Prediker 9:4b 'Want een levende hond is beter dan een dode leeuw.' ds. P. Roos

Preek over Prediker 9:4b

Ps. 84:1

Wet des Heeren

Ps.119:88

Prediker 9

Ps. 49:2,6

Ps. 40:8

Ps. 42:3

Tekst:

4 Want voor degene, die vergezelschapt is bij alle levenden, is er hoop; want een levende hond is beter dan een dode leeuw.

5 Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.

Onze tekst bevat een vergelijking en een tegenstelling.

De vergelijking zit in de beide dieren die hier genoemd worden: een leeuw en een hond. De tegenstelling ziet u in de woorden: levend en dood.

Het dierenrijk is een wonder van de Schepper. Ieder dier heeft zijn eigen specifieke karakter. Ook zijn eigen gaven en zwakheden. De Bijbel noemt heel veel dieren, vaak in relatie tot de mens. U hebt vast wel eens met aandacht gekeken naar een klein en nietig beestje, zoals de mier. Wat een wonder gekrioel van deze altijd maar weer nijvere en ijverige diertjes. Hoe kan zo’n klein wezentje zoveel doen en zo actief druk doen? Ze kunnen een dode vlieg verslepen, ze bouwen heel ingenieus hun verblijven. Hebben ze verstand, zoals wij? Zo noemen we dat niet, maar wat weten we daar nu precies van? Het is een voorbeeld van een Nano- maatschappij. De mens heeft die Nano wereld ontdekt. Maar de Schepper heeft deze al vele eeuwen eerder getoond. En Gods Woord bepaalt ons erbij.

Hoe is het nu mogelijk, kinderen, dat er in zo’n nietig schepseltje zoveel spierkracht huist? Welke instincten drijven hen, als ze oorlog voeren wanneer iemand hen aanvalt? Ze zij onuitroeibaar.

Zo is er natuurlijk wel veel meer te noemen. Veel meer dieren. Wat betekent een vlo of een luis? Toch zijn ze in staat allerlei ziekten en gevaren over te brengen.

Een olifant is natuurlijk veel groter. Men spreekt van een geheugen als een olifant. Misschien alleen omdat het dier zo’n groot lichaam heeft. Maar het geheugen van een mier is misschien nog wel veel groter.

In de Bijbel wordt dus veel aandacht gegeven aan de dierenwereld. Daar moeten we oog voor hebben. Ieder wezen, ook iedere plant bevat lessen voor de mens. Het zijn allemaal boeiende voorbeelden die ons onderwijzen. En vooral: elk dier vertoont in aanleg en gedrag het merkteken van de Schepper.

De genomen tekst is gekozen uit deze dierenwereld. Het gaat over twee heel bekende dieren, namelijk een leeuw en een hond. Maar daarbij speelt er nog iets anders mee. We willen ernaar gaan luisteren:

Een opmerkelijke vergelijking tussen

leven en dood

een leeuw en een hond

geloof en ongeloof

Ik zei al dat er een vergelijking schuilgaat in deze tekst. Er is daarnaast ook sprake van een duidelijke tegenstelling. Het gaat namelijk over leven en dood. Deze beide begrippen worden verduidelijkt door de twee dieren die genoemd worden.

Een hond is geen partij voor een leeuw. Natuurlijk gaat een leeuw het winnen van een hond. Deze slaat met de staart tussen de poten op de vlucht. Je ziet het gebeuren.

Maar de Prediker zet er wel iets voor. Als een leeuw dood is, stelt hij niets meer voor. Dan is een mier sterker. Een levende hond ook, want hij leeft tenslotte en dat geeft de doorslag.

Leven en dood steken schril tegen elkaar af. Het zijn woorden die ook in de Bijbel een grote plaats innemen. Trouwens, ook het mensenleven, ja alles wordt erdoor bepaald en getekend.

De Prediker spreekt er ook vaak over. Het moeten voor hem heel grote werkelijkheden geweest zijn. Het denken over de dood kan hem somber maken, en wie kent dit ook niet? Dit Bijbelboek speelt zich af tussen de wieg en het graf, in letterlijke zin. Het gaat over geboren worden en sterven. Hij spreekt hier in oorlogstermen en dan zegt hij dat er geen geweer is in deze strijd (8:8). Het boek van de Prediker heeft als sleutelwoord: ijdelheid. Daar komt hij telkens weer op terug. Hij kan niet loskomen van dat smartelijke denken over het menselijke leven. Het is ijdel. Waarom toch? Omdat we sterven gaan. Dat noemt hij telkens weer. Je kunt veel betekenen maar je gaat naar de doden toe. Je kunt rijkdom hebben verzameld, maar je moet het allemaal achterlaten. Je kunt een naam hebben gekregen, maar je bent zo maar vergeten.

IJdelheid! Het is allemaal tevergeefs. Het is niet fijn om zulke woorden te lezen. Het doet wat met je. Zulke gedachten blijven als doornen in je vlees steken. Waarom leef ik dan, zo kunnen mensen zich soms afvragen. Iedereen heeft daar wel eens min of meer over gedacht. Of: waarom doe ik het allemaal? Heb ik er echt voordeel van? Nee, denkt de Prediker, en hij legt dat uit in het tweede hoofdstuk. Hij weet het uit ondervinding. Hij heeft geprobeerd een paradijselijk leven op te bouwen, en dat lukte ook nog wel, maar het resultaat stelde hem niet echt blij. Het bracht alleen maar teleurstelling. Dat mooie huis en die schitterende ontwerpen, die bloeiende tuinen en die kabbelende wateren, nee, het liep uiteindelijk op een teleurstelling uit. Denken jullie, jongelui, dat je in een groots en heerlijk paleis echt zo maar thuis en op je gemak zou kunnen zijn? Je gaat erachter komen dat het je niet blijvend bevredigt. Nu, dat heeft deze man ook ontdekt.

Aan het einde van die tunnel der ijdelheden wacht de dood onherroepelijk op je. Ik ga hier met nadruk op in, omdat juist de mens van nu met deze gedachten rondloopt. Het is heel vreemd: we hebben het heel goed, maar toch is het echte geluk een ijdele droom. We kunnen eten en drinken zoals we dat willen, we maken muziek en we zoeken de uitdaging, we hopen dat het ons goed zal doen, maar er zit aan elke schoonheid een vlek. Hoe kan het toch bestaan dat we zo onrustig blijven in deze tijd? Waarom maken al die festivals, vol lawaai en leven, het allemaal alleen maar erger? Mensen zoeken het steeds verder weg. Denk eens hoe men doorslaat en verder wil op de wegen van seks en losbandigheid. Hoor de berichten telkens weer spreken over de economie en over hogere eisen en een toenemende conjunctuur. Denk aan dat andere dier met een dreigend karakter, de bloedzuiger. Deze heeft naar het Woord der Schrift, twee dochters, die allebei roepen: Geef, geef. Dat is onze maatschappij!

In de wereld van hen die alles gemaakt hebben, blijkt de troosteloosheid en de hopeloosheid zonneklaar aanwezig. De praktijk van de groten der aarde en de sterren van sport en spel stemmen niet vrolijk. Een normaal mens gaat ervan walgen. Bekende namen uit de media beleven het ene huwelijk na het andere, het zoveelste avontuurtje na de reeks andere uitglijdingen. Dat doet wat me ons allen.

En wij? Tobben we ook soms niet over de ijdelheid? Je hebt ook je teleurstellingen, het gaat ook niet allemaal voor de wind, je staat ook aan het graf van hen die je niet missen kunt, je beleeft ook ineens een slecht nieuws gesprek. De coronacrisis heeft ons dat ook wel weer heel erg duidelijk gemaakt. Het kan allemaal zo maar ineens anders gaan dan je denkt. Dit hele sombere verhaal komt allemaal tevoorschijn uit de koker van de dood. De Prediker gaat dan zover dat het allemaal ijdelheid is.

Staat dat in de Bijbel, zo vraagt u? Nou ja, dat wist u natuurlijk al langer, maar het is toch wel een tegenvaller. Maar de Bijbel bevat toch het Evangelie? Het is toch een blijde boodschap? Dus ook de Bijbel en de Prediker maken het er al niet beter op. Dat is zeker waar want Gods Woord lijkt het allemaal nog erger te maken. Er is sprake van een definitief verloren Paradijs. We lezen elke dag van de rampspoed die de mensen overal treft, er zijn aardbevingen en er zijn miljoenen vluchtelingen en de Kerk wordt dan nota bene ook nog verdrukt en gemarteld, dus….

Gods Woord doet er nog een schepje bovenop. In Psalm 130 gaat het eerst over diepten van ellenden, daarna over de ongerechtigheden. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen. Dat is nog erger. Het kwaad zit in ons zelf. We roepen het allemaal over ons zelf af. Wat is de zonde een kwaad. De zonde is geen overheersend thema in de Prediker, maar het komt wel hier en daar ter sprake. Uw zonde is misschien niet uw grootste verdriet, maar het is wel uw grootste kwaal. Zo ontrolt het Woord als de enige Waarheid de lange loper van de pikzwarte werkelijkheid. Dood en zonde. We zijn allemaal werknemers in de fabriekshallen van de mensenmoorder van den beginne.

Genoeg, zegt u. Foute gedachte! Als je hier een streep moest zetten, als je nu genoeg zou hebben gehoord, zou alles zinloos zijn.

De Prediker gaat toch verder. Hij zegt bijvoorbeeld ook, dat God dit alles doet. Hij noemt eigenlijk al deze dingen op, om je te brengen tot de kennis van God. De wereld en haar weg voert naar de afgrond, naar het toeval, maar de Prediker brengt ons tot de levende God.

Dat helpt wel. Luister nog eens even verder naar deze doemdenker, deze Prediker. Weet u wat dan zo vreemd is? Dat juist deze man ook de meest optimistische uitroepen slaakt. Hoe kan dat dan? Hij heeft het over witte kleren, over fonkelende wijn, over het genieten van het leven, over de gepaste vreugden van het huwelijk, over de schoonheid van de natuur; kortom, hij schildert heerlijk uit wat het leven is, als tegenstelling van de dood.

Is het niet heerlijk dat hij naast de duisternis van de dood het blijde leven tekent? Dus dat de dood niet heerst? Hij zegt in vers 7 tot en met 9: “Ga dan heen, eet uw brood met vreugde, en drink uw wijn van goeder harte; want God heeft alrede een behagen aan uw werken.

Laat uw klederen te allen tijde wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken.

Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, al de dagen uws ijdele levens, welke God u gegeven heeft onder de zon, al uw ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en van uw arbeid, dien gij arbeidt onder de zon.”

Rijker en mooier kan het niet. Dit is toch een mooie droom, jongelui? En u, ouderen, beleeft u het nog zo? Is hiermee de film van uw leven gegeven? Er zijn gelukkig mensen die zo mogen leven. Ze zijn elke dag dankbaar, ze zien talloos veel zegeningen in hun leven, ze hebben wel hun verdriet en hun tranen, maar ze hebben het medicijn daartegen gevonden. Hebt u het ook zo mogen zien dat al deze dingen uit de Hand Gods zijn? U en jij allemaal, ook uw leven is gevuld met goedheid en gaven.

U zult zeggen: Praat niet zo makkelijk! U moest het eens weten…… U preekt over de problemen heen, u bent oppervlakkig bezig. Jazeker, dat zou natuurlijk zo kunnen zijn. En als een wereldling zulke dingen zou zeggen, zou dat ook al ijdelheid zijn. Maar een christen heeft goede grond om zo te spreken. Er is een rijkdom van leven. God heeft het leven gegeven en Hij heeft ons het leven gelaten. Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijn gunstbewijzen.

Het leven is een gave van God. Daar kunnen we geen kwaad van zeggen. Gods Woord is en blijft Evangelie. Dood en leven komen aan de orde, maar het leven wint. De leeuw kan nog zo sterk zijn, maar als hij geveld is door de dood, stelt die kracht niets meer voor. Een hond kan hem makkelijk aan, want hij leeft. Dat is de boodschap van de Bijbel: het leven is beter dan de dood. Zeker, het staat ook wel anders in de Prediker, maar dan heeft hij het over een bestaan zonder God en zonder Christus. De levensroep op het slagveld luidt: de dood is verslonden tot overwinning. Het leven is een gaaf geschenk, de jeugd is een mooie tijd, het huwelijk is de moeite waard, de ouderen onder hun vijgenboom, met hun pensioenen, hebben het goed. Te mooi? Vaak wel, maar niet als de Heere je die woorden in de mond legt. Dan mag je dat bij tijden zeggen.

In deze tekst klinkt het Paasevangelie door. De Heere is waarlijk opgestaan. Maar dat ging niet vanzelf. Deze Heere was de Man van smarten. Hij heeft dood en ijdelheid fel geproefd. Hij heeft een levensweg gehad die de Prediker zich niet heeft kunnen voorstellen. Zo diep moest Hij afdalen en zo zwaar zonk Hij weg in het moeras van de dood. Naar de mens gerekend, was alles ijdelheid. De machten der duisternis hebben zich op Hem geworpen en ze hebben Hem overwonnen. Nu, wat blijft er dan nog over? Deze ijdelheid ging dieper dan die van ons, van u. Hier ligt uw uitkomst, uw verlossing. Hij kan uw tranen drogen en uw klachten doen verstommen. Niet op een goedkope manier, maar als een werkelijk medicijn. In uw doodsnacht gloort door de traliën (Hoogl. 2:9) heen de glans van het leven. Door de traliën ja! Dus er is ruimte en aandacht voor de gevangenis, die het leven zijn kan. Maar door de traliën straalt het lieflijk levenslicht. En die traliën zullen wijken, want Hij heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd.

Daarom kan de Prediker spreken van het leven, van een levende hond, een mens, die in al zijn ellende het leven heeft. Jezus heeft op de Paasmorgen het echte en het ware leven geopenbaard. Het onverderfelijke leven. Daarmee heeft Hij ook de zonde als de prikkel van het graf weggenomen. Hij heeft waarlijk onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen. Hij zegt het tot een stervend volk: Ik leef en gij zult leven.

Leven en dood, licht en duisternis, dag en nacht, lachen en treuren, het staat allemaal in het levensboek, dat Gods Woord is. Kies dan het leven, zo hoor ik Mozes zeggen. Wie kiest, o verdwaasde, voor het leven de dood?

Dat is dus het geweldige van Gods Woord, jongelui, dat daarin en daarin alleen het leven overwint. Daarnaast en daarbuiten nergens. En het mooie is nu dat de Bijbel niet die oppervlakkige vreugde van de wereld zonder grond bezingt, maar het echte leven, waarvoor de prijs betaald is.

Zo hebben we gezien dat er een absolute tegenstelling in de tekst ligt, namelijk die tussen leven en dood. Daarmee heeft ieder te maken. U rekent daar wel mee?

De vergelijking in de tekst vinden we in de beide dieren die genoemd worden.

De leeuw en de hond.

Zijn jullie, kinderen, wel eens in de dierentuin geweest? Toch wel goed, dat deze er zijn, want dan weet je ongeveer hoe deze dieren eruitzien. Voor een hond hoef je niet naar Ouwehand. Maar een leeuw heb jij nog nooit aangeraakt. Dat weet ik wel zeker. Zou je het durven? Nee, natuurlijk niet.

Wist je dat in de Bijbel allerlei rampen worden genoemd, die ook met wilde dieren te maken hebben? Er kunnen overstromingen plaats vinden en aardbevingen, maar de Heere noemt voor Israël ook het oordeel van de wilde dieren. Er wordt verschil gemaakt tussen dieren van de boerderij en wilde dieren (Ezech. 34:8). Wilde dieren vormden een bedreiging. In het Oosten liepen behoorlijk veel monsters rond. David had met deze sterke beesten gevochten.

Nu dus over een leeuw. Hij wordt genoemd de koning der dieren. De leeuw was in Palestina wel bekend. Simson heeft met een leeuw gevochten. De profeet die Jerobeam in Bethel bestraft had, werd door een leeuw onderweg gegrepen, omdat hij bij de oude profeet naar binnen was gegaan, terwijl hem dit verboden was (1 Kon.13:24).

In de schepping zien we dat de Heere aan de dieren verschillende eigenschappen gaf. De slang is listig, een duif is oprecht, een varken leeft onrein, een lam is weerloos; zo heeft ook de leeuw bepaalde eigenschappen die bij hem horen. Het eerste is natuurlijk zijn kracht. Kijk eens naar zijn vreselijke poten, die ijzeren kracht bezitten. Hoor hem eens brullen, als hij zich laat gelden. Daar is echt iedereen bang voor.

Een leeuw kenmerkt zich ook door moed en dapperheid. We spreken over leeuwenmoed. En verder is de leeuw een bloeddorstig monster. Als je dat zo leest, kun je niet begrijpen dat David ooit vocht met een leeuw en deze overwon.

Je moet dus maar geen leeuw tegenkomen. Dit dier dient ook ter vergelijking. De Heere Zelf stelt de leeuw voor Hem Zelf in beeldspraak. “De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? De Heere Heere heeft geprofeteerd, wie zou niet profeteren” (Amos 3:8). Hierin wordt de kracht van God voorgesteld. De Heilige Geest wordt vergeleken met een duif. Dat is weer een andere voorstelling van God, Die eveneens waarheid bevat.

Zo wordt echter ook de duivel voorgesteld onder het beeld van een leeuw. Hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. Hier worden we dan gewaarschuwd voor de verleidende kracht van de duivel.

En Wie is de leeuw uit Juda’s stam? Dat is de komende Heiland der wereld. Wat een zegen dat Hij zowel een lam is alsook een leeuw. Een lam in Zijn liefde en een leeuw in Zijn kracht.

Verder wordt ook de moedige rechtvaardige vergeleken met een jonge leeuw.

Kom je een leeuw ooit tegen, wat zou je bang zijn. Gaat het echter over een dode leeuw, dan zie je wel dat sterke lichaam, maar het ligt volkomen krachteloos terneer. Je zou je hand tussen zijn sterke kaken kunnen leggen en er gebeurt niets. Dat komt omdat de leeuw dood is. Ook een leeuw moet immers sterven. De leeuw is sterk. De dood is echter nog sterker. De dood lijkt een onoverwinlijke vijand.

Een heel ander dier is de hond. Die kennen we veel beter. De hond is eigenlijk een wolf, die tot een huisdier geworden is. Je zult vast wel houden van honden. Het zijn bijzondere dieren die zeer begaafd zijn. Maar zo keken de Israëlieten er niet tegen aan. In Israël, ik zei het al, was de hond een vuile straathond geworden, die zelfs mensenbloed dronk. Dat overkwam Izebel, als een Godsoordeel.

Tegenwoordig zien we de hond steeds vaker. Je kunt versteld staan van de goede eigenschappen van een hond. Hij is een wandelende hulpverlener. Let eens op zijn ogen en oren. Hij kan veel en veel beter zien en horen dan wij, mensen. Honden worden ook ingezet als speurders. Zij kunnen een reukvermogen ontwikkelen dat een miljoen keer zo sterk is als dat van de mens. Daarom worden ze gebruikt bij jachtpartijen en ook tot meer nut bij aardbevingen om doden onder het puin op te sporen. Men denkt momenteel dat ze ook het coronavirus kunnen ruiken. Blinden kunnen enorm geholpen zijn met een hulphond. Herders ook. Als het over karaktereigenschappen gaat, staat het dier bekend om zijn trouw. Het dier hecht zich buitengewoon aan zijn baas. Hij zou voor hem door het vuur gaan.

Een hond is dus een nuttig dier. Tenminste, voor ons en in deze tijd. Maar dat was anders in de dagen van de Bijbel. Toen was dus een hond een verachtelijk schepsel, een straatschuimer, van top tot teen onrein. Maar hij heeft een voordeel op een dode leeuw: hij leeft. Hij is zelfs springlevend.

We willen tenslotte ook spreken over de toepassing van dit woord in ons leven. Dan gaat het over

geloof en ongeloof

De Prediker heeft met deze tekst een bepaald doel: hij wil de waarde van het leven benadrukken. Voor de levenden is er hoop. Zij weten dat zij sterven zullen. Maar de doden hebben daar geen besef meer van.

De Prediker der ijdelheid spreekt over hóóp. Hij heeft over dit leven allerlei gezegd dat een mens neerdrukken kan. Telkens als hij om zich heen kijkt, ziet hij ijdelheid. En nu dan het woord: hoop. Hoop voor de levenden. Hoop voor u en voor jou.

Wij hebben allemaal een zekere hoop. Hoop heeft te maken met het heden en met de toekomst. Het woord geeft aan dat iemand het moeilijk heeft. Een zieke hoopt op beterschap. Een gevangene hoopt op zijn vrijheid. De omstandigheden kunnen dus moeilijk zijn. Zoals bij u die pijn moet lijden of bij u die treurt om een zwaar verlies. Wat kan het leven veel moeiten met zich meebrengen. U weet het zelf vast wel te onderbouwen met allerlei voorbeelden dichtbij en ver weg. Zijn er werkelijk mensen die geen hoop meer hebben? Je moet je erover verbazen dat zoveel mensen zoveel moeten en kunnen dragen. Iemand zonder hoop is radeloos; maar het is niet hopeloos, niet reddeloos. Ik wil deze hoopvolle boodschap niet te snel uitspreken. Ik moet uw noden en zorgen heel serieus nemen. De Prediker doet dat ook en dat hebben we reeds gehoord. Toch houdt hij vast aan de hoop.

U mag erop hopen dat u beter wordt, maar u weet niet of dat gebeuren zal. Zo hopen we op allerlei dingen, die eenmaal alles anders zullen maken. We zien hoopvol naar het gelaat van een dokter, we speuren de krant na naar berichten over wat meer financiële speelruimte, en ga zo maar door.

Maar in Psalm 42 staan de enkele woorden: Hoop op God!

Deze hoop heeft te maken met het verschil dat er is tussen leven en dood, het bekende en telkens terugkerende refrein van deze Prediker. We kunnen hem allemaal wel gelijk geven. Het leven heeft oneindig veel meerwaarde dan de dood. Sta daar eens even bij stil. De Prediker heeft het nu over de lichamelijke dood als biologisch proces, los van de gedachte aan de eeuwige bestemming. Dood staat voor alles wat ellendig en duister is. Het leven daarentegen biedt licht en geluk. Zeker niet voor alle mensen. Massa’s mensen ervaren het leven als een zware opgave. Ook in de Bijbel horen we zulke klanken wel. Maar als het erop aan komt, vechten we allemaal voor het leven.

Het zit tegenwoordig in de lucht om het leven vooral als een bundeling te zien van strijd en moeite. Doet u dat ook? Je kunt je inderdaad bij tijden afvragen waarom we op de wereld zijn gekomen. Job en Jeremia waren er zelfs ook niet gelukkig mee. Dus dat kan zo opkomen in een mensenleven. Iedereen kent zulke vragen en gevoelens. Waarom leef ik? Ooit zei een vrouw in Middelharnis eens tegen me dat ze blij was dat ze was geboren. En ze had goede gronden om dat te zeggen. Ze had uitzicht op de eeuwige gelukzaligheid. Nogmaals de vraag: Hoe sta je in het leven?

Hoort u de vogels echt zingen? Ziet u de schoonheid van de kleurenpracht in de schepping? Zijn er in je leven de momenten waarop je geniet van de mooie dingen, van de stralende zon en van de gouden regenstromen, van de majesteit van de natuur in storm en noodweer, maar ook in de rust van de nacht?

Ik zeg dit niet om u daarin te laten opgaan. Maar ik zeg het de Prediker wel na, dat er voor ieder mens hoop is. Ik moet dat wel omschrijven en verklaren. Ik bedoel niet die hoop, waardoor u zeker weet dat het geluk gaat aanbreken, het geluk van geld en goed, van huwelijk en gezin, van gezondheid en allerlei gaven. Wel de hoop omdat er beloften voor u in Gods Woord verklaard liggen. Al is het nu misschien zwart en zwaar, houd moed, er is hoop. Ook voor u en voor jou. U gelooft dat misschien niet of niet meer. U hebt al zo vaak gedacht dat het beter zou worden en het gebeurde nooit. Het viel tegen bij de dokter en bij de bank, mensen werkten u tegen en God scheen Zich er niet mee te bemoeien. Er zijn veel mensen in de kerk die worstelen tussen hoop en wanhoop.

Welke hoop ziet de Prediker voor u? Hij zegt dat de levenden weten dat zij sterven zullen. Dat is wel een wonderlijke wijsheid, een moeilijke uitspraak. Juist dat kan het zo moeilijk maken, dat ik ga sterven. Een zieke is daar niet blij mee. Blijkbaar ziet de Prediker dat sterven als een uiterst gewichtige zaak. Hij brengt het sterven elders in verband met het gericht (12:14). Dat maakt enerzijds de ernst van het leven uit. We gaan sterven en we moeten allemaal rekenschap afleggen. We zijn gedagvaard en we zitten in de beklaagdenbank. En er kan sprake zijn van een uitspraak die alle hoop eeuwig wegslaat. Eeuwig zonder hoop. Maar daar ligt nu juist de glorende hoop: zover is het nù niet. Er is een weg ter ontkoming. U leeft nog in het liefelijke heden der genade. U kunt zalig worden. U kunt eeuwig gelukkig worden, als u deze woorden ernstig neemt. Denk vanuit de ernst van het gericht en besef dan dat er vele beloften en nodigingen aan u geadresseerd zijn. Zoekt Mij en leeft! Zo klinkt Gods stem. Wie in Mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven, getuigt Jezus. Ik leef en gij zult leven, zo roept Hij het de Zijnen toe.

Die hoop is er voor een levende. Hiermee is bedoeld een mens die gewoon dit aardse leven leeft. Met deze hoop bedoelt hij dus dat er een weg is naar het eeuwig zalig leven. En als het daarop uitloopt, komt er ook ruimte voor dit aardse leven. Dan weet de Prediker best dat er heel veel strijd kan zijn en dat de golven hoog kunnen oplopen, maar dan is er een God in de hemel Die Vaderlijk zorgt voor Zijn Kerk en Die helpt in nood. Wie zegt dat het leven hopeloos is, rekent niet met de Heere. Die levert zich uit aan de machten der duisternis. Doe dat niet. De roepstem en de uitgebreide armen van Jezus worden ook u verkondigd. Door deze Prediker, die echt wel wist van tegenslagen en teleurstellingen. Grijp dan deze hoop aan. Maar besef dat dit dan ook de enige hoop is. Als u het van andere dingen verwacht, wordt het ooit en eens hopeloos. En daar ligt uw fout, uw schuld: u zoekt het te vaak bij andere instanties. Bij de dokter of bij uw man, bij uw baas of bij uw vrienden. Hoop op God! Jesaja heeft merkwaardige woorden gesproken over het hopen op God. Hij verwijt het volk dat zij het leven in eigen hand gevonden hebben. Het volk was vermoeid van hun grote reis, maar ze zeiden niet: het is buiten hoop (57:10). Het zocht alle hoop in hun vermoeiende reizen, om in Egypte hulp te halen. Daar gingen de mensen hardnekkig mee door. Ze wilden die hoop niet opgeven. Deden ze dat nu maar. Dan zouden zij de werkelijke hoop in de Heere kunnen vinden. Lijkt het hopeloos? Dat kan, maar dat komt uiteindelijk omdat we onze hoop verkeerd richten. Het is echt hopeloos zonder God, maar voor de levende, die weet dat hij gaat sterven, is er hoop, want die gedachte voert u toch echt naar de levende God, de God aller hoop!

Deze geestelijke wijsheid wordt nu onderstreept door de gedachte van de tekst over die twee dieren. De een leeft en de ander is dood. Wat heeft dat nu te maken met geloof en ongeloof? Een levende hond zou nog kunnen hopen op allerlei meevallers, maar een dode leeuw heeft dat vermogen verloren.

Dat is in het natuurlijke zo. Maar de Prediker bedoelt meer. Al zou je leven een “hondenleven” zijn, dan nog is er die hoop, waar ik het zoeven over had. Ik heb het zoeven toegepast op het natuurlijke leven, maar het geldt ook voor het geestelijke leven. Laten we eens goed kijken naar die levende hond.

Dat is beeldspraak. Gods Woord verstaat onder “leven” iets heel anders dan wij. Er is een geestelijk leven, er is zelfs ook een eeuwig leven. Over dat leven sprak de Heere Jezus: “Doden zullen horen de stem van de Zone Gods en die ze gehoord hebben, zullen leven” (Joh.5:25). Dit is het echte leven. De Heere werkt dit leven in de wedergeboorte. Dan wordt een zondaar van dood levend. Wat een heerlijke overgang moet dat toch wel zijn. Dan gaat voor het eerst echt de zon op voor een mens. Dit is het eeuwige leven dat zij U kennen, zo heeft de Heere Jezus gesproken tot de Vader. En: Ik geef hun het eeuwige leven.

Gods volk kent levende behoeften en hemelse begeerten. Ze vertonen de levenstekenen van het Koninkrijk Gods. Maar niet al Gods kinderen staan op de hoogten van dit leven. Hun zielenleven kan door allerlei kwalen gekweld worden; het wordt genoemd een ellendig en arm volk. De Heere typeert hen door te zeggen dat zij vernederd en verbrijzeld van geest zijn (Jes. 57:15). Dat geldt niet alleen van sommigen die extra in nood verkeren, maar dat geldt van al Gods kinderen: vernederd en verbrijzeld. Dat zijn diepgaande uitdrukkingen. De Heere weet van hen dat zij zwak van moed en klein van krachten zijn. Gods volk is genoemd een wormke Jakobs. Jezus noemt hen een leger van zondaars, een in zichzelf geheel verloren volk. Zulke mensen wonen niet in Laodicea, maar in Smyrna werden ze gevonden, terwijl die gemeente geestelijk op hoog niveau leefde. Maar juist tot die vermeende rijken uit Laodicea zegt de Heere het zelf: Ge weet niet dat ge zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt.

Zo wordt het ook beleefd. Het is waar dat Gods volk ook rijk en gelukkig genoemd wordt. Zij zijn meer dan overwinnaars. Zij kunnen ook met eikenbomen vergeleken worden. Zij kunnen ook uitroepen: Ik vermag alle dingen door Christus Die mij kracht geeft. Maar in zichzelf zijn zij ellendig, arm, en naakt. Dat erkende ook de grote Paulus.

De psalmdichters hebben het zo ook menigmaal beleefd. David geeft er meermalen getuigenis van. Ik hoef daar nauwelijks voorbeelden van te geven. Dit volk kan verkeren in diepten van ellenden. Diepten van armoede en gemis. Maar vooral ook: in de diepe kolken van schuld en verlorenheid. Hun ellende is dus met geen pen te beschrijven en zij dragen daar kennis van om. Ze kunnen gekweld worden door een scherpe doorn in het vlees, door een engel des satans.

Zij kunnen zich dus goed vinden in de hier gegevens typering van een levende hond. En ook daaraan wordt nog wel eens getwijfeld, want Mefiboseth noemde zich zelfs een dode hond. Ja, zo kan het beleefd worden. Maar daarin vergiste hij zich. Hij was wel zeker een lévende hond. Dus erkennen zij een onedel geslacht te zijn, zoals die straathonden, die zwerven door de dorpen en die van het gegeef moeten leven; maar zij leven wel. Zij kennen een levende Christus en hun hart roept uit tot God Die leeft en aan hun ziel het leven geeft. Dat leven blijkt juist in hun klachten en in hun zwakheid. Dus al bent u de geringste onder Gods volk, al was u als een hond vergeleken met de leeuwen in moed en geloof, u mag gelukkig zijn dat u leeft. Misschien is dat echter nu juist uw vraag. Ben ik wel een levend christen? Stelt u die vraag? U krijgt daar vanuit u zelf geen zeker antwoord op. Wel als u vraagt: Is Jezus een levende Heiland? Vanuit Hem alleen stroomt het leven. Zoek dan de verbinding met Hem. God is een God Die leeft en aan de ziel het leven geeft!

Een levende hond kan zeggen: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Hang uw harp niet aan de wilgen. Zeg het na, want het wordt u voorgezegd: O mijn ziel, wat buigt ge u neder?

En dus de vraag: Leeft u echt? Ik hoor mijn eigen hart al klagen over veel gebrek aan leven, over zonden en gebreken, over een hard gemoed of een dwaas gedrag, over gemis en tekorten, toch, dat kunnen juist de tekenen van het echte leven zijn. De dood heeft daar geen last van. Wees dan gelukkig met het feit, dat u dat leven hebt ontvangen. Verwerp het ook niet als de Heere het u gaf. Veracht dan Zijn goedheid niet. Een levende hond is niet zozeer gelukkig te noemen omdat hij een hond is, maar omdat het dier leeft! En nu kan een hond wel liever een leeuw willen zijn, maar daar gaat het niet om. Beide zijn schepselen van God. Het leven geeft de doorslag, het leven uit Christus. Daarin bent u opgewekt met Hem uit de doden.

Nu mogen we hier zeker niet het armoedige en armetierige genadeleven verheffen tot het een en het al, toch willen we ieder gelukkig prijzen die mag zingen: Ik hoop in al mijn klachten, op Zijn onfeilbaar woord.

Maar u zou liever een leeuw zijn, in moed en kracht? U zou liever een koninklijke houding vertonen en alom ontzag en opzien baren? U wilt eigenlijk liever groot en indrukwekkend genoemd worden? U zou ook in uw genadeleven liever veel meer en veel sterker willen zijn, dan u nu bent?

Zeker, er zijn ook wel levende leeuwen en hun positie is inderdaad wel heerlijk en groots. Hoewel, ook een leven als een leeuw heeft schaduwkanten. Ook een leeuw heeft vijanden en ook dit sterke dier kan komen te vallen door ziekten en kwalen. Maar in ieder geval: ook en leeuw moet sterven. Hij kan ook niet tegen de laatste vijand op.

En dat weet deze Prediker ook. Hij heeft dode leeuwen gezien. Die sterke poten en dat machtige lijf, die blinkende tanden en die vreselijke kaken, maar het was alles geveld oor de dood.

Zo kan het nu zijn met een groot en sterk mens. Hij kan veel bereikt hebben, Hij kan rijk zijn in goederen, hij kan het heel ver gebracht hebben, maar zeg eens, als hij nu de Heere nog mist, dan stelt het allemaal helemaal niets voor. U moet u niet zozeer laten leiden door de vergelijking tussen een leeuw en een hond, maar bedenk dat het verschil tussen dood en leven veel groter en wezenlijker is. Wees dus over het heil der bozen niet ontstoken, benijd hen niet. Al zijn er geen banden tot hun dood, al is hun kracht fris en zijn ze gezond tot aan hun laatste avondstond, als je op hun einde let dat storten zij eenmaal in eeuwige verwoesting. U bent er toch niet jaloers op?

Er liggen ook dode leeuwen in de kerk, helaas. Zij menen rijk en verrijkt te zijn, die denken de hemel te mogen verwachten, zij roemen in het kruis en zij verheffen zich op hun werken; ja het kan zelfs nog verder gaan. Het kan zijn dat zij vertrouwen hebben in hun bekering en dat zij uitmunten door vroomheid en ernst, en toch er is geen levende betrekking met Christus. Er is geen echte band met de drieenige God. Wat kunnen zulke mensen rijk zijn en hoe vast lijkt hun positie. Zij leven uit de gedachte: Naakt tot mij niet want ik ben heiliger dan gij.

Roem niet in uw vermeende bezit. Onderzoek uzelf of het werkelijk gaven van genade zijn. Bent u nog als een dode leeuw? U had zo echt sterk kunnen staan, u zou zo echt onbevreesd kunnen zijn, maar als u nog dood bent? Dan is al die kracht ijdelheid. Onderzoek uzelf, niet zozeer of u een leeuw of een hond bent, maar of u dood of levend bent. Dat geeft de doorslag.

Nog is er een weg uit de dood. Dat is zoals we zagen de enige hoop, ook voor dode leeuwen. In de natuur kan dat niet, maar geestelijk kan dat wel. Zie dan af van uw leeuwenkracht, en leer een behagen te hebben in zwakheden. Want een levende hond kan zeggen:

Als ik zwak ben, dan ben ik machtig!

                                                                                                                                                             Amen