Mattheüs 5:6 'Zalig die hongeren en dorsten' ds. J. de Bruin

Preek over Mattheüs 5:6  door ds. J. de Bruin te Elburg

42:1
23:1
107:3,5,18
85:4
98:1
Jesaja 55

Geliefde Gemeente,

Toen Jozef onderkoning was geworden in Egypte braken allereerst de zeven vette jaren aan, waarin zeer veel groeide. Meer dan nodig was. Jozef heeft toen grote schuren laten bouwen om al het overige op te slaan…, want er zou een ándere tijd gaan aanbreken: zeven magere jaren…, zeven jaren van grote hongersnood.
Niet alleen in Epypte, maar ook in de omliggende landen…, ook in Kanaän!
In de Genesis 41 staat dat de honger stérk werd in al die landen. Dat hebben de inwoners van die landen gevóeld en aan de lijve ervaren! Die honger werd een onhoudbare honger. Er moest wat gebeuren…, er moest vóedsel komen, want anders was het sterven!
Wat een blijde boodschap was het toen gehoord werd: in Egypte is bróód! Wat werkte die boodschap uit? Hoor maar: Als nu gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Farao om brood; en Farao zeide tot alle Egyptenaars: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt. Als dan honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaars; want de honger werd sterk in Egypteland. En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.
Zo zijn ook de broers van Jozef gekomen en wat hebben ze toen ervaren? In een weg van zware beproeving werden ze toch onderhouden door Jozef en hun honger gestild. Ja Jozef maakte zich aan hen bekend en toen werd het nog rijker. Toen hebben ze verstaan dat hij de Zafnath Paäneah was, de behouder des levens!
En is dat geestelijk ook niet zo? Dat blijkt uit de vierde zaligspreking die de Heere Jezus heeft uitgesproken in de Bergrede. Kom laten we eens naar deze woorden gaan luisteren. Het thema voor de preek is:

Gelukkig missers van Jezus.

Twee gedachten:

1.    Hoe hun gemis omschreven wordt,
Er staat namelijk: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar gerechtigheid.

2.    Hoe hun gemis vervuld wordt,
Want Christus belooft: want zij zullen verzadigd worden.

1.    Hoe hun gemis omschreven wordt.

De Heere Jezus heeft in de eerste drie zaligsprekingen een arme zondaar getekend, die ontdekt heeft dat hij Gód kwijt is en wie Gód kwijt is, is álles kwijt…, die heeft niets meer…, die kan niets meer…, die ís niets meer… Die is een arme bedelaar geworden. Maar wel een arme bedelaar die er achter gekomen is hoe hij zó geworden is. Door zijn zonden! Zonden, die hij bedreven heeft tegen God Die heilig en rechtvaardig is…,maar ook zo groot van goedertierenheid. Dat is de HEERE Die het in der eeuwigheid niet waardig is dat er tegen Hém gezondigd zou worden! Ja dát geeft smart…, dát doet treuren… dat leert ook buigen onder God en doet eens worden met God.
Want de HEERE blijft wél met Zijn liefdeseis komen: Doe dat en gij zult leven! De HEERE zal nooit afstand doen van Zijn heilige wil en wet die Hij gaf op de Sinaï.
En wat doet de liefde nu? Dit gaat proberen zich aan Gods wet te houden. O ja omdat de HEERE het zo waard is…., maar er zit toch iets bij dat afgeleerd moet worden. Wat dan? Het houden van Gods geboden is geen grond om zalig te worden. Dat kán niet meer. En daarom wordt het een hopeloze zaak…! Want –zegt Paulus- uit de werken der Wet zal niemand gerechtvaardigd worden!
Wat nu? Als je dat nu bij de handen wordt afgebroken? Wat blijft er dan over?
Een mens die lijdelijk in een hoekje gaat zitten afwachten wat er gebeuren gaat? Een mens die zegt: het moet je gegeven worden want anders…?
Nee…, o nee…, de Heere houdt er geen lijdelijke mensen op na! Maar een zondaar die werkelijk met álles failliet is geraakt… en dat voor Gód…, die komt in bewéging! Bij zulke mensen komt wat openbaar! Dat kán niet anders! Er móet wat gebeuren! Want zo’n zondaar –die Christus getekend heeft in de eerste drie zaligsprekingen- heeft ontdekt dat hij het állernoodzakelijkste mist en als hij dat níet zal verkrijgen…, is het eeuwig verloren!
Maar… hij heeft nóg iets ontdekt…, hij heeft iets gehoord! Een zeer welkome en blijde boodschap! Wat hij míst…, is te verkríjgen! Ja hij weet heel goed wát hij mist… en hij heeft oren gekregen om te horen of hij ergens kan vinden wat hij mist en hij hééft het gehoord en dát werkt wat uit in zijn leven!
Wat dan? Luister dan naar de vierde zaligspreking: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid!
Hierin komt direct weer het heerlijke verband en de heilige orde binnen de zaligsprekingen openbaar.
Die arme, bedroefde bedelaars, die het eens geworden zijn met God gaan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Met deze woorden wil Christus aangeven wat het is om Hem te missen! Dat missen wordt weergegeven met honger en dorst. Dat zijn woorden die met voedsel te maken hebben. Woorden die ons vertellen hoe onmisbaar voedsel nodig is.
Wat is het geestelijke voedsel dan van de zondaren die omschreven worden als mensen die hongeren en dorsten? Wat is dat onmisbare eten en drinken dan voor hen?
De Heere Jezus spreekt van dé gerechtigheid. Heel duidelijk staat er een lidwoord voor. Het is dus een bepáálde gerechtigheid. Daar is er maar één van.  Dat kan dus niet wat anders zijn. Nu als dát dan het voedsel is wat een hongerende en dorstende zondaar op reis naar de eeuwigheid écht niet kan missen…, dan moeten we het ons wel verklaard worden wat dát dan is? Dé gerechtigheid!
Dan zullen we er voor moeten gaan zitten om te horen wat dát dan is en hoe we er deel aan krijgen! Want met minder kán het niet…, maar méér is ook niet nodig! En wie het heeft…, is welgelukzalig!

Het woord gerechtigheid dat hier gebruikt wordt, komt zeer veel voor in de Bijbel. Het wordt ook wel weergegeven met rechtvaardigheid. Het is één van de belangrijkste woorden in de heilige Schrift en dat niet alleen…, maar het wordt één van de dierbaarste woorden voor Gods kinderen. Een woord waarin ze onderwezen zullen worden en waarin ze nooit uitgeleerd raken. Er bestaat geen geestelijk leven zónder dit woord en de rijke betekenis ervan.
Wat wil dit woord dan zeggen? In de Bijbel wordt er niet altijd hetzelfde mee bedoelt. Er is namelijk sprake van twee betekenissen van dit woord en die zullen we eerst helder moeten krijgen om te ontdekken waarom Christus in de 6e zaligspreking over dé gerechtigheid gaat spreken…, juist ná het noemen van de armen van geest, de treurenden en de zachtmoedigen!

De eerste betekenis van gerechtigheid vinden we in de laatste zaligspreking, vers 10a, Zalig zijn die vervolgd worden óm der geréchtigheid wil…
Gods kinderen kennen vervolging in hun leven. De één meer dan de ander. Wat is de reden dat zij vervolgd worden? Hun gedrag! Ze komen openbaar als mensen die door het geloof met Christus verbonden zijn en daarom als ware christenen openbaar komen. En dat is zó anders dan deze zondige goddeloze wereld! Dat is zwemmen tegen de stroom in. Want Gods kinderen willen leven naar Gods geboden en dat wil de wereld niet! Daar érgert de wereld zich aan, want met hun levenswandel veroordelen Gods kinderen het gedrag van de wereld.
En daarom die vervolging. Nu  zo’n levenswandel in de vreze des Heeren naar Gods geboden is de eerste betekenis van gerechtigheid. Het is recht handelen en wandelen…, dat is ook oprecht zijn voor God en de naasten.

En dan de tweede betekenis van het woord gerechtigheid. Want hoe kómt het toch dat Gods kinderen in het spoor der gerechtigheid wandelen en zo als oprechte mensen openbaar mogen komen?
Dat heeft een oorzaak. Het is ergens een vrúcht van…, een gevolg van iets…! Waarvan dan? Deze mensen zijn recht komen te staan voor God en door God.
Dat kan ik het beste uitleggen aan de hand van een ánder woord dat in de Bijbel –met name in het OT- nog al eens als een parallelwoord met gerechtigheid wordt gebruikt. Dat is het woord heil. Ik zal u één voorbeeld noemen uit het boek der Psalmen. In Psalm 98:2 staat, De HEERE heeft Zijn heil bekendgemaakt, Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.
Weet u nog welk Hebreeuws woord er gebruikt wordt wat met heil vertaald kan worden? Dat is het woord jeschuah. Daarin klinkt de naam Jozua en dat is de Hebreeuwse naam voor Jezus. Dus gerechtigheid heeft álles te maken met Jézus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden. Dat is verlossen van het grootste kwaad- de zonden-  en brengen tot het hoogste goed –dat is God! Daarom profeteerde Jeremia van de Christus: In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn Naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE ONZE GERECHTIGHEID.
Doordat Jezus de zonden heeft weggedragen als het Lam van God…, zal Zijn volk weer recht komen te staan voor God. Daarom kon Paulus zeggen: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.

Wat wil de Heere Jezus nu aangeven met het woord gerechtigheid in onze tekst? Het één of het ander? Beide, Gemeente, het volle heil in Christus. Dus zowel het rechtvaardig zíjn voor God…, als ook het rechtvaardig wándelen voor God…
Daarom blijven Gods kinderen  heel hun leven hongeren en dorsten naar Jezus…, dé gerechtigheid.
Want op de school van vrije genade gaat een levendgemaakte zondaar beleven wat hij kwijtgeraakt is in Adam. Dat is niet iets…, dat is niet veel…, maar dat is álles.
O Gemeente…, hoort het toch… u bent álles kwijt…, want u bent Gód kwijt. God heeft ons hart -dat het koninklijke paleis was van de stad Mensziel- moeten verlaten omdat we de duivel…, de wereld…, en de zonden hebben toegelaten in ons hart en leven!
En toen Gód ons hart en leven verliet…, raakte we ook Zijn beeld kwijt. Toen was daar niets meer van te bespeuren. Wat is Gods beeld? Ware wijsheid, gerechtigheid en heiligheid.
Wat is ons beeld geworden? Wat is ons bestaan geworden?
Dwaas…, vol van óngerechtigheid en eigengerechtigheid… en daarom totaal ónheilig!
Er ís geen gerechtigheid meer in de mens waarmee we voor God kunnen bestaan. Er ligt wat tussen God en onze ziel: onze hemelhoge schuld. Daarom staan we niet meer recht voor God en dóen we ook niet meer wat recht en goed is in Gods ogen. Kijk en als díe wetenschap gaat leven in het wedergeboren hart…, komt een zondaar in de nood…, in het gemis van gerechtigheid.
Ja Gods Geest maakt dat tot een onhoudbaar gemis. Dat geven de woorden hongeren en dorsten zo duidelijk weer in deze zaligspreking.

Het zijn twee woorden die hetzelfde willen weergeven. Het geeft een aanhoudend verlangen weer van het ontdekte zondaarshart vanuit een schrijnend gemis. Nee…, het is niet trek-hebben in iets…, maar het is een honger líjden en een dorst líjden.
Waaraan is dat hongeren en dorsten te herkennen? Allereerst weet je heel goed wát je kwijt bent (de gemeenschap met God) en waarom je het mist (vanwege de zonden tégen God). Het is dus iets wat je heel goed bewúst bent! Daar is een nieuw hart voor nodig…, een levendgemaakt hart om dat te beleven! Een dood zondaarshart dat naar van alles en nog wat hongert en dorst kent dit totaal niet!
In de tweede plaats doet dit honger en dorst lijden píjn in het hart. Het is een smartelijke ervaring, vanwege de oorzaak want wij hebben God op het hoogst misdaan en zijn van het heilspoor afgegaan. Maar niet minder vanwege het gemis, namelijk dat pijnlijke missen van God en dat smartelijk gebrek aan Jezus’ gerechtigheid!
Het is de pijn van een amechtige ziel die schreeuwt tot God: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Als er geen voedsel komt…, is het omkomen: Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.
Daarom zal een echte hongerende en dorstende zondaar naar de gerechtigheid –ten derde- niet kunnen rusten voordat hij het begeerde ontvangen heeft. Het drijft uit tot Christus! Geef mij Jezus of ik sterf want buiten Jezus is geen leven maar een eeuwig zielsverderf.
Want kijk, Gemeente, honger kan alleen opgelost worden met eten en dorst alleen met drinken. In het ware geestelijke leven kán een hongerende en dorstende zondaar het daar niet in uithouden. Als dat wél zo is…, mag je het wel eens nakijken in uw leven. Er móet eten komen…, en móet drinken komen…! Daarom zal het ware hongeren en dorsten altijd leiden tot geestelijk eten en drinken tot verzadiging. Daar komen we straks nog op terug.

Kom Gemeente waar hongert en dorst u en jij naar? Met andere woorden: waar gaat je hart naar uit? Dááraan kun je weten of de Heere Jezus het vanmorgen over u en jou heeft of niet!
Als je hart nu zo sterk hongert en dorst naar alles van deze wereld…, ja naar de zonden…, wordt het dan niet hoog tijd om de HEERE te smeken of Hij het eens ánders wil maken in je leven? Daar roept Hij Zelf toe op hoor! We hebben het samen gelezen: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.
Ziet u wel dat de HEERE het anders kan maken?
Het is zo nodig…, want buiten Jezus’ gerechtigheid blijven we voor eeuwig verloren liggen. En daarom: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid!

Zoek het niet alleen, Gemeente, maar onderzoek u ook of u de ware honger en dorst echt ként. Want er is ook een valse honger en dorst. Dat is altijd weer tot schrik van Gods kinderen…, en een ergernis voor degenen die menen een kind van God te zijn. Waaraan kun je valse honger en dorst dan herkennen?
Het komt meestal heel snel op vanuit het gemoed. Het kan ook dikwijls bestaan met andere begeerten…, zondige begeerten die je niet kwijt wil. Het is ook geen blijvende honger en dorst. Vroeg of laat gaat het weer over. Het leidt nooit het verzadiging van Christus het ware Brood des Levens en het ware Water des Levens. Het is ook geen honger en dorst die gepaard gaat met strijd of aanvechting.

Hoe anders is het met degenen die Jezus hier bedoelt: de hongerende en dorstende naar Zijn gerechtigheid. Dat zijn mensen die niets liever willen horen dan van Jezus’ gerechtigheid alleen! Die laten zich helemaal ontkleden, zodat ze naakt voor God komen te staan, want er is maar één kleed dat hen behouden kan en dat is de mantel van Jezus’ gerechtigheid. Die zijn zo zachtmoedig gemaakt dat ze buigen voor Gods recht en toestemmen dat ze door de werken der wet nooit meer zalig kunnen worden en dat de wet hen alleen maar rechtvaardig vervloeken kan. Zulken zullen verzadigd worden met Jezus’ gerechtigheid. Onze tweede gedachte:

2.    Hoe hun gemis vervuld wordt.

Zalig zijn die hongeren en dorsten, want zij zúllen verzadigd worden.
Ja dat zal gebeuren. Zijn zúllen verzadigd worden. Dat laat ons allereerst de mogelijkheid zien dat dat kán. Dat dat bij God mógelijk is. Want het is toch Christus Die dit zegt!
Gerechtigheid of rechtvaardigheid zijn in de Bijbel zelfs namen die de HEERE draagt en die namen zeggen Wie God is. Jeremia sprak van de HEERE onze Gerechtigheid en de dichter van Psalm 116 zingt: De HEERE is genadig en rechtvaardig…
Ja de HEERE is vol van gerechtigheid…, Hij is een Fontein van gerechtigheid en daarom kán Hij ook hongerigen en dorstigen verzádigen.
Ja Hij kán het niet alleen, maar Hij wíl het ook! Hoor maar wat Jesaja profeteerde: Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid.
Ja Hij zál het ook doen…, want Hij heeft gezegd: En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.

Maar wat wil die gerechtigheid waar God zó vol van is dan precies zeggen? Waaruit blijkt dan Gods gerechtigheid? Dat de HEERE aan een mens geeft waar hij recht op heeft. Dat God aan een mens schenkt wat Hij Zélf gesproken heeft.
Wat dan? Het eeuwige leven als de mens de HEERE vrijwillig en vanuit de liefde gehoorzamen zal…, maar de eeuwige dood als de mens moedwillig ongehoorzaam wordt aan Gods geboden.
Nee…, daar zal de grote, heilige, rechtvaardige God nóóit afstand van doen, want dan zou Hij geen God meer zijn.
Maar hoe kan Hij…, die een overvloedige Fontein van gerechtigheid dan ook een hongerende en dorstende zondaar kunnen verzádigen? Want we hebben állen gezondigd en missen de gerechtigheid om voor God te kunnen bestaan. Als de Heere dán uit de volheid van Zijn gerechtigheid moet schenken dan is het eeuwig verloren!
En toch staat er: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar gerechtigheid want zij zúllen verzadigd worden. Dat wil zeggen dat de HEERE toch gerechtigheid kan wegschenken aan een zondaar die de dood verdiend heeft om een zondaar te behóuden!
Waarom? Om Christus’ wil, Die de Gerechtigheid is!
Hij heeft de zonden weggedragen zodat Zijn volk weer recht voor God kan komen te staan en Hij heeft volmaakt de Wet des Heeren gehouden, zodat Zijn volk werd oprecht zou wandelen in de wegen des Heeren!
Christus heeft dus de tweevoudige gerechtigheid verworven voor armen zondaren die hongeren en dorsten naar gerechtigheid…, dat is naar Hemzelf.

Dat heeft Hem álles gekost, Gemeente! Want om de zonden weg te dragen…, heeft Hij alle zonden van Zijn Kerk op Zich genomen. Ja God de Vader heeft Hem tot zonde gemaakt. Zo kwam Hij voor Zijn Vader te staan als een Veroordeelde, want God ging met Hém afrekenen. Ten volle heeft Christus toen beleefd wat de David verwoordde in Psalm 38,

Want Mijn hoofd is als bedolven
In de golven
Van hun ongerechtigheên;
Zulk een last van zond' en plagen,
Niet te dragen,
Drukt Mijn schouders naar beneên.

Zó kroop Hij in de donkere nacht in Gethsemané en aanvaarde de beker, gevuld met Gods toorn…, gevuld met de ongerechtigheden en eigengerechtigheden van Zijn volk…, gevuld met de vloek der Wet…
Hij heeft die vreselijke beker aan Zijn lippen gezet en leeggedronken tot de laatste druppel toe.
Zó kwam Hij aan het vloekhout des kruises te hangen nadat Zijn klederen van Hem afgenomen waren. Daar ging Hij als het beeld van de gevallen mens, die álles is kwijtgeraakt en niet bestaan kan voor God. Die alleen maar óngerechtigheid heeft en daarmee voor eeuwig verloren moet gaan naar Gods recht. Daar hing Hij plaatsvervangend voor Zijn Kerk om ten volle te beleven wat het is om Gód kwijt te zijn en daarmee dus álles kwijt te zijn en dat deed Hem schreeuwen in de donkere nacht: Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten!
Zó hing  Hij naakt aan het kruis… en zó weefde Hij het kleed van Zijn gerechtigheid om daarmee Zijn volk te gaan bekleden. Kijk dáár ligt nu de grond waarom God uit de volheid van Zijn gerechtigheid een hongerende en dorstende zondaar kan verzádigen. Het is een verzádigen met Christus alleen!

Ja wat is dat eigenlijk: verzadigen? Dat is meer dan het stillen van de honger en het lessen van de dorst, Gemeente. Want wie werkelijk honger en dorst heeft, zal al verlost worden van deze nood na het gebruik van de eerste happen en de eerste slokken. Maar als er verder gegeten en gedronken wordt, dan komt er een genieten van het voedsel totdat we vol zijn…, vervuld zijn…
Kijk dát is de betekenis van verzadigen. Zóveel voedsel eten en drinken dat we vol zijn.
Zie en dat doet de HEERE nu als Hij hongerenden en dorstenden naar gerechtigheid gaat verzádigen. Dan zal zo één beleven dat de gerechtigheid van Christus zó vol is en zó genoeg is dat ik er écht meer voor God kán bestaan…, en ermee voor God léven kan! Dan kan ik het niet met een beetje gerechtigheid doen…, maar dan heb ik Zijn volkomen gerechtigheid nodig.
Dát is verzadigen!

Hoe doet de HEERE dat? Dat ligt ook in het woord verzadigen opgesloten zoals we dat vinden in onze tekst. Het woord roept het beeld op van een herder die met zijn kudde grazige weiden opzoekt en zijn kudde daar laat grazen en neerliggen. Om dan vervolgens ook stille wateren op te zoeken en zijn kudde daarheen te leiden om hen te laten drinken. Het woord verzadigen roept de bekende herderspsalm van David op, waarin hij zingen mag: De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil.
De grazige weiden zijn het beeld van Gods Woord en de sacramenten die Hij bij dat Woord gegeven heeft Door het Woord laat Hij Zijn gerechtigheid en heil verkondigen. Maar er is meer nodig. Want het Woord zal toegepast moeten worden in het hart van die zondaren die hongeren en dorsten naar gerechtigheid en dat is het werk van Gods Geest. Daar wijzen de stille wateren naar.
Dus door Woord en Geest zal ik verzadigd worden met de gerechtigheid van Christus!

Wat gebeurt er dan eigenlijk? Hoe krijg ik dan deel aan de gerechtigheid waar mijn ziel naar hongert en dorst?
Kijk, Gemeente, dat woord ‘verzadigen’ spreekt wel van de volheid en de overvloed van Gods genade…, maar dat wil niet zeggen dat de HEERE die volheid in één keer wegschenkt en doet beleven. O jawel…, in het uur van de wedergeboorte wordt de volle gerechtigheid al weggeschonken en toegerekend…, maar dat is van Gods kant bezien. Maar van de kant van de zondaar zal de HEERE in Zijn wijsheid stapsgewijs plaats maken voor de gerechtigheid om zo te verzadigen met de gerechtigheid die in Christus is. Daarom maakt Hij een zondaar éérst hongerig en dorstig naar gerechtigheid…, naar Christus…
Hoe doet Hij dat? Door vanuit het Woord te laten weten dat je deze gerechtigheid kwijt geraakt bent en toch niet kan missen… én dat het mogelijk is dat je deze verloren gerechtigheid in Christus weer terug kán krijgen. Door het horen van dat Woord…, komt er een honger en dorst náár dat Woord waarin dat zo duidelijk geopenbaard wordt. Ja je leert dat Woord toestemmen omdat de Heilige Geest je geloof geeft om het Woord te geloven.
Door dat Woord ga je verstaan wat Salomo schreef in Spreuken 11:4: Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid, maar de gerechtigheid redt van den dood.
Daar leer je als een zachtmoedige voor vallen…, daar leer je als een arme zondaar om bedelen… Daarom wordt het Woord je zo dierbaar die van die gerechtigheid spreekt. Als nieuwgeboren kinderkens ben je zeer begerig gemaakt naar de redelijke onvervalste melk –dat is Gods Woord- om onderwijs te krijgen in het woord der gerechtigheid.
Maar, Gemeente, die geopenbaarde gerechtigheid in Christus zal een toegepaste gerechtigheid moeten worden! We mogen niet ‘onervaren blijven in het woord der gerechtigheid’. We mogen niet bij het voedsel van de melk blijven als een klein kind. Daar schreef Paulus ook over aan de Hebreeën: Want een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid, want hij is een kind.
Kijk en wie nu werkelijk gaat hongeren en dorsten naar Christus’ gerechtigheid…, vindt in de melk van Gods Woord geen voldoening meer…
Hij heeft aan het horen over de gerechtigheid in Christus alleen niet meer genoeg…, maar begeert maar één ding: om bekleed te worden met Christus’ gerechtigheid! En als dát gebeuren mag…, worden we verzádigd! God gaat het wegschenken en door het geloof mag het aangenomen worden.
Weet u hoe de Heere dat doet? In de sfeer van het recht. Want het woord gerechtigheid is een juridisch woord. Het heeft alles met een rechtzitting te maken waar een veroordeelde het rechtvaardige vonnis zal horen.
Wat zal God de Rechter over u en jou moeten uitspreken, Gemeente? Als Hij je leven gaat leggen naast Zijn heilige Wet? Wat blijft er dán over? Dat God zou zeggen: Ga weg van Mij, want Ik zie geen gerechtigheid meer in u…, u staat niet recht voor Mij vanwege uw zonden…, Ik kan maar één ding tot u zeggen: u bent des doods schuldig!
Toch doet de HEERE dat niet! Weet u wat Hij gaat doen met degenen die leren hongeren en dorsten naar Christus’ gerechtigheid? Hij gaat zullen vríjspreken!
Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.
Omdat Christus tussen God en de zondaar gaat staan als dé Gerechtigheid. En weet u wat de Heilige Geest dan doet? Hij schenkt zoveel geloof dat je Christus aan mag nemen. Door dat geloof wordt dan zo’n nauwe band met Christus beleefd…, dat je verzadigd wordt! Dan sta je weer zó recht voor God dat Hij geen enkele zonden meer ziet. Die zijn vergéven! Die zijn weggewassen in Jezus’ bloed!
Kijk en dáár was het de hongerigen en dorstigen nu om te doen! Hij mijn zonden en ik Zijn gerechtigheid. Dán versta je echt wat verzádigen is! Zo vol…, zo rijk…, zo heerlijk… ik kan voor God bestaan in Christus! Sterker nog: ik stá weer recht voor God! Op kosten van Christus gerechtigheid! Ik heb God weer terug… en daarmee heb ik álles weer terug…, ín en door Christus alleen!
En wat is dan de vrucht? Dat ik opnieuw ga hongeren en dorsten! Opnieuw? Ja…, niet om recht voor God te mogen zijn…, maar om nu ook voor God recht te mogen handelen en wandelen. Daarom blijven Gods kinderen hongeren en dorsten naar Jezus’ gerechtigheid. Hoe zouden ze ooit Gods geboden kunnen houden? Hoe zouden ze ooit in de vreze des Heeren kunnen wandelen? Hoe zouden ze ooit vruchten van gerechtigheid kunnen dragen? Het is alles uit Christus, Gemeente, en zonder Hem is Gods volk niets!
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar gerechtigheid want zij zullen verzadigd worden!
Daarom komen Gods kinderen nooit boven de bede uit: Leidt mij, o God, in het spoor der gerechtigheid om Uws Naams wil…, om Jezus’ wil…

Eens…, ja eens…, zullen ze ten volle verzadigd worden. Als Gods kinderen uit de strijd opgenomen worden in heerlijkheid. Daar  zullen zij niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren…
Wat een rijkdom voor Gods kinderen. Lukas zegt het zo:
Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden…
Ja hier is het zo dikwijls honger en dorst…, maar dáár zal Gods volk voor eeuwig verzadigd wezen.

Maar…, onbekeerde zondaar…, Lukas schreef deze woorden in een aangrijpend contrast. In Lukas 6:25 staat, Wee u die verzadigd zijt; want gij zult hongeren. Verzadigd met alles wat de duivel en de wereld biedt. Verzadigd met wat de oppervlakkige godsdienst biedt. Wie zó sterft zal eeuwig hongeren en dorsten en er zal nooit geen verzadiging meer zijn. Dan blijft er alleen nog maar de eisende en verdoemende gerechtigheid over.
O hoort toch…! Nóg gaat de nodiging uit: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

AMEN.