Psalm 81:11 'Doe uw mond wijd open' ds. A. van der Zwan

Preek door ds. A. van der Zwan

Tekst: Psalm 81 vers 11b ‘Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.’


Lezen:      Psalm 81:1-17                              Zingen:    Ps. 116:1,11
                                                Ps. 103:3
                                                Ps. 81:1,7,9,11
                                                Ps. 81:12
                                                Ps. 147:5,6


Geliefde gemeente,

Zingt u ook graag Psalmen? Luther moet eens hebben gezegd: ‘In de Psalmen kijk je Gods kinderen in hun hart’. Als je door genade het een en ander hebt ervaren van de hoogten en diepten waarvan de diverse dichters zingen, krijg je als vanzelf liefde tot die oude ‘liederen van Sion’. Daarbij genieten sommige Psalmen duidelijk de voorkeur. Het zal overal wel zo zijn dat de gemeente met meer inzet en volume Psalm 68 zingt dan bijvoorbeeld Psalm 11.

En er zijn ook Psalmen die eigenlijk iederéén zo na aan het hart liggen, dat elk kind van drie of vier jaar ze al van moeder geleerd krijgt. Zoals Psalm 116 vers 1: ‘God heb ik lief’. Of Psalm 25 vers 2: ‘HEER’ ai, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend’. En heel waarschijnlijk is het aller-aller-eerste vers dat jullie, jongens en meisjes, ooit geleerd hebben, wel het Psalmvers dat we na de preek gaan zingen en waar de preek trouwens over gaat: Psalm 81 vers 12: ‘Opent uwe mond’.

Dat is een vers dat we allemaal van jongs af uit het hoofd hebben leren zingen en dat ook  vaak wordt aangehaald in een preek. Maar laten we er vandaag eens speciaal op letten. Om te ontdekken dat het een inderdaad een heel gepaste Psalm is om jong te leren. Maar ook om te horen dat het Gods bedoeling is dat we dat opendoen van onze mond in Zijn richting levenslang in praktijk brengen! We gaan samen luisteren naar de boodschap van die bekende woorden:

Opent uwe mond!       

Gemeente, we hebben zojuist enkele verzen uit Psalm 81 gezongen. En eerlijk is eerlijk, zowel aan de woorden als aan de gekozen melodie is duidelijk te merken dat we met een feestlied te maken hebben! Nu weten we dat de jaarkalender van het volk Israël een heel aantal hoogtijdagen kent. Om welk feest zou het hier gaan? De Psalm geeft daarvoor wel enkele aanwijzingen. Om te beginnen wordt iets gezegd over het tijdstip waarop het feest gehouden wordt: ‘in de nieuwe maan’ zegt vers 4, waarbij opgemerkt moet worden dat dat die schijngestalte van de maan is, die wij ‘volle maan’ noemen. Tel daarbij op wat vanaf vers 6 uit de geschiedenis van Israël opgehaald wordt: daar valt op een zeker moment de naam ‘Egypteland’. Maar dan is het ineens duidelijk, jongens en meisjes. Een feest dat herinnert aan de bevrijding uit Egypte en dat bij volle maan gevierd wordt: dat kan alleen het Pascha zijn!

En je weet misschien ook wel dat dat Pascha één van de drie grote feesten is geweest, waarbij het volk Israël massaal bijeen kwam in Jeruzalem om voor Gods aangezicht Zijn grote daden te gedenken. Tijdens zo’n massale volksbijeenkomst in de tempel is deze Psalm voor het eerst te horen geweest. Voorgezongen door de dichter persoonlijk: Asaf, van wie de Bijbel ons vertelt dat hij in de tijd van David en van Salomo een belangrijke rol gespeeld heeft in de liturgie van tabernakel en tempel. Hij zingt hier zijn feestlied tot eer van God. En hij roept zijn volksgenoten op om mee te doen in het grootmaken van de HEERE. Met name vanwege Diens grote daden in het verleden.

En dan ineens gebeurt er iets opvallends. Iemand valt de dichter in de rede. Maar dat is helemaal niet netjes! Wie durft Asaf in zijn lofzang te onderbreken? Ja, maar het is een heel speciaal Iemand. Het staat er ook wat mysterieus in vers 6. De Statenvertaling koppelt de laatste vershelft aan de eerste vershelft met dat ingelaste (en daarom cursief gedrukte) woordje ‘alwaar’. In de grondtekst staan die twee helften echter meer ‘los’ van elkaar. Dat wil zeggen: terwijl Asaf net begonnen is te zingen over de tijd in Egypte, wordt hij ineens onderbroken. En hij zegt – min of meer verbaasd – ‘ik hoor een spraak, die ik niet versta’!

U kunt in uw Bijbeltje vanaf dit punt zelf ontdekken Wie het eigenlijk is, Die Asaf als het ware overstemt met Zijn machtige en wonderlijke stemgeluid: vanaf vers 7 worden verschillende woorden ineens consequent met een hoofdletter geschreven: de woorden ‘Ik’ en ‘Mijn’. Het is namelijk de HEERE Zelf, Die Zijn knecht  Asaf in de rede valt! God Zelf breekt in deze Psalm in, zoals Hij trouwens vaker doet; lees als u tijd hebt bijvoorbeeld Psalm 2 of Psalm 32 er maar eens op na.

Zoiets doet God hier ook. Hijzelf gaat voor dat volk dat voor het Pascha samengestroomd is, zingen. Daarbij gaat Hijzelf terugblikken op die tijd, waarover het in het Pascha gaat: de uittocht uit Egypte en de reis door de woestijn. Maar God geeft intussen ook een duidelijk bevel. Het woord van onze tekst: ‘Doe uw mond wijd open!’ Een bevel, waarvan we mogen zeggen: dat klonk indertijd tot Israël in de woestijn al; het klinkt in Asafs dagen opnieuw en het klinkt vandaag via de prediking ook in onze oren!

Maar wat betekent dat dan: ‘Doe uw mond wijd open’? Daarvoor kunnen we een beeld uit de natuur gebruiken. Hebben de kinderen wel eens in een struik of een boom een nest jonge vogeltjes gezien? Hoe ziet dat eruit? Die beestjes sperren voortdurend hun bekjes wijd open. Een teken dat ze honger hebben! En de grote Schepper aller dingen heeft de oudervogels en die jongen zo op elkaar afgestemd, dat die opengesperde snaveltjes de ouders duidelijk maken dat er voedsel gehaald moet worden. En op die manier krijgen die jonge vogels wat ze nodig hebben. ‘Doe uw mond wijd open’: dat is ook in onze Psalm het beeld van iemand, die totaal van God afhankelijk is en tegelijk vol verwachting tot Hem opziet voor het ene nodige.

En om het met een uitdrukking uit de berijmde Psalm te zeggen: ‘Dit is ’t bevel van de HEER’ der heren aan Zijn Israël’. En is daar ook niet alle reden voor? Denk alleen maar aan Gods bemoeienissen met dat volk in het verleden. Hij wíl niet alleen veel aan hen geven, maar hééft dat reeds gedaan. Let vooral weer op de bevrijding uit Egypte, waar in vers 7 en 8 op wordt teruggeblikt. En waarom had de HEERE dat gedaan? Niet vanwege Israël, maar uit vrije gunst. Uit grondeloze liefde had Hij Israël uit alle volken tot het Zijne aangenomen en hen verlossing geschonken.
Als God zoiets met je doet, levert dat een bijzondere relatie op. Je wordt opgenomen in Zijn ‘trouwverbond’, zoals de berijming zegt. Er is sprake van een bijzondere band. God zegt tegen Israël voortaan: jullie zijn ‘Míjn volk’ (vers 9) en daarbij hoort ook wat in vers 11 als een echo op de wetgeving klinkt: ‘Ik ben de Heere, úw God’. U begrijpt wel: dat schept niet alleen een band. Dat schept ook verplichtingen. Wie zou ontkennen dat God recht heeft op heel het vertrouwen en de kinderlijke gehoorzaamheid van Israël?

Maar als we dat van Israël zeggen, zeggen we ook iets over onszelf. Ook wij zijn als gemeente opgenomen in het ‘trouwverbond’. We hebben – vaak als kind al - het teken en zegel van de doop ontvangen. Maar beseffen we wat dat betekent? Jongens en meisjes, beseffen jullie dat ook? In je doop heeft God ook tegen jou gezegd: ‘Ik ben de Heere, uw (jouw!) God’. Dat wil zeggen: Hij wil je Eigenaar en je Bevrijder zijn!

Maar daar zit dan ook van alles aan vast. ‘Gij zult u voor geen vreemde god nederbuigen’ (vers 10). Natuurlijk niet! Geen ander dan Hem! En bij die heilige vanzelfsprekendheden hoort dan ook onze tekst: ‘Doe uw mond wijd open’. Hebben we het al geleerd? ‘Heere, ik zal U al mijn liefde, al mijn afhankelijkheid en al mijn vertrouwen waardig schatten!’ Dat ís de HEERE immers waard? Daar heeft Hij recht op. En moet dat ook geen heerlijk leven zijn? Denk maar weer aan dat nest met die vogeltjes, die zo trouw worden verzorgd door de ouders.

Helaas moeten we eerlijk zeggen dat het niet overbodig is om elkaar hierop te bevragen. Want van nature kennen we dit afhankelijke leven niet. Het verbond verandert daar op zich trouwens ook niets aan. We zijn van huis uit van die ondankbare en ongehoorzame mensen. In de Psalm wordt daar de vinger ook bijgelegd. Het is u bij het voorlezen wel opgevallen dat die Psalm niet zo mooi afloopt. En je hoort gaandeweg de pijn in Gods stem over Israëls ondankbaarheid en ongehoorzaamheid. ‘Och!’ zegt Hij in vers 14. Ik had zoveel willen schenken. Maar keer op keer klinkt het woord ‘zou’ of ‘zouden’. Veel van wat God Israël te bieden had, ging hun neus voorbij omdat ze hun mond gesloten hielden. Tenminste: in Gods richting. En ze sperden hun monden open in de richting van de afgoden. Van Baäl-Peor van de Moabieten tot en met de Baäls van Izebel. Ze deden God en zichzelf er zo tekort mee!

En wij? Je kunt aan een leven zonder God en zonder afhankelijkheid van Hem gewend zijn. Maar laat het onderwijs van Psalm 81 ons doen beseffen hoe dwaas zo’n leven is. En hoe onmogelijk eigenlijk! Ieder mens moet Israëls God dienen. Maar mensen die het voorrecht hebben dat God zegt ‘Ik ben úw God’ en u bent ‘Mijn volk’ – op zulke mensen rust een dubbele plicht. En wat een wonder dat God dat nu ook nog tegen ons blijft zeggen. Terwijl Hij alle reden had om op een gegeven moment te zeggen: ‘’Hou jij nu je mond maar dicht!’ Dat Hij ook vandaag tóch weer nodigt: ‘Doe uw mond wijd open!’ En al ben je na ontvangen genade nog zo vaak weer afgedwaald. Hij roept het ook u weer toe: ‘Opent uwe mond!’

Daar is de HEERE op uit. Ons klein, afhankelijk en vol verwachting doen opzien tot Hem. Maar dan vragen we vervolgens: wat mag je dan van God verwachten? Kijk, als je iets hebt geleerd van je eigen ondankbaarheid en ongehoorzaamheid, moet je toch eigenlijk zeggen: ik heb niet anders dan Gods oordeel te verwachten! Maar nee, zingt onze Psalm vandaag: God wil heel wat anders geven. Hij is erop uit om onze mond te vervullen! Als je goed luistert, klinkt dat in onze tekst haast als een uitdaging: ‘Doe je mond maar zo wijd mogelijk open… denk je dat Ik hem dan niet helemaal kan vervullen?’

Waarmee vervullen? Er is een oud-oosters verhaal dat hierbij als illustratie kan dienen. Een verhaal over een Perzische Sjah die heel lang geleden leefde en die ooit één van zijn hovelingen wilde belonen. De beloning bestond hieruit, dat de man bij zijn heer geroepen werd en in de troonzaal mocht hij zijn mond opendoen, waarna men die helemaal volstopte met juwelen. Zoveel als erin kon, mocht hij houden! Je kunt ook nog aan een ander oosters beeld denken. Het schijnt in de cultuur van het midden-oosten gebruikelijk (geweest) te zijn, dat bij een feestmaal de gastheer de lekkerste hapjes persoonlijk in de mond stopt van zijn meest gewaardeerde gasten. Nu, zoiets wil de HEERE nu ook doen bij Zijn kinderen. En opnieuw zeggen we: wat een wonder! Je krijgt geen straf, maar voedsel. Geen oordeel, maar rijkdom en overvloed!

Lees in dat licht nog eens vers 15 tot en met 17. We zeiden al: steeds klinkt het woord ‘zou’ omdat het volk het zelf verknoeide door zijn ongeloof. Hadden ze maar meer verwachting van God gehad. God zou hun vijanden verslagen hebben; Hij zou hen gespijsd hebben met het vette der  tarwe. Hij zou hen verzadigd hebben met honing uit de rotsstenen. Door het ongeloof werd het geen werkelijkheid. Het zou zo gegaan zijn, als… Gemeente, door het geloof mag dat nare woordje ‘zou’ veranderd worden in ‘zal’! In de weg van het gelovig vertrouwen op de HEERE ontvang je ‘al wat je ontbreekt’. En inderdaad, de berijming zegt niets teveel: God schenkt dat alles ‘mild en overvloedig’!

U voelt intussen wel aan: bij God is meer te krijgen dan verlossing van bepaalde vijanden, ‘tarwe’ en ‘honing’. Dat zijn nog maar beelden voor wat bij Hem te verkrijgen is en wat je ziel kan verzadigen. Hij kan geven wat de wereld niet kan geven. En wat je eigen godsdienst ook niet kan. We zijn geschapen voor het leven met en uit Hem. We zijn dat kwijtgeraakt. God wil alles schenken wat nodig is om dat weer te beleven. Trouwens, daar werd het volk Israël onder het zingen van Psalm 81 ook aan herinnerd. Wanneer werd die Psalm ook weer gezongen: tijdens de viering van het Pascha. Het feest van Gods bevrijding uit Egypte. Het feest van het paaslam. Het feest dat Israël eraan herinnerde hoe God hen tot Zijn volk gemaakt had.

En als de nieuwtestamentische gelovige Psalm 81 zingt of hoort bepreken, is het alles nog veel rijker. Inmiddels mag het woord van Paulus gelden: ‘Ons Pascha is voor ons geslacht, Jezus Christus’ (I Korinthe 5 vers 7). Hij bevrijdt zondaren door Zijn bloed van de macht van duivel en zonde. Hij maakt door Zijn Geest plaats voor Zijn genade. Hij maakt zondaren tot Zijn eeuwig eigendom. En delend in Zijn genade is er leven en overvloed. Alles wat je hartje kan begeren: rust voor je ziel, vrede met God, de dagelijkse leiding van Zijn Geest. En uiteindelijk: uitzicht op de eeuwige zaligheid. En waar je na ontvangen genade allemaal over zou moeten klagen, maar niet over wat God in Christus geeft en wil geven. Als je terug blikt op je leven met Hem en er wordt gevraagd: ‘Heeft het u aan iets ontbroken’ Dan is er maar één antwoord mogelijk: ‘niets!’ Zoals die andere Psalmdichter het ook zo mooi onder woorden heeft gebracht: ‘De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets’ (Psalm 23). Als je op je plaats bent en de verwondering inleeft over Gods onverdiende goedheid, is dat de taal van je hart!

En als je deze God nu niet kent? En als je de genade van het Paaslam mist? Wat doet de prediking van Psalm 81 dan met je? Kun je onbewogen blijven? En zie je toch kans om méér te zien in de afgodendienst van vandaag dan in het dienen van de HEERE? Waar zit je dan zo aan vast? Zeg eens: wat leverde dat dan tot dusver op? Tijdelijk genot, en daarna een schuldig geweten en een leeg hart. Je doet Hém en jezelf zo tekort!

Dat geldt trouwens ook voor wie er een godsdienst van lege vormen op nahoudt. Dat lijkt netter dan een leven in openlijke goddeloosheid, maar het is even leeg. Het is namelijk ook een leven zonder verwachtingsvol opzien en de mond opendoen. Als je erover nadenkt, zeg je: wat is dat eigenlijk arrogant. Terwijl God je mond wil vervullen, die mond stijf dichthouden en denken dat je het zelf wel kunt rooien. Zijn genade weerstaan en intussen denken dat Hij op jouw vroomheid zit te wachten. Arrogantie en dwaasheid!

Misschien dat u zegt: ik ben onder het luisteren naar deze tekst verlangend geworden om deze God en Zijn genade in Christus te leren kennen. Maar mijn vraag is: hoe word je deelgenoot van deze overvloed? Ik kan mezelf er niet bij brengen. Geloofsvertrouwen en afhankelijkheid opwekken kan ik ook niet. Moet ik dan passief afwachten? Met de armen over elkaar?

Tot zo’n houding spoort Gods Woord ons nergens aan. De bekende Engelse prediker Charles Haddon Spurgeon zegt ergens: ‘Er wordt niemand bekeerd tussen inslapen en ontwaken’. We moeten niet onheilig passief worden. Er is ook zoiets als heilig passief zijn. Niet afwachtend, maar verwachtend. En dan word je vanzelf ook heilig actief!  Denk weer aan die vogeltjes in dat nest. Ze zitten daar maar, zegt u. Maar luister eens goed! Ze piepen uit alle macht! Leg dat ook weer even naast de berijming van onze tekst. ´Al wat u ontbreekt, schenk Ik zo gij ´t smeekt´, staat er. Je mond wijd open doen, dat is niet alleen een zaak van verwachting hebben, maar ook van aanhoudend smeken.

De berijming zegt het zelfs nog sterker: ‘eist van Mij vrijmoedig’! Maar hoe is dat mogelijk? Wat heeft een zondaar, die zijn ondankbaarheid en ongehoorzaamheid moet inleven en belijden, te eisen? Het kan ook niet vanwege jezelf. Je kunt alleen wijzen op het ‘trouwverbond’. Dat verbond wordt vaak overschat. Dat gebeurt als mensen gaan vertrouwen op een belofte die ze wel eens kregen maar waar ze nooit echt uit leerden leven. Anderzijds kun je Gods verbond ook onderschatten. Laten we niet klein denken van de kracht van Gods beloften. Die zijn in Christus ja en amen. En laten we niet klein denken van Zijn bereidwilligheid en van Zijn betrouwbaarheid. Hij kan en wil en zal Zijn Woord waarmaken op het gebed. Jezus betaalde er met Zijn bloed de prijs voor. Daar mag op gepleit worden. Daar mag om geroepen worden. Zelfs hard en onafgebroken: ‘wijd open’!

Iemand vraagt toch nog: mag dat echt? Het mag en het moet zelfs. Vanwege onze nood: al wat u ontbreekt. Dat is letterlijk alles! En het moet omdat de HEERE het Zelf zegt. Daar ligt de ruimte. Nooit in jezelf, maar altijd in Hem. En wees niet bang dat u door tot Hem te roepen iets doet wat niet geoorloofd is. Gelovig roepen tot Hem beledigt God niet. Thomas Case, één van de Engelse puriteinen, zegt ergens: ‘Hoe meer we verwachten, hoe meer we God eren’!

‘Maar ik ben zo zondig’, zegt u. ‘En ik voel mijn nood zo weinig’, zegt een ander. En een derde merkt op: ‘ik heb geen kracht om te geloven. Ik kan niet bidden. En ik kan zelf niet van de afgoden loskomen. Ik kan niet vertrouwend mijn mond opendoen en de HEERE laten werken.’ Weet u wat u met al die bezwaren moet doen? Er pleitgronden van maken! Zeg Hem  maar precies wat er allemaal aan schort. En al wat u ontbreekt, schenkt Hij!

Hoe werkt Hij dan het vertrouwen? Door Zijn Woord en Geest. Door het Woord dat ons Hem als de getrouwe en gewillige Verbondsgod predikt. De Geest wil vertrouwen werken in Zijn toezeggingen. Hebt u niets? Bidt dan om te beginnen maar om die Geest. Ook de kinderen. Zijn werk is je ook bij je doop beloofd! Hij wil toeëigenen wat we in Christus hebben.

En wat de kinderen nodig hebben, moeten we allen leren. Voor het eerst en opnieuw. Een kinderlijke gestalte, die opziet naar Hem, Die alles wil vervullen. Dat valt nooit tegen. Het is trouw al wat Hij ooit beval. En Hij schenkt wat Hij belooft, meer dan je gedacht had. Mild en overvloedig!

Amen