Jesaja 40:1-2 'Troost, troost Mijn volk' ds. W.L. van der Staaij

Preek over Jesaja 40 : 1-2 door ds. W. L. van der Staaij te Scheveningen

Schriftlezing: Jesaja 40 : 1-11. Zingen: Ps. 116: 2 en 4; Ps. 85 : 3, Psalm 38: 17, 21 en 22; Ps. 146: 3; Ps. 145 : 6

Geliefde gemeente,

Wat kan er niet worden uitgezien naar het moment dat er iemand opstaat en het verlossende woord spreekt. Een woord dat licht brengt in de duisternis. Dat hoop biedt in een hopeloze situatie.

Wat kan er niet worden uitgezien naar het moment dat er iemand opstaat en woorden van troost spreekt. Een woord dat moed geeft in dagen van moeite en van zorg. 

En is dát het nu ook niet wat we in Jesaja 40 uit Gods eigen mond horen? Want in alle troosteloosheid gaat Hij spreken: “Troost, troost mijn volk, zegt ulieder God. Spreekt naar het hart van Jeruzalem!

Juíst met het oog op één van de donkerste momenten in Israëls geschiedenis, wanneer het volk in de ballingschap denkt dat het nooit meer goed komt, verbreekt God Zélf het zwijgen en klinkt het: “Troost, troost Mijn volk!” En is Hij niet alléén in staat om hét verlossende Woord te spreken in onze verlorenheid? Toen, maar ook vandaag!  

 

Troost op de puinhopen

1) De opdracht daartoe (vers 1 en 2a)

2) De inhoud daarvan (vers 2b)

1) De opdracht daartoe

Gods knechten kunnen en mogen niet anders naspreken dan datgene waartoe God hen de opdracht geeft. En wat heeft ook met name de profeet Jesaja een aangrijpende boodschap moeten verkondigen. Want wat zei de HEERE tot hem, toen hij als profeet werd geroepen? Dat lezen we in Jesaja 6: “Maak het hart van dit volk vet en maak hun oren zwaar en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren horen, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden.

En zo heeft Jesaja aan de twee stammen in Israël, Juda en Benjamin, Gods oordeel moeten aankondigen. Het oordeel, waarvan we weten dat het ook daadwerkelijk is gekomen. Omdat Juda en Benjamin zich niét tot God bekeerden. De waarschuwingen in de wind sloegen. Want waar een mens doorgaat in de zonde, gaat God ook door in het straffen van de zonde. En zo kwam daar inderdaad het moment van de ballingschap. Dat de inwoners van Jeruzalem en Juda daadwerkelijk werden meegenomen naar Babel. En wat werd dát een troosteloze, uitzichtloze en moedeloosmakende situatie. In een onbekend land te moeten verblijven, te midden van spottende vijanden die het hen honend toeriepen: Waar is nu jullie God? Zing nog eens zo’n mooi lied over die prachtige stad Jeruzalem! Terwijl je ook zelf wel weet dat stad en tempel verwoest ligt. En jezelf ook niet zou weten hoe je óóit moet terugkeren en het land herbouwen.

En wat was nu het ergste daar in Babel, zeker voor de Godvrezende Joden onder hen? Dat God zweeg. Dat Hij de grote Afwezige leek in het leven. En ze ook beseften dat dit oordeel van God, deze ballingschap in Babel, méér dan verdiend was. Omdat zij en het volk alle roepstemmen in de wind hadden geslagen. Alle grote voorrechten die ze van de HEERE hadden ontvangen, niet hadden gewaardeerd. Maar God ontrouw en ongehoorzaam waren geweest. En zo konden ze er zichzelf niet meer bovenop helpen. Konden ze alleen maar klagen over zichzelf: “O wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!

Maar nu laat God Jesaja niet alleen het oordeel aankondigen, maar mag hij ook gaan profeteren van verlossing en herstel. Want God laat Zijn volk niet eindeloos in het verdriet. Hij laat hen niet aan hun lot over. Want Hij is met Zijn volk bewogen. Daarom mag Jesaja het jaar van Gods welbehagen gaan verkondigen. Mag hij uitroepen dat God Israël gaat verlossen. Dat er dóór het oordeel heen er een overblijfsel zal zijn naar de verkiezing Gods, die troost zal ontvangen.

Ja, Jesaja moest volgens vers 7 van hoofdstuk 39 eerst Gods straf verkondigen: “Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is en wat uw vaders opgelegd hebben tot een schat tot op deze dag, naar Babel weggevoerd zal worden, er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE. Maar nu in vers 1 van hoofdstuk 40 zien we dat God Zich als het ware niet langer kan inhouden, maar vol ontferming tot Jesaja zegt over dat volk op de puinhopen: “Troost, troost mijn volk!”

Jesaja hoeft geen eigen woorden van troost te spreken. Daar zijn wij vaak zo goed in. En dan bedoelen we het echt wel goed, maar het zijn zo vaak holle klanken: Kom op, houd moed! Maar ’t is zo gemakkelijk gezegd tegen een ander die op de puinhopen in zijn leven zit. Maar Jesaja mag hier Gods eigen stem laten horen, omdat Hij Zelf het stilzwijgen doorbreekt: “Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen!

Doe hen weer op-ademen, zo zouden we ook kunnen lezen. Geef hen nieuwe moed en nieuwe kracht en nieuwe hoop! Zien we hier ook niet de ijver van God? Die innerlijke drang bij God om op te komen voor Zijn eigen Naam en voor Zijn recht? Is Hij het immers aan Zichzelf en aan Zijn Naam verplicht om Zijn volk van de ondergang te redden. Dáárom verbreekt God op eigen initiatief het zwijgen. Scheurt Hij de hemel en beveelt Hij Zijn knecht om Zijn volk in Babel een troostboodschap te verkondigen. Klinkt het met nadruk: “Troost, troost!”

En als God Zelf iets herhaalt, is dat nooit zonder reden. Maar hier in die stikdonkere nacht op de puinhopen van het leven in Babel zien we Gods eeuwige liefde ontbranden. Zoals een moeder naar haar kind toerent als het huilend op de grond ligt en het oppakt en aan haar hart drukt en zegt: Stil maar mijn kind, ik ben er. Huil maar niet… Zó spreekt God hier woorden van troost. Zien we in de herhaling Gods ijver, Gods innerlijke drang, maar ook Zijn heilige haast. En ligt er tegelijk de volheid en de zekerheid van de troost in opgesloten.

En eigenlijk is het zelfs nog véél meer dan een herhaling. Want daarbij klinkt in het begin van vers 2 nog een derde keer de opdracht om te troosten in de woorden: “Spreekt naar het hart van Jeruzalem!” Nee, Gods Woord is nooit bedoeld om Zijn volk naar de mond te spreken. Het is ook nooit bedoeld om hun oren te strelen. Ach, dat zouden ze niet eens willen, omdat ze aan de weet zijn gekomen dat hun hart zo arglistig is. Maar God is nu juist gericht op dátzelfde hart: “Spreekt naar het hart van Jeruzalem!

En dat is zo teer. Want wanneer vinden we deze uitdrukking nog meer in het Oude Testament? Dat is bijvoorbeeld wanneer Boaz Ruth heeft lief gekregen. Dan spreekt Boaz naar haar hart. Spreken naar het hart, gebeurt dus als twee mensen van elkaar houden, of beginnen te houden. Dat de één de ander zoekt te overtuigen van zijn liefde. En zoekt of in het hart van die ander er wederliefde te vinden is. Of er weerklank is in het hart. Dat het hart opspringt van vreugde en gaat opleven.

Spreekt naar het hart van Jeruzalem!” En dat klinkt nu niet uit de woorden van een man of van een vrouw, maar uit Gods eigen mond. Zo zoekt Hij het hart van Zijn volk. Ja, datzelfde volk dat vanwege hun zonden Hém verlaten hadden. Waarom Hij hen wel moést bezoeken en hen straffen door de wegvoering naar Babel. Maar God wil hun droefheid gaan stillen. Hun vrees wegnemen. De duisternis veranderen in licht. Vreugde voor treurigheid geven. Want de HEERE doodt en maakt levend, Hij doet ter helle nederdalen en Hij doet weder opkomen. De HEERE maakt arm en maakt rijk, Hij vernedert, ook verhoogt Hij.

En zo klinkt Gods stem weer in Babel. Midden in de nacht. Waar, zoals psalm 137 het zegt, elk wars van vreugde en vrolijke gezangen zijn harp aan sombere wilgen liet hangen en de mensen moedeloos en troosteloos en zonder verwachting in het hart het hoofd lieten hangen. Klinkt daar Gods stem: “Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen! Spreekt naar het hart van Jeruzalem!” Ja, u hoort het goed: u bent en blijft Mijn volk. En Ik blijf ulieder God. En waar andere mensen u hebben afgeschreven en waar u zichzelf hebt afgeschreven, doe Ik dat niet. Ik ben u niet vergeten. Dat is nu Gods eeuwige liefde. Zijn verbondstrouw. Zijn onuitputtelijke genade.

Zien we wat hier gebeurt aan het begin van Jesaja 40? Hier komt de Rechter Zelf de tranen drogen van een misdadiger. Hier komt de Koning, die beledigd is door Zijn onderdanen. Maar Hij komt niet om hen voor altijd weg te stoten. Maar om hen te troosten. Is het niet één groot wonder dat de heilige God Zijn knecht het bevel geeft om te troosten? Was er niet alle reden dat Hij zou zeggen: En nu trek Ik voor eeuwig Mijn handen van u af? Nu laat Ik u voor altijd ongetroost achter? Maar zó is God niet!

Zitten er hier mensen in de kerk die ongetroost zijn? Niet durven zeggen de enige troost in leven en in sterven te bezitten. Voor wie het zo’n eeuwig en onbevattelijk wonder zal zijn als al hun raadsels nog eens worden opgelost en God Zelf naar hun hart gaat spreken van blijde troost en vreê. Maar nu zie je alleen nog die rokende puinhopen in je leven en bergen van onmogelijkheden. En daarom leidt u zo’n troosteloos bestaan. En je vraagt je in stilte wel af: Zou God nog wel naar mij willen omzien? Weet Hij wel van mij af? Want Hij zwijgt…

Misschien hebt u nog wel andere tijden gekend in het leven. Maar dat het al zo lang geleden is dat Gods Woord je hart raakte. Maar alles nu zo ver weg lijkt. Het zo donker is geworden en zo stil en zo koud. Zeker, je probeert er nog wel het beste van te maken, maar ten diepste zonder hoop en zonder verwachting. Heb je eigenlijk geen moed meer en geen kracht meer. Is het nacht geworden in Babel.

Hoor dan Gods stem! Hoor de opdracht die God Zijn dienaren geeft: “Troost, troost Mijn volk!” Tot wie klinkt dat? Tot mensen, die zich net als toen in Babel, zich niet op de borst kunnen kloppen om te zeggen: Wij zijn Gods volk. Want de verwoeste stad en tempel in Jeruzalem hadden hen één ding wel duidelijk gemaakt: dat het aan hun kant verloren was. En verzondigd. Ze nergens meer op durfden hopen of op durfden te rekenen. Maar God gaat spreken. Ja, naar het hart van Jeruzalem!

En daar lezen we misschien gemakkelijk overheen, maar daarin ligt nu juist alle ruimte voor degenen die uit zichzelf zo terugdeinzen als ze horen dat God troost wil schenken aan Zijn volk. Want dan zegt  u bij uzelf: zie je wel! Dat is voor Gods volk. Maar hoor ik daar nu wel bij? Is dat wel voor mij? “Spreekt naar het hart van Jeruzalem”, zegt God. Hij heeft het hier niet over Sion! Dat is de andere naam van Jeruzalem. En Sion heeft in het boek Jesaja een andere klank dan Jeruzalem. Als het gaat om Jeruzalem heeft het altijd een donkere kleur. Is dat een herinnering aan de stad die gezondigd heeft en God de rug heeft toegekeerd. En als het hier klinkt in Jesaja 40: “Spreekt naar het hart van Jeruzalem”, dan zegt God daarmee: Spreekt juíst naar het hart van degenen die weten gezondigd te hebben. Tegen licht en tegen genade in. Spreekt tot degenen die in hun zonden en ellenden geen rust en geen vrede van binnen hebben. Omdat ze zich nergens meer op kunnen beroemen. God alleen hun zonden en tekorten kunnen tonen. Zich een arme zondaar voor God weten en daarom hun hoofd voor Hem moeten buigen. Maar die in hun moedeloosheid en troosteloosheid alléén kunnen opademen als God Zelf gaat spreken tot het hart. Omdat ze Hem ondanks alles toch niet meer missen kunnen. Dan zegt God tot zo-één: Er is troost bij Mij.

En wat is dan de inhoud van die troost? Onze tweede gedachte.

2) De inhoud daarvan

Wat is de inhoud van de troost? “Roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand van de HEERE dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.” God troost niet alleen maar wat met woorden, maar daarin belooft Hij ook daadwerkelijk een verandering. God gaat ingrijpen. En dát moet Jesaja gaan uitroepen. Dat wil zeggen: luid en duidelijk. Hij moet maar niet wat gaan mompelen. Het wil ook zeggen: ruim en gul. Niet ingehouden. Niet ergens in een hoekje, maar in het openbaar. Zonder vrees roepen dat de strijd vervuld is! Want dat is het éérste van drie zaken die God belooft. Wordt de moedelozen toegeroepen dat de strijd vervuld is. Nee, nog wat preciezer: dat háár strijd vervuld is. Dat haar strijd ten einde loopt.

Dat woord strijd heeft in Gods Woord een hele brede betekenis. Dat zien we in het boek Job als hij zegt: “Heeft de mens niet een strijd op aarde?” Zo kunnen we strijd zien als beeld voor allerlei ellende, moeilijkheden, tegenslagen en onheil die wij als mensen kunnen hebben. Kun je wat dat betreft een zware persoonlijke strijd hebben in je leven. En is er ook zoveel strijd op politiek gebied, ja zo zelfs op kerkelijk terrein!

Haar strijd, zegt Jesaja hier. Dat wil zeggen: ál het lijden van de Joden in de ballingschap. Denk bijvoorbeeld aan de vernedering en de verdrukking door de vijanden. Zij waren wel het instrument waarmee God Zijn volk moest vernederen. Maar daaraan komt nu echt een einde, zegt God. Want Hij gaat dat zware juk van dienstbaarheid van hen afnemen. En zo klinkt deze boodschap van troost tot hen die nog in Babel zitten, maar het er niet kunnen uithouden: De strijd is vervuld!

En dezelfde troostboodschap mag ook vandaag nog uitgaan. Tot degenen die weten wat het is om te moeten strijden. Iedere dag midden in die geestelijke strijd zitten. Strijd vanwege de geestelijke verlatingen. Dat God zo ver weg lijkt en de hemel maar zwijgt. En de duivel je aanvalt en hij het je toesist: zie je wel, God heeft je verlaten. Je hebt geen heil bij God. Houd er maar mee op om te bidden. Het heeft toch geen enkele zin meer. God hoort zo’n zondaar niet!

En daarbij is er niet alleen strijd met de duivel, maar ook met de wereld. Omdat die je ook geen rust gunt, maar steeds op allerlei manier probeert je van de HEERE en Zijn dienst af te houden. En dat zou nog niet eens zo erg zijn, als je jezelf daarvoor kon afsluiten. Maar je eigen hart trekt juist zo gemakkelijk partij voor de wereld. En zo heb je ook nog die persoonlijke strijd van binnen. Om maar niet steeds weer toe te geven aan al die zondige verlangens en begeerten en slechte gewoonten. Of te luisteren naar die spotters van binnen en van buiten: “Waar is God die gij verwacht?

En wat kan er zo niet een strijd zijn. Een strijd met jezelf. Omdat je zelf je ongevoelige hart niet kunt veranderen. Je zelf je koude hart niet kunt verwarmen. Je zelf je dode hart niet tot leven kunt brengen. Je zelf je weerbarstige hart niet tot zwijgen kunt brengen. Je zelf je troosteloze hart niet kunt troosten. Maar… je kunt het er tóch niet in uithouden. En dát geeft nu zo’n strijd. Misschien ook wel een strijd in het licht van je schuld van allerlei zonden uit het verleden die je nog dagelijks achtervolgen. Dat Gods Wet je daarbij aanklaagt en veroordeelt: je hebt gezondigd! En je probeert je wel aan die greep te ontworstelen en je leven te beteren, maar je bent en blijft zo ongetroost. Want je kunt deze strijd niet zelf beslechten. Maar je hebt een Verlosser nodig! O, hoor dan wat God nu schenkt! “Roept haar toe dat haar strijd vervuld is.

En wat gaat daar in Babel het licht al gloren! Want hoe kan het toch dat die strijd vervuld is? Niet omdat de Joden zélf die strijd tot een goed einde brengen. Niet omdat ze zichzelf kunnen bevrijden. Maar omdat God reddend ingrijpt. Want Híj komt de volken troosten, die eeuwig heersen zal. Het is omdat Christus éénmaal zal strijden, dat er een einde komt aan de strijd van Zijn volk en hun strijd is vervuld.

En zo mag ook nu tot troosteloze strijders een heerlijke troost worden verkondigd. Dat er bij de HEERE troost en uitkomst is. Omdat Híj op Gods tijd gekomen is, Die de strijd met de zonde, de dood en de duivel niet heeft geschuwd, maar juist heeft opgezocht. En Hij, Jezus Christus, heeft al die doodsvijanden verslagen. En waar de Heilige Geest het geloofsoog voor Hem opent, al ziet u nog zo van verre, daar mag het klinken tot uw troost: “Uw strijd is vervuld!

En wat laat de HEERE die arme strijders in Babel nog meer toeroepen tot hun troost? “Dat haar ongerechtigheid is verzoend!” Dat wil zeggen: hun zondeschuld is volkomen afbetaald. Het ongeloof, de onbekeerlijkheid, de ontrouw, de ongehoorzaamheid en al het afzwerven rekent God hen niet meer toe. O ja, ze zitten nog wel in Babel. En tóch mag de boodschap klinken dat de hitte van Gods gramschap is geblust! God is met hen verzoend! Maar hoe kan dat dan, juist terwijl ze zelf in de tempel van Jeruzalem geen offers meer kunnen brengen? Hoe kan Jesaja dan zo’n boodschap van heil, genade en verlossing verkondigen? Is het niet opnieuw omdat de profeet in het vervolg verder mag gaan profeteren van de lijdende Knecht des HEEREN en het mag uitroepen: “De HEERE heeft ons aller ongerechtigheid op Hém doen aanlopen!” Daarom kunnen we Jesaja 40 niet lezen zonder Jesaja 53 en omgekeerd. En daarom mag Zijn volk nu vrijuit gaan, omdat Christus Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld heeft.

En die verzoening is vandaag dezelfde rijke trooststof die verkondigd moet worden: “Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt!” Want wie achter dit Lam mag wegschuilen, ontvangt deze verzoening uit enkel genade. Omdat Hij de straf heeft gedragen en de schuld betaald. Dan klinkt er van boven Zijn bloed die stem van vrede: “Roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is.”

En wat schenkt God in Babel niet een volkomen troost! Want dan klinkt het ten derde: “dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.” Dat wijst ons op de overvloed van Gods zegen en van Zijn genade voor een schuldig volk. Want in plaats van hen eeuwige schande en spot te schenken, komt God tot hen met Zijn belofte van verlossing uit Babel en herstel van Jeruzalem. Zijn ze genoeg gestraft, maar is er voor hen een zegen die dubbel zo groot is als hun zonde. Dubbel ontvangen, dat wil ook zeggen: het is ruim en méér dan genoeg. De hele schuld is voldaan. Is er genade voor hen die zelf geen penning hebben om te betalen. Is er genade op grond van recht waaraan Christus zal voldoen. Daarom zal God ook nooit meer op de zonden terugkomen!

En zien we zo hier niet voor de derde keer dat het geheim van Jesaja 40 vers 2 ligt verscholen in die ene Naam, gegeven tot zaligheid: Jezus Christus! Want wat zei de engel tot Jozef: “Gij zult Zijn Naam heten Jezus: Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” Hij bevrijdt uit de ballingschap van de zonde. Hij vervult de strijd. Hij verzoent de ongerechtigheden. Met eeuwige goedertierenheid zal Hij Zich over hen ontfermen. En daarvoor ging Hij de weg van kribbe naar kruis.

Is dat nu ook niet vandaag die rijke troost die God laat verkondigen? Tot mensen die door eigen schuld zichzelf in de meest troosteloze en uitzichtloze situatie hebben gebracht en met die Joden in Babel, met die treurende rest, moet belijden: het is alles verdiend, HEERE! Het is eigen schuld! ”Wij hebben U op het hoogst misdaan en wij zijn van ’t heilspoor afgegaan!” Maar dan zegt God tot Zijn dienaren: “Troost, troost Mijn volk.” Roept haar toe dat het Kind van Bethlehem, Jezus Christus ís gekomen. Hij heeft de strijd vervuld, de ongerechtigheid verzoend en een dubbele zegen verworven. Daarvoor wilde Christus Zich tot een vloek laten maken.

En die rijke troost wil God ook vandaag nog door Zijn Geest uitdelen. Wil Hij naar uw hart spreken. Je ogen openen voor de troost die er in en door Christus te verkrijgen is. Mag het nu klinken, juist tot u die treurt, omdat u God kwijt bent. Tot u die treurt, omdat u tegen God gezondigd hebt, maar Hem toch niet meer missen kan. Tot u die treurt, om die alsmaar voortdurende geestelijke strijd en de verliezen in de strijd. Maar is er ondanks alles wat u aanklaagt op de bodem van het hart dat verlangen naar God. Dat Hij naar je hart spreekt. O, hier is het Lam Gods, die gekomen is. ”En die tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen.” Eén blik op Hem en de strijd is vervuld. En al drukt de zonde je nu nog zo terneer: één blik op Hem en de ongerechtigheid is verzoend. Is er uit Zijn milde en zegenende Hand overvloedige genade te ontvangen.  

O, wat is het toch rampzalig om niet naar een van God geschonken vertroosting Israëls uit te zien, zoals we allen van nature niet doen! Waarom je niet opveert als je hoort van een vervulde strijd: omdat je die geestelijke strijd niet kent. Waarom je je óók niet weet aangesproken als je hoort van verzoening: omdat je geen enkele last hebt van je schuld. Waarom je niet wordt vertroost door Gods genade: omdat je jezelf nog wel kunt redden. Want wat betekent een medicijn voor iemand die zich totaal niet ziek weet? ”Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet nodig.

Zo zijn er ook velen in Babel geweest, wiens hart niet werd aangesproken toen God deze rijke troost liet verkondigen. Jongeren en ouderen, die toen ze naar Babel werden gebracht, al snel Juda en Jeruzalem vergaten. Vol goede moed een nieuw bestaan gingen opbouwen in Babel. En zo de leegte in hun hart zelf gingen opvullen. Zonder God.

En gebeurt dat ook vandaag de dag niet nog op allerlei manieren? Want God schenkt troost, maar de wereld ook. En de duivel ook. En een godsdienst zonder de ware Godsvreze ook. Maar dat is allemaal een valse troost, die éénmaal zal blijken leugen en bedrog te zijn. Zal het een ieder duur komen te staan die deze hemelse troostboodschap van de eenzijdige liefde Gods niet waardeert, die wordt geschonken door het oordeel heen. Dat de Heilige Geest je terneer werpt, je bedroefd maakt, je arm maakt, je leeg maakt van alles van jezelf. Om in die weg je juist te vervullen met de volheid van de troost in en door Christus.

Maar wat is er dan álle reden voor degenen onder ons die zichzelf niet meer kunnen troosten, maar weten dat alles van God alléén moet komen, om het hoofd omhoog te heffen. Want uw verlossing is nabij, al is het nog nacht. Maar de strijd zal niet altijd duren. Want die dag komt hoor, dat alle vijanden zullen zwijgen, maar de hemelklokken zullen luiden en u het uit Gods eigen mond zal horen: “Troost, troost Mijn volk, spreekt naar het hart: uw strijd is ten einde.” Dan ontvangt u eeuwige troost!

Amen.