Zacharia 13:7 'Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder' ds H. van der Ham

Zach. 13 : 7              ds H. van der Ham


Tekst:
“Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man Die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.”                                Zach. 13 : 7

                            Ps. 55 : 1
                            Zach. 13 : 7 – 9
                            Mark. 14 : 27 – 42
                            Ps. 69 : 2, 3 (ná de Schriftlezing)
                            Ps. 22 : 6, 8
                            Ps. 89 : 1
                            Ps. 80 : 11

Geliefde gemeente,  

God wil een kudde. Het is een groot wonder, dat de Heere zondaren roept en trekt. Hij vergadert Zijn kerk.
Het zal worden één kudde en één Herder.
Onze tekst spreekt van die grote Herder.  Heerlijk als uw ogen op Hem zijn.

De tekst voor de verkondiging is Zach. 13 : 7  -  “Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man Die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.”
Met de hulp van de Heere spreken we over: De Herder en Zijn kudde.
    I      de geslagen Herder
    II      verstrooide schapen
    III      de troost voor de kleinen

Gemeente, op de lijdenszondagen is de prediking dikwijls uit de Evangeliën.
Het is niet goed, het Oude Testament dicht te laten. Psalmdichters en profeten spreken ook van het lijden van Christus. Ze spreken niet alleen van Zijn komst, maar ook van Zijn verzoenend lijden en sterven.
De kerkvader Augustinus zei reeds: “In het Oude Testament wordt het Nieuwe verhuld, in het Nieuwe het Oude onthuld.”
Er is stellig een doorgaande lijn.
Wij kunnen niet spreken van de Middelaar zonder Zijn lijden. In Zijn lijden en sterven is Hij de Borg. Hij is de volkomen Zaligmaker van de grootste der zondaren.
Er moest betaald worden.
 
Als het gaat over het lijden van de Zaligmaker, kunt u ook in het Oude Testament terecht  -  de lijdenspsalmen. Wat zijn ze rijk.
Jesaja 53  -  een heel inhoudvolle profetie.
U kunt ook de profeet Zacharia noemen. Hij spreekt heel duidelijk van Christus; ook van Zijn lijden, met name in de hoofdstukken 12, 13 en 14.  Zacharia was een tijdgenoot van Haggaï  -  twee profeten die aansporen om de tempel te herbouwen.
Zacharia is met name bekend door de nachtgezichten. De Heere maakte hem wakker en de profeet ontving acht nachtgezichten, waarin de Heere veel liet zien van de toekomst van Israël.

God zegt: “Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder.”
Het is een Godsspraak. De Heere der heirscharen spreekt hier.
De Heere is Jahwe  -  dat is Gods hoogste naam, Zijn meest persoonlijke naam.
Jahwe is de Getrouwe, de God van het verbond. Zo heeft de Heere Zich reeds bekend gemaakt bij Mozes, bij de brandende braambos.
De “Heere der heirscharen” is de God van de legermachten.
Hij zegt: “Sla die Herder.”
Wie is die Herder?
De profetieën en psalmen spreken ervan: God is de Herder Israëls. Hij zegt bijvoorbeeld in Ezechiël 34 :  “Ik zal naar Mijn schapen vragen; Ik zal ze opzoeken. Ik zal Mijn schapen weiden.”
God wil een kudde, een gemeente uit Jood en heiden.
Hij zegt ook (in Ezechiël 34)  dat Hij een enige Herder zal verwekken. Dat is de Beloofde; dat is Gods eigen Zoon  -  de enige Herder.
Eenmaal zal Christus komen en Hij zal Zijn kudde weiden. Dat is met name de taak van de Zaligmaker: schapen kopen tegen een hoge prijs. Zijn eigen bloed heeft Hij daarvoor gegeven. En die schapen bijeen vergaderen en weiden.
Dat is de herderstaak van de Zaligmaker. Hij heeft Zich bekend gemaakt als de grote Herder, bijvoorbeeld in Johannes 10.  Daar staat: Hij zal Zijn leven zetten voor de schapen.
Dreigt er gevaar? Hij vlucht niet, maar staat volledig in voor de schapen  -  voor hun veiligheid. Daar doet Hij alles voor. Hij heeft herdersliefde. Geen moeite is Hem te veel, om het verloren schaap na te gaan, te zoeken en te redden.

“Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder en tegen de Man Die Mijn Metgezel is”, spreekt de Heere der heirscharen.
Deze woorden uit Zacharia 13  heeft de Zaligmaker Zelf op de lippen genomen, die laatste avond, dat Hij samen was met Zijn discipelen. In Markus 14 hebben we samen gelezen, dat de Zaligmaker bekend heeft gemaakt aan Zijn volgelingen, wat er die nacht en de volgende dag gebeuren zou.
Hij heeft het pascha gevierd. De Zaligmaker zei: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten. Hij wilde dat pascha vieren en Zijn werk voltooien.
Het lam werd geslacht.
Dat moet u zich eens indenken. Christus wist dat Hij het Lam Gods was. Hij moest Zijn leven geven.
Hij zou het Offer brengen op Golgotha.
De Zaligmaker heeft deze tekst erbij betrokken. Hij waarschuwde Zijn discipelen wat er komen zou. Hij zei: Ge zult allen aan Mij geërgerd worden, want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. Maar nadat Ik zal opgestaan zijn ga Ik u voor naar Galilea. Mark. 14 : 27
De Zaligmaker heeft deze woorden op Zichzelf betrokken.
“Zwaard, ontwaak!” spreekt de Heere der heirscharen. Een mes is al scherp  -  vreselijk. Maar een zwaard!!
 
“Zwaard ontwaak!”
Beeldspraak is het  -  profetische taal. Het zwaard is het gericht van God. Dat komt.  
Eeuwenlang heeft dat zwaard (eerst) gerust. “Zwaard, ontwaak!”     Het is tijd dat het zwaard in actie komt; dat het zijn werk uitvoert.
Het ontzaglijke gericht komt. Dat zwaard flitst !
Denk aan het paradijs. Daar was ook een zwaard. God had de mensen goed geschapen, zeer goed. In het paradijs konden wij de Heere dienen en Hem eren.
Maar wij hebben Hem de rug toegekeerd; geluisterd naar de stem van de verleiding. We hebben ons van God afgewend  -  gegeten van de verboden vrucht.
We zijn uit het paradijs verdreven!  God heeft een cherub gesteld, een engel met een vlammend zwaard, om de toegang te bewaken.
Het paradijs is de eerste hof.
Gethsemane is de tweede hof  -  de Olijvenhof.  Daar is de Zaligmaker heen gegaan, na de instelling van het heilig avondmaal.
Hij heeft zeer waardevol onderwijs gegeven  -  belangrijke woorden. Die avond zijn ze de stad Jeruzalem uitgegaan  -  Jeruzalem is hoog gebouwd  -  de poort uit, het Kedrondal door, vervolgens de Olijfberg op. Daar hebt u al vrij spoedig die boomgaard met olijfbomen: Gethsemane.
De Zaligmaker vraagt Zijn discipelen: Waakt hier, bidt.
Drie discipelen Petrus, Johannes en Jakobus gaan iets verder mee.
“Blijven jullie hier. Waakt en bidt.”
De Zaligmaker ging nog een klein stukje verder, zodat ze konden horen wat Hij bad. Hij heeft drie keer ernstig gebeden.

“Zwaard, ontwaak!”
Dat zwaard is het zwaard van het recht van God! van Zijn rechtvaardige en heilige toorn tegen de zonde!
Het zwaard wordt opgeroepen om actief te worden. Het krijgt bevel: “Zwaard ontwaak!!”
Dat is een geduchte werkelijkheid. Dat zwaard zal treffen!
Wie zal het treffen? Het zal de schuldige treffen. Het zal natuurlijk dat zondaarsvolk treffen! De grote en heilige God gaat afrekenen in Zijn gericht.
Gemeente, wie zal het treffen?
Het zal mij moeten treffen. En het zal u moeten treffen, want u bent een kind van Adam  -  geneigd God en uw naaste te haten; geheel onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
Maar nu het wonder van onze tekst: “Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder!”
Dat zwaard komt in actie; het gericht van God komt en…… het richt zich niet op mensen; het richt zich niet op zondaren. Het richt zich niet op goddelozen. Maar op die Herder.
Wie is dat?
Dat is Gods lieve Zoon.
Hij Die van eeuwigheid al Zich bereid heeft verklaard die herderstaak op Zich te nemen: “Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, om Mijn God! om Uw welbehagen te doen.”
Hij is de Herder op Wie het zwaard zich richt  -  de Zaligmaker Die Zelf in Gethsemane diep bedroefd was….  Waarom? Niet omdat de dood dichtbij kwam: de doodstrijd. Want de dood was voor Hem juist het einde van de pijn. Dan mag Hij bij Zijn Vader zijn.
Maar diep bedroefd om dat zwaard. Diep bedroefd om de toorn van God over de zonde.
Christus moest betalen.
Hij zei: “Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.”
Het komt op Hem aan.

In het Oude Testament leest u van kinderen van God: Adam, Henoch, Noach, David, Manasse, ga maar door. God heeft niet afgerekend met hen.
Ze zijn ingegaan in het vaderhuis met zijn vele woningen.
Het zwaard van het gericht heeft hen niet getroffen.
Maar er moet eenmaal afgerekend worden! Die dag komt. Ook met u en met mij moet afgerekend worden.
Het gericht komt.
Als u sterven moet, moet u God ontmoeten  -  die heilige Rechter. Als u daar een indruk van hebt……  U hebt tegen alle geboden van God gezondigd; u en ik. Niet één gebod gehouden en nog steeds tot alle boosheid geneigd.
Dat zwaard ontwaakt. En straks de eeuwige straf, de eeuwige pijn. Tenzij u schuilt bij Christus.
Tenzij u gelooft in die Herder, de Zoon van God.
Gods kinderen in het Oude Testament zijn gespaard. Maar het ogenblik komt dat dat zwaard   in actie komt voor al Gods kinderen! van Oud en Nieuw Testament.

Het zwaard is gericht op Gods Zoon!
“Zwaard ontwaak tegen Mijn Herder en tegen de Man Die Mijn Metgezel is.”  
Die “Metgezel” vanuit de grondtekst, vanuit het Hebreeuws,  is een verwant, een bloedverwant. Een metgezel is dus iemand die op het nauwst aan u verbonden is.
Als God zegt: “Mijn Metgezel”  -  dat is Gods eigen Zoon.
Christus zegt: “Ik en de Vader zijn Eén.”
De liefde van de  Vader gaat uit naar Zijn Zoon. God zendt Zijn Zoon in deze wereld. Méér kon Hij niet zenden. Een groter geschenk had Hij niet kunnen geven.
’t Allergrootste: Zijn enige Zoon.
Daar kijkt u de Vader in het hart. Hij heeft onpeilbare bewogenheid en liefde voor dat zondaarsvolk. Hij zegt: Ik zal Mijn Zoon zenden.
Die liefde van God tot zondaren. Het is Zijn welbehagen, dat Hij zondaren roept: “Wendt u naar Mij toe. Bekeert u. Waarom zou u sterven?”

Het gericht komt op de Zaligmaker aan, reeds in die boomgaard, in die olijvenhof Gethsemane en op Golgotha  -  het kruis.
Het zwaard verwondt Gods lieven Zoon; het gaat door Zijn ziel.
Christus roept: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”
Het blijft “Mijn God”.
“Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Als God Zijn vriendelijk aangezicht verbergt….. als Hij afrekent met Christus  -  een geheim, een mysterie is het  -  een verborgenheid. Hij van God verlaten, opdat u niet van God verlaten wordt. Dat u nooit van God verlaten wordt.

Het zwaard van Gods gerechtigheid is niet op de kudde terecht gekomen, op die weerbarstige schapen, op diegenen die zich steeds in afkerigheid van de Heere afwenden. Maar het heeft de Herder dodelijk getroffen, opdat mensen, die uit het paradijs verdreven zijn, weer in Gods gunst en liefde delen. En dat u tot bekering komt; tot persoonlijk geloof in Christus.
Daar gaf God Zijn enige Zoon voor  -  uit hartelijke liefde.
Als u iets daarvan mag zien, van de grote liefde van de Vader en van de onbegrijpelijke liefde van de Zoon, dan komt u tot aanbidding en verwondering.
Begrijpen kunt u het niet. U kunt het nooit klein krijgen. Maar wel bewonderen.

Toen Abraham zijn zoon Izak moest offeren, op de berg Moria, is hij vroeg opgestaan en op weg gegaan. Hij heeft het altaar gebouwd, Izak op het altaar gelegd en….....
Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten. Maar een stem riep uit de hemel: “Abraham, strek uw hand niet uit aan de jongen, en doe hem niets! Doe hem geen kwaad.”
Maar op Golgotha hing Gods Zoon. Daar was geen ram in de struiken verward, die de plaats van Christus kon innemen. De Zaligmaker moest Zelf betalen, opdat Zijn kerk behouden wordt  -  die schare, die menigte die niemand tellen kan.
Verstaat u er iets van?
En vooral: Hebt u die Herder nodig gekregen??   Kent u Hem??
Zijn Offer is algenoegzaam.
Zijn bloed reinigt van alle zonde.

II

De verstrooiing van de schapen.
“Sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden.”  
Nu gaan wij zien, wie die schapen zijn.
Christus gaf Zichzelf aan het kruis. De Herder werd geslagen en de schapen verstrooid.
De discipelen hadden drie jaar met de Heere Jezus mogen omgaan. Heerlijk onderwijs hadden ze ontvangen  -  denk aan de gelijkenissen, denk aan de bergrede, denk aan zoveel kostbaar onderwijs over het geestelijk leven.
Zij konden zeggen: De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Want de Zaligmaker ging voorop, als een herder. Hij zorgde.
Ze leefden op Zijn kosten! Ze voelden de hartelijke liefde van de Zaligmaker.
Hij was een Profeet krachtig in werken en woorden.
Drie jaar zijn ze met Hem omgegaan. In de paaszaal gaf Hij treffend onderwijs.
Het paaslam is geslacht.
De discipelen hadden verschil…. wie de meeste was.
Zo is een mens.
Toch staat er niet: “Sla de discipelen.”
“Sla die Herder en de schapen zullen verstrooid worden.”
De Zaligmaker heeft het reeds doorgegeven in Markus 14 :  “Gij zult in deze nacht allen aan Mij geërgerd worden; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.”
Petrus kon dat niet geloven. Hij zei: “Al zouden zij allen aan u geërgerd worden, zo zal ik toch niet geërgerd worden. Ik beslist niet.”
En de Zaligmaker zegt: “Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.”
Petrus zei nog des te meer: “Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen.” En insgelijks zeiden zij ook allen. De discipelen dachten nog goed van zichzelf.

“Sla die Herder.”
Ze zijn gekomen  -  de helpers van het sanhedrin en de soldaten van Pilatus  -  in de hof van Gethsemane, met zwaarden en stokken. Ze wilden de Heere Jezus inrekenen.
Ze hebben fakkels bij zich  -  lichten. Waarvoor? Ja, als de Heere Jezus vlucht. Als Hij bang is.
Maar Hij vlucht niet.
De zwaarden zijn uit de schede getrokken en op de Zaligmaker gericht. Maar Hij treedt naar voren, nadat Hij de verraderskus van Judas heeft ontvangen.
Hij zegt: “Hier ben Ik. Indien gij Mij zoekt, laat dezen heengaan.” Hij gaat voor de schapen staan als de Borg, als Degene Die Zich laat inrekenen. Daar is Hij echt die Herder Die Zichzelf geeft….. en vraagt de vrije aftocht van de Zijnen.
De discipelen?
In panische angst vluchten ze weg!  Weg van deze plaats! alsof er een veilig heenkomen is   zonder Jezus. Alsof er een veilige schuilplaats is buiten de Zaligmaker.
De Herder wordt geslagen en de schapen verstrooid; ze stuiven uit elkaar en zoeken blindelings een goed heenkomen.

Een schaap zonder herder…… verdwaalt; is de weg kwijt.
Wat is een schaap zonder de grote Herder?
Wat zijn de discipelen zonder de Heere Jezus Christus?
Wat blijft er over van de discipelen? Petrus straks? Hij komt tot de vreselijke zonde van de verloochening van zijn Meester, hoewel hij het onbestaanbaar achtte.
En Thomas? Hij kon enkele dagen later maar niet komen tot het geloof dat de Heere Jezus is opgestaan.
En de Emmaüsgangers?  Ze zijn twijfelmoedig.
De discipelen zijn allen gevlucht en Christus is de Enige Die overgebleven is.

De discipelen vluchten. Hun ogen zijn ervoor gesloten dat hun leven alleen in Christus ligt. Dat hun geestelijk welzijn alleen in Christus ligt.
Daar zijn ze blind voor, dat de Zaligmaker de Herder is. Hij geeft Zichzelf. Hij stelt Zijn leven voor hen.
Ze zijn blind voor hun eigen zwakheid en blind voor de grote Herder. Ze zien niet dat Hij de Borg is. Hij offert Zichzelf.
Wij kunnen ook blind zijn voor eigen zwakheid….  en blind voor de noodzaak van een Borg, Die voor ons betaalt.
Ik word niet graag herinnerd aan mijn verdorvenheid, aan mijn totale verlorenheid, aan mijn doodstaat, aan de toorn van God die ik verdiend heb.
De dood van de Zoon van God is een aanklacht! En het kruis is een aanklacht. Het kruis betekent mijn doodvonnis.
Daar onttrek ik mij liever aan.
Maar nu het wonder: Het zwaard treft de Herder. “Sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden.”
De Heere Jezus Christus is voor zulken in de plaats getreden. Voor goddelozen is Hij gestorven. Hij is de grote Herder.

De discipelen hebben het er niet goed van af gebracht.
Christus zei tegen hen: “Waakt en bidt.”
Maar omdat zij het niet begrepen, konden ze ook niet wakker blijven. Als ze iets verstaan hadden van Christus’ werk en van Zijn Herder-zijn, waren ze wel wakker gebleven.
Maar omdat ze dat niet verstonden, konden ze ook niet bidden en waken.
Ze sliepen de eerste keer, de tweede keer, de derde keer.
De Zaligmaker schudt hen wakker en vraagt: Kunt gij dan niet één uur met Mij waken?
Wat staat in uw Bijbel?
“Ze wisten niet wat ze Hem antwoorden zouden.” Ze wisten niet wat ze zeggen moesten.

Helpers van het sanhedrin en soldaten hebben de Zaligmaker gevangen genomen. De discipelen vluchtten alle kanten op  -  het donker in.
Christus hebben ze verlaten.
Voor Annas, voor Kajafaz, voor Pontius Pilatus stond de Zaligmaker alleen.
De discipelen vluchtten. Wie was de meeste? Niet één bleef trouw.
Christus wilde veroordeeld worden en het Offer brengen aan het kruis.
Hij gaf Zich tot in de dood.

De discipelen waren schapen zonder Herder.
Wij kunnen ook schapen zijn zonder Herder. Wij kunnen aan de Zaligmaker voorbij leven. Zelfs kunnen we ons stoten aan de Gekruisigde.

Maar er komt een ogenblik dat er afgerekend moet worden.
God rekent af,  niet met die discipelen.
Hij rekent af met Zijn Zoon.
Christus heeft de straf gedragen. Hij staat centraal.
Verlangt u naar Hem? Ziet u Hem in Zijn noodzakelijkheid, in Zijn dierbaarheid, in Zijn algenoegzaamheid, in Zijn gepastheid, ja, in de volheid van wie Hij is en wat Hij doet?
Verstaat u er iets van?      

De Heidelberger vraagt: “Heeft dat iets méér in, dat de Heere Jezus Christus gekruisigd is, dan  dat Hij een andere dood gestorven was?
Zeker houdt dat méér in, want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag,   op Zich geladen heeft, dewijl de dood des kruises van God vervloekt was.”
De vervloeking die op mij lag  -  denk aan het paradijs. Denk aan het eten van de verboden vrucht. Denk aan al het kwaad van iedere dag  -  de vervloeking die op mij lag, heeft Hij op Zich geladen.
Gemeente, het derde.

III

“Sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.”
De troost voor de kleinen.
Gemeente, die schapen zijn verstrooid, maar de Herder weet ervan en Hij zoekt hen op  -  die Herder Die Zelf getroffen werd, die Zelf verwond werd.
Christus is gekruisigd, gestorven en begraven. Maar Hij bleef niet in de dood. Het graf kon Hem niet tegenhouden.
Op de derde dag stond Hij op, door Goddelijke kracht.
De wachters vluchtten, maar de bedroefde vrouwen werden genodigd. Zij mochten komen.
Het graf is leeg. De Heere is waarlijk opgestaan.
“Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden,”   zegt de Heere Jezus Christus.
De kleinen  -  wie zijn dat?
Dat zijn die gevluchte discipelen; dat zijn die vrezende mannen, die nooit gedacht hadden dat ze daartoe in staat waren.
Het zijn de discipelen van wie de Heere Jezus heeft gezegd: Gij zult allen aan Mij geërgerd worden.
Zijn leerlingen, die drie jaar met de Zaligmaker zijn opgetrokken.
Zij hebben Hem allen verlaten; ze zijn gevlucht.
Voor zulken is Hij in de plaats getreden. Voor goddelozen is Hij gestorven.
Hij is een echte Herder; Hij kent Zijn schapen.
Hij weet dat ze kinderen van Adam zijn. Zij vallen Hem niet meer tegen.
Hij is juist gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren is.
Het is Zijn genadige wil om hen te redden van het verderf.
Hij zegt: “Ik geef hen het eeuwige leven!” Het is louter genade.

De “kleinen” zijn al Gods kinderen.
Een kind van God voelt zich dikwijls nog zo onbekeerd.
Juist een kind van God weet: “Ik heb niet zo’n groot geloof.”
De kleinen  -  zij realiseren zich: Wie zou ik moeten zijn voor de Heere? Wat breng ik ervan terecht?
De kleinen  -  zij zien bij zichzelf niet veel goede vruchten. Ze vragen: “Wie ben ik?”

“Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden; tot de armen van geest.”
Zalig zijn de armen van geest.
Dus niet de groten, de rijken. Nee, zalig (zijn) de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen. Het is voor die kleinen.
Een arme van geest is iemand, die klein is voor God. Hij weet: In mezelf heb ik het niet. Ik sta met lege handen. De Heere moet mij alles geven.
De Zaligmaker zegt: Zonder Mij kunt gij niets doen.
Dan word je zo’n kleine.

En Petrus is van zijn voetstuk gevallen.  
Simon Petrus die snikkend, schuldbewust de nacht ingaat  -  bitter wenend.
Thomas die ontdekt moet worden aan zijn kleingeloof.
Maria Magdalena die zo bitter bedroefd was.
De moordenaar aan het kruis, die belijdt: “Wij rechtvaardig; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.”

De Heere maakt klein.
Hij brengt hen aan Zijn voeten.
De discipelen hoeven geen grote woorden meer te gebruiken.
Als wij onszelf leren kennen, dan moet schaamte ons gezicht bedekken.
Drie jaar hebben de discipelen met de Heere Jezus omgewandeld. En straks na Pasen, na de opstanding ontmoeten ze de Zaligmaker aan de oever van het Meer van Galilea.
Zij zijn in zo’n vissersscheepje.
“Kinderkens,”  zegt de Heere Jezus. Kinderkens zijn die kleinen.
Het is de liefde van de grote Herder, liefde die stand houdt, die nooit verbroken is, die doorgaat.
Goede Vrijdag, Pasen….
De Zaligmaker zegt (Markus 14): “Nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.”
Dat wist Hij zeker. “Nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.”
Hij heeft herdersliefde.
Hij zou de schapen opzoeken! de discipelen waar niet veel goeds van te zeggen valt.
Maar ook vandaag. Hij is de grote Herder en weet van verloren schapen en lammeren die zorg nodig hebben, aandacht, liefde. Hij kan er stellig mee omgaan.
Een schaap is niet altijd zo’n aardig dier.
Een schaap krabt de herder weleens.
Een echte herder kan dat hebben. Hij zorgt voor dat schaap.
Christus geeft tere zorg aan de kleinen  -  aan degenen die zichzelf veroordelen.
De lammeren neemt Hij in Zijn armen  -  Petrus ook.
De Zaligmaker zorgde voor hem. Dat heeft hij nooit kunnen begrijpen.
De opgestane Christus zocht Petrus persoonlijk op.  
De vrouwen worden getroost en al de discipelen bijeen vergaderd door de Herder.
Voor hen heeft Christus het Offer gebracht; voor hen is Hij gekruisigd en heeft Zijn werk volbracht.
Er is verzoening !
Er is volkomen vergeving van zonde….. en eeuwig leven voor die schapen en lammeren.
Alle heil in Christus.
Hij zal die  schapen leiden in grazige weiden, naar stille wateren. Hij zal ze thuis halen in de schaapskooi van de hemel. Hij brengt die kleinen voor Zijn hemelse Vader.
Christus kan zeggen: “Zie daar, Ik en de kinderen die Mij God gegeven heeft.”  (Hebr. 2 : 13)
Wat een heerlijk perspectief.

Hier gaat Hij die verstrooide schapen opzoeken. Hij zegt: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoudt. Anders zou het zeker ophouden.
Na Zijn opstanding zegt de engel het ook: “Gaat heen, zegt Zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.”  (Mark. 16 : 7)
De engel heeft het gepreciseerd.
De oude profetie Zach. 13 wordt concreet gemaakt. Christus gaat voor naar Galilea. Waarom naar Galilea? Daar kwamen ze vandaan. Daar had de Zaligmaker hen gevonden en hen geroepen: “Volg Mij.”
Daar had Hij hen leerling/discipel gemaakt.
Ze moeten terug naar Galilea. De Herder gaat voorop.
En die schapen zullen Hem volgen. Dan zijn ze weer terug bij af. Ze krijgen herhalingsonderwijs  -  weer bij het begin beginnen.
Er zit ook in: Christus als Herder neemt Zijn werk weer op  na Goede Vrijdag en Pasen. De uiteengestoven schapen vergadert Hij.
Van discipel maakt Hij hen tot apostel; zij worden ook herders.
Opnieuw worden zij daar in het ambt gesteld, waartoe ze geroepen waren.
Zij worden zelf straks herders in dienst van Christus.
Het apostolische woord, de prediking begint zijn loop door de eeuwen.
Van Galilea uit straalt het licht over vele landen, culturen, volken  -  vanuit dat “donkere” Galilea.
Wij moeten zeker niet klein denken van Gods werk in deze wereld. De Bijbel of een gedeelte daarvan is vertaald in meer dan 2000 talen.
Dode harten maakt Hij levend!
Blinde ogen gaan open voor de Herder, zodat jongeren en volwassenen Hem leren kennen. en de zaligheid in Hem zoeken.
Christus wordt in vele landen beleden. Straks is er een grote schare.
De Zaligmaker had Zijn belofte gegeven: “Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.”  Dat is evangelie.  

Die Herder getroffen; de schapen verstrooid…. “Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.”  
De dood kon Hem niet houden!
Christus’ verzoenend lijden en sterven heeft een vervolg. Goede Vrijdag, Pasen. De opstanding is een Goddelijk wonder.  
“Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.”  Die doorboorde handen van de Heere Jezus Christus, zijn trouwe handen, herdershanden.
Hij is getrouw. Wij vallen tegen; Hij valt mee. Hij is zo getrouw als sterk.
Is dat al uw houvast?  Kan dat van u gezegd worden?
De toekomst van een kind van God en de eeuwige redding van een kind van God ligt vast.
Niet in hem of haar.
Het heil ligt niet vast in Petrus of Thomas.
Maar het ligt vast in de Herder !
Die kleinen worden zeker behouden. Dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven, niets maakt mijn ziel vervaard.

Waar moet u Hem zoeken?  O, buig uw knieën, en zoek de Heere Jezus Christus in het Woord! Wees veel werkzaam met het Woord van God.
De Heere haalt de Zijnen thuis,  in de schaapskooi van de eeuwigheid.
Straks voor eeuwig behouden.
Ze mogen zingen: Het is door U, door U alleen.

Christus belooft: Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.     
Alles van de mens valt weg.
Christus zal zijn alles en in allen.
Wat een heerlijk uitzicht. ‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.

Amen.