een radicale keus maken.

En: het was ook Gods bedoeling niet, dat het vólk in Egypte zou blijven. Het moest Egypte uit! En ze hadden dat land nooit verlaten als ze er niet onderdrukt werden. Want zelfs later, in de woestijn, verlangden ze nog terug naar de vleespotten van Egypte. Beter de onderdrukking met die vlééspotten, dan die woestijnreis met Gód, zo dachten ze.
Nee, hun losmaking moest radicaal zijn, zonder compromis. Later zal Mozes tegen Farao zeggen, dat zelfs het vee mee zal gaan, er zal niet een klauw achterblijven.

Dat is nog steeds zo, gemeente. Het is óf God, óf de satan. Wij kunnen op godsdienstig gebied écht geen compromissen sluiten. God wil dat wij in de weg van waarachtige bekering Hem dienen. Kijk, de satan zegt: ‘Wil je God dienen? Dat mag hoor, maar wel op mijn terrein. Je moet wel jezelf blijven’.
En er zijn mensen die daar naar luisteren. Ze blijven vasthouden aan wereldse gewoonten. Ze praten als de wereld, ze kleden zich als de wereld en ze doen volop mee aan het amusement van de wereld.
En een teer geweten en een waarachtige bekering wordt door hen als wettisch getypeerd. Maar gemeente, hebt u het al eens gezien, dat de vriendschap der wereld vijandschap  is tegen God? En hoe gevaarlijk het is om vriendschap met de wereld te sluiten.

In Rotterdam zijn veel drugsverslaafden, die steeds weer en steeds meer drugs nodig hebben. En ze verleggen steeds weer hun grenzen. En ze nemen vaak net geen overdosis. Totdat het een keer fout gaat. Dat zijn dwazen, arme dwazen, zeggen wij dan.
Maar wie de wereld te vriend wil houden, doet in feite niet anders. Dan gaan we net zolang door met compromissen sluiten met de wereld en de zonde, totdat we er een keer aan sterven. Want het is ónmogelijk om én God én de wereld te dienen.

Maar gemeente, als God een mens bekeert, dan moet de satan met zijn compromissen het veld ruimen. Dan kiezen we onvoorwaardelijk de kant van God en Zijn volk. Waarom? Omdat we de zonde zijn gaan haten. We hebben iets ingeleefd van de verschrikkelijkheid van de zonde. Als je gaat zien dat je tegen een goeddoend God hebt gezondigd, dan wordt de zonde zo bitter. Dan kún je niet meer in Egypte blijven en dan wíl je het ook niet meer. Goed, laat dat in beginsel zijn, laat dat een strijd zijn, maar tóch: je mag het wel eens met heel je hart zeggen, U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren.

Dan ga ik willen wat Gód wil. En ook op de wijze zoals God dat wil. Dan hanteer ik geen Bijbeluitleg die alles relativeert, zodat ik tóch m’n leven kan leven zoals ík dat wil. Maar je vraagt je af: krijgt Gód de eer in mijn leven? Leef ik oprecht? Dan wordt het zichtbaar. Er is duidelijk verschil tussen hen die in Gosen wonen en die in Egypte wonen. Tot in alle terreinen wordt dat gezien. Bekering is niet alleen zaak van het hárt, maar ook van het léven.
En dat kan je duur komen te staan. Omdat je niet meer mee kan doen met het amusement van de wereld. Niet meer mee kan lachen met de humor van de wereld. Omdat je niet meer gekleed kan gaan naar de normen van de wereld.

Maar Mozes verkoos liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben.
Laten we nog eens even op dat woord ‘genieting’ letten. We hoorden het zojuist: ‘zoon van Farao’s dochter’, ‘schatten van Egypte’, dat betekende nogal wat. Gods Woord is eerlijk, gemeente. Het doet niet net alsof de wereld zonder enige glans is.
In Egypte viel echt wel te genieten, veel meer dan in Gosen. Voor het vlees dan wel te verstaan. Maar een vleselijk mens geniet dan ook echt. We zien de wereld toch genieten van allerlei dingen? Wat is er heerlijker dan om veel geld te verdienen en uit het leven te halen wat er in zit? Dat is pas leven: jezelf uítleven. Doen waar je zin in hebt.

En dat gaat ons toch ook niet voorbij, of wel? Ook wij met onze kinderen worden toch dágelijks geconfronteerd met allerlei verleidingen en verzoekingen? De wereld wordt in al haar pracht en praal aan ons voorgesteld. De wereld lokt en trekt. En wie zichzelf een beetje kent, die weet: de wereld zit zelfs in mijn hart. Dan hebben we dus alles tegen. Zoveel verleidingen en zo’n verdorven hart.

Maar laten we het nog wat dichter bij huis zoeken, gemeente. Want in onze tekst staat: ‘genieting van de zonde’. Maar je zou ook kunnen vertalen: ‘de zondige genieting’. Dat is dus een kwalificering van het genieten. Dan zijn dus de schatten op zich niet zondig, maar de wijze waarop wij ermee omgaan!

En dan komt het ineens dichtbij. Dan leven we misschien voor het oog heel christelijk. Er is niets op ons aan te merken. Maar de vraag is: doen we het vanuit de vreze Gods? Want de Heere zegt in het 6e vers van Hebreeën 11: ‘Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen’. Dan kunnen we dus van dingen die op zich geoorloofd zijn, op een zondige wijze genieten. Dat doen we als we bv. een afgod maken van onze man of vrouw, van onze kinderen, ons werk, ons geld, onze auto, onze kleding, zelfs van onze godsdienst en onze dominees.

En álles wat wij in de plaats van God stellen, is een afgod. Alles waar ons hart naar uit gaat, waar wij in onze gedachten het meest mee bezig zijn, waar wij van vervuld zijn, dat is afgoderij. De Heere neemt geen genoegen met een plaatsje in de marge. Zelfs neemt Hij geen genoegen met een gedeelde eerste plaats: Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij uw hárt.

En wie zijn hárt nu een beetje kent, die weet: er moet een wónder gebeuren in mijn leven. Een wónder! Want wij kunnen best wel wat zonden de deur uitdoen. Met een beetje wilskracht lukt het echt wel om bepaalde zonden te overwinnen. Maar dat hárt breken, dat kan alleen God. En dan valt de mens er helemaal tussenuit.

En dan zie je, dat achter die geloofskeus van Mozes het verkiezend welbehagen van God schuilt. Het eeuwig welbehagen Gods. God bekeert en daarom bekeert een mens zich. Gód schenkt geloof en daarom geloofde Mozes en kwam hij ook tot de geloofskeuze.
En daarom kon hij ook de weg gaan die hem werd voorgesteld.

Want die geloofskeus betekende voor hem dat hij alle schatten van Egypte verloor. Maar door zijn verlies werd hij tóch rijk.

2 het geloof van Mozes was bepalend voor zijn rijkdom.
Door zijn verlies werd hij rijk. Is dat een raadsel? Dat een mens winst ontvangen kan uit de verliezen die hij lijdt? Ja, voor ons verstand wel. Maar laten we eens kijken wat we hierover in de tekst vinden.  
We lezen in vers 26: ‘Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte’.
Wat wordt daarmee bedoeld, met ‘de versmaadheid van Christus’?
Wel, ‘versmaadheid’, dat is: minachting voor iemand hebben, iemand bespotten. De versmaadheid van Christus, dat is dus, dat Hij daar in Egypte bespot en geminacht werd. Hoewel Hij pas zo’n 1500 jaar later geboren zou worden in Bethlehem.
Want de verdrukking van Israël is een manifest van de grote strijd tussen de satan en Christus, tussen het slangenzaad en het vrouwenzaad. En satan heeft vanaf Genesis 3 alles geprobeerd om Christus te vermoorden, nog voordat Hij in Bethlehem geboren werd. En omdat Christus uit Israël geboren zou worden, probeerde satan dat hele volk maar uit te roeien, net zoals Herodes later al die kindertjes in Bethlehem zou ombrengen. Israël leed dus ter wille van Christus. En daarom staat er ‘de versmaadheid van Christus’ en niet: ‘de versmaadheid van Israël’.

Want ze leden niet vanwege hun zonde, zoals later in de ballingschap in Babel.
Van de ballingschap wordt niet gezegd, dat het de versmaadheid van Christus was. Want niet ál het lijden, niet élke verdrukking kan zo getypeerd worden. Er is ook lijden dat gevolg is van de zonde. Dat kan zijn omdat we de gevolgen van eigen zonden dragen moeten, denk bv. aan David. Maar er kan ook lijden zijn als gevolg van de zondevál in het algemeen. Daarover sprak God een oordeel uit, dat álle mensen treft. Maar dat is niet de versmaadheid van Christus. Nee, hier gaat het om die versmaadheid, die geleden wordt, omdat Christus één is met Zijn volk. En wie dat volk aanraakt, die raakt Gods oogappel aan.

Dat lijden van Israël, dat was dus het lijden van Christus. Het wijst heen naar het werk en de persoon van Christus, Die de smaadheid ten volle heeft moeten dragen. En waarom? Omdat Hij de schepping weer kwam herstellen. Hij kwam om een verloren zondaarsvolk te herscheppen, naar Zijn beeld en gelijkenis. En dat betekent, dat de satan het veld moet ruimen. En dat pikt hij niet. En nu zegt Christus in Johannes 5 ‘Zij hebben Mij vervolgd, zij zullen ook u vervolgen.

Als er een breuk met de zonde komt, dan brengt dat lijden en verdrukking met zich mee. En dat manifesteert zich op allerlei manieren. We zien dat in de kerkgeschiedenis. Soms wordt de kerk vervolgd en vloeit het martelarenbloed. Maar ook als er geen bloed vloeit, wordt er gestreden en zijn er verdrukkingen. Want de apostel Paulus zegt in Efeze 6: ‘Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht’.
De versmaadheden mogen door de tijd verschillende namen en gedaanten hebben, maar de machten zijn dezelfde. En als u die goede keus mocht doen, dan ontmoet u smaadheid. Dat kan niet anders.

Ten eerste van uw eigen vlees. ‘Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander’ (Gal.5:17). Dat is de strijd van binnen. Maar ook krijgt u te maken met strijd van buiten. U wordt bespot, omdat u niet meer met de wereld mee kan doen. Omdat u apart van de wereld leeft en er, vaak stilzwijgend, uit uw levenswijze een veroordeling van de zonde en de wereld uit spreekt. En de wereld en de satan accepteren dat niet. De versmaadheid van Christus.

En nu is Mozes gaan vergelijken. Er staat: ‘achtende’. Dat betekent: iets aan het hoofd stellen, als het belangrijkste zien. Hij vergeleek twee dingen: zijn leven in Egypte met dat van Israël in Gosen. Hij vergeleek de schatten van Egypte met de armoede en de onderdrukking van Israël. Het beste van de wereld vergeleek hij met het minste van Gods volk. En dan komt hij tot een merkwaardige uitkomst. Hij achtte dat het minste van Israël een grotere rijkdom was dan het beste van Egypte. Hoe kan dat? Wel hij wandelde door geloof en niet door aanschouwen! En dat geloof is een bewijs van de dingen die men niet ziet.

Maar: je gaat de zichtbare dingen wel anders zien. Mozes zag iets, wat voor de Egyptenaren verborgen was. Mozes zag de geweldige leegte van al die schatten.
Zoals ik zei: je kunt best genieten van die schatten. Maar: heel beperkt en: maar voor een klein poosje. En verder reikt het niet. Vers 25: de genieting der zonde is maar voor een tijd. En de zondige genieting is ook maar voor een tijd. Alles buiten God waar je het van verwacht, alles waar je je hart op stelt. Voor een tijd.

Onze gezondheid. Ons geld, onze bezittingen. De wetenschap. Het kan ons voor een tijd gelukkig maken. Maar er zijn bezittingen die we tijdens ons leven al kwijtraken. En schoonheid verwelkt. En kennis? Ach, wat hebben we eraan als we gaan dementeren?

En dat is dan de beste kant. O jawel, het leven kan mooi zijn. Je kunt echt wel genieten. Maar als Mozes in psalm 90 de balans opmaakt, dan kan hij tot geen andere conclusie komen, dan dat dit leven moeite en verdriet is. Dat overheerst tóch.
En wat heeft Egypte dan voor antwoord op al die levensvragen? Soms heel pijnlijke en benauwende vragen. Waar je mee vastloopt en waarop niemand een antwoord kan geven. Het leven met z’n zorgen, soms heel grote zorgen. Waar iedereen vroeg of laat toch een keer mee te maken krijgt. Over je kinderen bv; hun toekomst. En al die onzekerheden over je baan,  je gezondheid. Je kunt in dit leven eigenlijk nergens op aan. Ons leven kan morgen zo heel anders zijn, dan dat het vandaag is. Toch? Als je morgenochtend door een ongeluk je nek breekt en je tengevolge van een hoge dwarslaesie voor de rest van je leven verlamd bent. Daar gáán je schatten, daar gáát je geluk. Of als je man een ongeneeslijke ziekte krijgt. Dan sta je er alleen voor.
En als je oud mag worden wat is dan het antwoord van de wereld? Een euthansiepil. Maak er maar een eind aan.

Gemeente, al die schatten van Egypte zijn vergaan. Het weinige dat er nog is, ligt in de musea. En die Farao van toen heeft het al lang niet meer in handen.
En waar steunt de wereld op, als álles wegvalt? Waar leggen ze straks hun hoofd op neer, als het sterven wordt? Op hun plezier en hun genot?  
    En waar steunen wij op, als heel ons geluk afhangt van wat wij híer hebben? O je mag heus wel genieten van wat God je geeft in je gezin, in je huis, in je werk of wat dan ook. En je mag met héél je hart houden van je man, je vrouw, je kinderen of wie dan ook.
    Maar als je nou méér niet hebt. Gaat dan ál je geluk straks het gráf in?

Gemeente, het komt op andere dingen aan. De mens gaat naar zijn eeuwig huis. Maar de vraag is: hoe ziet dat eeuwige huis er voor mij persoonlijk uit?
De Bijbel wijst ons maar twee wegen aan. Geen drie. Ook niet één. Een brede weg en een smalle weg. En ze hebben elk ook een eigen eindstation. Het is eeuwig wel of eeuwig wee. Het is eeuwig bij God of eeuwig zónder God. Wij komen in de hemel óf in de hel. En waar gaat u, waar ga jij nu straks de eeuwigheid doorbrengen? Hebt u zich die vraag weleens gesteld? Waar bén ik over 50 jaar? Over 30 jaar? Over 10 jaar? Volgend jaar?

Daar geeft de wereld dus geen antwoord op. En je man of vrouw kan je dat ook niet vertellen. En dat moeten we daar dus ook niet in zóeken.

Wat hebben we dán nodig? Beter gezegd: Wie hebben wij nodig, om op onze levensvragen een antwoord te krijgen?
Wat is uw énige troost, beide in leven en sterven? Zo vraagt de Catechismus? Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en in sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.
Betekent dat, dat je dan voorspoed zult hebben? Nee.
Dat je altijd gezond zult zijn? Ook niet. En het is ook geen garantie dat er nooit moeiten op je levensweg komen. Dat je nooit bespot en vervolgd zult worden. Integendeel. Eigendom van Christus te zijn, dat betekent: de versmaadheid van Christus dragen. En dan hoef je niet te verwachten dat de mensen altijd beleefd en vriendelijk zullen zijn, want dat ís niet zo.
Maar daar gáát het allemaal ook niet om. Het gaat om veel hogere dingen dan rijkdom en eer. Om veel duurzamer dingen dan gezondheid en succes.

Wie in Mij gelooft, zegt Christus, die zál leven, al ware hij ook gestorven. O ja, wel kwalijk gehandeld te worden. Wel die innerlijke strijd. Maar tegelijk zó onuitsprekelijk rijk. Want Christus spreekt zulke mensen zálig:  Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen.

3 het geloof van Mozes was bepalend voor zijn loon
Mozes zag door het geloof op ‘de vergelding des loons’. Wat was dat loon jongens en meisjes? Het beloofde land, Kanaän? Nee, want daar is hij, zoals je weet, nooit aangekomen. Maar hij was, net als de andere gelovigen uit Hebreeën 11 ‘begerig naar een beter vaderland, dat is: naar het hemelse’.

Mozes ontving dus loon. Genadeloon dan wel te verstaan.
Want als het gaat om verdienste, dan bleef er ook voor Mozes niets anders over dan de eeuwige dood. Door Uwen toorn vergaat ons kwijnend leven, Uw gramschap doet ons hart van doodschrik béven, zo zong hij. Het loon is daarom geen verdienste, maar genade. Genadeloon!

Want dat loon is verdiend door Hem wiens smaadheid door Mozes is gedragen. Jezus Christus, Hij heeft door Zijn verzoenend lijden en sterven ervoor gezorgd, dat de hemel open kan. En uit genade alleen kan een mens daar nu binnengaan. Uit genade zijt gij zalig geworden en dat niet uit u, het is Gods gave.

En dan zingt Gods volk: Na de dood is ’t leven mij bereid; God neemt mij op in Zijne heerlijkheid. O ja, wel eerst ziek worden, wel eerst sterven, wel het graf in. Maar dat is het einde niet, o nee, dan begint het pas. Het begin, ja waarvan, daar kun je nu alleen maar van stamelen. Wat dát zal zijn, om eeuwig bij Hem te zijn, die mijn ziel liefheeft. Als de poorten open mogen gaan van dat nieuwe Jeruzalem, waar de boom des levens bloeit en waar de rivier van het water des levens stroomt. Dat Hij daar zal zijn en zal zeggen: Kom maar binnen, en dan zal Ik je gaan uitbetalen voor alles wat je om Mijnentwil hebt geleden. En de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeiten zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. En God zal álle tranen van hun ogen afwissen.
De brandende tranen over de zonde, over de gevolgen van de zonde, over de geestelijke strijd, de verdrukkingen, de versmaadheid van Christus. Die zullen daar niet meer zijn. Maar dan mag ik God volmaakt dienen, en ik mag Hem zien, van aangezicht tot aangezicht.

De eeuwige heerlijkheid. Je kunt daar wel eens een flauwe indruk van krijgen, een vonkje van dat oneindige licht. Maar hoe groot en heerlijk dát zal zijn. Zelfs de Bijbel kan daar niet alles over zeggen. Maar dat weinige wat er van wordt gezegd, dat is voor dat arme kind van God al zó rijk, daar ontlenen ze kracht aan om door te gaan, om vol te houden.

Bent u daar nu jaloers op, gemeente? U, die de goede keus nog niet hebt gedaan? U die nog leeft in uw eerste keus, de keus van Adam, tégen God. De keus die u elke dag weer opnieuw doet, door goddeloos of vroom, met woorden of daden, met doen of nalaten te zeggen: wijk van mij, want aan de kennis van Uw wegen heb ik geen lust.
Luistert u nu met jaloersheid in uw hart vanwege datgene dat weggelegd is voor degenen die God vrezen? Of zegt u: Man, ik vind alles best, je praat maar een eind weg, maar laat mij m’n deel hier en nu maar krijgen. Ik wil nú genieten en de rest, dat zien we dan straks wel weer. Of misschien zégt u dat niet met zoveel woorden, maar met uw levensgang spreekt u het uit. Dat u nú wil genieten.

Nou dat kan, beste vriend, dat kan. U kunt uw deel krijgen. U krijgt misschien wel een heel groot deel. En u kunt er nog van genieten ook, onbezorgd zo u denkt. Maar: één ding: het is tóch maar voor een tijd. Het houdt een keer op. En dan raak je alles kwijt. En dan komt de afrekening. Want dan zult u Christus ontmoeten als de Rechter van hemel en aarde. En Hij zegt: Mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
En dan wordt er tegen je gezegd: nou, jij hebt je deel al gehad. En nu is het voorbij. En nu is er niks meer. Dan zul je zien, dat in ’t sterven je niks kan baten, maar dat je ’t al aan anderen moet overlaten. En dan de nacht in, de buitenste duisternis, waar wening is en knersing der tanden.

En dat ligt dan helemaal alleen aan u. Daar kun je God echt de schuld niet van geven. Dat komt alleen maar omdat u zo blind bent. Geestelijk blind. En dan moet u nodig naar de hemelse oogarts. Opdat Hij u ziende zal maken. Opdat u mag zien, dat de versmaadheid van Christus beter is dan de schatten van Egypte. Opdat u mag zien op de vergelding des loons. Dat u de dingen mag zien zoals ze echt zijn!

Zoals die oude grootvader, die met zijn kleinzoon sprak over wat het leven brengen zou. De jongen had zijn diploma gehaald en zat vol plannen en idealen.
En opa vroeg: ‘Zo m’n jongen, wat ga je nu doen?
‘Ik ga een goede baan zoeken, veel geld verdienen, een eigen zaak beginnen’.
En dan mijn jongen, en dan?
‘Dan wil ik graag een lieve vrouw trouwen, en samen een gezin vormen’.
En dán mijn jongen, en dan?
‘Mijn bedrijf gezond en sterk maken, zodat de kinderen het kunnen overnemen’.
En dán, mijn jongen, en dán?
‘Ik hoop eigenlijk ook nog wel oud te worden en dat ik dan van een welverdiende rust mag gaan genieten’.
En dan, mijn jongen, en dán?
Toen bleef het stil.
En de oude man sprak, terwijl er tranen in zijn ogen blonken: Dan ga ík op tot Gods altaren, tot God, mijn God, de bron van vreugd, dan zal ik juichend, stem en snaren, ten roem van Zijne goedheid paren. Die na kortstondig ongeneugt, mij éindeloos verheugt.

Amen.