Daniël 6:11 'Daniëls gebed in de beproeving ' ds H. van der Ham

Daniël 6 : 11 ds H. van der Ham

“Daniël bidt in tijden van beproeving.”

Ps. 123 : 1
Daniel 6 : 1 – 12
Ps. 39 : 5
Ps. 56 : 4, 6
Preek
Ps. 138 : 4
Ps. 66 : 10


Geliefde gemeente, we zouden kunnen beginnen met de vraag: Hoe gaan we naar de kerk?
Op die vraag zijn natuurlijk vele antwoorden mogelijk. Sommigen zullen zeggen: ik ga naar de kerk omdat dat zo hoort. Of omdat het moet.
Een derde zegt - maar misschien moet je dan wel wat doorvragen - ik ga naar de kerk omdat dáár het Woord van de Heere verkondigd wordt en daar hunkert mijn ziel naar.
Om vanuit het Woord onderwijs te ontvangen. Om de Heere te ontmoeten in Zijn huis.

Maar we zouden ook die hele vraag “Hoe gaan we naar de kerk?” nog op een andere manier kunnen invullen en ons af kunnen vragen: Gaan we biddend naar de kerk??
Nee, daarmee bedoel ik niet, dat we terwijl we op weg gaan in onze auto of op de fiets, of lopend naar het kerkgebouw, die weg al biddend zouden moeten gaan. Dat is in de praktijk al niet mogelijk!
Maar wel: dat ons gaan naar de kerk, naar de eredienst, omringd wordt door gebed. Het gebed in Gods huis is één van de voornaamste zaken van onze kerkgang.
Als we terugkijken naar wat de Bijbel over de kerkgang zegt, dan is één van de belangrijkste dingen, die ons telkens weer treffen, dit dat het oude Israël naar het huis van God ging om te bidden! Het huis van de Heere zal een huis des gebeds genaamd worden voor alle volken.
En de Heere belooft, dat Hij de Zijnen zal verheugen in Zijn bedehuis.
Het heiligdom was in het bijzonder een huis des gebeds !
En van wat de tempel in dat opzicht is, vallen de schaduwen ook over de gemeentelijke samenkomst, ook over de kerkdienst. De kerkdienst zal in de eerste plaats toch ook, naast dienst des Woords, een dienst der gebeden moeten zijn.
Daarom kunnen we die vraag aan elkaar voorleggen: Wordt onze kerkgang gedragen door de gebeden?
En hoe moeten we dan bidden?
Daniël bad aanhoudend. Onze tekst spreekt daarvan: “Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden ’s daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.”

Daniël bidt in tijden van beproeving
I het schrift getekend
II open vensters
III de ware aanbidding

“Toen Daniël nu verstond dat het schrift getekend was….”
Welk schrift? De jongens en meisjes weten: Dat is dat vreselijke bevel van koning Darius - die strenge wet van de Meden en Perzen.
In die wet stond, dat wie ook van iemand anders, of het nu een god is, of een mens is, wat bidt, die moet in de leeuwenkuil geworpen worden.

Daniël was al een oude man. In het vorige hoofdstuk leest u van het schrift op de wand.
Belsazar en zijn ondergang…..
“Geteld, geteld, gewogen en te licht bevonden.”
Daniël had zelfs de grootvader van Belsazar nog mee gemaakt: Nebukadnezar. Hij heeft onder verschillende machthebbers gefunctioneerd. En straks nog onder Kores.
Daniël overleefde verschillende vorsten.
In ons hoofdstuk is hij in dienst van Darius, de koning van de Meden en Perzen - een geweldig wereldrijk met een goede organisatie.
Het Medisch-Perzische rijk was enorm uitgebreid.
120 landschappen, zeg provincies - met een satraap, een stadhouder, een provincie-bestuurder.
En boven hen drie bestuurders voor supervisie. Daniël is één van die drie.
De koning heeft zijn gaven opgemerkt. Daniël heeft geen materialistische instelling, maar heeft duidelijk het welzijn van land en volk op het oog. Een voortreffelijke geest was in hem. De koning denkt: Ik kan hem wel over het hele rijk stellen.
Darius merkt dat de gaven van Daniël van God gegeven zijn. Het zijn gaven van Boven.

Inderdaad, Daniël was een man die het echte welzijn van land en volk voor ogen had.
Maar de wereld zit vol jaloezie! Dat proeft u hier.
Die andere stadhouders en machthebbers zeggen: “Die man schiet omhoog! Hij is iemand van buiten, van de Chaldeeën. En nu, hier, neemt hij een positie in! Hij is, nota bene, al adviseur van koning Darius!”
Zij maken een gemeen plan. Ze zoeken een gelegenheid: “Kunnen wij iets vinden bij die man, bij Daniël, waarin hij tekort schiet? Zelfverrijking of corruptie? Kunnen we hem ergens van beschuldigen, van nalatigheid of verzuim? Kunnen we hem uit de weg ruimen?” Ze zoeken zijn dood.
Maar die vijanden, vol jaloezie, zoeken zichzelf. Ze denken helemaal niet aan het welzijn van land en volk.

In onze tijd - als broeders en zusters uit Christelijke motieven hun werk doen….. Als zij vanuit het Evangelie ons volk zoeken te dienen naar Christelijke normen en waarden - dan is de waardering soms minimaal.
Denk aan de Heere Jezus Zelf. Wat heeft Hij goed gedaan!
Maar ze haatten Hem.
Zijn vijanden loerden op Hem: “Zegt Hij iets verkeerds? Doet Hij iets verkeerds? Dan hebben wij iets; dan kunnen wij Hem veroordelen en doden.”

Daniël was een integer, Christelijk bestuurder.
Als je zulke mensen hebt in Den Haag, in Brussel….. Als je ministers krijgt, die de Bijbel goed open doen, als een Daniël…..
En in de gemeente-raad.
Maar u en ik ook - zetten wij niet alles in ons leven op het kapitaal? Op het materiële bezit?
Zijn we niet teveel gehecht aan aards geld en goed?
Zijn we echt betrouwbaar, voor het heilig aangezicht van God? En vooral: Buigt u regelmatig uw knieën en bidt u?

Ze konden Daniël nergens van beschuldigen. Dan zoeken ze iets in zijn godsdienst. De stadhouders en aanzienlijken komen naar de koning en zeggen: “O koning, leef in eeuwigheid!”
Je zou denken: Zij houden veel van Darius. Wat hebben ze een eerbied voor hun koning. Wat zijn ze beleefd.
Ze zeggen: ”We hebben overleg gehad met elkaar - de stadhouders, de raadsheren en landvoogden. We hebben er goed over nagedacht, koning. Nu moet u eens een keer een wet uitvaardigen, een wet van Meden en Perzen, die niet herroepen kan worden. En in die wet moet staan, dat wie ook van iemand anders, of het nu een god is, of een mens is, wat verlangt, wat vraagt, wat bidt - dertig dagen lang - die moet in de leeuwenkuil geworpen worden.”
Zo gebeurt het. De koning zet zonder veel nadenken zijn handtekening en het wordt als wet gedeponeerd bij het hoogste college van de rechters in het Medisch-Perziche Rijk en het staat vast.
Ze vleien de koning: “U bent de allerbeste koning, de hoogste machthebber. U bent de enige aan wie mensen wat vragen mogen.”
Alsof Darius God is.

Als iemand toch bidt tot God, dan wordt hij voor de leeuwen gegooid.
Die leeuwen werden onvoldoende gevoed. Ze waren doorgaans hongerig.
Darius de Meder geeft zijn toestemming. Het schrift wordt getekend - het koninklijke zegel erop. Akkoord. Het is een wet van Meden en Perzen.
Daar zijn ze trots op. Een wet van Meden en Perzen kan nooit veranderd worden. Nooit.
Dat is als in steen gegraveerd. Onherroepelijk.
Het is een ontzettende bedreiging voor Daniël.


II


“Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden ’s daags op zijn knieën, en bad.”
Daniël zit klem.
U zou verwachten: Hij zal eerst naar de koning gaan en zeggen: “Majesteit, wat heb ik nu gehoord? Ik ben er vreselijk van geschrokken. Is er een wet, dat niemand iets vragen mag, of bidden mag, als alleen aan u? Dat kan toch niet?! Haal er a.u.b. een streep door.”
Nee, dat doet hij niet.
Hij wist: Het is een wet van Meden en Perzen; het is onherroepelijk. Dat kan niemand veranderen..
Daniël gaat niet naar de koning. Maar de Heere zal uitkomst geven.
Hij voelt dat die wet tegen hem persoonlijk gericht is. Het is boze opzet.
Daniël zoekt het bij God; hij schuilt bij Hem.
De Heere nodigt: “Roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.”
God is groot. Geen ding zal bij Hem onmogelijk zijn.

Daniël ging naar zijn woning. We moeten ons voorstellen, dat hij een riant huis gehad heeft met een plat dak. En op dat platte dak was een zaal gebouwd, een kamer gebouwd. Meestal was dat een vertrek waar je wat verkoeling zocht, als de hitte te groot werd. Want door die opperzaal kon de wind dan waaien.
Maar Daniël gebruikte die plaats, die rustplaats, die opperzaal daar boven op het dak als bidvertrek.
Hij ging naar zijn bidvertrek met open vensters naar Jeruzalem.

Soms kan het moeilijk zijn.
De zaken kunnen helemaal vastlopen.
Een “hopeloze” situatie…..
Maar Daniël ging in zijn opperzaal en knielde daar voor die open vensters ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds, precies zoals hij voorheen gedaan had. Dat was hij gewoon.
Wat bad hij?
“Mag ik tot U komen? Tot U Die in de hemel woont….. U, Wiens grootheid en eer te prijzen is. U komt alle lof en dank toe, U Die hemel en aarde hebt geschapen en Die Uw handen zelfs ná de zondeval van de mens, van deze wereld en van degenen die haar bewonen niet hebt afgehaald, maar Die in Uw goedheid en trouw nog zorgt voor mens en dier. Dat geeft mij reden om Uw Naam te danken en te prijzen. Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede, want Uw Naam is groot en luisterrijk. Zoals Uw Naam is, zo is Uw eer. En Uw Koninkrijk is een koningschap boven alles. Het betreft ook alles wat in de hemel en op de aarde is. Het is alles aan u onderworpen” ?
Daniël bad ook om vergeving van zijn zonde en schuld. Dat had hij ook nodig: vergeving van zijn zonde. En bewaring en Gods nabijheid.

Zei hij: Alle dingen zijn tegen mij?
Dat zei hij niet!! Daniël ontving genade om in zijn opperzaal te gaan en voor die open vensters te knielen, drie tijden ’s daags.
Wat hebben wij dat nodig: regelmatig tijd voor stilte, tijd voor bezinning en gebed.

Een Indiër die tot bekering gekomen was (zo'n man met een heel donkere huidskleur, uit India) hield in 1953, 1954 in enkele steden in ons land spreekbeurten - op uitnodiging van een zendingsvereniging.
In één van zijn bekendste toespraken, in een grote stad, vroeg hij: "Westerling, hebt u nog wel tijd om te lezen? Hebt u nog wel tijd om te bidden? Hebt u nog wel tijd om u te bekeren?"
Wat was die man opgevallen?
Dat al in de jaren vijftig de westerse mens voortjaagde!
Dat er geen tijd meer over dreigde te blijven voor God en voor de Heere Jezus Christus en voor de allerbelangrijkste zaken.

Hebt u nog tijd?
Buigt u echt nog uw knieën? Zoekt u regelmatig tijd om te bidden? Om met de Heere te spreken over de allerbelangrijkste zaken?
John Bunyan zegt zo treffend: “Bidden is oprecht, hartelijk en aanhankelijk het hart uitstorten voor God, door Christus, in de kracht van de Heilige Geest.” Wij mogen vragen om hetgeen de Heere beloofd heeft in Zijn Woord.
Er hoort bij: Niet zoals ik wil, maar zoals U wilt.
Buigen wij echt voor de Heere?
Bunyan zegt ook: Bidden is oprecht het hart uitstorten voor God. Deze oprechtheid is een genadegave. Bij gebed hoort oprechtheid. Als dat ontbreekt, is het voor God geen waar gebed.
Laten wij toch dikwijls vragen om de hulp van God de Heilige Geest!

Hoe bidt u? En wat bidt u?
Daniël boog zijn knieën - die gebedshouding.
Wij vouwen onze handen. Dat is capituleren, zoals de oude Germanen. Zij vochten dikwijls - met zo’n slagzwaard.
Als ze dreigden te verliezen - het zou slecht aflopen - staken ze hun zwaard in de grond en vouwden de handen - op de knop van het zwaard. Ze capituleerden.
Wij vouwen onze handen. Daniël knielde drie tijden ’s daags.
’s Ochtends je zonde en schuld belijden en de Heere loven en prijzen. ’s Ochtends vragen om wijsheid en genade en hulp en troost.
’s Middags de Heere zoeken en ’s avonds. Dat is buitengewoon zinvol.
De vensters waren open - naar de zijde van Jeruzalem.
Dat wist Daniël.
Jeruzalem is een prachtige stad. Iedereen die weleens in Jeruzalem geweest is, kan dat bevestigen. En dat Jeruzalems gesteente - goudkleurig gesteente is prachtig. En de bebouwing:
Stadsmuren en poorten. Onvergetelijk.
Open vensters naar Jeruzalem.
Maar Jeruzalem lag in puin. Het was immers de tijd van de ballingschap. Stad en tempel waren verwoest en verbrand - allerverschrikkelijkst. Hoe lag de stad erbij? Vreselijk.
En Daniël zelf? Hij had een hoge positie. Maar toch….. in Babel.
Hij wist van dat schrift van Darius de Meder. Dat was erg bedreigend.
Maar hij wist nog van een ander Schrift, wat getekend is. Hij wist, dat de Heere beloofd had: De ballingschap zal niet eeuwig duren. Eenmaal zal er herstel dagen.

Dat was een ander Schrift, wat oneindig veel meer waarde had - een profetie.
Welke profetie wilt u hebben? Een profetie van Jeremia?
Of Ezechiël 37 - Israëls herstel? Het visioen van de dorre doodsbeenderen. De Heere sprak: Profeteer Ezechiël. Zo zegt de Heere Heere: “Gij Geest kom aan van de vier winden en blaas in die dorre doodsbeenderen, dat ze levend worden.”
Die woorden zien op het herstel van Israël.

Profeteer en zeg tot hen: “Zo zegt de Heere Heere, Ik zal de graven openen! En zal ulieden uit uw graven doen opkomen. O Mijn volk, Ik zal u brengen in het land Israël, en gij zult weten, dat Ik de Heere ben.”
Of Daniël 9 ?
Dat is een ander Schrift dat er van spreekt.
Zeventig jaarweken zijn bestemd voor Uw volk en over Uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen en de ongerechtigheid te verzoenen en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Weet dan, en versta van de uitgang van het Woord, om te doen wederkeren en om Jeruzalem te bouwen tot op de Messias.
Daniël 9.
En ná die 62 jaarweken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.
Eenmaal zal de Messias er zijn. Hij zal uitgeroeid worden. Hij zal gekruisigd worden. Maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Hij heeft het voor zondaren willen doen.
Die profetieën en andere.
Daniël wist van deze Schriften. Dat was Gods belofte-woord.
Een rest van het volk zou terugkeren naar Jeruzalem. En de tempel zou herbouwd worden.

Dan kunnen de offers weer gebracht worden, en…. eenmaal zal de Heere Jezus Christus komen! Het Lam Gods Dat de zonde der wereld wegneemt.
In de loop der eeuwen zijn veel lammeren geofferd. Zij wezen heen naar het Lam.
Dat leefde in het hart van Daniël.
Zelfs al zou hij in de leeuwenkuil verscheurd worden - dan is dat toch niet het einde!
Zijn hoop en verwachting is gevestigd op het Lam van God, de Heere Jezus Christus.
Hij verwacht het van Hem. “Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.”
Augustinus zei terecht: In het Oude Testament wordt het Nieuwe verhuld; in het Nieuwe Testament wordt het Oude onthuld.
De Schrift getuigt van de Zaligmaker. Dat is van veel meer belang dan dat schrift van Darius - dat vreselijke bevel.
De profetieën vervullen Daniël met verwachting en blijdschap en lof en dank.
Wat de gevolgen ook mogen zijn - Daniël buigt zijn knieën, bidt en doet belijdenis. Hij looft en prijst de Heere ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds.
Het is duidelijk, dat de liefde van God in zijn hart is! En vertrouwen.
In zijn hart leeft:

Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan,
al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.

U bent het eeuwig waard, dat ik mijn knieën buig vanmorgen, vanmiddag en vanavond. Daar hebt U alle recht op.
Daniël bad in zijn opperkamer. De Heere had hem daar dikwijls bemoedigd, gesterkt en getroost.
Hebt u ook zo’n plekje? Kan dat van u gezegd worden?
Buigt u uw knieën? Daar weet de Heere van.
Wij zijn niet geschapen voor het materiële alleen.
De Grote Catechismus van Westminster begint met de vraag: Wat is het voornaamste en hoogste doel van het leven van de mens?
En het antwoord: “Het voornaamste en hoogste doel van het leven van de mens is de verheerlijking van God en het zich in Hem ten volle en eeuwig verheugen.”
U bent voor de eeuwigheid geschapen.
In het paradijs zijn wij van God afgegaan. Wij zijn hoogmoedig geworden en hebben gegrepen naar de verboden vrucht. Wij zijn er niet gelukkig mee, dat wij gezondigd hebben. We zijn van God vervreemd.
De Heere nodigt: Keert weder, gij afkerige kinderen en Ik zal uw afkeringen genezen.
Maar….. keren wij terug??

III

De ware aanbidding…..
Daniël bad zoals hij dat gewoon was - regelmatig - ’s ochtend, ’s middags en ’s avonds in een kamer op het platte dak van zijn prachtige/ruime woning.
Dat was immers zijn bidvertrek.
Er staat in de tekst, dat het een opperzaal was met open vensters. Dat zijn vensters zonder tralies. Echt open vensters, zodat niets zijn uitzicht belemmerde in de richting van Jeruzalem. In de richting van stad en tempel met de dienst der verzoening. God geeft open vensters. Hij geeft zicht op Zijn Zoon.
God gaf Zijn Zoon! Hij is gekomen, als een Kindje gelegd in de kribbe in Bethlehem. Hij heeft hier op aarde geleefd. Hij heeft hier wonderen gedaan! Maar vooral: Hij is gaan lijden en gaan sterven aan het einde van Zijn leven. Ja, eigenlijk moet je zeggen: Hij heeft heel Zijn leven geleden en in benauwenis door gebracht, omdat Hij hier op aarde was temidden van de zonde.
Maar het grote lijden, dat kwam aan het einde van Zijn leven.
Dan wordt de Heere Jezus van God verlaten. Dat gebeurt vanaf Gethsémané; dat gebeurt voor de rechters hier op aarde en dat gebeurt vooral aan het kruis, als van twaalf uur ’s middags tot drie uur ’s middags het donker wordt op Golgotha. De aarde spot en joelt om het kruis.
Ze vinden dat Jezus het niet waard is, om hier op aarde nog één voetstap te zetten! Ja, ze zoeken Zijn dood.
Maar de hemel sluit zich ook toe voor de Heere Jezus, nota bene.
Hij van God verlaten, lezen we in ons oude avondmaalsformulier, opdat de kerk van de Heere mag zeggen: opdat wij nimmermeer van God verlaten zouden worden.
Zó heeft Christus voor de zonde geleden!
En voor de zonde betaald!
Hij bracht het Offer aan het kruis - voor onze schuld.
Hij mocht zeggen: “Het is volbracht!” De prijs is betaald.
De weg is open! Door het werk van Christus. Door het bloed van het Lam!
De weg is vrij! U mag komen in uw gebed. U mag komen met uw schuld. De Heere ontvangt zondaren! Niet om u of jou, maar alleen om Christus’ wil.
Verstaat u dat? Staat het ook in uw hart gegrift?
Het kan alleen om de Borg.
Kom als een bedelaar/smekeling. Buig uw/jouw knieën. “Genâ, o God, genâ.”
Bidt u dat?
Belijden wij onze zonden? De fraudes in de belastingen? Dat leugentje om bestwil. Die onreine gedachte in het huwelijk of voor het huwelijk? Die begeerte? Al onze gedachten, begeerten en gevoelens zijn met zonde bevlekt.
Die nijd en die jaloezie? Dat mopperen over het gezag van je ouders? Die klakkeloze manier waarop vaders en moeders het gezag bekleden naar hun kinderen?

Mag ik u vragen: Wie bent u?
En wat zegt u tegen God, als u in het gebed tot Hem nadert?
Komt u als een arme zondaar? die het eerlijk moet zeggen, ook al gebruikt u misschien andere woorden, maar eerlijk moet zeggen: Heere, ik ben het niet waard, dat U ooit nog naar me om zou zien.
De belijdenis van de verloren zoon: Vader, ik heb gezondigd en ben het niet waard, dat U ooit nog naar me om zou zien.
Daar wacht de Heere op - op die jongen of dat meisje, dat ze zó tot Hem vluchten.
Of die wat oudere broeder die nog onbekeerd is, nog ongered.
Heere, ik ben het niet waard.
De Heere ontfermt Zich op het gebed. Niet om het gebed, maar op het gebed.
Het kan uitsluitend om Christus’ wil.

Open vensters naar Jeruzalem. Dat is sprekend. In Jeruzalem was de dienst der verzoening. Daar werden in oude tijden de lammeren geslacht die heen wezen naar het Lam van God.
Bloed spreekt van verzoening van zonde, van volkomen vergeving en eeuwig leven, ziende op Christus.
Open vensters naar Golgotha! en Paasmorgen.
Van binnenuit heeft Christus de dood overwonnen!

Al zou Daniël in de leeuwenkuil omkomen, dan zou dat toch niet het einde zijn! Dan mag hij eeuwig zingen van Gods goedertierenheid. Dan mag hij voor eeuwig thuis zijn, bij de Heere.

Het was absoluut een zware beproeving.
Als u van iemand anders, of het nu een God is, of een mens, wat bidt, dertig dagen lang, u wordt in de leeuwenkuil geworpen!
Wat zou u doen? Zou u zeggen: Ik pas wel op; ik ben voorzichtig. Als er zo’n straf op staat: de leeuwenkuil.
Een jongen zegt: Ik zou bidden op een plaats waar niemand mij kan zien.
Of een ander zegt: Dertig dagen gaan snel voorbij. Ná die dertig dagen bid ik weer drie keer op een dag.
Nee. Daniël boog zijn knieën! Zichtbaar.
De vijanden hoefden niet te zeggen: We hebben een vermoeden dat…. Nee, ze konden zeggen: We hebben het duidelijk gezien. We hebben het geconstateerd. Hij lag op zijn knieën en bad - drie keer op de dag, nota bene.

Hij deed belijdenis.
Niets verbergt hij voor de Heere.

'k Bekend', o HEER, aan U oprecht mijn zonden;
'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;
Maar ik beleed na ernstig overleg,
Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg.
Dies zal tot U een ieder van de vromen,
In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen;
Een zee van ramp moog' met haar golven slaan,
Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

Ook de Heere loven en prijzen.
De apostel zegt: Laat uw begeerten in alles door bidden en smeken met dankzegging bekend worden bij God.
Het is: bidden en danken. Danken en bidden.

Bidt u? Is het uw behoefte tot God te gaan? Op gezette tijden?
Maar ook spontaan? Bidt u, dat de Heere doorwerkt in de families, in de gezinnen, in de harten van klein en groot? Dat het wonder gebeurt, dat de Heere uw zoon toebrengt, uw dochter bekeert en vernieuwt? Laten we onze kinderen en kleinkinderen met onze gebeden omringen.
Bidt u om de zegen van de Heere voor dit leven en voor het eeuwige leven?
Bidt u straks voor de nieuwe regering? Voor onze koning en koningin? Voor land en volk?
“Heere, wees met het Oranjehuis. Wilt U onze koninklijke familie voor Uw rekening nemen?”

We leven in fel bewogen tijden! En geestelijk staat het er in West-Europa niet zo goed voor.
Er heerst veel oppervlakkigheid.
Veel kwesties worden opgeroepen door de waan van de dag.
Wie vraagt er nog naar de grote Bijbelse kernwoorden “zonde en genade” ??
De grote massa vraagt daar helemaal niet naar.
Broeders en zusters, jongens en meiden in de kerk, laten wij zeer regelmatig bidden voor West-Europa, voor ons land, voor onze overheid, voor ons vorstenhuis: “Heere, in de samenleving die wij rondom ons heen zien, en waarvan we deel uitmaken, is ook zoveel niet naar Uw wil. U moet veel verdragen in Nederland: abortus, euthanasie….. en het goede wordt kwaad genoemd en het kwade goed.
Dat belijden we ook oprecht in deze bidstond.
Wilt U nog lankmoedig zijn?
U zegt toch dat de oordeelsdag komt?! Maar dat zij nog niet gekomen is, omdat U wil dat er nog toegebracht worden. O laten het er velen onder ons zijn. Laten het er velen uit Nederland zijn. Laten het er velen uit onze kerken zijn.”

We bidden om Uw zegen over ons werk. We bidden voor onze overheden. Wilt U hen leiden in wijsheid? Om ook de goede beslissingen te nemen in deze tijd, waarin zoveel vragen zijn, politieke vragen die de aandacht vragen. Bovenal dat onze overheden meer gericht mogen zijn op het echte geestelijke welzijn van jong en oud.
Dat de ogen vooral op U mogen zijn, om het van U te verwachten, Die mildelijk geeft en Die nooit verwijt.
We bidden voor een wereld in nood. Bewaar ons voor oorlog en rampen.

Drie tijden ’s daags. U vindt het ook in de Psalmen. Psalm 55 - “mij aangaande, ik zal tot God roepen en de Heere zal mij verlossen. Des avonds en des morgens en des middags zal ik klagen en Hij zal mijn stem horen.”
De Heere zal je/uw stem horen, om Christus’ wil. Om het bloed van de Zaligmaker.

Daniël bad in tijden van beproeving.
U/jij kunt een moeilijke weg hebben.
De Heere Jezus bad: Uw wil geschiede.
Als je daarop mag zien, door het geloof - ook al gaat het door de nevels en de schaduwen heen - en je mag Hem volgen, dan ga je ná bidden - o, ik weet het: met allerlei vragen misschien in je hart: “Heere, Uw wil geschiede - de Uwe alleen, zowel in de hemel, als hier beneen.”
Dan mag je ook ontdekken, dat deze Heere Jezus juist als de lijdende Borg in Gethsémané en op Golgotha de medelijdende Hogepriester is, Die in alle dingen verzocht is geweest.
Hij weet ervan af! Dat is een rijke troost.

“Bidt zonder ophouden.” Nehemia bad terwijl hij voor de koning stond. Stefanus bad terwijl hij gestenigd werd, nota bene.
Paulus bad, in de zware storm, voor de redding van zoveel arme mede-gevangenen.
Bidt zonder ophouden - hoe de omstandigheden ook zijn.
Daniël wist niet hoe het zou aflopen. Hij bad in tijden van beproeving.
De psalmdichter zingt: Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend.
U en ik weten niet wat het komende seizoen zal brengen. En hoe eenmaal op aarde uw leven zal eindigen.
Maar….. is uw hoop, uw verwachting op God gevestigd? op God in Christus?

Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven;
Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt,
Uw rechterhand
Zal redding geven.
De HEER is zo getrouw, als sterk;
Hij zal Zijn werk
Voor mij volen - den,
Verlaat niet wat Uw hand begon,
O Levensbron,
Wil bijstand zenden.

Amen.