Hooglied 2:14 'Toon Mij uw gedaante' ds. J. de Bruin

Preek over Hooglied 2:14 door ds J de Bruin te Elburg

74:18,19
119:88
66:8,9,10
68:7
45:6
Hooglied 2

Geliefde Gemeente,

Wat is het liefste werk van de Heere Jezus? Dat Hij de wil van Zijn Vader doet! Wat is die wil van Zijn Vader dan? Luister maar wat Hij eens gesproken heeft: Ik ben gekomen – ja gezonden – om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.
Hoe heerlijk heeft Hij dat niet verkondigd door de gelijkenis van het verloren schaap. Hij rustte niet voor dat Hij Zijn schaap weer gevonden had en vol van vreugde droeg Hij het op Zijn sterke schouders terug naar de stal.
Dat wordt zo’n wonder voor ontdekte zondaren, die de weg niet meer weten. Die beleven:

'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
Zodat mijn dood voorhanden scheen,
En alle hoop mij gans ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

Als dan Christus Zich openbaart in het Evangelie en als zo’n omkomende zondaar mag horen: Ziet hier ben Ik, Ziet hier ben Ik! Ik ben nú gekomen! dan wordt het wonder beleefd: Ik kan nog zalig worden! Door Hem Die JEZUS heet, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden!

En dat wonder…, het wonder van Zijn opzoekende zondaarsliefde…, wordt steeds groter naar mate Gods kinderen verder wandelen op de smalle weg.
Want hoeveel keer komt het niet voor dat ze dwalen, als een schaap dat hun Herder heeft verloren…
Hoeveel keer moeten ze weer inleven: het zou verdiend zijn als de Heere nooit meer naar mij om zou zien… wat een ontrouw…, wat een zonden…

Hebben de discipelen en de vrouwen dan na Pasen ook niet moeten beleven? Waar waren ze gebleven toen het moment aanbrak, dat de Heere Jezus in Gethsemane gevangen werd genomen? Toen werden de schapen verstrooid, ja toen de Herder geslagen werd door het zwaard van Gods gerechtigheid.
Maar wat doet nu de goede Herder na Zijn opstanding? Hij zoekt Zijn verstrooide schapen weer op.
Weet u waarom? Om ze te onderwijzen waarom het Goede Vrijdag moest worden en wat het nut is voor hen dat Hij weer opstond uit de dood. Daarom is Hij aan hen verschenen!
Aan een Petrus, die zo bitter weende, vanwege zijn verloochening…
Aan Maria Magdalena, die haar Heere zo miste en zonder Hem niet kon leven…
Aan Thomas, die zo vol ongeloof en twijfel was…
Aan de Emmausgangers, die zo traag waren van hart om de Schriften te verstaan…

Wat een wonder: Ik zal niet laten varen de werken van Mijn handen! Hij is getrouw…, en zal Zijn volk niet altijd in het verdriet laten. Op Zijn tijd komt Hij weer, springende op de bergen en huppelende op de heuvels, om Zijn beminde bruid weer op te zoeken, haar te lokken en haar te vertroosten. De manier waarop Hij dat doet is te vinden in Hooglied 2:14.

Het thema voor de preek is:

De bruid bezingt de opzoekende liefde van haar Bruidegom.


1.    Hoe Hij haar vindt,
want Zijn bruid bevindt zich in de kloof van de steenrots en in het verborgende van een steile plaats.

2.    Hoe Hij haar aanspreekt,
Hoor maar: Mijn Duive…

3.    Hoe Hij haar lokt,
luister maar: Toon Mij uw gedaante! Doe Mij uw stem horen!

4.    Hoe Hij haar bemint,
want Hij zegt: Uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk.

1.    Hoe Hij haar vindt.

De tekst is genomen uit het boek Hooglied, waarin van de liefde wordt gezongen tussen koning Salomo en zijn bruid, een eenvoudig meisje van het platteland, de Sulamistische. Wanneer wij dit ‘lied der liederen’ goed lezen raken wij onder de indruk van de zuivere liefde, die er kan zijn tussen een man en een vrouw. Dat is een gave van de HEERE, de Schepper van de man en de vrouw.

Kan dat ook van uw huwelijk en van jullie verkering gezegd worden? Zo heeft de HEERE het bedoeld! Weet u waarom? Om daarin iets te laten zien van de liefde die er is tussen Christus en Zijn Gemeente. Zo heeft Paulus er over geschreven aan de gemeente van Efeze. Let dan goed op de volgorde: Zoals Christus Zijn Gemeente lief heeft, zo moet een man zijn vrouw liefhebben, een jongen zijn meisje. Op die manier zullen wij ook het boek Hooglied moeten uitleggen. Het lied wil ons eigenlijk zeggen: blijf niet bij het aardse huwelijk alleen staan, maar zie nu eens op het huwelijk tussen Christus en Zijn bruid!

In het boek Hooglied wordt dus gezongen van de liefde tussen Salomo en zijn bruid. De manier waarop zij dat doen noemen wij wel een beurtzang. Dan is Salomo aan het woord en dan weer de Sulamitische. In hoofdstuk 2 komt dat ook weer terug. Opvallend is dat in dit hoofdstuk de bruid het meest aan het woord is.
In vers 1 en 2 spreekt de Bruidegom over Zichzelf en over Zijn bruid. Hij is een Lelie der dalen en Zijn bruid is een lelie onder doornen.
Hij een Lelie…, zij een lelie…
Dat ziet op de geloofsgemeenschap tussen Christus en Zijn bruidskerk. En als dat beleefd wordt gaan de snaren van de ziel trillen. Dan is de ziel vol van Zijn liefde. Dan kan een de bruid het niet op. Dat blijkt ook wel uit de verzen 3-6. Hoe zingt ze daar niet van haar Liefste, die als een appelboom is onder het woud! Hoe zingt ze niet van de rijke vruchten die ze mocht genieten van Hem! Ja ze is ‘krank van liefde’.

Dat zijn die onvergetelijke momenten in het geloofsleven dat de Kerk niemand anders mag zien dan Jezus alleen. Mijn beker vloeit over… Dan weet je niet wat je als eerste moet doen: huilen van verwondering of zingen van blijdschap…
Ik heb Hem lief omdat Hij mij eerst heeft liefgehad!

Nee, die liefdesmomenten kan de bruid zelf niet maken. Dat blijkt wel uit vers 7. Dat kan alleen als Christus tot de ziel komt. Dat is ook de oefening van het geloof. Niet zelf die liefde opwekken, maar uitzien naar Zijn komst, Die alleen uw heil volmaken kan.
Wat kunnen wij hiervan leren? Dat de liefdesgemeenschap met Christus niet altijd even sterk beleefd wordt. Er zijn namelijk tijden in het geestelijke leven dat de Bruidegom Zich terugtrekt en Zijn bruid alleen schijnt te laten.
Vroeger zeiden Gods kinderen weleens: we hebben met een komende en gaande Jezus te doen.

Dat heeft de bruid in hoofdstuk 2 ook ondervonden. Hij was weggegaan en toen brak er voor haar een tijd aan, die in de Bruidegom Zelf een ‘wintertijd’ noemt (vers 11).
Dat is een tijd in het geestelijke leven dat alles dood schijnt te zijn.

Wanneer is dat het geval?
•    Als een kind van God in zonde valt. Denk eens aan Petrus, die zijn Meester tot drie keer verloochende en daardoor de liefdesgemeenschap met de Heere kwijt raakte. In plaats daarvan beleefde hij hoe God tegen hem was. Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij, mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Hij was naar buiten gegaan en heeft zo bitter geweend!
•    Als een kind van God in slaap van de zorgeloosheid is gevallen gelijk de wijze maagden. Dan is er geen sprake meer van liefdesgemeenschap en trekt de Heere Zich terug. En als Hij dan toch eens in de buurt komt, dan zegt de bruid: Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?
•    Als een kind van God, zonder oorzaak, een scheiding ervaart tussen de Heere en haar ziel. Dan is ze zó troosteloos… Onze DLR belijden van zo’n toestand: de verberging van het aangezicht van de verzoende God door Christus is bitterder dan de dood.
•    Ja zo’n wintertijd breekt aan als de Heilige Geest  Gods volk dieper gaat inleiden in de wijze van zalig worden door recht. Als de kracht uit allerlei bevindingen verdwijnt en ik op mijzelf wordt teruggeworpen en ik met een openstaande schuld voor God komt te staan…, o dan wordt het wintertijd. De Schotse predikant James Durham schrijft in zijn verklaring over een ‘scherpe winter met zware regen, die de weg van de gemeenschap met God belemmert, zoals ook een engel met een scherp zwaard de gevallen mens tegenhield in het Paradijs, zodat ze niet bij de Boom des Levens konden komen’. In die wintertijd krijgt Gods volk te doen met – zo schrijft hij – ‘het vonnis en de vloek van de verbroken Wet en de toorn van God over de zonden’. Dat is ‘waarlijk een vreselijke winter, die de zon verduisterd’. Dan zijn de stralen van de Zon der gerechtigheid niet meer te zien. Toch is dat de weg om grond onder de voeten te krijgen, want Sion zal door recht verlost worden!

Maar de HEERE zal Zijn volk niet eindeloos kastijden. Hij komt opnieuw en zoekt Zijn bruid. Zijn bruid die door die wintertijd zo ellendig is geworden. Niet meer bestand tegen de gevaren van de doodsvijanden, die juist in de wintertijd niet stil zitten.
En zoals een duif gevlucht is voor de harde winterregens, die zoveel kunnen verwoesten en die zoveel gevaren met zich meebrengen, is zij gevlucht en bevindt ze zich in een spleet van een steile rots. En al blijkt de wintertijd over te zijn en de lente aangebroken… toch zit ze daar nog…
Zó vindt de Bruidegom haar… en in die toestand gaat Hij haar aanspreken met zo’n onbegrijpelijke, liefdevolle naam. Onze tweede gedachte:

2.    Hoe Hij haar aanspreekt.

‘Mijn duive…’
Voordat Hij dus laat weten dat Hij haar toestand kent, gaat Hij haar eerst aanspreken met ‘Mijn duive’.
Zó is zij voor Hem. Ongeacht haar toestand… een duif!

Duiven kwamen veel voor in Israël. Het was voor velen een aantrekkelijke vogel. In de eerste plaats hadden deze vogels een onschuldige natuur. Ze waren oprecht. Ze hadden ook een prachtig verenkleed. Ze vielen op bij andere vogels. De dichter van Psalm 68 was dat ook al opgevallen:

Gelijk een duif door 't zilverwit,
En 't goud, dat op haar veed'ren zit,
Bij 't licht der zonnestralen,
Ver boven and're voog'len pronkt,

Zo spreekt de Bruidegom Zijn bruid dus als eerste aan. Je bent een duif, een oprechte…, een schone bruid…

Ja en dat niet alleen…, je bent in Mijn ogen niet alleen een duif, maar boven alles Mijn duif!
Hoe is dat toch mogelijk? Hoe kan de Heere Zijn volk aanspreken als Mijn duif?

Dat heeft drie oorzaken.
1)    God de Vader had van eeuwigheid deze bruid al aan Christus gegeven. Hoor maar eens wat de Heere Jezus bad in de laatste nacht van Zijn leven op aarde: ‘Zij waren de Uwe en Gij hebt ze Mij gegeven.’ (Johannes 17:6)
2)    En wat heeft Christus gedaan toen Hij naar de aarde kwam. Toen heeft Hij dat volk tot Zijn eigendom gekocht met Zijn dierbaar bloed. Daarom kan de Kerk des Heeren belijden dat Hij ‘onze Heere’ is.
3)    Dat is het werk van de Heilige Geest, die een zondaar levend maakt en het ware geloof schenkt. Met dat geloof zal de bruid op Zijn tijd Christus omhelzen en zo verenigd worden met Hem. Dan zal de Kerk gaan beleven: Mijn Liefste is van mij en ik ben van Hem. Dat is de enige troost in leven en sterven. Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.

O, Gemeente, wat een aanspraak: Mijn Duive…
Zo ziet de Heere haar, altijd…

Maar zó is ze niet altijd voor eigen waarneming… Ach… meestal niet…
Want duiven zijn niet alleen oprecht en schoon, maar het zijn ook weerloze dieren. Als er dan harde winterregens komen of een roofvogel in de buurt kwam moesten ze snel wegwezen, want anders waren ze ten dode opgeschreven. Dikwijls zochten ze dan een schuilplaats in de spleten van een steile rotswand.
Wanneer ze in gevaar waren lieten ze dat ook wel horen. De Bijbel spreekt van het ‘kirren van een duif’.

Duiven konden echter ook dom zijn. Juist in tijden van gevaar. Dan vliegen ze niet naar hun vensters, zoals Jesaja dat schreef in hoofdstuk 60:8. Dat is naar hun thuis, naar de plaats van hun bezitter. Maar nee, soms vergeten ze die plaats en zoeken ze eigen schuilplaatsen…
Zo is het in onze tekst. Daar zitten ze… in een verborgen plaats… ten gevolge van de wintergevaren… als weerloze en domme dieren… en toch in de ogen van de Bruidegom als ‘Zijn duive’…
En zie, wat Hij doet, nadat Hij gekomen is om haar op te zoeken en haar zó heeft aangesproken…: Hij gaat haar lokken uit die donkere rotsspleet. Onze derde gedachte:

3.    Hoe Hij haar lokt.

Toon Mij uw gedaante! Doe Mij uw stem horen!
Zijn duif, die daar diep verborgen zit in de kloof van de steenrots wordt dus geroepen om tot de Bruidegom te komen. Waarom? Om haar te laten zien aan Hem en om haar stem te laten horen.
Waarom zegt de Bruidegom dat? Omdat Hij zo goed weet wat haar zo verborgen houdt. Hij weet zo goed wat haar toestand is, nu de winter is voorbij gegaan en de lentetijd aanbreekt. Hij weet zo goed dat die duif daar nog helemaal geen erg in heeft… ze houdt zich immers verborgen!

Hoe is die bruid er dan aan toe? Hoe zit ze dan als een duif in het verborgene van een steile plaats?
Dat kunnen we opmaken uit de beeldspraak die gebruikt wordt. Hoe noemde de Bruidegom Zijn bruid ook al weer? Mijn duive…!
Waar zat ze ook alweer? In een rotsspleet van een steile bergwand! Hoe zit ze daar? Eenzaam, vol angst…!
Met een verenkleed dat niet op z’n mooist is en met een stem die verre is van het lieflijke koeren, zoals duiven dat doen in de lentetijd, wanneer de baltstijd van een mannetje en een vrouwtje…
De tekst spreekt toch van haar ‘gedaante’ en van haar ‘stem’? De duif heeft blijkbaar een onaangenaam geluid en een gedaante die ze niet ‘schoon’ kan noemen.

Hoe is dat gekomen? Wel die rots-duiven waarover het in onze tekst gaat, bleven in het land. Het waren geen trekvogels zoals de tortelduif uit vers 12, maar standvogels. Toen de wintertijd aanbrak met de regens en koudere temperaturen begon daarom hun verenkleed te veranderen. De ruitijd brak aan…, het oude kleed moest verwisseld worden voor een nieuw kleed voordat de lentetijd aanbreekt…
Dat is een lastige periode voor deze duiven, want dan zijn ze nog kwetsbaarder dan ooit. Koeren doen ze bijna niet, want de rui heeft invloed op hun zanggeluid. Hun verenkleed ziet er nog lang niet zo mooi uit zoals het zou moeten zijn…
In deze periode zijn de duiven dus niet op z’n mooist en hun geluid is dan ook niet zo mooi als anders. Met zo’n duif, in die toestand, wordt nu de bruid van Christus vergeleken.

Hebt u het beeld al begrepen?
In de tekst vinden we een ontdekte zondaar, die vergeleken wordt met zo’n kwetsbare duif, die z’n veren kwijt is geraakt en geen stem meer heeft om te spreken.
Dat heeft die zondaar geleerd in de wintertijd.
Dan wordt de bruid zondaar voor God. Die zelf niets meer heeft om voor God te bestaan.
Is hier vanmorgen ook zo’n ontdekte zondaar aanwezig? Die zichzelf gezien heeft in de spiegel van de wet van God en niets anders overgehouden heeft dan een stroom van ongerechtigheden en die ook zijn eigengerechtigheden is kwijtgeraakt als een wegwerpelijke kleed?  Dan gevoelt u ook dat u schuld hebt voor God en die kunt u zelf niet betalen.  Dan staat u naakt voor God! En toch… toch kunt u niet nalaten om de Heere aan te roepen als een waterstroom. Maar o wat gebrekkig. Wat een gestuntel. Soms niet  anders dan een zucht. O God wees mij zondaar genadig!  O mijn God verlaat mij niet, blijf niet wegens mijn gebreken, ver geweken, toon dat Gij mijn rampen ziet.

Maar… o wonder van genade! Hij slaat  toch – schoon oneindig hoog – op hen het oog, die nederig knielen. Hij komt! Springende op de heuvelen en huppelende op de bergen.  Ziet hier ben Ik! Ziet hier ben Ik! Toon Mij uw gedaante maar! Laat uw stem maar horen!
Hoort u het? Dat zegt die Bruidegom tot Zijn arme bruid, die daar weggescholen zit, diep in de kloof van de steenrots. Alle schoonheid verloren en toch… toon Mij uw gedaante. Geen stem meer om tot God te roepen? En toch… laat Mij uw stem horen!
O de Heere ziet zo graag dat u komt, met al uw nood en verdriet. De Heere vraagt ook geen lange mooie gebeden, al komt het er nog zo gebrekkig uit… Als het maar oprecht is! Wat een hartelijke nodiging. Ja dan wordt waar: De Heere is mij verschenen van verre tijden. 

Waarom? Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Onze laatste gedachte:

4.    Hoe Hij haar bemint.

Daar zit die duif… achter in de rotsspleet… in het donker…
Ze ziet naar de opening van de spleet… daar staat Hij! Hij is gekomen! Hij spreekt tot haar! Hij lokt haar!
Mijn Liefste antwoordt en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom.
Want zie, de winter is voorbij; de plasregen is over, hij is overgegaan.
De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.
De vijgenboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom.

O, kom toch… Ik heb u zo lief… ik wil u zo graag bij Mij hebben! Sta op en kom!
Ik weet het wel dat je niet durft! Ik weet wel hoe u zichzelf ziet! Onwaardig…, arm en naakt…,
Maar dat geeft niet! Ik ben gekomen om je naaktheid te bedekken! Ik ben gekomen om u te leren bidden! Ik ben gekomen om u te leren zingen! Om uw stem te laten horen!
Kom toch, keer weder, Mijn vriendin, Mijn liefste, Mijn schone!

O, Gemeente, wat een hartelijke liefde spreekt in deze woorden. Al wat tot Christus wordt geroepen, mag komen en die komt zal geenszins uitgeworpen worden.

Waarom dan niet? Dat kan de Kerk maar niet begrijpen! Zal Hij me echt niet uitwerpen? Met zo’n walgelijk bestaan? Met zo’n gedaante? Ik heb geen stem om tot Hem te spreken, Hem te bidden, Hem te verheerlijken…

Nee, dat zal Hij nooit doen! Want Hij ziet wat anders dan Zijn bruid! Hij ziet Zijn eigen werk!
Daarom zegt hij: Uw gedaante…? Weet u hoe die voor Mij is? Schoon, bekoorlijk, lieflijk!
Uw stem…? Die is in Mijn oren zo aangenaam!

Hoe kán dat toch? Hoe is dát toch mogelijk?
Zou u dat geheim ook willen horen? Toen Christus gekruisigd werd, werden Zijn klederen verloot. Naakt ging Hij de dood in voor Zijn Kerk. En terwijl Hij daar stierf op Golgotha’s kruis, weefde Hij het kleed van Zijn gerechtigheid voor Zijn Kerk. En met dat kleed gaat Hij Zijn bruid bekleden.
Daarom komt er een wintertijd… een stervenstijd aan alles buiten Christus. Sterven aan uw ongerechtigheden… maar ook aan uw eigengerechtigheid. Dat zijn alle pogingen om rechtvaardig voor God te worden buiten Christus. Dat wordt een wegwerpelijk kleed.

Dan blijft er een goddeloze zondaar over in de beleving voor God, die bekleed is met vuile lompen. Nee…, geen schone gedaante…, alle reden om weg te vluchten en diep weg te schuilen in de kloof van de steenrots. Met maar één doel voor ogen: sterven… omkomen…, verloren gaan!

Maar… dan komt Christus! Hij lokt en roept… en zie dan komen ze toch… vol vrees…
O, dan zie ik zo’n bevreesde duif komen als de verloren zoon, die tot inkeer kwam en zei: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan en ik zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u.

Ik zie hem gaan, in vuil en in lompen gekleed… een goddeloze zondaar…
En hoe dichter hij bij huis kwam, hoe langzamer hij ging lopen…
Maar dan dat wonder… plotseling, ongedacht waren daar die vaderarmen om hem heen en kreeg hij een kus… van zijn vader! Een teken van de innerlijke ontferming voor een verloren zoon.

En zie, Gemeente, wat er dán gebeurt. Zijn lompen worden uitgetrokken, hij wordt schoongewassen en dan krijgt hij het beste kleed aan. Eigenlijk staat er: het eerste kleed. Dat is het beeld van de gerechtigheid waarmee een zondaar voor God kan bestaan. Dat is de mantel der gerechtigheid. Verworven door de Heere Jezus Christus. Hij  mijn zonden… ik Zijn gerechtigheid!

Daarom zegt de Bruidegom tegen Zijn bruid: Uw gedaante is Mij lieflijk!

Ja en ook Uw stem is Mij zoet! Want uw zuchten en uw zorgen zijn voor Mij niet verborgen.
Ook dat is Mijn werk. Ik heb Mijn Geest gegeven als de Geest der gebeden. Hij is U te hulp gekomen in uw zwakheid en Hij spreekt met onuitsprekelijk verzuchtingen! Hij leert uw bidden gelijk het behoord. Hij ontsteekt in de wintertijd toch weer het vuur in uw ziel om tot de Heere te roepen en smeken: O God wees mij zondaar genadig! O Heere waar bent u toch! O Heere wanneer zult Gij mijn Bondsgod tot mij komen!
Ja dat is Mijn werk o bruid! Daarom is uw stem voor Mij zo aangenaam, zo zoet!
Toe zeg het maar… wat wilt u dat Ik u doe? Stort voor Mij maar uit uw ganse hart!

O wat heeft Christus Zijn bruid toch lief. Wat bemint Hij haar toch zeer. Ja het is een eeuwige liefde.
Daarom zal Hij nooit laten varen de werken van Zijn handen.
En als Christus zó Zijn bruidskerk opzoekt, kan de bruid niet blijven zitten in de kloof van de rotswand.

Ze komt tot Hem en door het geloof mag ze weer met Hem gemeenschap hebben. Dan zie je niemand dan Jezus alleen. Daar is het goed, daar wil je altijd wel blijven. Daar is ook het besef dat het zo weer bedorven kan worden. Daarom bidt de bruid of de Bruidegom de kleine vossen wil vangen, die deze geloofsomgang zo bedreven. Daar wordt beleefd: Mijn Liefste is van mij en ik ben van Hem.

Zo zal het gaan in het leven des geloofs: een komende en gaande Jezus. Een weg van bergen en dalen… Een weg die soms gaat door het dal van de schaduw van de dood…
Totdat… totdat de dag aanbreekt en al die schaduwen zullen vlieden.

Wanneer komt toch díe dag
Dat ik toch bij U zal wezen
En zien Uw aanschijn geprezen!

Ja want wie de Zoon heeft, díe heeft het leven, maar wie de Zoon van God niet heeft…, ligt nog steeds verlóren! Dat is de keerzijde! O als Hij zó eens terug komen zal! Wat zal er dán overblijven?
En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op den troon zit, en van den toorn des Lams; Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?
O Gemeente wat ik u bidden mag: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.
Ja… Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.
Want alleen dán zult gij door het Goddelijk oog belonkt weer met uw schoonheid mogen pralen.

AMEN.