Daniël 3: 16-18 'De oven des brandenden vuurs' ds. P. van Zonneveld

Geloofsstandvastigheid ondanks een brandende oven

Predikatie door Ds. P. van Zonneveld

Ps. 108: 1
Lezen: Daniël 3: 14-27
Ps. 66:4 en 5
Ps. 118:3
Ps. 46:1

„Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden. Zal het zo zijn, onze God, Die wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.
Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden .. .
Hij (Nebukadnezar) antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden".
Daniël 3: 16-18 en: 25

Een baken in zee moet vast zijn. Schippers - zullen ze geen schipbreuk lijden - moeten er op aan kunnen.
Er komen wat krachten af op zo'n baken! Huizenhoge golven rollen, slaan er tegen aan. Orkanen loeien en beuken het. Het baken trilt, siddert, verdwijnt, overspoelt door het op en aangezwiepte water. Toch - even zoveel keer, 'komt het weer naar boven, precies op dezelfde plaats.
Er zijn vandaag niet zoveel vaste mensen meer. Helaas ook onder 'het kerkvolk niet. Er zijn velen op drift geraakt. Principes worden overboord gegooid. Als een blad aan de boom draait men soms om. Wat eerst niet kon en mocht, kan en mag opeens wel.
Ik bedoel hier geenszins in 't gevlei te komen vaan 'hen, die leven van gebod op gebod en regel op regel. De praktijk toont aan dat heel hun vastheid slechts ten dele is. Veelal slechts voor 't oog van anderen. Om wat te zijn.
Allerlei krachten en machten breken vandaag las. 't Gaat naar de tijd van het beest uit de zee en het beest uit 'de aarde. Satan, die ontbonden wordt.
Zullen we niet uit de koers raken, zullen we niet overspoeld worden en ten ondergaan, dan moet er iets zijn dat ons op de plaats vasthoudt, dat ons overeind houdt. Dus iets, dat bestand is tegen alle krachten en machten, een bepaald iets.
Het is een bekende geschiedenis die van Sadrach, Mesach en Abed,nego. Ook aangrijpend, ontroerend. Ze vreesden zelfs niet een brandende oven. Ze bleven vast op de plaats. Niets kon hen daarvan wegkrijgen.
Diep respect vervult ons. We staan verwonderd.
Maar er komt ook een vraag op. Wat toch is het geheim dat ze staande bleven? Waarom toch kreeg die machtige koning Nebukadnezar hen niet door de knieën?
Echter er is nog iets, dat onze aandacht moet hebben. Neen dat is niet de wonderlijke bewaring in en de verlossing uit de brandende oven. Dat is dat de Heere er Zelf temidden van de vlammen.
Gods Woord doet ons horen:
GELOOFSSTANDVASTIGHEID ONDANKS EEN BRANDENDE OVEN.
We zien:
1e hoe deze blijkt,
2e waaruit deze opkomt,
3e wat deze geeft.
In het dal Dura, in de nabijheid van Babel, is een groot beeld opgericht. Het is 36 meter hoog en ruim 3 meter breed. Een kolossaal beeld dus. Bovendien - het is helemaal van goud. Wie, over de hoogten om het dal heen, aankomt, ziet reeds van verre het beeld staan. Het schittert naar alle kanten. De gloed van de zonnestralen wordt door het goud weerkaatst.
Nebukadnezar, de grote en machtige koning van het Babylonische rijk, heeft de opdracht voor de oprichting van dit beeld gegeven. De bedoeling daarvan laat zich wel raden. Neen het moest niet een of andere god van Babel voorstellen. Het moest de uitbeelding zijn van de grootheid, de macht, de heerlijkheid van het Babylonische rijk. Nog beter gezegd: van de koning van dat rijk zelf. Dus van Nebukadnezar. Dat beeld was demonstratie van de duizelingwekkende hoogte waar Nebukadnezar opgeklommen was. Alles was hem onderworpen. Alles sidderde en boog voor hem. Zijn wil, zijn woord was wet. Hij kon maken, en hij kon breken.
Denk nu niet, dat koning Nebukadnezar tevreden was toen het beeld stond opgericht in het dal Dura. Het was hem niet genoeg, dat de mensen zijn beeld konden zien en bewonderen. Men moest het beeld ook aanbidden, dat wil zeggen: goddelijke eer geven.
Terwille van het beeld, zal er in het dal Dura een groot feest worden gehouden. Het wordt genoemd het feest ter inwijding van het beeld. Daartoe worden alle groten van het rijk uitgenodigd: de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden en al de heerschappers van de landschappen. Voorwaar - een indrukwekkende reeks van voornamen des lands. Vandaag zouden we ze noemen de ministers, de commissarisen, de rechters, de advocaten, de burgemeesters, de inspecteurs van de belastingen, de voorzitters van de vakbonden en van de middenstand.
Zonder meer kunnen we dit inwijdingsfeest noemen een godsdienstig feest. Er is immers sprake van aanbidden. Al die excellenties, edelachtbare en weledelgestrenge heren zullen op bevel van Nebukadnezar moeten knielen voor het beeld, en alzo het beeld goddelijk eer moeten betonen. Een nieuwe godsdienst wordt hier door Nebukadnezar ingevoerd. Hier is staatsalmacht, die leidt tot staatsgodsdienst. Huiveringwekkend! De staat die voorschrijft welke god u mag aanbidden!
Dat het een echt godsdienstig feest zal worden, blijkt ook daaruit, dat er muziek zal zijn. Een hele rij van muziekinstrumenten wordt in het teksthoofdstuk opgesomd. Muziek zal er ten gehore worden gebracht op het inwijdingsfeest. Muziek van allerlei instrumenten zal opklinken in het dal Dura; en op datzelfde moment zal ieder moeten neerbuigen voor 'het beeld. Dat is dus niet zo maar muziek. Muziek aangepast aan dit godsdienstig gebeuren. Dus stemming volle muziek. U zoudt zelfs kunnen spreken van ,,gewijde" muziek.
Het wordt derhalve een wondermooi feest voor de onderdanen van de koning van Babel. Een gouden beeld, ieder in vol ornaat, en ontroerende muziek.
Echter er is een schaduwkant. De machtige koning weet opperbest dat er spelbrekers kunnen zijn. Alles is welp terdege georganiseerd. `t Feest kan - om zo te zeggen - niet mislukken. Maar toch - elke dictator weet ervan - mensen zijn soms zo eigenwillig, zo eigenwijs. Zoals de wind wil, gaan de wolken. Doch mensen zijn niet altijd als de wolken. Ze gaan soms precies de andere kant uit.
Dat nu moet voorkomen worden. Het feest mag niet bedorven worden, door niemand. Daarom wordt er een brandende oven gemaakt in de nabijheid van het dal Dura. Ieder, die op het feest het beeld niet aanbidt, zal in de brandende oven geworpen worden.
Ook Nebukadnezar wist het dus, dat ons hart vervuld wordt met vrees en angst als; de dood nabij komt. Men kan hard roepen: dood, is dood. Maar wanneer de dood in het gezichtsveld, komt, dan vergeet men dit. Dan wordt het hart samengeknepen van bangheid. Dan samen tot alles in staat en 'bereid om de dood maar te ontvluchten. Nebukadnezar speculeert op die vrees. De brandende oven is een middel om het feest te doen slagen, om elke onwillige gewillig te maken.
Er is ook nog geheime politie. Ze heten Chaldeeuwse mannen. Ze krijgen de opdracht om op het inwijdingsfeest op ieder nauwlettend acht te geven. Ze moeten terstond rapporteren aan Nebukadnezar, als er toch nog zijn die het beeld niet aanbidden.
Zo breekt de dag van het feest aan. Een grote mensenmenigte stroomt naar het dal Dura. Daar staat het gouden beeld te stralen in al z'n pracht. Ogen blikken vol bewondering. Heel de elite van het Babylonische rijk plaatst zich nu rond het beeld. Ze staan daar stram in de houding voor het beeld van hun machtige koning. Ook de muzikanten nemen hun plaats in. Het hoogtepunt van het feest nadert. Daar opeens klinkt de muziek op; en op datzelfde ogenblik zien we heel de mensenmassa neervallen op de knieën. Ieder aanbidt het gouden beeld van Nebukadnezar, hetzij gewillig hetzij onwillig, men aanbidt, men bewijst het beeld goddelijke eer.
Echter.., op drie na. U ziet het terstond. Ze vallen zo maar op. De spionnen van Nebukadnezar hebben er echt geen moeite mee. Drie blijven recht op de benen staan,ondanks het bevel van de koning, ja - ondanks de brandende oven. Hoe blijkt hun moed! Hoe blijkt hun standvastigheid. Onverschrokken, onbevreesd staan ze daar recht overeind.
De geheime politie snelt er direct op af. Zich bewust van hun gewichtigheid schrijven zij de namen van de overtreders op: Sadrach, Mesach en Abed-nego. Het blijken drie jonge Joodse mannen te zijn. De Chaldeeuwers gnuiven. Mooier kan het niet. Ze zijn vervuld met haat tegen al wat Jood is. Met vreugde in het hart spoeden zij zich naar hun koning. Hoor ze spreken: „deze drie, o koning, hebben op u geen acht gesteld; uw goden eren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan".
Nebukadnezar wordt boos, zeer boos. Hij geeft terstond bevel om Sadrach, Mesach en Abed-nego voor te leiden. Wanneer zij staan voor de majesteitelijke troon, komt de vraag van de koning: „is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed--nego, dat gij mijn goden niet eert, en het gouden beeld niet aanbidt?" Ze krijgen opnieuw gelegenheid om hun keuze te bepalen: óf aanbidden van het beeld óf geworpen worden in de brandende oven. Nebukadnezar voegt er aan toe: „en wie is de god, die ulieden uit mijn handen verlossen zou?" Daaruit blijkt de trotsheid en de verwaandheid van deze mens. Hij is de tot god geworden mens, almachtig. Althans - zo beziet hij zichzelf.
Wat zullen Sadrach, Mesach en Abed-nego nu doen? Ze krijgen nog een kans om hun leven te redden. Alleen maar zeggen dat ze niet met opzet zijn blijven staan, dan zullen ze niet worden geworpen in de brandende oven, dan zullen ze gered zijn, dan zullen ze leven!
Verbazingwekkend is hun antwoord: „wij hebben niet van node u op deze zaak te antwoorden. Wij zullen uw goden niet eren, en wij zullen het gouden beeld niet aanbidden. Het zij u bekend, o koning".
Ze wijken niet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, geen duimbreed. Kort en bondig geven zij de koning antwoord. Neen - ze draaien er niet om, heen; ze zoeken niet een tussenoplossing; ze gaan er zelfs niet eens over praten. Ze vrezen de machtige koning niet, zelfs niet een brandende oven. Niets doet 'ze door de knieën gaan.
U ziet hoe hun standvastigheid blijkt.
Hoe is het met onze standvastigheid? Ouderen, die ja hebt gezegd op de vragen of u „in deze leer standvastig zult blijven in leven en in sterven"; jongens en meisjes met dat gedoopte voorhoofd, blijkt ook jullie standvastigheid?
Dat van Sadrach, Mesach en Abed-nego is al zo'n 2500 jaar geleden. Johannes op Patmos heeft echter gezien, dat de dingen zich gaan herhalen. Er zal straks weer een beeld zijn. Het beeld van het beest, dat de wond van het zwaard had en weer leefde. Opnieuw zullen de mensen gedwongen worden te aanbidden; en wie niet aanbidt, zal gedood worden.
Intussen zijn er ook vandaag de anti-christelijke machten. De draak is immers op de aarde geworpen? Hij oefent zijn macht uit hier op de aarde; en het is om 't even of hij dat doet in de gedaante van een engel des lichts, of in de gedaante van een briesende leeuw - hij zoekt wie hij zou kunnen verslinden, in Rusland, in Oeganda en in Nederland. De duivel duldt niet dat we staande blijven als de massa knielt voor de goden van de tijd. Hij verdraagt niet wanneer we anders zijn, anders doen, anders spreken.
Naar het bevel van Christus: „gij geheel anders" zullen we het anders moeten handhaven. Wel in de wereld, maar niet van de wereld.
Laten we maar eerlijk zijn - hoeveel kerkmensen niet knielen vandaag zonder slag of stoot neer? Er is geen brandende oven; ons leven is er niet mee gemoeid, Althans hier niet en nu niet. Doch wat een bevreesdheid voor wat spot en hoon. Doch wat een bangheid reeds voor een paar schimpscheuten. De rillingen kunnen al door ons heengaan, als we uitgemaakt worden voor achterlijk, ouderwets of een fijne. Daar is een schoollokaal, een schaftkeet of een kantine. Vouwen we de handen nog of wijken we reeds? Schamen we ons ook al als er in ons gezin meer dan twee kinderen zijn? Maken we thuis spektakel, omdat we op het schoolplein uitgelachen zijn vanwege onze kleding of omdat we twee keer naar de kerk gaan? Houden we de mond als de Naam van God wordt misbruikt? Lachen we mee als er vuile praat wordt gedaan, als de mooie dingen door het slijk worden gehaald? Kijken we ook al naar de televisie om er de volgende dag toch vooral over mee te kunnen praten? Durven we op onze verjaardagen en bruiloften niet meer aan een geestelijk gesprek en het zingen van een psalmvers?
De duivel is voor gelijkheid. Er mag geen onderscheid zijn.
Elk verschil moet uitgebannen worden.
Hoe kunnen wij nu tegen die machtige duivel op? Hoe kunnen wij nu staande blijven? Wat houdt alleen overeind? Wat was dat eigenlijk bij Sadrach, Mesach en Abed-nego? Wat was het geheim van hun standvastigheid?
Dit brengt ons tot het tweede: waaruit die standvastigheid opkomt.
Met nadruk moet eerst gezegd worden: die drie hadden die moed, die kracht niet van zichzelf. Van zichzelf zijn ze helemaal gelijk aan ons: bang, vreesachtig, boordevol angst, vooral als het leven op 't spel komt te staan. Iemand zei eens: „ik zal wel de eerste zijn die de Heere verloochen en die neerkniel". Nu - dat getuigt van zelfkennis. Wij zijn zwak van moed, en klein van krachten. Nooit uit en van onszelf zeggen wij neen, als er een brandende oven op de achtergrond is, als de dood in het vizier komt, als het ons het leven kan kosten. Gods Woord tekent ons als liefhebber van onszelf, Daarom. - koste wat het kost, wij willen ons bij het leven bewaren.
Waarom dan gaan Sadrach, Mesach en Abed-nego niet overstag? Waarom dan aanbidden ze het beeld van Nebukadnezar niet? Wel - ze zeggen de koning heel duidelijk waarom ze dat niet doen. Zij. eren God.
Dit zijn slechts een paar woorden. Maar ze vormen de spil van alles, dat waar het op aankomt. Dit is hét geheim, waarom ze de goden van Babel niet eren en het gouden beeld niet aanbidden. Dit maakt hen tot eenlingen in het grote Babylonische rijk. Dit maakt hen anders dan anderen. Dit doet staande blijven als anderen knielen. Ja - dit houdt overeind ondanks een brandende oven. Dit is de wortel, waaruit :hun standvastigheid opkomt.
Zij eren God, de enige en waarachtige God. Hoe zouden ze andere goden kunnen eren? Die zijn er niet. Er is geen god naast God. Hoe zouden ze het beeld van Nebukadnezar kunnen aanbidden, en alzo goddelijke eer betonen? Dat zou loochening zijn van de levende God. Dat zou ontering van, ja smaadheid zijn voor die God. Diep beledigend, tergend, een gruwel!
Als vanzelf komt in gedachte het woord van de Heere Jezus in idie woestijn der verzoeking. Satan zegt daar: „al deze dingen zal ik U geven, indien Gij nedervallende, mij zult aanbidden".
U kent :het antwoord van de Heere Jezus: ,,de Here, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen". Dat staat er geschreven. Dat is de eis van God.
Die eis komt tot ons allen. „Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben". Gij zult alleen Mij dienen, eren en liefhebben. Buigen wij ander die eis?
Onze tijd wemelt van allerlei goden. Er is de god van ons eigen ik, van de materie, van de voetbal, van de sex, van de alcohol, van de drugs, van de televisie; er is de god van de techniek en van de wetenschap. Daarom nogmaals die vraag: buigen wij onder de eis van. God? We kunnen ons niet beroepen op onze onmacht om aan die eis te voldoen. Want God heeft ons in Adam goed en naar Zijn evenbeeld geschapen. We kunnen ons niet verontschuldigen.
Bovenal God gis het zo waard om geëerd en aanbeden te worden. Hij is God, onze Maker. Hij is de enige, de levende, de heilige God. Daarom - buigt u voor Hem neer.
Het eren, het vrezen van de Heere is kenmerkend voor de waarachtige bekering, de bekering tot God. Dit eren, dit vrezen bloeit op uit de wedergeboorte door de Heilige Geest. Door het werk van de Heilige Geest sterven we af aan onze ik-gerechtigheid, aan onze eigenliefde. Daardoor komt God voorop te staan, gaat ons hart, ons leven zich richten op God, gaan wij in alles bedoelen Gods eer en verheerlijking. Dan kunnen we niet buigen voor de goden van onze tijd. Dan kunnen we niet het gouden beeld aanbidden. Dat is een onmogelijkheid. Zelfs niet al brengt het ons schade aan, al kost het ons veel, ja - al kost het ons het leven. Hier geldt het: „wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, eeuwig verliezen". Hier geldt het: „vreest niet degenen die het lichaam kunnen doden, maar vreest veeleer hem die de ziel kan doden".
Horen jullie dat, jongens en meisjes? Horen we dat, ouderen? Het komt uit in het leven van elke dag, of we waarlijk bekeerd zijn. Het komt uit op het schoolplein, in de omgang met je vrienden of vriendinnen; het komt uit in het huisgezin; het komt uit op alle terreinen van het leven. De echte bekering openbaart zich in het eren van God, in het aanbidden van Hem. Er kan geen sprake zijn van een én - én. Niemand kan twee heren dienen. Het is óf haten óf liefhebben. Wie hier wil gaan praten, verliest onherroepelijk. Sadrach, Mesach en Abed-nego zeiden neen, onherroepelijk neen. Wat de gevolgen dan ook zijn. Heus - we redden het vandaag echt niet met wat geloof, met wat praten, met wat godsdienst, met wat handhaven van vormen en tradities. Alleen de vreze des Heeren die houdt overeind, nu en ook straks.
Denk nu niet, dat we geworpen worden op onszelf. O neen! We worden geworpen op de belofte van de Heilige Geest. Hij is en wordt ons toegezegd. Die Geest, Die het kinderlijk ontzag, eerbied en liefde voor de hoge en grote God werkt. 't Is onze kwaal steeds weer te menen dat we zelf kracht hebben. Maar de Heilige Geest ontneemt ons alle eigen kracht. Hij breekt tot de grond toe af. Hij maakt zwak, alleen maar zwak. Hij leert mij dat ik tot alles in staat ben, ja tot verloochening van de Heere, zelfs tot aanbidden van het beeld van het beest. Doch als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Dan sta ik door de kracht van Christus; en in die kracht overwinnaar, ja meer dan overwinnaar!
Er is in de tekst sprake van een tweede wortel, waaruit de standvastigheid opkomt. Dat is het geloof. Daarom moeten we spreken van geloofsstandvastigheid ondanks een brandende oven.
Hoort u maar wat Sadrach, Mesach en Abed-nago zeggen als zij staan voor koning Nebukadnezar: „onze God is machtig ons te verlossen uit de oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen". Nebukadnezar had verwaand gezegd: „wie is de god, die ulieden uit mijn handen verlossen zou?" Welnu - dit is het antwoord daarop. Zij zien van die machtige koning op naar omhoog, naar de almachtige God. Ze doen geloofsbelijdenis. Ze spreken uit wie en wat God is. God is machtiger dan Nebukadnezar. Hij is almachtig. Dies hebben zij niet te vrezen. Hij zal ons bewaren zelfs in een brandende. oven. Hij zal ons uit uw hand, b koning, verlossen!
Hoe spreekt hier het geloof! Het geloof, dat alleen maar steunt en leunt op wie en wat God is. Welk een woord van sterk vertrouwen! Onze God kan en zal ons verlossen.
Dat heeft de Heere toch ook beloofd? ,,U zullen als op Mozes beé, wanneer uw pad loopt door de zee, geen golven overstromen". „In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen". „Ziet Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld". „Vrees niet, gij klein kuddeke, Ik zal u niet begeven en niet verlaten". Rijke toezeggingen temidden van verdrukking, vervolging en benauwing. Om onbevreesd te staan, zelfs voor machtige koningen. In dat geloof, dat alleen maar ziet op de Heere, Die doet al hetgeen Hij gesproken heeft, de Waarachtige en de Getrouwe.
Nu moet u er wel goed op letten, dat Sadradh, Mesach en Abed-nego de Heere niet dwingen. Ze belijden Gods almacht om te verlossen. Ze voegen er evenwel aan toe: „maar zo niet". Dat betekent geen twijfel aan de almacht Gods, neen - dat wil zeggen, dat ze de Heere vrij laten. 't Is voor hen geen uitgemaakte zaak, dat de Heere ze ook metterdaad verlost uit de oven van brandend vuur en uit de hand van Nebukadnezar.
Dus het eren van God, het blijven eren van God hangt bij hen niet af van het al of niet verlost worden.
Ze zijn er die zich hebben afgekeerd van de Heere en Zijn dienst, omdat ze teleurgesteld zijn in de Heere, omdat Hij niet heeft voldaan aan hun verwachting van Hem, omdat Hij niet heeft gegeven wat zij wilden.
We zullen goed eraan moeten denken, dat God er niet is om ons mensen. God is geen dienstknecht van mensen. Hij is er niet om ons op onze wenken te bedienen. Wie zo God dient, heeft slechts zichzelf op 't oog. Dat is godsdienst vanuit een egoïstisch motief; en zulk een godsdienst is totaal verschillend van de echte Gods, vreze.
Wij zijn er om God. Het doel van onze schepping was God loven en prijzen. Door herstellende genade wordt dat weer het doel. God komt centraal te staan. God gaat in alles voorop. De echte Godsvreze bedoelt Gods eer en verheerlijking.
Zo staan Sadrach, Mesach en Abed-nego vast in het geloof, Niets brengt ze aan het wankelen, niet de macht van Nebukadnezar, zelfs niet een brandende oven. Omdat ze echt de Heere vrezen. Omdat ze leven uit het geloof.
Dit geloof doet zelfs zingen, ja - zingen temidden van benauwdhed.
Dit:
Ik werd benauwd van alle zijden,
En riep den Heer ootmoedig aan.
De Heer verhoorde mij in 't lijden,
En deed mij in de ruimte gaan.
De Heer is bij mij, 'k zal niet vrezen;
De Heer zal mij getrouw behoèn;
Daar God mijn schild en hulp a wezen,
Wat zal een nietig mens mij doen?
We zijn nu gekomen aan het derde: wat geloofsstandvastigheid geeft.
't Is een misvatting als u denkt dat geloofsstandvastigheid geeft bewaring voor de brandende oven. We zien wel anders, Sadrach, Mesach en Abed-nego komen in de brandende oven!
Nebukadnezar wordt uitermate boos. Als hij het onverbiddelijke neen van Sadrach, Mesach en Abed-nego heeft gehoord, dan kan hij zich niet langer beheersen. Terstond geeft hij de opdracht de oven zevenmaal heter te maken. Een aantal sterke, gespierde mannen wordt uitgezocht. Die moeten de drie binden en werpen in het vuur.
Zo ziet u Sadrach, Mesach en Abed~nego gebonden worden in hun eigen kleren en in die van anderen. Hun hoofd, hun armen, hun benen, t een na het ander verdwijnt. Ze worden helemaal ingewikkeld, omwikkeld. Niets kunnen ze meer bewegen. Ze kunnen straks niet meer wegsnellen uit de hitte van het vuur; ze kunnen straks zelfs niet meer het aangezicht bedekken voor de verschrikkelijke vlam.
Wanneer ze zo ingewonden zijn, worden ze door de breedgeschouderde soldaten opgeheven en gedragen naar de brandende oven, en zie de een na de ander wordt er midden in geworpen; vonken - door hun val in het vuur - vliegen op, spatten naar alle kanten. Een vonkenregen daalt neer op de beulen. De hitte vliegt hen aan. Hoe sterk ze ook zijn - de adem wordt ze afgesneden, ze verschroeien, ze bezwijken, ze vallen neer, ze blijven allemaal dood liggen bij die vurige oven. Zo heet is het vuur, dat al hun kracht er niet tegen bestand is. Ze smelten als was; en de (drie, Sadrach, Mesach en Abed-nego, wat gebeurt daar mee? Wat geeft geloofsstandvastigheid?
Koning Nebukadnezar is op een afstand aan het toe kijken. Hij wil het bewijs, dat er geen god is Die het drietal uit zijn hand kan verlossen. Hij is immers de grote koning, almachtig? Dat moet nu bevestigd worden. Daarom - niets ontgaat hem; nauwlettend geeft hij acht.
Opeens... ontzetting grijpt hem aan. Hij staat op en snelt naar zijn raadslieden. Die moeten hem nu raadgeven. Want hij heeft gezien het drietal niet meer gebonden, los wande'lende, ja ,. wandelende in de brandende oven; en wat hem het meest ontstelt, is, dat hij er vier ziet. Drie erin geworpen, en nu vier! Ja - en Nebukadnezar ziet dat heel goed: de gedaante van de vierde is gelijk eens zoons der goden.
Op ditzelfde moment - als hij geplaatst wordt voor de openbaring van de enige, ware God, de God, Die hij niet kent, de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego - knakt heel zijn grootheid en verwaandheid. De openbaring is als het vuur van de brandende oven; die openbaring verteert al de eigendunk en eigenwaan van deze trotse mens.
Welk een boodschap hier. Velen hebben God uitgebannen. 't Is geworden de mondige mens, onafhankelijk, de tot God geworden mens. Doch als God Zichzelf openbaart, als de aarde beeft, als orkanen gaan loeien, als waterstromen woestbruisend worden, als bliksemstralen neerschieten, als epidemieën om zich heen grijpen, dan, dan is de mens alleen maar mens, klein en nietig, dan verdwijnt alle grootspraak, dan smelt alle trots als sneeuw voor de zon, dan is het reeds: bergen valt op ons, en, heuvelen, bedekt ons voor het aangezicht van Hem, Die op de troon zit, dan is er slechts benauwdheid.
Hoe geheel anders is het met Sadrach, Mesach en Abed-nego in de brandende oven! We zijn geneigd om te zeggen: daar is het benauwd, tot stikkens toe. Echter - zo is het niet. Precies andersom! De apocriefe boeken vertellen, dat ze gezongen hebben. Dit lied: „vuur en hitte, looft de Heere, prijst en roemt Hem eeuwiglijk".
Hier ziet u wat geloofsstandvastigheid geeft.
Doch er is meer, veel meer.
Wederom moet ik zeggen: 't is een misvatting, als we menen, dat de Heere de Zijnen bewaart voor de vlammen of ook verlost uit vlammen. U protesteert. U wijst terstond op de gelukkige afloop. De drie worden toch wonderlijk bewaard in en verlost uit de brandende oven? ja - inderdaad.
Laten we dat eerst gaan zien.
Nebukadnezar haast zich naar de brandende oven, en roept: ,,Gij Sadrach, Mesach en Abed-nego, gij knechten des allerhoogsten Gods! gaat uit en komt hier! 't Is verbazingwekkend. De drie worden nu genoemd knechten des allerhoogsten Gods. Geplaatst voor de grote werken Gods móét Nebukadnezar erkennen dat niet hij god is, maar dat God God is.
Zie - daar komen ze eruit, Sadrach, Mesach en Abed-nego, uit het midden van de vurige vlammen. Hier blijkt Gods almacht en Gods grootheid. Wie is aan onze God gelijk? Hij kan zelfs bewaren temidden van verzengende hitte. Zonder de wil van mijn hemelse Vader kan zelfs niet één haar van mijn hoofd vallen!
Een spoedvergadering wordt belegd.. De voornamen van het land zijn met hun koning bijeen. Sadrach, Mesach en Abed-nego worden door ieder nauwkeurig geïnspecteerd. Geen enkel gevolg van de hitte van het vuur is te constateren. Niet één schroeiplek is op hun lichaam, zelfs is hun hoofdhaar niet aangetast, zelfs niet hun kleren, ja - zelfs is er geen brandlucht daaraan. Ze zien en ze ruiken, maar niets kunnen zij bemerken van het vuur, waarin de drie geweest zijn.
Dit wonder doet Nebukadnezar uitroepen: „Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego", en „ieder die lastering spreekt tegen deze God zal in stukken gehouwen worden".
Echter .. hier is geen waarachtige bekering. Iemand in wie de liefde Gods gekomen is, gaat de ander niet in stukken houwen. Let er ook maar op, dat het beeld in het dal Dura blijft staan. Wanneer Nebukadnezars lofzang echt zou geweest zijn, dan was dat in stukken gehouwen.
In ieder geval - ons rechtvaardigheidsgevoel wordt wel bevredigd. Die trotse koning moet buigen onder de almachtige God, en Sadrach, Mesach en Abed-nego krijgen geen ereplaats in het grote Babylonische rijk.
Toch - gaat het nu altijd zo? Is dit de boodschap Gods vanuit deze geschiedenis, dat de Here Zijn kinderen verlost uit alle nood, en dood? Dit kan niet. Immers hoeveel martelaars zijn niet omgekomen in de vlammen? Er is dat verhaal van die Russische soldaat. Thuisgebracht in een verzegelde doodkist met het bevel aan de familie om direct te begraven. Toch de kist opengemaakt, en toen die vreselijke ontdekking van marteling en mishandeling. Een jongen die had standgehouden en de Heere niet had verloochend, al kostte hem dat het leven.
Weet u wat geloofsstandvastigheid geeft? Nu- dat is overduidelijk: de nabijheid van de Heere! Ja - Nebukadnezar heeft goed gezien: de gedaante van de vierde gelijk eens zoons der goden, ene engel. 't Was de Engel des Heeren. 't Was de Zoon van de levende God, de Heere Jezus Christus.
Hoe dat kon? Was dat op grond: van iets van Sadrach, Mesach en Abed-nego? Op grond bijvoorbeeld van hun standvastigheid? Dit zouden we zo maar kunnen denken. Eerst zo'n moed aan de dag leggen, eerst dit of eerst dat, en dan... Zo is het niet! Sadrach, Mesach en Abed-nego zijn gelijk aan u en mij: zondaar, moed, willig God de rug toegekeerd, al Gods geboden overtreden, en daarom des doods schuldig. God kan rechtens komen met de eeuwige verlating!
Maar hoe kon de Heere dan de drie in de brandende oven nabij zijn? Alleen om wat Jezus Christus zou doen en heeftgedaan! Omdat Hij is afgedaald in het vuur. Omdat Hij is aangestoken door de hitte van Gods toorn. Omdat Hij door die vlammen verteerd is geworden. Plaatsvervangend!
Hier is de boodschap van Zijn liefde, het evangelie van genade-alleen. O, wijs dit niet af. Want als Hij niet nabij komt, dan zijn en blijven, we alleen. Alleen in dit leven; alleen in het sterven, en dat, dat is verschrikkelijk, dat is eeuwig rampzalig.
We hebben geluisterd naar geloofsstandvastigheid ondanks een brandende oven. We hebben gezien: hoe deze blijkt, waaruit deze opkomt en wat deze geeft.
We gaan besluiten.
Is er de vreze des Heeren? Is er dat geloof, dat als een kanaal is, waardoor de kracht Gods stroomt naar een zwak mens? Zo alleen kunnen we staande blijven.
Weet - wie andere goden eert, wie beelden aanbidt, wie buigt voor de goden van de tijd, die is dan wel allemans vriend, die heeft dan wel de gunst van mensen, die wordt dan wel door de wereld geduld. Maar... hier is de Heere niet! Dit is zonder God. Ja - dit is God tegen.
Zalig wie de Heere vreest, wie staat in het geloof. Nergens zegt de Heere toe bewaring voor benauwdheid en verdrukking. Maar. Hij is er Zelf, in de druk, in de vlammen. ja - daar is Hij juist het meest nabij; en dat is alles, dat is de grootste rijkdom. Want - zo God voor mij is, wie en wat zal dan tegen zijn?
Een sterke Held, Die terzijde staat, Die Zelf in alle benauwdheid is geweest, Die leidt - indien de Zichzelf verheerlijkende God dat wil - in de vlammen, maar dan door de vlammen naar de verhoging, Die niet slechts plaatst naast prinsen en wereldgroten, maar er boven. Ze zullen zijn als koningen.
Daarom.: vrees niet 'en ontzet u niet.
Want Die met ons is, is meerder dan die tegen ons zijn.
Amen.

November 1978