Filemon:18-19a 'Ik zal het betalen' ds. M.A. Kempeneers

Prediking over Filemon:18-19a door ds M.A. Kempeneers te Katwijk aan Zee

Bij de liturgie is gebruik gemaakt van de Statenvertaling (GBS) en de psalmberijming 1773
146:3+5, 135:8, Lezen: Filemon, 40:4+ 8, 65:2, 85:4

Gemeente,

In de Bijbel lezen we van twee mannen die onderweg zijn met een brief.
Allereerst denk ik aan Uria, een soldaat in het leger van David. Hij had een brief bij zich en het was heel erg wat daarin stond te lezen. Daarin stond dat het slecht met hem af zou lopen.
David had in die brief geschreven dat Uria voorin de strijd gezet moest worden. En dat de andere soldaten hem vervolgens in de steek moesten laten. Zodat Uria in de strijd zou sneuvelen.
Uria liep dus eigenlijk met zijn doodsvonnis op zak.

In de Bijbel is nog iemand met een brief onderweg. Een heel andere brief. Het is Onesimus. En in die brief stond het tegenovergestelde van de brief van Uria. Daarin stond niet zijn doodsvonnis, maar zijn vrijspraak. Onesimus reisde van Rome naar Kolosse, op weg naar zijn meester Filemon. En hij had een brief bij zich waarin stond dat hij vrij was van schuld en straf en dat hij een borg had. Iemand die voor hem in stond. En dat was Paulus. De apostel wilde alles betalen wat Onesimus aan Filemon schuldig was.

Twee voorbeelden.
Uria met zijn brief en Onesimus met zijn brief.

Ook wij hebben allemaal een brief bij ons. Waarin staat hoe het met ons gaat. Waar we vandaan komen. En waarheen we op weg zijn. Wat is die brief? Dat is het Woord van God.
Maar de vraag is: wat voor soort brief is de Bijbel voor ons?
Is het een Uriabrief, of een Onesimusbrief?
Bevat de Bijbel ons doodvonnis of onze vrijspraak?

Van nature is het de brief van Uria. Met het vonnis van de drievoudige dood. De bezoldiging der zonde is de dood.  
Maar door genade kan dat veranderen. Wij kunnen vrijspraak krijgen van schuld en straf. De genadegift Gods is het leven.
Daar gaat het over in de Onesimusbrief.
Overigens niet zonder dat de schuld ter sprake komt.
Integendeel, in die Onesimusbrief wordt de schuld heel nadrukkelijk aan de orde gesteld.

Twee soorten schuld
1 de zondeschuld van Onesimus 18a
2 borgschuld van Paulus 18b + 19a

1 de zondeschuld van Onesimus
Paulus schreef deze brief aan Filemon. Dat was een rijke man. En rijke mensen hadden in die tijd slaven. Het houden van slaven is één van de gevolgen van de zondeval. Net zo goed als het hebben van meer dan één vrouw. Dat is eens ook gewoon geweest. Denk aan Jakob, of aan David. Maar de Heere Jezus zegt, en dat geldt ook van de slavernij: van den beginne is het alzo niet geweest.
Door Gods genade zijn zulk soort dingen in onze tijd niet meer toegestaan. Het Evangelie heeft door de eeuwen heen zoveel kracht gekregen dat deze dingen in onze gekerstende samenleving niet meer mogen. Gods Woord heeft ons dat inzicht geschonken. De ene mens mag de andere mens niet uitbuiten.

Maar het was in die tijd nog wel zo. Er was slavernij. En slaaf zijn, dat viel meestal niet mee. Je was het bezit van iemand die je met geld had gekocht. En de meeste slavenhouders waren wreed. Slaven hadden een moeilijk leven.
Al waren er ook, die een goede meester hadden getroffen. Filemon was zo’n goede meester. En Onesimus was één van de slaven van Filemon. Het ontbrak hem nergens aan.
En bij alle materiële weldaden, kwamen ook nog eens de geestelijke weldaden. In het huis van Filemon kwam een gemeente samen, zo lezen we in vers 2. De gemeente die te uwen huize is…
Daar had Onesimus een plaats gekregen. Nooit had hij het beter kunnen hebben, dan hij het bij Filemon had. In diens huis en gemeente.  

De naam ‘Onesimus’ betekent: de nuttige.
Maar hij deed zijn naam bepaald geen eer aan. Hij was er het tegenovergestelde van. Hij was nutteloos voor Filemon geworden. Paulus zegt in vers 11. Die eertijds u onnut was
Paulus gebruikt daar een woordspeling op de naam van Onesimus.

Wat was er gebeurd? Wel, op een bepaalde dag had Onesimus gelegenheid gezien om weg te vluchten.
Zo werd hij nutteloos voor Filemon. Want Onesimus berokkende zijn meester op allerlei manieren schade. Ten eerste raakte Filemon zijn slaaf kwijt, waarvoor hij geld betaald had. Naar de normen van die tijd was Onesimus immmers het bezit van Filemon.
Ten tweede bleef het werk liggen, dat Onesimus normaal gesproken moest doen.
Ten derde moest Filemon allerlei moeite gaan doen om Onesimus te gaan zoeken en terug te gaan brengen.
En ten vierde geeft de geschiedenis aanleiding om te denken dat Onesimus bij zijn vlucht een geldbedrag van zijn meester heeft gestolen.

Vanuit Kolosse is Onesimus tenslotte na een lange reis in Rome aangekomen. Waarom hij daar naar toe wilde, vertelt de Bijbel ons niet. Sommigen zeggen dat daar een kolonie van gevluchte slaven leefde en wellicht heeft Onesimus zich daarbij willen aansluiten.
Op één of andere manier is Onesimus in aanraking met Paulus gekomen. Hoe dat gegaan is en waarom dat zo gebeurd is, weten we ook niet. Laten we daar dan ook maar niet over gaan speculeren.
Maar we mogen wel zeggen dat de Heere dit in Zijn voorzienigheid zo heeft bestuurd.

Uit de brief blijkt dat Onesimus door middel van het contact met Paulus tot bekering is gekomen. We lezen het in vers 11. Ik bid u dan voor mijn zoon, dewelke ik in mijn banden geteeld heb.
Wat bedoelt Paulus daarmee?
Wel, Paulus was ongetrouwd en had dus geen natuurlijke kinderen. Maar hij had wel geestelijke kinderen. Onesimus was een geestelijke zoon van Paulus geworden.  Paulus schrijft hoe dat gegaan is.
Ik heb hem in mijn banden geteeld. En dan gebruikt Paulus hier een werkwoord dat eigenlijk alleen een vrouw kan gebruiken. Hij zegt: ik heb Onesimus gebaard. Een werkwoord dat alleen van toepassing is op een vrouw. Want die alleen kan baren. Maar Paulus gebruikt dat nu voor zichzelf. En hij zegt: ik heb een kind ter wereld gebracht. Ik heb een zoon gebaard.
En zo maakt Paulus duidelijk wie Onesimus voor hem geworden is. En wat hij voor Onesimus voelt.
Hoe hij aan die weggelopen slaaf verbonden is. Mijn zoon. Die ik heb gebaard. Zo intiem, zoals de band is tussen moeder en haar kind.

En waar heeft Paulus dit kind dan gebaard? In mijn banden, zegt hij.  Hij bedoelt: als gevangene. Hij was met banden, met ketenen geboeid. En toen Onesimus hem in de gevangenis bezocht, heeft Paulus het zaad van het Evangelie gestrooid. En dat zaad is gevallen in de ziel van deze weggelopen slaaf. En toen heeft Paulus het zien gebeuren. Dat God dat zaad vruchtbaar maakte. En dat Onesimus een ander mens werd.
Hoeveel tijd daar mee heenging lezen we niet Of dat dit nu drie dagen heeft geduurd zoals bij hem zelf, of drie maanden, maar Paulus heeft het zien gebeuren, daar in de gevangenis. Onesimus werd een wedergeboren mens. Hij is tot bekering gekomen. En zo kwam het goed tussen God en Onesimus.

Maar al is het dan tussen de Heere en Onesimus in orde. Al is Onesimus nu een kind van God geworden en een geestelijke zoon van Paulus. Dat betekent niet dat alles kan blijven zoals het bij zijn weglopen uit Kolosse is geworden. De dingen moeten ook rechtgezet worden. En dus moet Onesimus naar Filemon terug.
En dan schrijft Paulus dus deze brief waarin hij een goed woordje voor Onesimus doet.  
Maar terwijl hij dat doet, praat hij de zonde van Onesimus niet goed. Want hij schrijft in vers 18 En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is…
Hij gebruikt het woordje: indien.
Dat wil niet zeggen dat hij het alleen voor mogelijk houdt dat Onesimus onschuldig is. ‘Indien het zo is, mócht zo zijn dat…’ Zodat er een soort van twijfel in meeklinkt. ‘Het kan zo zijn, maar het kan ook niet zo zijn’. Nee, ‘indien’  betekent hier: als het dan zo is, dat hij u iets schuldig is.
Dat staat voor Paulus wel vast.

Hoe hij dat wist? Wel, dat kon hij natuurlijk vermoeden. Onesimus heeft een lange reis gemaakt, van Kolosse naar Rome. En hoe heeft hij dat gedaan? Zelfs al heeft hij die hele reis gelopen, dan moest hij onderweg toch ook weleens wat eten. En hij heeft ook wel eens ergens moeten slapen. En hij moest ook twee keer overvaren. Daar moest hij allemaal voor betalen. Maar waar haalt een slaaf dat geld vandaan? Een slaaf die nooit iets van zichzelf heeft gehad?
Maar behalve dat Paulus kon vermoeden dat Onesimus gestolen heeft, is het te verwachten dat Onesimus het ook wel tegen Paulus gezegd zal hebben. Zou Onesimus het voor zichzelf hebben kunnen houden dat hij gestolen heeft? Zou hij dat bewust toch verzwegen hebben?
Natuurlijk heeft hij dat een tijd gedaan. Zo doet een mens dat. We duwen de zonde weg en we willen er niet aan denken en we willen ook zeker niet dat een ander het te weten komt.
Maar wat als de Heere je te sterk wordt? Wat als je tot bekering komt? Kun je er dan ook nog omheen? Wil je er dan nog omheen?  Of… wordt een mens dan door de genade van God eerlijk gemaakt?
Een kenmerk van de waarachtige bekering, dat is toch dat je de zonde belijdt?

Zou Onesimus tegen zijn geestelijke vader echt niets gezegd hebben toen hij tot bekering kwam? Zou hij zijn zonde verzwegen hebben? Is het niet veel meer te verwachten dat hij tijdens die gesprekken het tegenover Paulus onder tranen beleden heeft, dat hij gestolen heeft?
Want die schuld veroorzaakte een groot probleem. Hij kon dat nooit meer goed maken.
Hij kon dat gestolen geld niet terugbetalen, want dat heeft hij ondertussen besteed, dat is allemaal op gegaan. En terugverdienen kan hij het niet, want hij is slaaf. Dat betekent dus, dat Onesimus heel zijn leven in het krijt zal staan bij Filemon. En hij hoefde er niet over te denken hoe hij die schuld zou afbetalen, want dat kwam nooit meer voor elkaar.

Gemeente, laten we eens even stilstaan bij wat we tot nu toe gehoord hebben en proberen een toepassing te gaan maken voor onszelf. Er zijn wel wat geestelijke lijnen te trekken naar ons hart en leven. Allereerst maar deze vraag: hebt u uw beeld herkend in deze weggelopen slaaf?
Onesimus had het goed bij zijn meester Filemon. Er was voor hem geen enkele reden om bij Filemon weg te gaan.
In vergelijkbare zin had de mens het goed bij God. Het leven van de mens was volmaakt gelukkig in de hof van Eden. Er was geen enkele reden om te zondigen tegen God en bij Hem weg te gaan. Maar we lezen in Genesis 3 wat er gebeurd is. Adam en Eva hebben gegeten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Ze wilden als God zijn. En daardoor werden ze nutteloos voor God. En wij met hen. Net zoals Onesimus nutteloos werd voor Filemon.

Datgene waar God de mens voor had geschapen, namelijk om als rentmeester op aarde te heersen en de hof te bouwen en te bewaren, dat werk bleef liggen. De mens als beeld van God werd zondaar. En daardoor leed God schade. Zijn volmaakt goede schepping was verdorven. Er kwam een vloek over de hele aarde. De mens heeft God beroofd van Zijn schepping en heeft het overgegeven aan de heeerschappij van duivel. Bovendien heeft de mens gestolen van God. Hij heeft allerlei goede gaven en talenten die hij van God bij de schepping gekregen heeft, meegenomen. Het verstand, het gevoel, ja het hele bestaan als mens staat nu ten dienste van de zonde, de wereld en het eigen vlees. Dat levert schuld op bij God. En denk ook eens aan alles wat de Heere heeft moeten ondernemen om Zijn schepping te gaan herstellen. Wat heeft het Hem gekost om zondaren te zoeken en zalig te maken. Daar heeft Hij Zijn eniggeboren Zoon voor gegeven. Dat heeft het bloed gekost van Jezus Christus. 

Ziet u de parallellen met Onesimus? Wat was zijn zonde? Paulus zegt: indien hij u iets verongelijkt heeft. Onesimus heeft Filemon verongelijkt.
Wat is zondigen? Dat is God verongelijken.  
De zonde schendt Gods wet. De zonde doet tekort aan Gods eer. Zonde is aan God onthouden waar Hij recht op heeft. Zonde is ongehoorzaamheid. Zonde is misbruik van de gaven en talenten die God ons gegeven heeft. Zonde is het stelen van je tijd van de Heere. Zonde is je eigen gang gaan. Niet naar God vragen en ons niet aan de wet van God onderwerpen.
En zo hebben we God verongelijkt. We hebben de dingen die God ons gegeven heeft in ons eigen belang gebruikt en we hebben er onszelf mee gediend, en de wereld mee gediend.
En elke zonde die we doen, voegt nieuwe schuld aan toe.

Vandaag hebben we weer meer dan gisteren. En morgen hebben we meer dan vandaag. En dat bouwt zo maar op. Hoe hoog is die berg inmiddels? Hoe diep zitten we al in de schuld?
En goedmaken? Onesimus kon het niet. Hij had geen penning om mee te betalen.
En wij kunnen het net zomin.
En onze goede werken dan? Die zijn met zonden bevlekt.
Maar onze béste werken dan? Ze zijn een wegwerpelijk kleed. En je kunt er niet mee goedmaken wat je stukgemaakt hebt. Je kunt niet betalen wat je schuldig bent. En de relatie met God wordt daar niet door geheeld. Al zou je nog zo vroom gaan leven en al zou je nog zo deugdzaam gaan leven. En al zou je nog zo stipt binnen de paden van Gods geboden gaan leven -het zou je niet lukken overigens- maar stel dat je het kon doen. De rest van je leven. Dan was daarmee nog niet goedgemaakt met wat er voor die tijd was misgegaan.

Gemeente, hebt u hier weleens nadrukkelijk bij stilgestaan? Bij uw en jouw schuld?
Wij hebben het over allerlei dingen die we hebben. We gebruiken zo graag bezittelijke voornaamwoorden. Mijn man, mijn vrouw, mijn kinderen, mijn huis en mijn auto. En we hebben zoveel. Maar voor hoelang? En is dat eigenlijk allemaal wel van ons?
De Heere zegt: Mijn is het zilver en Mijn is het goud. En wij hebben het alleen in bruikleen.
We mogen het gebruiken zolang de Heere het ons te gebruiken geeft. En straks neemt Hij het ons allemaal weer af. Dus: hebben we eigenlijk wel iets?
Ja we hebben toch wel iets. Iets wat helemaal van onszelf is. Namelijk onze schuld.
Dat is álles wat je écht hebt. Schuld bij God. En de Bijbel maakt ons duidelijk dat we die schuld zelf niet kunnen betalen. Dat kan van onze kant nooit goedgemaakt worden. Het is onmogelijk, dat we dit ooit zullen kunnen herstellen. En wat een reden heeft een mens als hij daar achter komt om klein te zijn en om een mishagen aan zichzelf te hebben.

Maar waar dat nu door de ontdekkende bediening des Geestes geleerd wordt, daar werkt Hij ook de vraag in het hart: hoe kom ik nu van die zonden en die schuld af? De Catechismus vraagt: Is er nog een middel waardoor ik die welverdiende straf kan ontgaan en wederom tot genade kan komen?
Dan kan je het in je zonde en in je schuld niet uithouden. Maar dan ga je zoeken naar een weg en een middel om er vanaf te komen.
Dan kom je als een goddeloze voor God te staan.
 ‘k erken mijn schuld die U tot straf bewoog
Dies ben ik Heere Uw gramschap dubbel waardig.

Maar dan zal Heilige Geest onze ogen ook openen voor de schuldovernemende Borg. Zodat onze schuld kan worden weggenomen.
En daar wordt in onze tekst ook iets over gezegd.

2 de borgschuld van Paulus
Paulus schrijft in de tekst: En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe.
Dan blijkt opnieuw, hoezeer de apostel met banden van liefde aan Onesimus verbonden is. Hij vraagt niet alleen om Filemons barmhartigheid voor Onesimus, maar hij gaat verder.
Een goed woord voor iemand doen, dat kan nog. Dat kost niet zoveel. Maar Paulus doet meer.

Paulus had natuurlijk ook kunnen zeggen: Filemon, jij hebt toch geld genoeg, je zult het toch niet missen wat Onesimus heeft gestolen, vergeef hem dat nu maar, scheldt hem die schuld kwijt.
Maar dat is vragen om barmhartigheid ten koste van het recht. En dat doet Paulus niet. Waarom niet?
Omdat hij weet dat God het zo ook niet doet. God is niet barmhartig ten koste van Zijn recht.
En daarom wil Paulus dat ook niet van Filemon eisen.
Want er is niet voor niets een recht dat gehandhaafd moet worden.

En wat schrijft Paulus dan aan Filemon?
Hij erkent allereerst dat die schuld er ligt. En ook dat die schuld weg moet.
Maar hoe? Als Onesimus zelf de schuld niet kan betalen?
Nou en dan zijn we er. Dan biedt Paulus zichzelf aan.
Dan schrijft hij:
18 En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe.
19 Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen;

Laten we eerst iets over dat laatste vers zeggen. Paulus heeft de meeste brieven niet zelf geschreven. We weten uit zijn brieven dat hij ze dicteerde aan een schrijver, een secretaris. En men heeft weleens gezegd dat Paulus dit deed omdat hij slecht kon zien, zoals we kunnen lezen in de Galatenbrief. En vanwege zijn slechte ogen kon hij niet zo duidelijk schrijven en daarom maakte hij gebruik van iemand die duidelijker kon schrijven. Dat zal best zo geweest kunnen zijn.

Maar deze brief, en dan met name deze schuldbelijdenis heeft hij zelf geschreven. 19 Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand…
En waarom? Wel, nu kan Filemon er zeker van zijn dat het écht is wat hij leest. Dat niet Onesimus een valse brief heeft opgesteld, in naam van Paulus, maar dat de apostel het zelf geschreven heeft. Zijn schrift is herkenbaar en zijn handtekening staat er onder. 19 Ik, Paulus met deze mijn hand… Een eigenhandig geschreven schuldbelijdenis. Hij schrijft het tot twee keer. 18 Reken het mij toe…19 ik zal het betalen.
Elke schade en elke schuld die op rekening van Onesimus staat, die mag Filemon op Paulus verhalen. En hij mag tegen Paulus zeggen: ik krijg nog geld van u want heeft zich voor Onesimus borg gesteld.
Hier, het staat zwart op wit, met uw eigen handschrift: Ik zal het betalen.
Toont Paulus hier niet veel meer barmhartigheid dan dat hij alleen maar een goed woord voor Onesimus doet? Is dit niet veel meer een bewijs van zijn hartelijke liefde voor Onesimus, dan dat hij alleen maar een brief schrijft? Dat hij er niet voor terugdeinst om als het moet zichzelf op te offeren?

En hoe kon Paulus dat dan doen? Welke verklaring zit hierachter?
Wel, Paulus heeft geleerd dat dit het hart is van de Goddelijke genade. Zo is hij, Paulus ook van zijn eigen schuld afgekomen. Met behoud van het recht. Sion zal door recht verlost worden. Dat heeft Paulus geleerd. Dat Christus voor hem de straf heeft gedragen en de schuld heeft betaald. Paulus heeft zelf geleerd dat een Ander Borg voor hem moest zijn. En dat hij van de verdienste van een ander moest gaan leven. De verdienste van de Zoon van God. Die tegen de Vader gezegd heeft: reken het Mij toe…Ik zal het betalen.
En omdat dat het geheim van Paulus’ leven geworden is, om te leven uit de verdiensten van zijn Borg en Zaligmaker, heeft dat een stempel op zijn doen en laten gezet. En dan gaat hij het beeld van zijn Borg vertonen. En wat hem te beurt gevallen is, dat wil hij ook – in een hele zwakke afschaduwing – ook voor Onesimus zijn.

En zo zijn we via deze tekst terechtgekomen bij het hart van het Evangelie. En het hart van het Evangelie, dat is: de overname van onze schuld door een Borg.
Dat is iets wat door God in de eeuwigheid is uitgedacht.
Dan denken we aan dat voor ons onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke gebeuren, dat plaatsvond voor de schepping van hemel en aarde. In wat genoemd wordt: de Raad des Vredes. Toen God met God overlegde over de zaligheid van zondaren.
Toen heeft God de Vader de vraag gesteld: Wie is het die met Zijn hart Borg zal worden?
En God de Zoon heeft toen gezegd: zie Ik kom o God om Uw wil te doen.
Of om het met de woorden van de tekst te zeggen: Vader, reken die schuld mij toe, Ik zal het betalen.
Alle schuld van de Zijnen nam Hij over.

En als we dan bedenken hoe de Heere Jezus dat heeft gedaan. In de weg van lijden en sterven. En we zien Hem die lijdensweg gaan Dan zegt de evangelist dat Hij droevig en zeer beangstigd begon te worden. We zien Hem Gethsémané binnenstrompelen onder de last van zonde en plagen. We zien hoe Hij neervalt op grond, en we horen hoe Hij bidt: Vader indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Doch niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Dat kan het onrustige hart van een zondaar stil maken. Van verwondering en dankbaarheid vanwege zoveel liefde.
Dan gaan de snaren van de ziel trillen, als je de Borg hoort zeggen: Reken het Mij toe.
Als je Hem ziet staan voor Zijn discipelen, als de soldaten komen. En als je Hem hoort zeggen: indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan. Ik zal het betalen.

En hoe betaalde Hij het dan? Waarmee betaalde Hij? Wel, er mocht geen andere prijs betaald worden, dan de prijs van Zijn dierbaar bloed. Hij heeft Zijn ziel in de dood overgegeven. En zo heeft Hij gewillig het oordeel gedragen dat God over de zondaar heeft uitgesproken: de ziel die zondigt, zal sterven. Zo heeft Christus betaald. Opdat God in het zalig maken van zondaren geen schade zou lijden in zijn recht.

En daar vertoont Paulus nu een zwakke afschaduwing van. Als hij die brief schrijft en zich garant stelt voor Onesimus. En stel nu eens dat Onesimus over de schouder van Paulus mocht meelezen. Dat hij het las, wat Paulus had geschreven. Deze regels: In dien hij u iets schuldig is, reken het mij Paulus toe…ik zal het betalen
Onesimus was al verwonderd toen het eerste deel van de brief werd geschreven. Die indringende vraag van Paulus aan Filemon om Onesimus barmhartig te zijn. Maar nu hij dit leest, is hij tot in het diepst van zijn ziel geraakt geweest. Als hij leest dat Paulus voor hem borg wil wezen.
Hoe kan dat waar zijn? Iemand zoals hij, die het allemaal verbeurd heeft. Die straf verdiend heeft. Die voor God en voor mensen schuldenaar is. Dat kan hij niet op. Dat is het grootste wonder voor hem. Als hij ziet hoe groot de liefde van Paulus is.

En zo wordt het ook een wonder voor mensen die mensen, die door genade tot inkeer gekomen zijn en die het in hun zonde niet meer kunnen uithouden.
Het zou al een groot wonder zijn als de Heere Jezus een goed woordje voor ze deed.
Als Hij zou doen wat de moordenaar aan Hem vroeg. Heere gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk gekomen zult zijn. Alleen dat zou een wonder zijn.
Maar wat wordt het wonder groot, als je in de weg van schuldbesef en berouw in dat Woord mag lezen van de vrijspraak om Christus’ wil. Van de schuldovernemende Borg, de Middelaar, die Zich al van eeuwigheid bereid heeft verklaard om dat te zijn.

Gemeente, daar moet het naar toe. Dat je door het geloof in Christus gerechtvaardigd wordt.
Echt berouw te hebben, is groot. Droefheid over de zonde te hebben: was het er maar meer. Maar berouw over de zonde is nog geen vergeving van de zonde. En dat wordt gevoeld.
Als we er iets van gaan begrijpen dat we voor God moeten verschijnen. En dat we voor God niet kunnen bestaan. En we weten nog niet hoe dat ooit goed moet komen. Dan hunkeren we wel naar leven: Gun leven aan mijn ziel! Genâ o God, genâ.
Dan komen we in de strijd tussen vlees en geest en dat is op en neer. Dan zijn er vanuit het Woord weleens toeknikjes van God genade. En we mogen weleens iets horen dat ons hart treft en waardoor we moed krijgen. Of dat er een psalm bijzonder tot ons spreekt.
Maar dat leven is nog zo wankel. Daar is de angst voor zelfbedrog. Nee, niet als we goed gesteld zijn. dan hebben we het goed en dan is het goed en dan zeggen we: die God is onze zaligheid, wie zou die hoogste Majesteit dan niet met eerbied prijzen. Maar als dat weer afzakt en de zonde klopt weer op de deur, dan komt de vrees weer boven: ik vrees dat ik nog alles mis.

Hoe komt dat? Dat komt omdat we uit de stand van het geestelijke leven onze staat op willen maken. Als ik goed gesteld ben, dan is het waar, dan geloof ik dat God met me bezig is. Maar als ik er niks van voel, dan is het niet waar.
En hoe komt het dat we nog zo bezig zijn? Dat komt omdat er geen grondslag in ons leven ligt. De grond van de gerechtigheid voor God. De betaling van onze schuld. Zolang dat niet gebeurd is, is er een benauwdheid van binnen en die rooft al onze vrede weg.
En het is ook heel gevaarlijk om te drijven op ons gevoel en onze gemoedelijkheid. Om daar de grondslag voor ons geestelijke leven in te zoeken. Want als we voor de poorten van de eeuwigheid liggen, dan valt dat allemaal weg. Dan zijn we niet gemoedelijk meer. Maar dan zegt God: betaal Mij wat u schuldig bent.
Is God dan niet barmhartig? Ja maar hij is ook rechtvaardig. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Er moet betaald worden. En onze gestalten en onze tranen, hoe onmisbaar ook en hoezeer misschien ook door de Geest gewerkt, maar die worden niet als betaalmiddel geaccepteerd.

Alleen het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden.
Zijn bloed en Zijn gerechtigheên, die zijn de losprijs en anders geen
Daarmee alleen kan ik voor God bestaan, als hemel en aarde zullen vergaan.
Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.
Dat is het leven. Uit Christus, door Christus, tot Christus. Niet meer afhankelijk van mijn gevoel. Maar geoefend door het geloof, om buiten mijzelf te zien en te rusten in de aangebrachte gerechtigheid van Christus. Om dat alleen als pleitgrond voor God te gebruiken. Dan ligt er rust in de oefening des geloofs, in de omhelzing van Christus en dat niet maar één keer, maar steeds weer opnieuw.
Zullen we met bewustheid van het geestelijke leven kunnen genieten, dan moet er een grondslag in ons leven gelegd worden. En we blijven een onbekeerd en een ongelukkig en een stervend mens totdat er enig bewustzijn is van ons aandeel in Christus. Dan beginnen we pas te leven. Wie in de Zoon gelooft heeft het leven. En wie niet in de Zoon gelooft die heeft het leven niet.

Gemeente, we zijn allemaal op reis. Door de tijd naar de eeuwigheid. Leest u wel goed in de brief die u hebt gekregen? Wat is de Bijbel voor soort brief voor u en jou? Is het nog een Uriabrief? Met daarin je veroordeling? Omdat je nog voor eigen rekening leeft?

Of mag het door genade een Onesimusbrief zijn? dat je met toepassing op jezelf mag geloven, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, ons reinigt van alle zonden?
Wat een wonder als we die weg van boete en berouw mogen gaan. Dan wordt de schuldovernemende Borg vanuit het recht van God verklaard aan ons hart.
Als je net als Onesimus bij tijden mag meelezen in die brief. En je door de Heilige Geest mag worden overtuigd van de dierbaarheid en de schoonheid van Christus. Beminnelijke Vorst, Uw schoonheid hoog te loven, gaat al het schoon der mensen ver te boven, want genade is op Uw lippen uitgestort.
Als je meer en meer mag gaan verstaan dat zaligworden niet een zaak is van uw verdienste of jouw waardigheid. Niet de offers die ik breng; niet de tranen die ik pleng, schoon ik ganse nachten ween, kunnen redden, Gij alleen!
Dankzij Sions betalende Borg, die het gezegd heeft in het heerlijke, dierbare Evangelie: Reken het Mij toe, Ik zal het betalen.
Amen