Handelingen 9:3-6 ' De bekering van Saulus van Tarsen'ds. H. van der Ham

Handelingen 9 : 3 - 6                ds H. van der Ham


DE BEKERING VAN SAULUS VAN TARSEN

                            Psalm 66 : 2, 3
                            Handelingen 9 : 1 - 19
                            Psalm 143 : 2
                            Tekst: Hand. 9 : 3 - 6
                            Psalm 6 : 1, 2, 3
                            Psalm 89 : 8
                            Psalm 22 : 14


Geliefde gemeente,

Vanmorgen spreken we over de bekering van Saulus. In Handelingen komt u Saulus voor het eerst tegen bij de steniging van Stefanus. Dat is niet zo'n aangename kennismaking, want hij stond daar op wacht bij de kleding van de mensen die Stefanus stenigden.
Stefanus werd gestenigd en Saulus had het opzicht daarover. U moet niet denken dat hij als jongen op de kleren paste. Nee, dat is een uitdrukking die wil zeggen: Hij had het opzicht. Hij had er behagen in, hij gaf de opdracht.
Saulus was echt een vervolger van christenen; daarin ging hij voorop. Hij greep de christenen te Jeruzalem. Hij dwong hen de Heere Jezus te lasteren en hem af te zweren. Zij moesten Hem verloochenen en als ze weigerden, werden ze in de gevangenis geworpen.
Saulus meende God een dienst et bewijzen. Zo verblind was hij. Hij dacht dat God een behagen in zijn activiteiten had. Daar zie je: Wat kan een mens al denken?
Saulus meende God een dienst et bewijzen, maar Hij deed precies het tegenovergestelde.
U ziet: wij kunnen ons gemakkelijk vergissen. Daarom moet u erg voorzichtig zijn. Gelukkig als u de Heere vaak nodig krijgt: "Vergis ik me niet? Leid mij op de juiste weg." Als Saulus dat gevraagd had, had hij beslist de christenen niet vervolgd.
Maar hij meende dat hij God van dienst was. Hij vergiste zich radicaal.

Saulus had duidelijk een grote hekel aan de christenen. En, ook een hekel aan de Heere Jezus Christus, Die gekruisigd was, gestorven en begraven.
Saulus dacht: Jezus is dood! Die haat tegen de gekruisigde Christus zat diep bij hem. Een mens wil niet door een gekruisigde Christus behouden worden. Daarom zijn wij van huis uit zo vijandig daartegen. De één is vijandig en leeft in de zonde, in de ongerechtigheid. De ander leeft in de eigengerechtigheid. Zo was het ook bij Paulus; hij leefde in de eigengerechtigheid; hij dacht dat hij de wet houden moest, als een farizeeër moest leven en zo veel mogelijk christenen uit moest roeien. Saulus was een vijand van de Christus. Het kruis van de Heere Jezus zegt ons: God toornt over de zonde! Dat wil een mens niet horen.

Het kruis zegt: U kunt voor God niet bestaan. U hebt een Ander nodig. Een Ander moet voor u betalen. Alleen in deze weg is  er eeuwig leven.
Saulus was daar te goed voor en te vroom. Hij dacht: ik houd de wet en ik ben een ijverige farizeeër, ik...... Zo lezen we: "Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heere, ging naar de hogepriester om een volmacht."
Blazende dreiging en moord, als een wild dier blies hij dreiging en moord. Eerst had hij Stefanus laten stenigen. In Jeruzalem had hij het leven van christenen bijna onmogelijk gemaakt. Ze konden daar niet meer in vrijheid hun geloof naleven.
Maar Saulus was nog niet tevreden. Hij ging naar de hogepriester om volmachten te vragen. Brieven waarmee hij naar Damascus kon gaan, de hoofdstad van Syrië. Daar was nog een Joodse kolonie, waar hij meer christenen zou kunnen grijpen en in de gevangenis kon werpen. Zo rukte hij gezinnen uit elkaar. Vader in de gevangenis, wat een verschrikking is dat.

Saulus dacht dat hij God een dienst bewees. Hij was niet te temmen. Zo ging hij naar Damascus. Daar was inderdaad een grote Joodse kolonie. Er waren zelfs meerdere synagogen. veel Joden woonden in de stad om handel te drijven. Christenen waren er ook. In die tijd was de scheiding tussen Joden en christenen nog niet zo diep. Hier was nog niet die scherpe tegenstelling. Het evangelie van Christus werd gepredikt vanaf de pinksterdag. Joden en jodengenoten kwamen tot bekering. In korte tijd was er zo een groot aantal christenen ontstaan. Niet alleen in Jeruzalem, maar ook al in Syrië, in Damascus, de hoofdstad.

De christenen in Damascus waren daar tot nu toe steeds veilig geweest. Maar nu ging Saulus naar het sanhedrin. De hogepriester, de voorzitter van het sanhedrin, geeft die volmachten. Het sanhedrin had immers ook de Heere Jezus Christus laten kruisigen en Stefanus laten stenigen. Voor bloedvergieten deinsden zij niet terug.
Brieven van de hogepriester, volmachten, maakten indruk in Damascus. Als Saulus in de synagogen van Damascus zou komen en zijn brieven liet zien, dan zou hij de volledige steun krijgen van de leiders van de gemeente.
Daar gaat Saulus, briesend, naar Damascus om daar de schapen van de grote Herder te grijpen en te slachten. De duivel kijkt ernaar en lacht.

Het is midden op de dag, ongeveer twaalf uur. Het was gebruikelijk dat een kleine reiskaravaan zoals van Saulus en zijn helpers dan een paar uur ging rusten. Als het later op de dag wat afgekoeld was, werd weer verder gereisd. Maar Saulus neemt geen rust, hij gaat voort hoewel het erg heet is. Hij heeft haast. Het kan heel goed dat hij voor de sabbat in Damascus wilde zijn. Van Jeruzalem naar Damascus is de reis precies zes dagen, dus als je direct na de sabbat vertrekt en je reist door, dan kun je er net voor de volgende sabbat zijn.
Saulus zegt: "Mannen, we gaan verder. We houden de vaart erin. Geen rust nu, we kunnen geen tijd verliezen. We gaan naar Damascus." Hij is fanatiek. Zijn hart brandt van haat. Hij wil de christenen vangen.
Wie zal hem een halt toeroepen? De christenen in Damascus staan hulpeloos tegenover Saulus en zijn volmachten. Maar wat bij de mensen onmogelijk is, in mogelijk bij God. Geen mens kan Saulus nog tegenhouden. Wapens hadden de christenen niet. Ook Filippus kan het niet. Hij kwam wel bij de kamerling en preekte Jezus, maar als hij had geprobeerd bij Saulus te komen, zou hij gearresteerd zijn.

Hier blijkt Gods almacht en genade. een hemelse lichtbundel - een licht nog feller dan het licht van de zon! Dit wordt ons verteld in Handelingen 9. De bekering van Saulus  leest u ook in Handelingen 22 en 26 en in Galaten 1, daar vertelt hij het zelf. Zijn bekering staat dus wel vier keer in de Bijbel. Het is de moeite waard om deze versies naast elkaar te leggen en te vergelijken. De Bijbelgedeelten vullen elkaar aan.
Een licht boven het licht van de zon. Feller, scherper. Saulus wordt hierdoor verblind en valt op de grond. Hij is verblind door de almacht en door de majesteit van de Heere Jezus Christus. Saulus kende Hem nog niet. Ook zijn helpers vallen op de grond. Het briesend paard moet eind'lijk sneven. Saulus ging om christenen te arresteren, maar hij wordt zelf gearresteerd. Daar ligt hij op de grond. Hij kan geen stap meer zetten. Dit heeft ons veel te zeggen. Zo moet de Heere u en mij arresteren. Hij moet ons een halt toeroepen. Wij moeten stil gezet worden - hoe eerder, hoe beter.

De Heere kan mensen stil zetten op de levensweg, op diverse leeftijden. "Tot hiertoe! en niet verder!" zegt de Heere. Dat is zo nodig. Ook tot Saulus sprak de Heere. Een heel fel licht scheen en een stem riep: "Saul! Saul! Wat vervolgt gij Mij?" Tweemaal klinkt zijn naam. Hij is herkend! Hier klinkt ook in door: Saulus, je bent een vervolger! Want koning Saul was de vervolger van David, de gezalfde van de Heere. Saulus is een vervolger van de christenen, ja, van Christus Zelf!
Tot tweemaal toe wordt zijn naam genoemd: "Saul! Saul!"  De Heere Jezus ziet en herkent hem!

Ook is dit een blijk van liefde. God doodt Saulus niet, maar roept hem tot de orde. De Heere zegt hem: "Ophouden met die christenvervolging! Je krijgt een andere taak, straks." Zo roept de Heere hem een halt toe.
"Saul! Saul! wat vervolgt gij Mij?" vraagt de Heere Jezus Christus vanuit de hemel. Hij vraagt niet: "Wat vervolg je Stefanus? Wat vervolg je Mijn discipelen? Wat vervolg je Mijn kerk?" Nee.
"Wat vervolg gij Mij?"
Wat Saulus doet, is vervolging van Christus Zelf.
De Heere Jezus verbindt Zich aan Zijn kerk. Hij neemt het op voor de gelovigen. Hij noemt het vervolging van HEM.
Hij heeft Zijn kerk duur gekocht. De christenen zijn Zijn eigendom. Hij heeft Zijn kostbaar bloed voor hen gestort. Christus is het Hoofd en zij zijn Zijn leden. Zo is de Zaligmaker nauw aan hen verbonden. Hij is de Herder en zij de schapen. Hij waakt over Zijn kudde, Hij neemt het voor hen op. Wie Zijn volk aanraakt, raakt Zijn oogappel aan. Je oogappel is heel teer. je oog is daarom goed beschermd.
De Heere roept: "Saul! Saul! wat vervolgt gij Mij?" Saulus was inderdaad een vervolger, een vijand van Christus. Hij valt op de grond; daar ligt hij. Saulus weet niet wie er geroepen heeft. Hij kent de Heere Jezus nog niet, hij had Hem waarschijnlijk nog nooit gezien. Anderen wel; Petrus en Johannes kenden de Zaligmaker persoonlijk. Saulus hoorde een machtige stem en hij ziet de Heere, Die hem bij zijn naam roept. Hij vraagt Hem: "Wie zijt Gij, Heere?"
Dat is anders dan Annanias. Van hem hebben we ook gelezen. De Heere sprak tot Annanias en vertelde hem dat hij zich gereed maken moest. Hij moest Saulus op gaan zoeken en hem vertroostend de handen op zijn hoofd leggen.
Annanias weet het, als de Heere spreekt. Hij antwoordt: "Spreek Heere....."
Hij hoeft niet eerst te vragen wie Hij is. Annanias kent de Heere.
Saulus niet. Hij weet niet, Wie hem tot de orde roept. Hij weet niet Wie hem op de grond heeft laten vallen. Daarom vraagt hij: "Wie zijt Gij, Heere?" En dan zegt de Heere: "Ik ben Jezus, Die gij vervolgt."
Dat is wat!
De anderen, zijn medereizigers, horen wel de stem, maar zij verstaan niet wat gezegd wordt. Maar Saulus verstaat het heel goed.
Hij dacht dat Jezus dood was en in Zijn graf lag. Hij had met Jezus af willen rekenen en Zijn volgelingen uit willen roeien. En nu zegt de Zoon van God, Die verheerlijkt is en alle macht heeft: "Saul! Saul! wat vervolgt gij Mij?"
Saulus had een grote hekel aan Jezus. Hij haatte Hem zelfs. Dat hebben we met de steniging van Stefanus wel gezien.
Stefanus zag bij zijn steniging ook de Heere Jezus. Hij zag de Zoon des mensen staan aan de rechterhand van God. Toen hij dat zag, straalde zijn gezicht. De mensen die hem stenigden werden daardoor nog bozer en doodden hem. En nu ziet Saulus diezelfde Jezus, Die hij vervolgt. En het dringt tot hem door: Jezus leeft! en...... ik ben Zijn vijand! Saulus heeft de Messias vervolgd, zoals koning Saul David vervolgde. Saulus heeft christenen gegrepen en gevangen genomen. Dit gaf een grote schok. Saulus moest dit zeker verwerken.

U ziet: een mens kan bepaalde gedachten hebben. Saulus was heel vroom. Hij dacht dat hij God een dienst bewees en dat de Heere blij met hem zou zijn, omdat hij zo ijverig was. En dan zegt de Heere Jezus: "Saulus, het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan."
Hierbij denk je aan een ploegende os. Zo'n os trekt de ploeg achter zich aan, maar als de os verkeerd wil en achteruit schopt, is de ploeg stuk. De akkerbouwers hadden daar iets tegen verzonnen. Ze hielden een ossenstok, een stok met een scherpe punt, bij de hand en als een os achteruit trapte, hield de boer de stok tegen de ploeg aan. De os schopte dan tegen de punt en verwondde zich. Daarna schopt hij niet gauw een tweede keer.
Christus vertelt Saulus dat dit precies is, wat hij nu doet: tegen de prikkels schoppen!
Saulus kon beter weten. Hij was bij de steniging van Stefanus aanwezig geweest en had zijn getuigenis gehoord. Toch trapte hij achteruit. Hij vervolgde de christenen.
"Saulus! het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. U bent dom bezig. Het is heel onverstandig, wat u doet."
Saulus streed tegen God en tegen Christus, maar hij werd tot de orde geroepen.

Zo roept de Heere ons ook tot de orde in Zijn Woord. U hebt zoveel jaren Gods Woord gehoord. Er komen roepstemmen en waarschuwingen tot u en mij en niet alleen uit de Bijbel. Zij komen ook vanuit het leven. Er zijn steeds waarschuwingen. Wij zien dat niet altijd. Soms handelen we net als koning Manasse. Hij luisterde niet naar de roepstem van de Heere.
"De Heere sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op."
Wij moeten belijden: we zijn dikwijls ongevoelig.
Hoe komen wij tot inkeer?
Bij de Heere is het mogelijk. Hij riep Saulus een "halt" toe. Hij is zo machtig! Laten we toch niet over Zijn roepstem heen leven!
Laten we bidden: "Grijp mij, Heere. Bekeer mij. Leer mij voor U te buigen en te luisteren naar uw stem."

Saulus, bevende en verbaasd zijnde, zeide: "Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?"
Hij beefde, vanwege het Goddelijke licht. Verbaasd was hij, omdat hij dacht dat de Heere Jezus dood was en nu verscheen deze zelfde Jezus als God aan hem.
Saulus wist altijd prima wat hij doen moest. Hij zei: "Zo zegt God! Dat moet je doen en dat!" En nu, nu weet hij het niet meer. Dat is een zegen. Als u het niet meer weet en als u heel klein wordt voor de Heere en aan Hem vraagt: "Wat wilt Gij dat ik doen zal?"
Saulus weet het niet meer. Zijn eigen gerechtigheden zijn weg. Dat moet u ook leren. Wij kunnen verstrikt zitten in ongerechtigheid, maar ook in onze eigen gerechtigheid. Dat komt beide voor bij kerkelijke mensen. U bent verstrikt in uw ongerechtigheid als u nog geniet van de wereld en van de zonde.
U kunt ook verstrikt zitten in eigengerechtigheid. Zo was het bij Saulus. Hij was godsdienstig en vroom en ijverig. Hij zette zich voor honderd procent in. Maar nu vallen al zijn eigen gerechtigheden weg. Hij moet zijn wapens inleveren. Fanatiek had hij tegen Christus gevochten, maar nu geeft hij zich over.
Waarom? Omdat de Heere Zelf liefde geeft in zijn hart. Saulus wordt ingewonnen en bekeerd. Hij vraagt ootmoedig: "Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?" Hij weet het niet meer, gelukkig. De Heere zegt hem: "Sta op, en ga in de stad en u zal aldaar gezegd worden wat gij doen moet."
Misschien stelt het hem teleur. Het klinkt een beetje afstandelijk: "Sta op en ga de stad in."
Hier is nog niet die blijde vergeving van zonde. De Heere zegt niet: "Saulus, alles is vergeven; het is goed!"
Nee, dat komt later wel. Nu zet de Heere hem stil. Saulus moet de werkelijkheid onder ogen zien. De Heere bepaalt hem bij zijn daden. Hij laat hem zien dat hij een vijand is. Dat geeft een schok.
Maar Saulus is niet door dat felle licht, het vuur, verteerd. Hij leeft nog en mag opstaan. De Heere Jezus wijst hem de weg. Hij moet naar de stad gaan, naar Damascus.

Ook al klinkt hier nog geen woord van vergeving en blijde troost - u kunt wel duidelijk merken: De Heere Jezus blaast geen dreiging en moord! Hij heeft een heel andere bedoeling met Saulus. Hij heeft geen welbehagen in zijn dood. Saulus had een welbehagen in de dood van Stefanus, maar Christus is vol ontferming en liefde.
Het Woord van Christus is als een tweesnijdend scherp zwaard. Men kan een zwaard hebben dat aan één kant snijdt, zoals een mes. Men kan ook een tweesnijdend zwaard hebben. Gods Woord is als een tweesnijdend scherp zwaard, als de Heilige Geest het toepast. Dat gebeurt bij Saulus heel duidelijk.
"Sta op, en ga in de stad en u zal aldaar gezegd worden wat gij doen moet" Saulus stond op van de aarde en als hij zijn ogen open deed, zag hij niemand. Hij was blind! Dat is een altijd durende nacht. Hij ziet niets. Hulpeloos tast hij in het rond. Zijn helpers vragen hem: "Wat is er?" Saulus zegt: "Help me alstublieft; breng me naar de stad."
Zo strompelt hij mee, om in Damascus te horen wat de Heere Jezus Christus tegen hem zal zeggen. En wat de hemelse Rechter beslist.
Dat is een totaal andere intocht in Damascus dan Saulus zich aanvankelijk had voorgesteld. Hij had gedacht: aan het hoofd van zijn mannen triomfantelijk te paard de stad binnen te rijden, terwijl links en rechts de christenen probeerden weg te kruipen en beefden voor deze vreselijke vijand.
Maar...... zoals hij de stad binnenkomt, is hij eigenlijk toch maar een arme stumper, waar je medelijden mee kunt krijgen.
Zijn volmachtbrieven heeft hij bij zich; maar ze branden in zijn hand.
De Zaligmaker heeft gezegd: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen die niet zien, zien mogen, en die zien blind worden. Zo was het bij Saulus - hij zag en nu is hij blind. Hij is een ongelukkige, gebroken man. Saulus krijgt de genade van de Heere nodig. Alles wordt hem eigenlijk afgepakt. Hij moet het helemaal van de genade van Christus hebben.
Hier hebt u treffende zaken. Saulus heeft nog niet die blijde troost! Maar hij heeft wel een diepe indruk: Er is een God!
U vraagt: "Wist Saulus dat dan niet? Hij heeft er altijd op gestudeerd als farizeeër bij Gamaliël?!"
Maar nu weet hij, dat er een God is. Nu heeft hij er een diepe indruk van in zijn ziel. En..... hij heeft een indruk van wie hijzelf is: een vijand van God.
Hij heeft echt de genade van Christus nodig. Saulus was blind. Zijn naam als ijveraar, als belangrijke farizeeër, is weg! Zijn roem ligt op de grond. En zijn eigengerechtigheden zijn nu slechts vodden, lompen zonder waarde. Alles gaat in duisternis ten onder. Alles wat overblijft, is een grote schuld.

Saulus moet naar Damascus, naar een straat genaamd De Rechte. Die straat schijnt er nog steeds te zijn. Oude steden werden herbouwd, verwoest en weer herbouwd. Deze straat "De Rechte" is er nog, een straat recht door de stad.
Hij moest daar naar het huis van een zekere Judas gaan. Daar is hij drie dagen gebleven. Hij zag niets, was nog blind. Hij at niet; hij dronk niet. Vroeger, als farizeeër had hij ook wel gevast. Twee keer per week, volgens de regels. Hij meende dat dit een goede, vrome daad was.
Nu vast hij vanwege zijn verdriet over zijn grote schuld. Saulus overdenkt zijn vijandschap en zonde.

Aanvankelijk meende Saulus wel voor God te kunnen bestaan. Waarom niet?! Besneden ten achtste dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een farizeeër; naar de ijver een vervolger der gemeente; naar de rechtvaardigheid die in de wet is, zijnde onberispelijk.
Maar de Heere arresteerde hem. Hij liet Zijn Goddelijk licht stralen.
Toen werden al die dingen waar Saulus zich op dacht te kunnen verheffen, reden om zich te vernederen. Toen werden al die dingen waarmee hij meende voor God te kunnen bestaan, een grond die onder zijn voeten weg viel, zodat hij in een bodemloze put viel. Toen werden al die dingen waardoor hij dacht een eigen gerechtigheid te hebben verworven, tot schuld! Toen werden al die dingen waar de Heere wel Zijn vreugde in zou vinden, reden tot diepe smart.
Het werd allemaal lege godsdienst! en allemaal eigen gerechtigheid.
Wat hem winst leek, bleek verlies te zijn - schade en drek!
Met al die godsdienstigheid kon Saulus niet voor God bestaan. Hij zag zichzelf nu in het licht van Gods heilige wet en hij schrijft in de brief aan de Romeinen: Toen werd mijn mond gestopt en ik werd een doemwaardige voor God; één die voor God niet kan bestaan; één die moet zeggen dat hij met zijn eigen gerechtigheid alleen maar voor eeuwig verloren is.
Saulus heeft gezondigd tegen God in de hemel en tegen Jezus Christus Die hij niet kende, maar Die toch aan hem verschenen is. Hij worstelt met God.
Hij heeft alles totaal verzondigd. Hij heeft onschuldige christenen gegrepen en in de gevangenis geworpen - gezinnen uit elkaar gerukt. Vreselijk. Hij heeft Stefanus zelfs laten stenigen. Dat klaagt hem aan en stelt hem diep schuldig.
De Heere Jezus Christus, de opgestane Kurios is aan hem verschenen: "Ik ben Jezus."
Saulus wordt de grootste van de zondaren.
Wat de hoogste gerechtigheid leek te zijn, dat bleek de grootste ongerechtigheid te zijn. Wat vroomheid had geleken, dat bleek alleen maar vijandschap te zijn tegen de God van de vaderen, Die Zich in Christus had geopenbaard.
Saulus buigt in diepe verootmoediging! als een onwaardige:

           Straf mij niet ongenadig
        in Uwen toornegloed,
        Ai, matig Uw kastijden.

En:

        Vergeef mij al mijn zonden,
        die Uwe hoogheid schonden;
        ik ben verzwakt, o HEER!
        Genees mij, red mijn leven......

En in Psalm 51:

        'k Heb tegen U, ja U alleen, misdreven;
        Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad,
        ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog;
        dies ben ik, HEER, Uw gramschap dubbel waardig,
        'k erken mijn schuld, die U tot straf bewoog;
        Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.

De vlaamse dichter Guido Gezelle erkende:

        Heer, mijn hert is boos en schuldig,
        maar Gij zijt barmhartig, en
        duizendmalen meer verduldig
        als dat ik boosaardig ben.
        Geef mij dan, o Heer, ik vrage 't
        geef mij hulp en sta mij bij;
        'k heb gezondigd, ik beklage 't,
        help mij God, vergeef het mij.

Als een rechteloze smeekte Saulus om genade.
Hebt u zo weleens gebeden, geworsteld, broeder, zuster, jongen, meisje?
De boetepsalmen, psalm 6, psalm 32, psalm 38, psalm 51, psalm 102, psalm 130 en psalm 143 staan zo duidelijk in Gods Woord, opdat wij die woorden meebidden.
Als u gezondigd hebt..... neem de boetepsalmen en bid ze met uw hart.
Wij kunnen niet beter bidden, dan dat wij de gebeden uit het Oude en Nieuwe Testament meebidden - woordelijk of zakelijk, diezelfde zaken. De Heere geeft die gebeden in Zijn Woord. U mag zeker zelf ook uw hart uitstorten. Doe het maar.
"Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden."

Saulus heeft geworsteld en zijn zonde beweend en...... dan worden ze ook vergeven. Dat is wonderlijk. Zolang wij onze zonden vergoelijken en er overheen leven, worden ze niet vergeven. Maar als u tot inkeer komt, net als Saulus, net als de tollenaar uit Lukas 18, als u de zonde oprecht beweent, dan worden ze vergeven. Dat is troostvol. De weg is: uw zonde en schuld voor God belijden - oprecht.
De bekering is de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. De afsterving van de oude mens is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.
Hebben we een afkeer van de zonde? Hebben we een vurige afkeer van de zonde?
De opstanding van de nieuwe mens is een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.
Hebben we een vurige afkeer van de zonde en een vurige liefde tot God? Kan dát van u gezegd worden?

Het is beslist nodig bij u en bij mij, dat wij stil gezet worden op de levensweg en dat wij buigen voor de Heere. En, evenals Saulus, dat wij onze eigen verdiensten en prestaties en deugden kwijtraken. Al onze eigen gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.
Als u het daarmee moet doen, is het een verloren zaak!
Saulus zag dat heel duidelijk. Hij leek zo'n voorbeeldige, godsdienstige, vrome man. Maar.... alles moest hij kwijtraken.
Zo komt de Heere in uw leven. Hij wordt u te sterk.
We moeten staande gehouden worden en....... capituleren. Onze wapens, waar we mee vechten, inleveren! Dan wordt u, jij, net als Saulus een gebroken mens en u vraagt: "Heere, wat wilt U dat ik doen zal?"
Vraagt u dat?
Saulus kon het zo goed weten, maar hij ging een heel verkeerde weg.
Zo roept de Heere ons tot inkeer. Hij verzekert: "Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb ik de dood van de goddeloze! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?"
Bekering is onmisbaar - bekering van onze ongerechtigheid én van onze eigen gerechtigheid.
Beide zijn even noodzakelijk.

De Heere nodigt: "Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen." Daar hebt u een troostvolle belofte. De Heere wil uw afkeringen genezen. Hij bekeert Saulus, Hij geneest zijn afkeringen en Hij vergeeft de heel grote schuld.
Van onze kant is het totaal onmogelijk. Wij zitten zo verstrikt in onze ongerechtigheid of in onze eigen gerechtigheid. Misschien zijn hier jongeren of volwassenen die vragen: Hoe zal het met mij ooit goed komen?
Zelfs Saulus is bekeerd. Daar ziet u: God is zo machtig. Hij is zo verbazend groot. De bekering van een mens, een zondaar, is slechts een wenk voor de Heere.
Wilt u bekeerd worden? Smeekt u daarom? Ligt u ervan wakker? Hoe komt u met God verzoend?
God is machtig om de ergste, de grootste van de zondaren te arresteren en te bekeren. Hij roept zondaren. Hij trekt. Hij bearbeidt hen tot zaligheid. Hij is nog Dezelfde.

Misschien kunt u zich weleens heel ongelukkig voelen, evenals Saulus en een poos in het donker tobben. Dan krijgt u een Gids nodig. En u vraagt: "Heere, wat wilt U dat ik doen zal?"
Gelukkig als u de Heere meer nodig krijgt. Bij Hem is raad.
Hij zorgt.
Hij stuurt Annanias. Deze zoekt Saulus op, in het huis van Judas, en hij legt zijn handen troostend op het hoofd van Saulus. En hij ontvangt genade en vergeving van de Heere Jezus Christus, Die sprak: "Ik ben Jezus Die gij vervolgt."
Het is alles vanuit Christus. Het is alles bij Hem te verkrijgen!
Zoekt u liefde? Het is er: in Zijn geboorte.
Zoekt u verlossing? In Zijn lijden is ze te vinden.
Zoekt u Vrijspraak? In Zijn veroordeling.
Kwijtschelding van de vloek? In Zijn kruis.
Zoekt u genoegdoening? In Zijn Offer.
Zoekt u reiniging? In Zijn bloed.
Zoekt u de doding van uw vlees? In Zijn graf.
Wilt u een nieuw leven? In Zijn opstanding is dat te vinden.
Beërving van het hemelse koninkrijk? In Christus' hemelvaart.
Wilt u geborgenheid en bescherming? In Zijn Rijk. Het is alles bij Christus te vinden. Bij Hem zijn schatten van genade.
Christus heeft de schuld, ook van Saulus, verzoend. Hij heeft voor al zijn zonde betaald. Als u daarvan mag weten, van de genade van de Heere Jezus Christus, van de vergeving van zonde, wat is dat een groot wonder!
Het is bij ieder kind van God, evenals bij Saulus, een onbegrijpelijk, heerlijk wonder, dat de Heere u opzocht. "Waarom was het op mij gemunt?"
Dat is een zaak van het eeuwig welbehagen van de drie-enige God, waarvan wij mogen zingen:

    Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
    Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht;
    wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen,
    door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen;
    want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,
    en onze Koning is van Isrels God gegeven.

Amen.