1 Johannes 4:2 'De Geest van God' ds. P. Roos

Tekst: 1 Johannes 4:2

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent gij de Geest van God; alle geest die belijdt , dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God”;

Liturgie:

Ps.122:1,2    
1 Johannes 4
Ps. 68:5
Ps.118:11,13
Ps.  2:5,6
Lofz. Z.:4


We zien in het voor ons liggende gedeelte een buitengewoon ernstige en belangrijke tegenstelling. Vers 2 spreekt over het belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, terwijl het volgende vers spreekt over het niet belijden daarvan; en dit niet belijden staat direct in verband met de geest van de antichrist.
De tegenstelling is dus: belijden of niet belijden. In de kerk wordt beleden, maar er zijn er ook die niet belijden. In zekere zin doen we allen elke zondag belijdenis des geloofs met de twaalf artikelen, maar in werkelijkheid geldt dat lang niet van alle kerkgangers. Niet ieder deelt in de geestelijke overtuiging waarom het hier gaat. Ook in de kerk en de gemeente werken onderscheidene geesten. Staan we nog buiten de werking van de Geest uit God, dan tasten wij in ongeloof de Heere Jezus aan in Zijn eer en genade.
Er zullen er zijn die zich liever niet in deze tegenstelling laten vangen. U bedoelt niet echt de Heere door ongeloof te verwerpen; u bent er alleen voor uw besef nog niet uit. U durft daarentegen ook weer niet te zeggen dat u tot die rechte en volle belijdenis bent gekomen. Zo zweeft u er voor uw gevoel tussenin. Soms bent u er dichtbij, een andere dag staat het weer zo mijlenver van u af. Waar staan dezulken nu ècht? Zo tussenstand lijkt niet zo gevaarlijk. U zou het allemaal wel goed willen zien en geloven, maar u kunt het voor uw besef niet. We zitten nog in de wachtkamer. Zouden we opgeroepen worden? We hopen wel verder te komen, maar we zijn  er nu nog niet uit.
Besef wel dat dit proces jaren doorgaat en dat u feitelijk misschien wel verder af raakt van de weg der genade. Er treedt een proces van gewenning op en dat is levensgevaarlijk.
Het is dan goed dat u zich realiseert dat er geen tussenweg is. U zit op de lijn van één van die twee mogelijkheden: belijden of nìet belijden. Het zou heel goed mogelijk zijn dat u, ondanks al uw rustige en kerkelijke gedachten over de Heere en Zijn Woord, toch nog behoort tot de categorie van het “niet belijden” en dan is er een verband met de geest die zich keert tegen God, in vijandschap en verzet. Zeker, het zou misschien ook wel juist zo kunnen zijn dat u toch wel behoort tot die rechte belijders, maar dat zou u dan in ieder geval toch wel zeker moeten weten.
Daarom stelt deze tegenstelling ons voor een ernstig zelfonderzoek. En de Heere wil ons daarbij dan zeker ook een goede uitweg wijzen en Hij wil ons onderwijzen en leren van de goede weg, die in Christus Jezus is. Laten we daarnaar gaan luisteren.
Het thema van deze preek luidt:

            DE GEEST DOET BELIJDEN

We horen hierin

1 een dringend vermaan,
2 een duidelijk ondeerscheid
3 een krachtige belijdenis

I een dringend vermaan    
        
Belijden en geloven behoren bijeen. Een waar christen heeft de weg naar het geloof mogen vinden en door dat geloof leeft hij. Daarvan deed hij eens belijdenis en zodoende wordt zijn gehele leven beheerst door geloof.
Het is dan wel heel verrassend dat Johannes hier de gelovige oproept om niet te geloven, namelijk niet alles zo maar voetstoots te geloven. Hij zegt tegen de ware gelovigen: Gelooft nìet! Dat is heel bijzonder. Het ware geloof brengt volgens deze tekst in vers 1 met zich mee dat we juist heel veel dingen nìet geloven. “Geliefden, gelooft niet een iegelijk geest, maar beproeft de geesten of ze uit God zijn”.
Men zegt en meent soms: geloven doet men in de kerk, maar dat is niet de enige waarheid. In de kerk geloven we juist ook heel veel zaken niet. Nee, geloven doet men grif en zonder moeite juist in de wereld. Een christen gelooft juist nìet alles. Hij gelooft niet dat de wereld zo maar toevallig is ontstaan en dat de weg van de evolutie aannemelijk is om de schepping te kunnen verklaren. Er zijn onnoemelijk veel dingen, die de wereld wel gelooft, maar de kerk juist niet.
Ik noem nog maar eens enkele voorbeelden meer. Een christen gelooft niet in het goede van de mens, zoals bijvoorbeeld onze overheid er in gelooft en er van uitgaat in haar beleid. We hebben juist geloof leren hechten aan het Woord van God dat ons de natuurlijke mens tekent als dood in zonden en misdaden. En vanwege dat geloof gaan we uiterst kritisch staan tegenover allerlei “boerenbedrog” in onze maatschappij.
De ware gelovige kan zo maar niet aannemen dat het met de wereld wel goed komt zonder God. Hij is in die zin niet zo gelovig. Nee, geloven doet men ook in sterke mate in de wereld. Maar dat is een heel ander geloof dan het geloof van de kerk.
Maar de kerk moet wel oppassen dat ze kritisch staat ook tegenover allerlei kerkelijk geloof. Laten we eerlijk zijn: ook in de kerk gelooft men soms wel in het goede van de mens, bijvoorbeeld in de goede wil van mensen. Dat gelooft men in de Roomse kerk, maar ook wij kennen veel leden die spreken over de vrije wil van de mens. Maar helaas kan een kind van God dat zo maar niet meer aannemen. Hij liep vast met de alom verkondigde gedachte dat de Heere Jezus voor alle mensen is gestorven en dat nu de mens aan zet is. Geliefden, gelooft nìet!
Dus komen we er niet goed uit, als we zeggen dat er overal wel iets goeds in ligt en dat men het wel goed bedoelt. We horen vaak spreken in de trant van een zekere acceptatie van allerlei wind van leer; want zegt men, begin eerst maar eens te doen wat die man zegt, dan heb je de handen vol. Bedenk dan toch dat het gaat om de volle en rechte waarheid. Een halve waarheid is toch een hele leugen? Een arts die de halve waarheid spreekt, kan heel mkisleidend zijn patiënt bedriegen.
Gelooft niet! Geloof het niet als men zegt dat het met u wel goed komt en dat alle kerkmensen wel naar de hemel gaan. Geloof het niet als de duivel zegt dat er voor u geen weg meer tot God is. Gelooft niet iedere geest.
Er staat hier niet dat we niet alle mensen moeten geloven. Het is ernstiger en moeilijker, want het gaat om geesten. Beproeft de geesten. Dat maakt de zaak heel wat ongrijpbaarder. Vaak hebben wij het over mensen, over voorgangers, over theologen, die voor ons gevoel gevaarlijk bezig zijn. Dat kan zijn, maar als het over geesten gaat, wordt het nog omvangrijker. Er zit een geest achter die leer, er zitten geetelijke invloeden achter die uitdrukkingen en voorstellingen die je zo vaak om je heen hoort. Er is een geest van materialisme, die zijn  duizenden verslaat. Die geest waart rond in de wereld en in de kerk. Het zit gewoon in de lucht. U hoort er iedereen over spreken.
Er is een geest van wetteloosheid en die geest wordt natuurlijk wel in mensen zichtbaar, maar die geest laat zich niet zo makkelijk definiëren en bestrijden. Paulus sprak over de geestelijke boosheden in de lucht. Er werken demonische geesten in popmuziek en het vergiftigt onze jonge mensen. Zonder dat zij de ernst gevoelen. Het is maar niet een liedje, jongelui, maar het is een geest, die je zo maar in zijn macht krijgt. Je bent zo maar je vrijheid kwijt.
Zo kunnen we doorgaan. We moeten echter goed verstaan wat Johannes bedoelt te zeggen. Gelooft niet! Daar zouden we van op kunnen kijken. Goed om daar eens aandacht aan te geven.
Welke geesten richten zich speciaal op de kerk des Heeren? U gelooft toch wel dat de duivel juist ook in de kerk zijn invloeden wil doen gelden. Ook daar zijn geesten in soorten en zonder tal.
Johannes kant zich dus tegen de gevaren van zijn dagen. Deze gevaren gelden ook nog voor ons. Gods Woord behoudt haar kracht voor alle tijden. Elke tijd heeft zijn  eigen dwalingen, maar in feite gaat het in alle tijden steeds weer om dezelfde ketterijen.
Rest nog de vraag wat nu de dwalingen zijn voor ònze tijd? In 1 Cor.2:12 spreekt de apostel Paulus over de geest der wereld, die de kerk nìet ontvangen heeft. Deze geest der wereld waart in alle tijden rond, maar zeker wel in onze tijd. De kerk wordt belaagd door wereldgelijkvormigheid, een kwaal waar we niet genoeg voor op onze hoede moeten zijn. Deze geest is wijdvertakt en openbaart zich op allerlei manieren. In sportverdwazing bijvoorbeeld, maar evengoed ook in een hang naar weelde en welvaart. Meedoen met de wereld, het is en blijft voor alle tijden een verzoeking. Links en rechts dringt de wereld onze kringen binnen. Zeker in deze dagen van internet en moderne media. Het is zelfs te vrezen dat de Gereformeerde Gezindte niet bij machte is zich tegen deze vloedgolven met succes te verzetten. Men kont de TV nog buiten de deur houden, maar het is te vrezen dat de kerk ten prooi zal vallen aan internet en verslavende machten vanuit de moderne media. De geest de wereld bestaat écht. Wat een dreiging vanuit die geest. Het zijn maar geen menselijke invloeden, er spelen geestelijke machten achter dit alles.
Als ik nog eens een geestelijke macht moet noemen, dan denk ik aan een geest van diepe slaap. Zoals Jona sliep onder de storm van Gods toorn, zo kunnen wij in slaap gesust zijn door allerlei geruststellende gedachten. Ook hier dus een sterke bedreiging.

Johannes spreekt eerst over geesten en daarna heeft hij het over profeten: want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld. Dus die geesten nemen vlees en bloed aan in profeten.
Profeten zijn mensen, die opereren op het geestelijk terrein. Het zijn kerkmensen en dienaars van God; het zijn alleen valse profeten. In de Bijbel komen deze geesten heel vaak voor. Denkt u eens aan koning Achab. Hij had wel vierhonderd profeten, die aten van zijn tafel. Deze profeten hielden allemaal dezelfde preek want ze spraken naar de mond van koning Achab. En hij geloofde alles maar. Maar Josafath was er ook bij en deze koning vreesde de Heere en die vertrouwde de zaak toch niet. Hij stelde een vreemde vraag. Hij had die vele profeten gehoord en toen wilde hij toch nog graag meer horen, want hij vroeg of er niet nòg een profeet des Heeren was. Opmerkelijke vraag! Valse profeten hebben dus nog wel eens een kenmkerk dat ze je naar de mond praten. Dat deed Hananja ook, die als een rasechte “profeet” toch een volkomen scheve voorstelling van zaken gaf. Jeremia zei dat het er allemaal niet zo best voorstond met de strijd tegen Nebukadnezar, maar deze Hananja stelde de zaken veel positiever voor en dat vonden de mensen natuurlijk veel aangenamer. Zo gaat dat ook nu nog.  
Ook de Heere Jezus tekent de gestalte van de valse profeten. Ze zullen een ogenschijnlijk zuivere, maar verwarrende prediking doen horen, want zij zullen zeggen: “Ziet hier is de Christus en ziet, daar is Hij; gelooft het níet!” (Matth.24:23). Zelfs de hoogste Profeet en Leraar waarschuwt voor een oppervlakkige erkenning van allerlei dwaalleer. Van hoeveel zaken zouden we in onze tijd eigenlijk niet moeten zeggen: Gelooft het niet! Zouden we dat te vaak zeggen, dan zouden de mensen u al snel voor negatief en hyperkritisch verslijten. Maar we zien dat de Heere Jezus Zelf het zo zegt. Dan zullen wij het op zijn tijd moeten willen nazeggen.
In het laatste Bijbelboek lezen we van de valse profeet van de antichrist. Hij had hoornen, des Lams hoornen gelijk, maar hij sprak als de draak (13:11). Daar hebt u weer die opvallende gelijkenis. Deze geesten gaan als undercover schuil achter hun profetenmantel, hun “harige mantel om te liegen” (Zach. 13:4).
Wat moeten we dus allen op onze hoede zijn. Iedere dienaar van de Heere moet zich afvragen of hij het Woord Gods recht snijdt. Hij moet het snode van het kostelijke scheiden, dat wil zeggen: hij moet geen eigen inzichten mengen met het Woord van God. Dat vermaan is voor elke dienaar nodig. En de gemeente moet op haar tellen passen om de geesten te beproeven. We moeten gezond kritisch in de kerk zitten onder de prediking. De concrete toepassing van deze tekst zal ook moeten zijn dat we niet zo maar iedere dominee en iedere gelovige moeten geloven. We mogen hen gerust beproeven. Niet als uit de hoogte op hen neerzien en altijd wel weer wat vinden wat niet helemaal goed was. O nee, er zullen altijd gebreken en tekorten kleven aan Gods knechten. Maar als wezenlijke elementen worden achtergehouden, dan klopt de zaak niet.
IK vrees dat velen dit onderscheid niet duidelijk voor ogen hebben. Kunnen wij onderscheidenlijk luisteren? Hebben we de geestelijke kennis om te weten waarop het aan komt? Weten wij het verschil tussen het kaf en het koren? Kunnen wij een gelijkenis als van de Zaaier toepassen op onze tijd? Daarin worden ook de grote gevaren door de Zaligmaker Zelf gesignaleerd, die een schijn van waarheid hebben, maar de zaak zelf missen. Bedenk eens dat juist de Heere Jezus zo vaak het verschil toonde tussen schijn en zijn. Juist Zijn prediking was heel onderscheidenlijk.
Zijn we dat onderscheidenlijke preken en luisteren niet kwijt geraakt? Nogmaals, deze dingen mogen niet voortkomen uit hoogmoed of uit een overmatig kritische geest; daartegen wil ik met alle nadruk waarschuwen. Maar het behoeft niet altijd zo verkeerd te zijn als Gods kinderen soms onder de prediking “wat missen” en dat er soms “amen” wordt gezegd op een te vroeg tijdstip. Zo komt er een dringend vermaan vanuit de tekst naar ons toe. Er is verder ook sprake van  

II een duidelijk onderscheid.

Het werk van Gods Geest blijkt daarin dat men gaat belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Hieraan kent gij de Geest van God; en dan staat er niet: ieder mens, maar alle gèèst, die belijdt…
Tegenover de demonische en boze geesten, die beproefd moeten worden, staan nu andere geesten, die de waarheid Gods belijden en dienen. Deze werken onder leiding van de Heilige Geest.
Hoe reëel wordt hier de geestelijke wereld beschreven. Er verscheen jaren geleden een boek in de Amerikaanse wereld, geschreven door een zekere Peretti, die de strijd in de geestelijke gewesten wil voorstellen. Het gaat daarin om een school, waar allerlei krachten onder de mensen werken, die de  grondslag van de school willen veranderen.
De schrijver stelt het dan zo voor, dat op de ene hoek van het dak de vergadering van onreine geesten zich bevindt, terwijl daartegenover op de andere hoek de engelen Gods zich verzameld hebben, om het hoofd te bieden aan het offensief van de hel. Zo beeldend stellen we het ons niet voor, maar de Bijbel geeft anderzijds toch ook grond voor de gedachte, dat er geestelijke boosheden in de lucht zijn, die het Koninkrijk Gods willen verstoren (Ef.6:11-20). Vanuit die gedachte moet u het zich maar eens voorstellen dat er niet alleen engelen zijn in de gemeente zijn (1 Cor.11:10), maar dat ook de duivelen ons omringen en trachten te beinvloeden (Hand.16:16). Bij de zaak van de rechte prediking is de duivel betrokken en hij zal alles doen, samen met zijn trawanten, om de loop van het Woord te verstoren. Daar merken we in de kerk toch ook wel degelijk iets van?
Hoe aangrijpend en beangstigend dat de duivel tegenwoordig is onder de prediking van het evangelie. Maar hoe verblijdend mag het dan zijn dat ook de heilige engelen en de goede geesten, ja zelfs de Heilige Geest werken onder de prediking.
U ziet een mens op de kansel en u spreekt misschien vaak over die man, die daar spreekt. Maar u moet er meer van spreken dat er een geest werkt vanaf de kansel, dat de Heilige Geest zelfs werkt in het belijden van de kerk en in de prediking van het evangelie.
We denken dus veel te menselijk over de zaken van het Koninkrijk Gods. Besef dat er vurige pijlen door de kerk vliegen, dat u het zwaard des Geestes namelijk Gods Woord nodig hebt en dat u een schild moet hanteren om bewaard te blijven voor de satan. Er is een gevecht op leven en dood gaande onder de pediking.
Deze gedachte geeft ook te meer waarde aan het gewicht van het belijden der kerk. We mogen onze belijdenis ook zien als een vrucht van het werk van de Heilige Geest. Dat geldt dan wel niet alleen van de officiële kerkelijke belijdenis, maar ook van elke persoonlijke belijdenis die mensen mogen uitspreken bij allerlei gelegenheden. Er zijn er die van geen belijdenis willen weten, maar de apostel Johannes erkent hier de waarde ervan. Hoe rijk is juist de kerkelijke belijdenis als een vertolking van de waarheid Gods.
Nu maak Johannes het ons, zo dunkt ons misschien, wel makkelijk. Hij pleit niet voor een uitvoerige en omslachtige belijdenis, maar om een korte en bondige uitspraak. Dat verbaast ons? Is Johannes zo snel tevreden, dat het al goed is als we zeggen dat Jezus Christus in het vlees gekomen is? Dan zouden we toch nog moeten concluderen dat allerlei kerkelijke belijdenisssen te zwaarwichtig en te veelomvattend zijn. Is Johannes al zo spoedig tevreden? Valt er niet meer te zeggen? Hebben de opstellers van de Heiderberger dan veel te veel willen vastleggen?
Nee, zo moeten we dit niet zien. Johannes keert zich hier tegen een bepaalde dwaling, die in zijn tijd erg veel opgeld deed. Hij bedoelt natuurlijk niet dat het er verder, buiten deze stelling, niet op aan komt. Dat merkt u ook wel op andere plaatsen die hij aangeeft in zijn brieven. In vers 5 zegt hij dat de dwaalleraren spreken uit de wereld. In vers 15 gaat het om de belijdenis dat Jezus de Zoon van God is. In 2:22 zegt hij dat de antichrist te kennen is aan het feit, dat hij loochent dat Jezus is de Christus.
Bladert u verder in de Bijbel dan komt u talloos veel kenmerken en criteria tegen van de waarheid Gods.
Zo geeft de apostel Paulus aan dat het kruis een duidelijk en noodzakelijk gegeven is. Hij heeft niet anders voorgenomen te weten onder de Corinthiërs dan Jezus Christus en Dien gekruisigd (1 Cor.2:2). De dwaalleraren verijdelen het kruis van Christus, maar Paulus weet slechts te roemen in het kruis van Christus. Dat was voor de Corinthiërs weer een actuele zaak, omdat het kruis werd gezien als een ergernis en dwaasheid. Deze zaak speelde ook onder de gemeente der Galaten. Ook daat werd het kruis van Christus in discrediet gebracht en werd de algenoegzaamheid van Christus’ lijden en sterven niet voldoende of helemaal niet erkend. En dan zegt de apostel het heel scherp: al zou het een engel uit de hemel zijn, die een ander evangelie zou brengen,d an zou die engel vervloekt zijn. Een wel heel sterke uitspraak, voortkomend uit een gefundeerde overtuiging. Zo overtuigend en overtuigd mag en moet de kerk spreken tegen allerlei dwalingen.
Onder de Corinthiërs leefde verder de gedachte dat er geen opstanding der doden is; en daaraan verbindt de apostel de gedachte dat zonder die opstanding er geen prediking en geen geloof is (1 Cor.15:1-5 en 16-19).
Als de Heere Jezus spreekt over de valse profeten, dan wijst Hij vooral op de vruchten (Matth.7:16). Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Niet iedereen die zegt “Heere, Heere”, zal ingaan in het Koninkrijk Gods, maar die daar doet de wil Mijns Vaders Die Mij gezonden heeft.
Johannes geeft rondom onze tekst ook scherp de kenmerken van de ware christenen aan. Deze gelden indirect ook voor de leraars der gemeente, toen en nu. Zo lezen we in hoofdstuk 3:9, dat ieder, die uit God geboren is, de zonde niet meer doet. Een zeer gewichtig en alomvattend kenmerk. Hier doelt de apostel op de nieuwe mens, die niet meer zondigen kan. De oude mens is er tot aan de dood toe geneigd en begeert te zondigen, maar de nieuwe mens verzet zich daartegen met hand en tand. Een kenmerk om lang over na te denken. Het kan en moet leiden tot zelfonderzoek. Hoe sta ik tegenover de zonde? Waar gaat mijn hart naar uit?
In vers 14 en 15 van dat hoofdstuk geeft hij een ander gegeven aan. Wie overgegaan is uit de dood tot het leven, kent u eraan dat hij de broeders liefheeft. Wie daarentegen zijn broeder haat, is een doodslager. Dat zijn uitspraken, die ontdekken en ontmaskeren. Haat kan niet met genade samengaan. En toch moeten we constateren dat er zoveel mis is tussen mensen onderling. In 4:13 geeft hij nog weer een andere trek aan: “Hieraan kennen wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft”.
U merkt hoeveel stof de apostel aandraagt waardoor de rechte belijdenis wordt herkend. Deze zaken staan niet voor niets genoemd. We kunnen deze kenmerken ook vruchten noemen en daarin ligt dan opgesloten dat het alles voortkomt uit het werk van Christus in het hart der Zijnen. Vanuit onszelf kunnen we aan geen enkel kenmerk voldoen, maar deze vruchten moeten er anderzijds wel zijn.
Keren we terug naar het genoemde kenmerk of vrucht, zoals we deze verwoord vinden in de tekst. De Geest des Heeren kennen we daaraan, dat de belijdenis klinkt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is.
Waarom geeft Johannes nu juist dit kenmerk, terwijl Paulus andere kenmerken noemt?
Dat heeft alles te maken met de tijd waarin Johannes optrad. Er waren toen allerlei predikers, die op dit punt afweken. En Johannes gaat daar heel actueel op in. Dat moet altijd zo gebeuren. Ook wij moeten een helder beeld hebben van de dreigingen en dwalingen van ònze tijd.
Er waren toen allereerst de Joden, die zich hiertegen met klem verzetten. Zij geloofden niet dat Jezus de Christus was en dat Hij de Zaligmaker kon zijn. Integendeel, zij verzetten zich krachtig tegen deze waarheid. Johannes legt hun dwaling hier bloot en verbindt hun gedachten met de geest van de antichrist. Wat een huiveringwekkende gedachte. Zijn oordeel gaat ook nu over allen, die feitelijk het geloof in Christus missen en die daardoor uitspreken, dat Hij niet de Heiland der wereld is. Wat dunkt u van de Christus? Dat is een belangrijke vraag. Is Hij voor u persoonlijk niet geworden de Zoon van God en hebt u in Hem nog geen vergeving van zonden ontvangen? U zult tegenwerpen dat u daarom nog geen aanhanger bent van de antichrist, want u begeert het geloof te beleven en te ontvangen. Zeker zijn het voorrechten, als u begeerte hebt tot de Heere en Zijn dienst en dat u begeert Christus te erkennen als uw Zaligmaker. Toch is die begeerte niet genoeg. U moet een grondig onderzoek instellen naar uw begeerte, naar uw zoeken van de Heere. Hebt u in waarheid leren belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is? Zonder deze belijdenis staan we nog onder de beïnvloeding van de geest van de antichrist. Het gaat om de geestelijke en persoonlijke belijdenis. Zeker kan het zijn dat uw begeerte geheel oprecht is voor de Heere, maar dan zult u het ook metterdaad toestemmen dat deze belijdenis nodig en onmisbaar is. Het door Johannes hier genoemde kenmerk heeft ook nog een tweede achtergrond. Er waren ook dwaalleraren die zich weer heel anders voordeden. We moeten dan denken aan de voorstellingen van de Gnostiek; Marcion was een bekend vertegenwoordiger van deze leer. Wat leerde hij dan wel?
Marcion kwam vanuit een sympathieke voorstelling tot zijn dwaalleer. Hij achtte de Heere Jezus zo hoog, dat hij het voor onmogelijk hield dat Hij ècht mens geworden was, zoals wij dat zijn. Wij zijn zondaren. Hij meende feitelijk dat vooral het lichaam, het vlees bron en oorzaak was van de zonde. De zonde zat vooral in ons lichaam, niet zozeer in onze geest, die als een vogel gevangen zat in de kerker van het lichamelijke bestaan. De Gnostiek ging er dan ook van uit dat de Heere Jezus Zijn lichaam vanuit de hemel had meegebracht. Dus leerde mens eigenlijk dat Jezus niet echt mens was. Maar we weten al te goed, dat de Heere alle trekken vertoonde van ons lichamelijke bestaan. Hij is wel zeker echt mens geworden. Uitgenomen de zonde. Maar wel de echte natuur van de mens, vlees en bloed uit de maagd Maria.
Wie dit ontkent, komt ten diepste uit bij de gedachte dat de Heere ons niet ècht en waarlijk heeft verlost. Zijn werk voor mensen krijgt dan meer het karakter van kennis en onderwijs dan dat het echt verzoening door voldoening is geweest. Zo wordt het kruisoffer van Christus ondermijnd.
Vinden we dat ook in onze tijd niet terug? U moet maar eens denken aan dat woordje “ècht”. Is de Heere Jezus ècht de enige Zaligmaker; is de Bijbel ècht het Woord van God? Wat verstaat men onder de echtheid? Is Jezus echt naar de hemel gevaren, lichamelijk, plaatselijk en voor het oog van Zijn jongeren? Heeft de slang echt gesproken? Een bekende vraag in de kerkgeschiedenis van ons land? Heeft God ècht gezegd….? Die vraag is feitelijk de vreselijke oorzaak van al dat vragen naar de echtheid en de waarheid. Hoezeer leven die vragen bij u en bij mij. Hoe komt het dat velen kunnen leven buiten de genade van de Heere Jezus Christus? Dat komt omdat we de echtheid van het Woord van God niet hebben erkend. Is het echt waar voor ons dat wie de Zoon niet heeft, de toorn Gods op hem blijft? En is het echt waar dat in Christus nu alles is te vinden wat er aan schatten en gaven bestaat?
Temidden van de verwarrende veelheid van geestelijke machten, mogen we nu vragen hoe het mogelijk is staande te blijven. Deze vraag brengt ons tenslotte tot het derde deel van deze preek en dan spreken we tenslotte over

III een krachtige belijdenis.

Ja, die vraag dringt zich aan ons op: Hoe kunnen we ontkomen aan de geestelijke invloedssfeer van de antichrist? Hoe kunnen jonge mensen in deze tijd concreet belijdenis des geloofs doen? Hoe kunnen belijders in de gemeente in deze dagen staande blijven? Hebt u niet eigen zwakheden leren kennen, nadat u misschien lang geleden met moed en verwachting uw verbondenheid aan de Heere en Zijn dienst hebt mogen belijden? Is er niet veel op u af gekomen? Gods kerk kent de dagen van vertwijfeling. Als zij zichzelf onderzoeken, vinden ze doorgaans geen moedgevende tekenen. O nee, de driften zijn veel en het hart onrein. Het gebed moet ingeleefd worden: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Het vermaan van de apostel om de onwankelbare belijdenis vast te houden (Hebfr.10:23), is zo dringend nodig. Ziende op tegenstand en dwaling, zinkt de moed in de schoenen. Waar ligt nu het smalle pad, dat voert naar de eeuwige heerlijkheid? Gods kinderen moeten wel pijnlijk ondervinden dat er in hen geen goed woont. En vanwaar zal dan uw hulp komen? Is er uitzicht in deze nood? Of moeten we eindigen in de vraag van de discipelen: “Wie kan dan zalig worden?”
Haasten we ons dan naar de bronnen van kracht, die toch ook in deze tekst te vinden zijn. Ik lees dan nog eens met u de tekst: “Hieraan kent gij de Geest van God: alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God”.
Deze zin is zeer onderscheidend, maar er openen zich ook fonteinen van geest en leven in, die de wankelmoedige reiziger moed zullen kunnen geven. Ik wil met u enkele schatten zoeken, die in deze woorden naar voren komen.
Wie worstelt met genoemde vragen, moet eerst eens letten op het woord “belijden”. Wat is dat precies? Het woord betekent letterlijk: hetzelfde zeggen. Naspreken wat anderen voorzeggen. Zoals een moeder haar kind een gebed leert nazeggen. Dat gaat aanvankelijk stamelend en gebrekking, maar het blijkt toch wel steeds beter te gaan. Wat moet die moeder geduld hebben om een klein kind dit bij te brengen. Maar die kleine peuter is nog zo heel erg gewillig om te doen wat moeder zegt. Later, als hij groot geworden is, gaat het niet meer zo makkelijk. Dan denkt hij alles zelf veel beter te weten en wil hij zich niet meer zo kinderlijk onderwerpen aan de woorden en het onderwijs van de ouders.
Gods kind leert eenvoudig nazeggen wat de Heere voorzegt. Dat is belijden. Belijden, geloven begint met luisteren. Als de Heere het ons in Zijn Wood voorzegt en we mogen die woorden echt horen, dan kunnen we niet verdwalen. Daarom gaat het er maar om dat we geheel en al op de Heere gericht zijn. De Heere heeft het allemaal in Zijn Woord heel duidelijk voorgezegd. Begin dan maar met de wezenlijke dingen te horen, die de Heere spreekt. Hij zegt ook tot u en jou: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik al Mijn welbehagen heb; hoort Hem” (Matth.17:5). Hoort Hem, dat is een eenvoudige les. En hoor Hem dan spreken: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven” (Joh.14:6). En zo zou ik nog lang door kunnen gaan om allerlei eenvoudige uitspraken van het Woord van God u voor te houden. Hoort Hèm! Kunnen we al deze dingen nu in waarheid nazeggen? Zegt u het na, als de Heere zegt: “Arglistig is het hart, ja dodelijk, wie zal het kennen?” (Jer.17:9). Dat houdt heel veel in. Het geeft aan dat u erkent in uzelf niets te hebben wat voor de Heere kan bestaan. Dit te belijden en na te gaan zeggen kan alleen als we luisteren naar de Heere, en niet naar de mensen. U kunt daarover slechts stamelen? Dat is niet het ergste, als we maar echt bij de Heere op school mogen zijn. Tracht het in alle eenvoud na te zeggen. U behoeft er niet voor tot in de hemel op te klimmen en tot in de afgrond neer te dalen. Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. De Heere wil Zijn woorden in onze mond leggen. Hij zal leiden ’t zacht gemoed in het effen recht des Heeren. De bekende puritein William Guthry maakt de opmerking, dat geloven niet zo moeilijk is als men vaak wel denkt. Zou hij daar gelijk in hebben? U ervaart het misschien heel anders. Hij erkent ook wel dat het een gave van God is, maar hij onderstreept toch in zijn bekende boek de eenvoud. Ik geloof toch dat hij deze opmerking met reden maakt. Er zijn tijden dat het geloof en het belijden voor ons besef een grote onmogelijkheid is. Wie kan dan zalig worden? Maar er zijn gerlukkig ook heel andere tijden, waarin men, ziende op Gods genade in Christus, mag roemen in de eenvoud. Paulus zei het al: Het is niet verre, maar nabij. En van tijd tot tijd zal ieder van Gods kinderen dat mogen ondervinden. Zeg het dan na, als de Heere ons bepaalt bij die vader, die beleed: “Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp” (Mark.9:24). En zo staan er allerlei lessen in de bijbel, die we moeten leren belijden en nazeggen. Er zijn  heel eenvoudige bij, maar er staan ook heel diepe en onbegrijpelijke lessen in. Kinderen blijven in hun opvoeding niet staan bij de eerste stamelende woorden die ze leerden uit de mond van hun ouders. Zo gaat het ook met Gods volk. Zo wil de Heere ook u leiden in dat effen recht. Maar blijf bedenken dat u geen eigen gedachte waarheden moet uitvinden en dat u niet naar andere onderwijzers moet gaan. Blijf aan de voeten van de Heere Jezus en tracht Hem na te spreken. U hoort Zijn onderwijs in het Woord, in de Bijbel, in de kerk en onder de prediking. Laat u daar niet weghouden en afpraten. Gelukkig wie iets van dit belijden heeft mogen kennen; dan hebben we de deur ontdekt die toegang geeft tot de rijkdom van Gods genade.
In de tweede plaats worden we hier nu gewezen op de Geest van God. Deze Geest wordt genoemd in Zijn rijke werking. Hier worden we bepaald bij de Leermeester. Heeft Christus niet beloofd dat deze Geest in alle waarheid zal leiden? Deze Pinkstergeest opent een volheid van geestelijke kennis en rijkdommen. Deze Geest is de leidsman van lle belijdende geesten. Deze geesten werken in mensenharten. Er is een overvloed van geestelijk onderwijs. Het leert ons wel, dat een Bijbel op zichzelf niet genoeg is. We merken zo vaak dat we allemaal maar blind zijn in de kennis des Heeren. Zeker in deze tijd moeten we daarbij de vinger leggen. Onze jeugd is weinig vertrouwd met de waarheid van het Woord Gods. Dat geldt in het algemeen. Het gemis van die kennis is ontstellend en levensgevaarlijk. De Heere zegt in Jesaja 1:3: “Een os kent zijn bezitter en een ezel de krib zijns heren, maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet”. Het is opmerkelijk en verontrustend, dat allerlei Bijbelse waarheden er schijnbaar niet meer in gaan. Er is geen begrip en bevatting van geestelijke dingen. Menselijke wijsheden gaan er snel in, maar het Woord van God kan afstoten op onkunde en verzet. Hoe moet dat toch goed komen?
Let dan op deze Geest van God. Hij onderwijst. Hij leidt in alle waarheid. We komen er pijnlijk achter dat Bijbelkennis en geestelijke bevatting voor de moderne mens behoren tot de grote verhalen, waar men niets mee heeft. Maar als de Heilige Geest gaat werken, wordt dat echt wel anders. Dan komt er verstand van God en Goddelijke zaken.
Hieraan kent gij de Geest van God. In vers 13 lezen we: “Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft”. Gelukkig de mens, die dat zo mag kennen en weten. Dat mag men dan ook weten, zoals Johannes zegt. De wijze van uitdrukken geeft aan dat er verschil in bediening is van Gods Geest. De een heeft er meer van gekregen dan de ander. En dat ligt souverein in Gods handen. Hij geeft…, niet wij nemen of wij vinden. De Heilige Geest werd uitgestort op de Pinksterkerk. Ze hebben gebeden en gesmeekt en er mocht gepleit worden op de belofte. Dat mag ook nog in deze tijd. De belofte ligt er nog steeds. Juist tegenover de angstaanjagende veelheid van demonische geesten is het een voorrecht te mogen spreken van de Heilige Geest, Zìjn Geest.
Toen deze Geest steeds een kleinere plaats kreeg in de kring van ons volksleven, werd ons volk hoe langer hoe meere en prooi en een woonplaats voor allerlei verkeerde geesten. Occulte machten namen in snel tempo bezit van ons volk. Velen hebben zich overgegeven aan een verkeerde spiritualiteit. Dat laatste is een modegril geworden. Juist omdat de mens innerlijk de leegte ging ervaren in zijn ziel, zocht hij zijn toevlucht in allerlei hekserij en magie. Dat heeft weer geleid tot een schrikbarende toename van innerlijke ontreddering en onrust. De zeven boze geesten uit de gelijkenis die de Heere heeft gesproken, lijken in deze tijd hun intrek genomen te hebben in het hart van de mens. Ook wij staan bloot aan een verhevigd offensief van de hel. Het zijn geestelijke boosheden in de lucht, die ook ons intensiver dan ooit, belagen en benauwen.
Daartegenover is het zo rijk, dat deze tekst spreekt van andere geesten. Geesten, die belijden dat Christus in het vlees gekomen is. Dat zijn de geesten, die de mens vervullen met troost en liefde, met vrede en rust. Het zijn de geesten die opgewassen zijn tegen de onreine geesten der duisternis. Maar dan zal in het leven van de belijders het onderscheid met de wereld scherp uitkomen. Niet alleen omdat ze anders leven en handelen, ook omdat ze rust en vrede verspreiden en uitstralen. Deze geesten zijn utieindelijk te herleiden op de Heilige Geest. De Geest van God. Wat mag het dan troosten dat deze Geest van God op aarde is gekomen. Laat u niet meeslepen door allerlei geestelijke machten en duistere invloeden, maar zoek temeer toch deze Geest van God. Deze Geest oefent Zijn heerlijke bediening uit in mensenharten, zoals Hij dat deed in de drieduizend van Pinksteren. Wat mocht de Pinksterkerk delen in de volle stromen van Gods genade. Het waren stromen van liefde en goedheid, van genade en stille gerustheid. Het is zozeer de moeite waard om uw hart als woonplaats over te geven aan deze Bewoner. De Geest van God op aarde, heerlijke nog dan toen Gods Zoon op aarde was. Deze Geest wil wonen in ontelbaar veel harten op aarde. Zijn werken zijn rijk en heerlijk, Zijn vruchten vervullen de mens met een keur van geestelijke zegeningen en Zijn gaven zijn in staat om in allerlei nood te voorzien en de kracht van het geloof uit te bouwen tot ongekende hoogten. Tegenover de vloed van occultisme zoeke de kerk deze Geest.
De tekst spreekt erover dat Jezus Christus in het vlees gehomen is. Het werk en de bediening van deze Geest heeft één grote bezigheid, namelijk Christus verheerlijken. In Zijn komst in het vlees, maar evenzeer ook wel in Zijn gehele Borgtochtelijke arbeid. “Die zal Mij verheerlijken”, zo sprak de Heere Jezus. We zouden ons kunnen afvragen of we daar nu de Heilige Geest voor nodig hebben om te weten dat Christus geboren is in deze wereld. Ja, zonder de Geest van God, Die leert belijden, kunnen we zelfs deze eenvoudige waarheid van het Kerstfeest niet verstaan. Men kan het weten en tegelijk feest vieren onder de kerstboom, ver bij God vandaan. De Geest leert echt geestelijke weten en Hij leert belíjden. De gehele bediening van Christus wil Hij zo verklaren in het hart. Daarom is ieder die door de Geest geleid wordt, bekend gemaakt met de Persoon en het werk van de Heere Jezus.
Zo komen we als vanzelf tot de derde lijn, die hier getrokken wordt. Dat is de waarheid dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Ik noemde dit al de eenvoudige waarheid van het Kerstfeest. Gekomen in het vlees.
Toen de Heere werd geboren, kwam Hij in de kribbe, en Hij kwam in Bethlehem. Hij kwam in de wereld, maar daarbij kwam Hij ook in het vlees. Dat is een bijzondere uitdrukking. Over de betekenis van “het vlees” werd al een verschil met de Gnostiek openbaar. Maar het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, zo riep Johannes in het eerste hoofdstuk van Zijn evangelie reeds uit. Het woord “vlees” heeft verschillende betekenissen in de Bijbel. Het heeft allereerst betrekking op ons vlees en bloed, dat wil dus zeggen, het vlees van ons lichaam. Daarin is Christus gekomen. Maakte de Gnostiek ervan dat de verlossing niet echt tastbaar was geworden, met deze belijdenis van deze tekst in handen kunnen we juist zeggen dat de Heiland in Zijn komst naar de wereld een werkelijkheid van verlossing heeft bewerkt. Is het voor u een werkelijkheid? Of blijft het een ver verwijderd woord, dat wel klinkt vanaf de kansel, maar dat toch tegelijkertijd vaag en verweg blijft? In het vlees gekomen, wil zeggen: u kunt het tastbaar en werkelijk ervaren. Dat wij mensen een lichaam hebben van vlees en bloed, bezorgt ons talloos veel ervaringen van pijn en gevoelens, die moeilijk te verwerken zijn. Kan het dan niet een troost zijn dat ook de Heere gekomen is in dat vlees?
Ons vlees is verder ook aanduiding van ons lichaam en ons bestaan, zoals het door de zonde is aangetast. Paulus moest het uitroepen: “Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde” (Rom.7:14b). Dat betekent niet dat Christus ook door het zondige vlees werd aangetast, zodat Hij niet vrij zou zijn geweest van de zonde. Hij nam wel het vlees aan, maar zonder zonde. Maar de gevolgen der zonde heeft Hij gevoeld in Zijn bestaan.
Daarom is deze zin een krachtige boodschap: Christus is tot ons gekomen. Hij doorleed met en voor de Zijnen de diepste nood en ellende van deze wereld. Hij kwam hier ons zozeer nabij, omdat Hij alleen zo van zondaren de last der zonde kon overnemen. Nu is er vrede gekomen met God. Nu is de kerk niet meer verlaten door God. Er is een brug geslagen tussen de hemel en de aarde. Het gehele bestaan van zondaren mag de vruchten vertonen van Zijn werk.
Denk niet dat u ooit zou kunnen opklimmen tot in de hemel. Nee, Christus daalde nameloos diep af naar zondige mensen.

Nu we bijna gaan eindigen, staan we nog een ogenblik stil bij de woorden: “Hieraan kent gij….”
Tegelijkertijd is het ook zo: Hieraan wordt gij gekend. Er is een tweevoudige werking. “De geestelijke mens onderscheidt alle dingen” (1 Cor.2:15). De natuurlijke mens daarentegen mist dat onderscheidingsvermogen. We moeten goed leren onderscheiden in deze tijd, zoals dat altijd wel nodig is geweest.
Maar de keerzijde is: u wordt ook hieraan gekend, aan dit gegeven, dat u tot deze rechte belijdenis hebt mogen komen. Waarin onderscheidt ge uzelf van de geesten der wereld? Waar valt u heen als er vanaf de kansel wordt opgeroepen tot zelfonderzoek, tot een onderscheiden van uzelf?
Dit zelfonderzoek luistert nauw. Het is ook nodig dat Gods knechten de dingen duidelijk en onderscheidenlijk mogen voorstellen. U bent ermee gebaat te weten wie u bent en waar u staat. U bent aan uw belijdenis te kennen. Aan deze geestelijke en persoonlijke belijdenis aangaande Christus. In het begin zijn we begonnen met de scherpe tweedeling: belijden of niet belijden. Indien u deze belijdenis, hoe eenvoudig ook, nog niet verstaat, dan vraag ik u om de ernst daarvan onder ogen te zien. Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest. Stel u niet tevreden met verstandelijke kennis alleen. Maar leer het dan ook verwachten van Hem. Van de Drieenige God. Van de Heilige Geest, Die is beloofd, ook aan u. Neem dat Woord in Christus aan en roep om de doorwerking van Zijn Geest.
Heeft de Heilige Geest u bepaald bij uw gemis, dan wil Hij ook voor u een bron zijn van verlichting en nieuw leven. Hij wil u op uw bede brengen tot die belijdenis, in waarheid voor God uitgesproken. Verwacht het dan van hem alleen, dan zult ge nimmer beschaamd worden.
Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest….
                                                Amen