Micha 7:18-19 'Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft' ds. A.A. Egas

Predikatie ds. A. A. Egas Christelijke Gereformeerde predikant te Nieuwkoop en Vianen
Locatie: Christelijke Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop
Datum: zondag 9 juli 2017, 9.30

Votum en groet
Zingen Psalm 92 vers 1
Heilige wet des Heeren
Zingen de Tien geboden des Heeren vers 9
Schriftlezing: Micha 7 vers 7 tot 20

Geliefde gemeente we hebben het slotgedeelte gelezen uit de profeet Micha. En jonge mensen Micha wordt wel genoemd: één van de kleine profeten. En dat wil niet zeggen dat die man klein van gestalte was. Dat wil ook helemaal niet zeggen dat zijn boodschap van geringe betekenis is. Maar het is alleen maar een hele eenvoudige indeling van de Profetenboeken. We hebben de 3 grote profeten: Jesaja, Jeremia en Ezechiël. En de 12 kleine profeten. En dat betekent dat we van Jesaja een boekrol hebben met 66 hoofdstukken. En daarentegen een boekrol van Micha met 7 hoofdstukken. Dat is de enigste reden waarom hij een kleine profeet genoemd wordt. Maar de eeuwigheid zal straks openbaren dat zijn werk evenzogoed gezegend is als hetwerk van de profeet Jesaja met zijn boek met 66 hoofdstukken. Micha en Jesaja, ze hebben allebei geprofeteerd in dezelfde periode. In de periode van koning Achaz en Hizkia, zo’n 700 jaar voor Christus. Er was wel onderscheid tussen Jesaja en Micha. Jesaja was de man van de stad. Jesaja was de ontwikkelde man uit de priesterode. Daarentegen was Micha de man van het platteland, de eenvoudige man. Maar beiden hebben ze niets anders gedaan dan Het Woord van de Heere verkondigd. En wat is dat voor een Woord? Wel gemeente een Woord van zonde en genade. Dat is een Woord van recht en oordeel. Dat is een Woord van schuld en van vrijspraak. Luister maar eens naar het eerste hoofdstuk. Daarvan lees ik met u de verzen 6 en 7, waar we iets lezen van dat oordeel zoals de Heere dat gaat voltrekken en zoals Micha dat dan ook in de opdracht van de Heere moet brengen. En het is een aangrijpend en ernstig Woord als hij het oordeel moet zeggen:
Daarom zal Ik Samaría stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken.
En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren.
Aangrijpende woorden. Woorden van oordeel. Woorden van gericht. Woorden van straf. Dat is de ene kant van het werk van Micha. Maar anderzijds mag hij ook brengen woorden van troost. En dan kennen de kinderen allemaal wel de tekst uit Micha 5: en gij Bethlehem Efratha zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël en Wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid.
Een prediking van troost en hoop waarin hij mag zeggen dat de Heere Jezus komen zal. En zo heeft een verklaarde het opgetekend: evenals elk profetisch geschrift bevat ook dit van Micha een tweeledige prediking: zowel een oordeelsprediking als een heilsverkondiging. En geliefde gemeente dan komt de vraag tot u en mij: begeren wij ook zo’n prediking? Is dat ook uw en jouw verlangen geweest, naar een eerlijke prediking, een Bijbelse prediking? En dat is een prediking van oordeel en gericht. Maar ook een prediking van vrijspraak en blijdschap. Die twee kanten altijd, elke keer opnieuw. Van nature begeren wij zo’n prediking niet gemeente. Dat moeten we eerlijk zeggen. En dat blijkt ook wel. Want Jesaja wordt als een boomstam doormidden gezaagd: zwijgen jij, wij willen niet horen van oordeel en gericht. Spreek ons van vrede, vrede en geen gevaar!
Jeremia de boeteprediker wordt geworpen in een put met modderig slijk, opdat hij daarin sterven zou. En wat hebben ze gedaan met de Heere Jezus, Die ene Ware, Grote Profeet? Ze hebben Hem van de steilte af willen werpen toen Hij ontdekkend en ontmaskerend preekte en ze hebben Hem uiteindelijk aan het kruis genageld toen Hij predikte de enige Weg te zijn als de Zoon van God! Geliefde gemeente wij begeren geen rechte, eerlijke, ontdekkende prediking en we hebben ook geen behoefte aan de prediking van die ene Weg tot behoud! Bent u daar weleens achter gekomen dat u een vijand bent van de prediking van Het Woord? We zitten hier vanmorgen wel maar ik vrees dat er heel veel zitten uit gewoonte alleen, omdat hun geweten het zegt: je moet zondag naar de kerk. Maar die er niet achter gekomen zijn dat ze eigenlijk helemaal niet willen. Dat ze ten diepste helemaal geen behoefte hebben om de prediking te horen van recht en genade, van duisternis en licht, van wet en evangelie, omdat ze dood zijn! Is dat ook voor u, voor jou waarheid? Denk eens heel even na. Als je nou niet van je ouders naar de kerk moest, als er niet vanbinnen een stemmetje was die zei: het is zondag en dan moet je naar de kerk, als dat niet zo was, zou je dan niet vanmorgen heel graag naar het strand zijn gegaan? Zou je eigenlijk niet liever met je bootje zijn gaan varen op de plas? Zeg eens heel eerlijk, eerlijk voor God: wij begeren niet naar Gods huis te gaan in onze natuurstaat! En daarom is het zo nodig dat we vanmorgen door Dat Woord van God geraakt worden! Dat Gods Heilige Geest pijlen afschiet die ons vijandige hart treffen, ons dode hart treffen. Opdat we het mogen zeggen: spreek Heere, spreek tot mij, van oordeel opdat ik het geloven mag dat ik verloren lig en verloren ga. Ontdek mij aan mijn doodstaat want ik ben zo koud dat ik niet eens bewogen ben met mijn ziel. Maar predik mij ook de Weg tot behoud die ik niet zie en die ik niet wil gaan! Geliefde gemeente dat zo Het Woord van God onvergetelijk mag worden opdat God Zichzelf openbaart Wie Hij is. En dat u en dat jij en dat ik vanmorgen door genade iets mogen kennen van dat heerlijke wat de profeet doet uitroepen aan het slot van Micha 7

Tekst: Micha 7 vers 18 en 19:
18 Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
19 Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.

Thema: Micha’s triomflied op Gods ontferming
- Schuld
- Vergeving

Zingen Psalm 86 vers 2, 3 en 8

Schuld:
Geliefde gemeente voordat wij gaan luisteren naar de inhoud van dat triomflied op Gods genade, op Gods ontferming, gaan we luisteren allereerst naar het woord waarmee zijn profetie begint. En we gaan samen lezen Micha 1 vers 1 en 2a. en daar aan het begin van zijn profetie, en dat geeft direct aan in welk licht wij de boodschap moeten zien, dat het gaat om Het Woord des Heeren dat geschied is tot Micha de Morestiet in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda. Het woord dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem. Hoort gij volken altemaal.
Er zijn drie woorden die ons voordat wij naar dat triomflied gaan luisteren, iets te zeggen hebben. Allereerst is het dit: Micha zegt: wat ik verkondig is Het Woord des Heeren. Het is niet een mensenwoord, het zijn niet mijn gedachten die ik ga verkondigen. Maar ik ga jullie verkondigen Het Woord van de Heere. Ik ben slechts een heraut, ik ben slechts een boodschapper. Johannes de Doper zegt: ik ben de stem van God. En zo moeten wij luisteren. En dat vergeten wij, elke zondag vergeten wij dat God spreekt. Hooguit denken we: we gaan even luisteren wat de dominee te zeggen heeft. Nee dat is een radicale misvatting! Dat begint al bij het lezen van Het Woord. Wij vergeten steeds wanneer wij Het Woord openen en we gaan lezen dat we daarin de stem van de Heere horen. En dat geldt ook door de prediking. En daarom is het afschuwelijk als je in de kerk slaapt. Dat is een ontzettende belediging voor God! Daarom is het ook heel beledigend voor God als je ongeïnteresseerd in de kerk zit. Je ziet jongens met hun hoofd op de bank liggen, ze hebben geen interesse. Dat komt omdat we niet beseffen dat God spreekt. We zien ouderen indommelen, met hun hoofd knikken van de slaap. Dat komt omdat we niet beseffen dat de levende God spreekt! Wie zou het durven als onze minister-president kwam om een rede te houden? We zouden allemaal met gespitste oren luisteren. En zeker als onze koning of koningin binnenkwam, dan zou je zeker niet gaan zitten slapen of ongeïnteresseerd onderuit gezakt zitten. Maar we durven dat wel te doen als Het Woord van de Heere klinkt! En daarom: besef dat als eerste. En dat ik wegval. En dat u beseft: God uit de hemel spreekt!
In de tweede plaats zegt Micha dat hij het gezien heeft. Dat wil zeggen dat wat de Heere hem opgelegd heeft om te spreken, daarvan heeft hij de waarheid gezien. En daarom spreekt hij met kracht en overtuiging: zo is het, ik weet het zeker, ik heb het gezien! Het is Het Woord van de levende God! Daarom worden profeten ook wel zieners genoemd. Zij zien en doorzien: dit is de waarheid, het levende Woord van God. En omdat ze dat zien en omdat ze dat doorleven zijn ze niet een postbode die onverschillig het woord door de brievenbus doen. Een brief of pakketje, het interesseert hen niet wat erin staat. Maar een knecht van God die de waarheid van Dat Woord doorzien heeft, die zegt met Micha in het 8e vers van het eerste hoofdstuk: hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen. Ik zal beroofd en naakt gaan, ik zal misbaar maken als de draken en treuren als de jongen. Hij wil zeggen: ik weet diep vanbinnen als ik zie wat er straks gaat gebeuren met al degenen die zich verzetten tegen Het Woord van God. Hij ziet ze gaan naar hun ondergang. En dan zegt de profeet Jeremia het op dezelfde manier als Micha: dat mijn hoofd water ware, dan zou ik bewenen de zonden van mijn volk! En gemeente ik durf dat niet zo te zeggen als Jeremia en Micha, maar ik kan u wel zeggen dat het een ontzaggelijk zware last is en het diepe besef dat er onder ons zijn die onder deze prediking zitten die zich verharden, die niet geloven dat ze op weg zijn naar de hel! En gemeente dat is een ontzaggelijke werkelijkheid als je dat ziet als dominee in het licht van Het Woord. En ik hoop dat dat ook bij de kerkenraad zo is, dat je bewogen bent met mensen waarvan je zeker weet als ze zich niet bekeren, als ze blijven wandelen op de weg waar ze nu op wandelen, dan gaan ze verloren! En dat zeg je niet onbewogen maar dat zeg je met een bloedend hart. Met een hart dat weent en zegt: Heere had ik er nog meer van zoals U dat had Heere Jezus Die weent over de ondergang van Jeruzalem: waarom, waarom bent gij niet tot Mij gekomen? Ik heb Mijn vleugelen en Mijn handen uitgebreid, waarom kom je niet? En daarom staat er zo kernachtig aan het begin van deze profetie: hoort wat de Heere tot u spreekt, gij volken merkt op! Dat je zo vanmorgen door Het Woord van God wakker geschud wordt gemeente, wakker uit je doodslaap! Zitten er hier die met één been al in de hel staan omdat ze zich zolang verhard hebben tegen Het Woord van God? Daarom is het zo’n wonder dat God zegt: hoort dan vanmorgen naar Mijn Woord! Luister toch en laat het zo mogen zijn als bij die jonge Samuël: spreek Heere want Uw knecht hoort. Laten we zo mogen luisteren naar Het Woord van de levende God. Hoort gemeente van Nieuwkoop, kinderen en jonge mensen, hoort naar Het Woord van de levende God!

En wat is dat dan voor een Woord? Wat is dat dan voor een lied wat deze profeet aan het slot van zijn profetie mag gaan zingen? Wel een heerlijk lied, een aller kostelijkst lied. En hij jubelt het uit: wie, wie is aan onze God gelijk? En dat is heel mooi kinderen dat Micha’s naam betekent: wie is aan onze God gelijk? Hij jubelt het uit in verwondering en aanbidding en blijdschap. Zoals ook de dichter uit Psalm 113 het zegt:
wie is gelijk aan onze Heere?
Aan God Die tot Zijn eeuwig eer,
Zijn troon gevest heeft in de hemel
En als je dan Micha gaat vragen: Micha waarom heb jij zo’n verwondering in jezelf? Waarom jubel jij het uit en waarom zeg jij zulke heerlijke zaken: wie is aan onze God gelijk? Wel dan antwoord Juda aan de profeet Micha: ik jubel in God omdat hij de ongerechtigheden vergeeft, omdat Hij de overtredingen en hun overblijfsel voorbij gaat. Omdat Hij Zijn toorn niet in eeuwigheid houdt. Omdat Hij lust heeft aan goedertierenheid. Omdat Hij Zich opnieuw over Zijn volk zal ontfermen. Omdat Hij de ongerechtigheden van Zijn volk zal dempen. Omdat Hij al hun zonden zal werpen in de diepte der zee! Als je dit gaan inleven gemeente, als je hier iets van kent, dan ga je het met de profeet uitjubelen: wie is aan onze God gelijk? Dan ga je Micha begrijpen en dan zeg je: noem mij ook maar Micha en laat ook mijn leven in die verwondering mogen staan: wie, wie is aan mijn God gelijk? En wanneer ga je zo over God spreken? Wanneer mag je zo God kennen gemeente? Wel als je jezelf hebt leren kennen. Want wat zegt hij over de mens? Wat zegt hij over dat volk? Wel, die hebben ongerechtigheden betreden, die hebben overtredingen begaan, die hebben de zonden vermenigvuldigd. In dat triomflied over Wie de Heere is, klinken de donkere tonen, de ontzagwekkende tonen van wie u, jullie en ik zijn. En het is heel opmerkelijk dat hij hier in dit loflied die drie woorden gebruikt die we overal in de Schrift tegenkomen maar hier bij elkaar, en die de daden van een mens tekenen: zonden, ongerechtigheid en overtredingen. En die 3 woorden die typeren nu mijn en jullie handelen gemeente. En laten we daarom eens goed luisteren naar die woorden die u en mij tekenen. En laten die woorden dan één voor één pijlen zijn die ons hart raken! En zeggen: is dat mijn bestaan?

Laten die woorden dan eens doordringen tot in het diepste van je hart. Hoe ziet de Heere mij? Wat ziet de Heere van mij? En dan is het eerste woord wat Hij van mijn daden zegt dat het zondige daden zijn. En wat wil dat dan zeggen? Wel zondige daden wil zeggen dat ze hun doel missen. Wel gemeente ik ben geschapen om God te eren, God te loven en God te dienen. Doe je dat? Is alles wat je doet gericht op de eer van God? Is alles wat je doet gericht op de eer van God? Alles wat niet gericht is en wat niet tot Zijn eer is, dat is zonde! Want dat mist het doel waartoe ik en u geschapen zijn. En Jozef heeft dat geweten toen daar de zonde van overspel tot hem kwam, de verleiding. En dan horen we het hem zeggen: zou ik zondigen, doende zulk een kwade zaak? Jozef voelde: als ik dat doe onteer ik mijn God en Koning. Dan mis ik radicaal het doel waartoe de Heere mij geschapen heeft. Dat is het eerste: zonde als doel missen.
Het tweede woord wat hij gebruikt is: ongerechtigheid. En ongerechtigheid wil zeggen dat de daden die ik doe krom zijn, verkeerd zijn. Dat ze komen uit een boos hart. Doel missen dat is dus het eerste. Maar waar komt dat doel missen dan vandaan? Wel dat laat het woord `ongerechtigheden’ zien. Dat laat zien dat er in mijn hart een gezindheid is om de kromme dingen te doen, om de verkeerde dingen te doen, om af te wijken van de weg des Heeren! Het woord `ongerechtigheid’ laat zien dat mijn overtredingen, mijn zonden komen uit een hart dat vol van boosheid is. Het woord `ongerechtigheid’ laat zien de zondige aard van mij! Dus goed onthouden. Het eerste woord wat mijn daden typeert is: zonden. Dat zijn daden die zijn niet tot Gods eer. Het tweede woord waar mijn daden mee getypeerd worden is het woord: ongerechtigheden. Dat wil zeggen dat wat ik doe voortkomt uit een hart dat kwaad denkt van God. Uit een hart dat zonde bemint. Dat ik zondig met de liefde van mijn hart.
En het derde woord wat Micha hier gebruikt is: overtredingen. En `overtredingen’ laat het karakter zien. Namelijk dat het voortkomt uit opstand en verzet. Het zijn daden die in ongehoorzaamheid bedreven worden, in een fel verzet tegen God mijn Heere, Koning en Schepper. Luister maar naar Het Woord wat de Heere zegt: Ik heb kinderen grootgebracht maar ze hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns heeren, maar Mijn volk verstaat niet! Dat is het dus. Een os luistert naar zijn heer maar Mijn volk niet! Mijn volk komt tegen Mij in opstand! En zo typeert de Heere bij mondde van Micha mijn leven, mijn daden, mijn denken en mijn spreken. Het zijn zonden omdat ze het doel missen. Het zijn ongerechtigheden omdat ze komen uit die bron onzuiverheden, onoprechtheid, oneerlijkheid, boosheid! En in de derde plaats worden de zonden, de overtredingen en mijn daden getypeerd als: opstand tegen God!
En het is de profeet Micha die al deze zaken heel concreet benoemt. Hij benoemt de zonde van eigenwillige godsdienst: God willen dienen zoals ik denk dat ik het moet doen! Of in brute afgoderij de Baäls en de Astarte dienen. En ook in het maatschappelijke leven waarin de rechtspraak verdorven is, waar het recht van de weduwe verdraaid wordt. En hij spreekt over de sociale ongerechtigheid waarin de armen worden uitgebuit. Heel de wet van God, de dienst aan God en aan de naaste, wordt door het volk met voeten getreden! Zonden, ongerechtigheden en overtredingen, het typeert het volk!

En geliefde gemeente onder het luisteren, zijn dat nou pijlen die je hart raken? Mijn leven is niet een leven tot Uw eer! Ik ben een doelmisser Heere! Mag ik het eens vragen: is dat ook zo in jouw leven? Ben je erachter gekomen toen dat woord `zonde’ beschreven werd, dat je voelde: dat is mijn leven. Want mijn leven is op mijzelf gericht! Toen het ging over `ongerechtigheid’, voelde je toen de vuilheid vanbinnen? Dat dat de bron is? Dat je niet alleen ongerechtigheden doet, zonden doet, maar dat je hier vanbinnen één vuile bron van ongerechtigheden bent? De dichter van Psalm 38 zong het: want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden. Wie vanmorgen gaat gebukt onder die ongerechtigheid? Dat zijn hart niet anders kan dan zondigen, dan ongerechtigheden voortbrengen? En is het ook voor je waar geworden dat je zegt: ik ben een dochter van Eva en een zoon van Adam! Want ik ben vol van overtredingen! Dat is mijn leven: opstand en verzet tegen God en Zijn heilige wet en wil! Is dat nou de nood geworden in jouw en in mijn leven? En dat dat niet alleen werkelijkheid wordt dat die drie woorden van Micha mijn leven gaan tekenen, maar dat ik ook de consequenties daarvan zie. Dat ik ook de gevolgen zie: wat betekent dat dan? Als dat mijn leven tekent: zonden, ongerechtigheden, overtredingen! Als dat dan waar is dat heel mijn leven God niet bedoelt! Dat mijn hart een bronwel van zonde is en dat ik in opstand leef tegen God! Dan moet je toch wakker schrikken? Want wat betekent dat dan? Dat betekent dat ik verloren lig! En als God het niet verhoed verloren ga! Omdat God rechtvaardig is! Triomflied spreekt in de eerste plaats van schuld. En is het nou net als bij christen, dat als je Dat Woord van God leest, dat Het Woord je gaat veroordelen en dat je doodongelukkig in de kerk zit en dat je het voelt: ik kan zo niet leven en niet sterven want alles klaagt mij aan!

Vergeving:
En dan? Als dat waar is? Dan zou je van de wanhoop omkomen, ware het niet dat ook daar door Micha de snaren van het evangelie worden aangeraakt en dat hij daar gaat tokkelen op zijn harp de heerlijke boodschap van verzoening voor zo’n volk. want dan gaat hij van die ongerechtigheden en van die overtredingen en van die zonden iets zeggen. Namelijk dat God die ongerechtigheden gaat vergeven, dat God die overtredingen voorbijgaat en dat Hij die zonden gaat werpen in de diepte der zee. Niet te begrijpen maar alleen te verwonderen: Heere gaat U dat doen? Heere gaat U dat doen met de overtredingen? Gaat U die voorbij? Gaat U de ongerechtigheden vergeven en gaat U de zonden dempen in de zee? Bent U zó Heere? Ja zo is de Heere. Hij zal die ongerechtigheden niet meer bedenken! En wat betekent dat? Dat betekent ten diepste dat Hij ze wegneemt, dat Hij ze opneemt en legt op een Ander. Dat is dat grote wonder dat er geschied als daar Christen loopt met dat pak der zonden. Wat gebeurt er dan? Dan wordt het van hem afgenomen omdat het gelegd is op het Lam! Zie het Lam Gods Dat de zonden der wereld wegneemt, op Zich neemt, staat er eigenlijk. Christus neemt de zonden op Zich van verlorenen! Hij gaat de zonden, de ongerechtigheden, de overtredingen voorbij. En dat wil zeggen dat Hij ze niet meer ziet in Zijn heilige toorn maar dat ze weg zijn! Hij ziet geen zonde in Zijn Jakob en Hij vindt geen overtredingen meer in Zijn Isrel, omdat ze weggedragen zijn!
En dan gaat Micha het weer met een ander beeld omschrijven: ze worden geworpen in de diepte der zee. En dan schrijven onze kanttekenaren daar zo heerlijk bij: wat is dat een troostrijke gelijkenis dat de Heere de zonden niet meer aanziet maar in eeuwige vergetelheid bedekt heeft, dat ze versmoord zijn! O gemeente vanmorgen zat ik daar nog aan te denken en toen dacht ik aan die diepte der oceanen hoe ontzaggelijk diep die zijn. Wel, zegt de Heere, Ik werp die zonden in de diepte der zee, dan zullen ze versmoren en Ik zal er nooit meer aan denken! En weer een ander beeld gaat de profeet gebruiken: Hij zal de ongerechtigheden dempen zoals men een sloot dempt zodat die er niet meer is. Maar `dempen’ hier heeft ook iets heel moois in zich want eigenlijk staat er: het vuur uittrappen. En dat brengt ons direct in de gedacht van Golgotha, waar het vuur van Gods toorn uitgeblust is. Hij zal de ongerechtigheden dempen. En als je over dat woord alleen al nadenkt, letterlijk staat er: onderwerpen zodat zij niet kunnen opkomen en opstaan tegen ons in het gericht. O geliefde gemeente als je dat toch vanmorgen mag geloven: mijn zonden en ongerechtigheden, mijn overtredingen zijn gedempt en ze zullen nooit meer opstaan in het gericht! Als ik straks sterven ga en voor Gods Rechterstoel sta, is er geen zonden die mij aanklagen want ze zijn gedempt, in de zee weggeworpen, en God heeft ze in Christus weggedragen! Wat zal dat zijn gemeente als je zo mag sterven in de wetenschap: mijn zonden zijn gedempt en ze zullen in het gericht niet meer uit die zee opkomen. Maar ik zal daar mogen staan blank, rein in Christus! Wat een ontzettende diepe gedachte: zij zullen niet opstaan tegen ons in het gericht, omdat God ze gedempt heeft in de zee van eeuwige vergetelheid.
Prachtig wat onze vaderen vervolgens schrijven in de kanttekeningen: voorts door Zijn geest en heerschappij en tirannie der zonden, onder de welken wij als dienstknechten en slaven verkocht waren, afschaffen. Dan zullen wij uit de slavernij der zonde verlost worden. In dat uur dat God ons de schuld en zonde wegdoet, dan bevrijd Hij ons ook van die tirannie en gaat Hij ons ook heiligmaken en vernieuwen. Hier in het begin en straks volkomen. O laat dat toch eens even inwerken wat God doet met de zonde van doelmissen, met de ongerechtigheid van de onreinheid en met de overtredingen van Zijn heilige wil. Hij gaat ze wegnemen, Hij gaat ze vergeven, Hij gaat ze dempen en Hij gaat ze werpen in de diepten der zee. O als dat waar wordt en als dat ingeleefd wordt voor zó één die de straf verdiend heeft, dan gaat het toch zingen in zo’n ziel:
Looft Hem Die u, al wat gij hebt misdreven
Hoeveel het zij, genadig wilt vergeven,
(Looft Hem) Die in de nood Uw Redder is geweest

Dat is het wonder als je zo de Heere mag leren kennen. Dan gaat het zingen:
Wie is aan onze God gelijk?

O dan wordt het zo’n wonder:
Een stroom van ongerechtigheden
Had `d overhand op mij
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij

Gij werpt het weg in de zee van eeuwige vergetelheid! Dan gaat het zingen vanbinnen en we gaan met meezingen met de dichter van Psalm 113, het 4de vers:
Wie is aan onzen God gelijk?
Die armen opricht uit het slijk;
Nooddruftigen, van elk verstoten,
Goedgunstig opheft uit het stof,
En hen, verrijkt met eer en lof,
Naast prinsen plaatst en wereldgroten?

Geliefde gemeente ik denk dat er zijn die zeggen: zou de Heere dat ook nog voor mij willen doen? Of niet? Is dat nou je vraag: zou de Heere voor mij ook mijn ongerechtigheden willen voorbijgaan? Zou Hij nou mijn overtredingen ook willen dempen en zou Hij mijn zonden willen werpen in de zee van eeuwige vergetelheid? Is dat je vraag? Is dat je zielevraag? Is dat de vraag waar je mee worstelt: zou de Heere dat ook voor mij willen doen? Of niet? Worstel je daarmee: zou de Heere het ook voor mij willen doen? Is dat ook jullie vraag jonge mensen?
Je zegt: Heere het is waar: zonden. Heere het is waar: ik ben een doelmisser. Heere het is waar: overtredingen tegen Uw heilige wet. Heere het is waar: ongerechtigheden. Het is allemaal waar Heere! En dat je dat van harte zegt: Heere het is waar. Maar zou dat ook voor mij kunnen, dat U die zonden werpt in de zee van eeuwige vergetelheid? Dat U mijn ongerechtigheden voorbijgaat en dat ze ook voor mij uitgeblust zijn op Golgotha’s heuvel? Dat U ook mij mijn overtredingen vergeven wilt omdat U ze gelegd hebt op Dat dierbare Lam, zou het dan ook voor mij nog kunnen? Zou het dan ook nog voor een ambtsdrager kunnen? Kan dan ook nog een dominee zalig worden? Als dat nou werkelijkheid wordt gemeente, o wat wordt het dan een groot wonder, en ik zou zeggen gemeente: neem Dat Woord van God in je handen en lees nog de laatste woorden van het 18de vers. En dat Die lieve Geest Dat Woord inbrandde in je ziel: want Hij heeft lust in goedertierenheid! Hoor je dat? Hoor je dat? Hoor des Heeren Woord! Luister naar Hem! Dat is Het Woord van de levende God: Ik heb lust in goedertierenheid! Hoor je dat jonge mensen? God verlangt genadig te zijn. Hij heeft een diep, diep verlangen om zondaren zalig te maken, om goedertieren, lankmoedig en genadig te zijn! Hoort u dat? Want Hij heeft lust tot goedertierenheid! Gemeente dat is toch niet te begrijpen? Dat is toch niet te bevatten? Wat David zegt: want er is een ogenblik in Zijn toorn, maar een leven in goedgunstigheid! Hij heeft lust om dat te schenken aan verloren zondaren. Dat is Zijn verlangen. Hij moet naar Zijn rechtvaardige toorn maar in een ogenblik, zegt David, want Hij wil een leven geven in Zijn goedgunstigheid.
Dat is de boodschap ook van Jesaja. Hij moet het zeggen tot het volk: zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE Heere, zo Ik lust heb in de dood der goddelozen, maar daarin heb Ik lust dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve! Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven o huis Israëls? Ik heb geen lust dat je straks in de hel brandt! Ik heb geen lust dat je straks je tong moet kauwen: had ik, had ik maar! Daarin heb Ik geen lust dat kinderen voor eeuwig verloren gaan! Nee daar heb Ik geen lust in! Zo waarachtig als Ik leef, zegt de Heere, Ik begeer uw dag, uw dodelijke dag niet! God zegt het met een eedzwering: Ik wil uw ondergang niet! Maar daarin heb Ik lust dat u tot Mij komt! Dat betekent bekering. Dat is niet iets dat ik moet gaan doen. Ik moet mij niet opknappen. Ik moet mij niet gaan verbeteren, dat lukt nooit. Maar de Heere zegt maar één ding: daarin heb Ik lust dat u komt tot Mij met uw schuld, met ongerechtigheden, met uw schuld van uw overtredingen, met de schuld van uw zonden! Daarin heb Ik lust dat u als een verloren zoon tot Mij komt! Daarin heb Ik lust!

Kan het dan echt voor mij? Kan het dan echt voor zó
één? Zo waarachtig als Ik leef, Ik heb lust in goedertierenheid.
Gemeente kan de Heere het dan nog dichterbij brengen? Want wat zegt de Heere dan nog meer? want nog een keer zegt de Heere het in het 19de vers: Hij zal zich onzer weder ontfermen. Hij heeft niet alleen lust tot goedertierenheid, maar ik zeg het u: Hij zal zich ontfermen! En dan weten wij dat dat woord `ontferming’ alles te maken heeft met de baarmoeder. Dat alles beduid de liefdevolle zorg van de Heere, dat hart van Hem dat vol van barmhartigheid is. Hij zal Zich ontfermen over een ieder die uitroept met de moordenaar aan het kruis: ontferm U mijner! Met Bartimeüs roept: Heere gedenkt mij! Hij zal Zich ontfermen! Is er nou een heerlijker woord dan een triomflied van Micha: wie is aan onze God gelijk, Die lust heeft tot goedertierenheid, Die Zich weder zal ontfermen, Die de ongerechtigheden voorbijgaat, Die de overtredingen zal uitdelgen en Die de zonde zal werpen in een zee van eeuwige vergetelheid! Wie, Wie is aan Deze God gelijk? Niemand gemeente! Dat je zo vanmorgen toch tot Deze Heere komt, opdat je het ook zou mogen leren: Ik ga die zonde van je wegnemen en Ik werp ze in de zee van eeuwige vergetelheid! En dat kan Ik doen omdat Mijn lieve Zoon ze weggedragen heeft. Als Dat Lam ter slachtig geofferd op Golgotha’s kruisheuvel. Daarom: wie, wie is aan onze God gelijk?

Gemeente maar er is een keerzijde en die horen wij ook in het 18e vers: en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis. Niet alle kerkgangers worden zalig! Niet alle mensen uit Babel zijn teruggekeerd! Niet allen zijn in Kanaän aangekomen! En gemeente dan ga je de profeet begrijpen. En wie zou niet wenen bij de gedachte dat er zijn die zich blijven verharden totdat ze op 82-jarige leeftijd onbekeerd sterven en voor eeuwig verloren gaan! Gemeente het zal toch niet waar zijn dat één van je kinderen verloren zou moeten gaan? Het zal toch niet waar zijn dat je straks eeuwig buiten moet zijn? Het zal toch niet waar zijn ouderen dat je voor eeuwig verloren zal moeten gaan? Er is een overblijfsel, er is een deel dat had geen behoefte. Er is een deel dat zei: laat mij maar in Babel, ik wil niet terug. Er is een deel dat nooit zal roemen: wie, wie is aan onze God gelijk? Waarom niet? Omdat zij zich met hun zonden, ellenden niet tot Die dierbare Jezus ter genezing hebben gewend! En dan zal ook Gods toorn je rechtvaardig wegzenden. En daarom: hoort toch Dat Woord! Die zich vanmorgen met hun zonden en ellenden tot Hem Zich ter genezing wenden, je mag zó bij de Heere komen met al je zonden, met al je ellenden, met al je nood, met al je tekort, met al je zonden! Hij zal wanneer je zich tot Hem wend, je genezen van al je zonden! Geloof je het? Geloof je het dat God ook jou genadig wil zijn? Hij is genadig en Hij heeft lust om je goedertierenheid te bewijzen! Gemeente geloven we het nog Wie God is? Hij is rechtvaardig, Hij zal de zonden straffen. Maar Hij is ook eeuwig genadig voor een arme zondaar die zegt: het is waar Heere, ik ben een doelmisser! Heere het is waar: ik ben een opstandeling! Heere het is waar: mijn hart is een bronwel van ongerechtigheden! Maar, maar nu zegt Die zoete, dierbare Christus: Ik ben het Lam Dat de zonden der wereld wegneemt, komt herwaarts tot Mij, doelmissers, onreinen, overtreders! Kom herwaarts tot Mij en Ik zal de zonden wegwerpen in een zee van eeuwige vergetelheid en Ik zal ze voorbijgaan, Ik zal ze niet zien! Ik zal ze vergeven en bedekken onder dat dierbare bloed. Opdat er ook vanmorgen een jongen uitroept: wie, wie is aan God gelijk? Opdat er een moeder uitroept: wie, wie is aan God gelijk, Die mij arme, uit het slijk der zonden opricht? O geliefde gemeente wat een prediking, wat een triomflied van Gods genade! Daarom volk van God tenslotte: zal je er nooit aan twijfelen dat al je zonden vergeven zijn? Zul je het geloven vanmorgen dat al je zonden gedempt zijn? Zul je het geloven vanmorgen volk van God, dat ze uitgeblust zijn op het kruishout van Golgotha? Zul je het geloven dat het gebroken brood het beeld is van die werkelijkheid dat al je zonden om het dierbare lichaam van Christus volkomen vergeven zijn? Volk van God zul je het vanmorgen geloven dat die zonden nooit, nooit zullen opstaan in de Dag van het gericht, omdat God ze hier in de tijd, geworpen heeft in de zee van eeuwige, hoor je het, eeuwige vergetelheid!
AMEN

Dankgebed
Zingen Psalm 103 vers 2
Zegen des Heeren