Zondag 16. Vraag en antwoord 40

                                         ZONDAG 16

                                    Vraag en antwoord 40

 

        Psalm     48 : 4

        Psalm     16 : 2

        Psalm     31 : 4,5,19

        Psalm     89 : 7

        Psalm     80 : 11

        Hebreën   2 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs voor vanavond, vindt u in het u voorgelezen Schriftgedeelte Hebreën 2 : 14 - 15

 

Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deel­achtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelach­tig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;

En verlossen zou al degenen, die met vreze des dood­s, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.

 

Onze catechismus, zondag 16 vraag en antwoord 40

 

40. Vr. Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten vernederen?

Antw. Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waar­heid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods.

 

Sterven! Sterven... kun je leren om te sterven of over­komt het je zo maar? Sterven... kun je leren om te sterven? De cate­chismus geeft in ieder geval onder­wijs en doet dat niet op losse gronden, maar aan de hand van Gods Woord. Onderwijs in ster­ven, uit het sterven van de Heere Jezus Christus.

Het is nog al wat vanavond: sterven. Hoe kun je het uitspreken zonder vrees en zonder schroom? Sterven, dat woordje betekent niet: één uit ons, twee uit ons of drie uit ons, die eenmaal zo'n droevig lot zullen onder­gaan dat ze zullen sterven. Nee, alle mensen moeten sterven! Het gaat ons allen aan, in de hoog­ste ernst. En als ik dat zeg, dan zeg ik dat in een heilige zin: het is dodelijke ernst, dat alle mensen zullen sterven.

Nu geeft de catechismus enig onderwijs in sterven, uit het sterven van de Heere Jezus Christus. Dan zouden we het misschien zo samen kunnen vatten, geliefde gemeente: laat uw leven sterven zijn, dan zal uw sterven leven zijn!

 

Het gaat deze keer in de eerste plaats over de trappen van ver­nede­ring, dat de Heere Jezus ook gestorven is. Echt gestorven, zoals de twaalf Artikelen zeggen: gestor­ven en begraven, nedergedaald ter helle. En dan weten we van Jezus dat Hij knechtelijk geleefd heeft en dat Hij kinderlijk gestorven is. Dat hoorde bij de Heere Jezus bij elkaar en dat hoort ook bij de mens, als het goed is, bij elkaar. Dat we ook daarin het beeld van de Heere Christus zouden vertonen, om knech­telijk te leven en daarna kin­derlijk te sterven.

Het is ten diepste zo'n schone geschiedenis: "En Jezus, het hoofd buigende, gaf den geest" (Joh.19:30), nadat Hij gezegd had: "Va­der". Hij, Die het eerst uitge­schreid had: "Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verla­ten?" (Mark.15:34). Hij zegt: "Vader, in Uw han­den beveel Ik Mijn geest" (Luk.23:46). Dan is dat toch iets geweest gemeente, waar een zegen van uit­ging. Want dan lees ik van die heidense hoofdman staande tegenover het kruis, misschien was dat de man die zelf de nagels gesla­gen had in de Midde­laars­han­den, dat hij zei: "Waar­lijk, deze Mens was Gods Zoon!" (Mark.­ 15:39).

Wanneer we over sterven spreken, dan zijn we van­avond in het diepst van de tragiek van het menselijk leven geko­men. Sterven, omdat God gezegd heeft: "Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood ster­ven" (Gen.2:17). Dat heeft iets huive­ringwek­kends en dat is ook geen won­der, want sterven is maar niet een natuurge­beuren, zoals een boom zijn blaadjes verliest in het najaar. Het sterven van een mens is werke­lijk niet zo maar iets, het is de bezol­di­ging der zonde, omdat God gezegd heeft: "Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood ster­ven".

De dood is zo huiveringwekkend, juist omdat het geen natuurgebeu­ren is. Sterven dat is ten diepste dit: ik heb met de duivel geleefd en het is ten laatste de duivel zelf die het vonnis voltrekt. Want wij lezen toch in Hebreën 2 in onze tekstverzen, dat de dood alles te maken heeft met de duivel. Van Jezus kan gezegd worden dat Hij het Licht der wereld, de Waarheid en het Leven is. Maar van de duivel moet gezegd worden dat hij de duis­ter­nis, de leu­gen en de dood is.

Zo lezen we heel nadruk­kelijk in ons tekstvers, dat: "Jezus door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel". Zoals ik het u ook gezegd heb in verband met 1 Kor­inthe 15, "De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood" (1 Kor.15:26), is de duivel. Wat moest de mens, in zekere zin ver­trouwd zijn met de dood. Want het is ten diepste de levensgezel van zijn eer­ste ademtocht tot zijn laatste snik. Altijd zeer nabij, ook al worden we ge­spaard en be­waard. Wat is de dood dicht­bij, niet alleen dichtbij de grijsaard, maar ook dichtbij het kleine kind. Bitter, zwart, akelig en naar!

Wat is het ontzaglijk wanneer de mens sterft, wanneer onze ziel losgemaakt wordt van ons lichaam. Een ziel zonder lichaam, o gemeen­te, denk er niet gering over. Zelfs de gezaligde zielen voor Gods aange­zicht, zien uit naar de dag dat de ziel weer verenigd zal zijn met het lichaam. En andersom, denk er niet gering over, wat een lichaam is zonder  ziel. Dat is terstond geen mens meer.

Wan­neer we aan het sterfbed van een geliefde staan, zodra het moment daar is, dat de ziel haar taber­na­kel verlaat, is er geen sprake meer van, dat het een mens is. Ik zal proberen het zo kies moge­lijk te zeggen, geliefde gemeente, maar als het moment aange­broken is dat de ziel van het lichaam ontbonden wordt, dan is ook alles wat nog rest, aan de ontbin­ding over­gege­ven.

Wij wennen zo aan de dood en het sterven, als het ten minste een ander is, als het niet te dicht in je nabij­heid is. Maar wat zal het ontroerend geweest zijn in die eerste wereld, toen het gerucht zich verspreidde van tent tot tent: 'zeg, heb je het al gehoord? Abel is dood'. En Adam was zo oud geworden en toen ook hij stierf, is het gerucht van tent tot tent gegaan: 'heb je het al ge­hoord? Adam is dood'. En als de wederkomst des Heeren onze dood niet vóórkomt, dan zal er ook een­maal ge­zegd worden: 'heb je het al gehoord? Hij, en dan bent ù dat, of dan ben ìk dat, is gestorven'.

Nu staan we in de catechismus voor een groot wonder. Wij zijn er wel zo'n beetje aan gewend, dat de mens sterft, maar nu wordt er gevraagd: Waar­om heeft Christus Zich tot in den dood moeten verne­de­ren? Waarom is ook Jezus gestorven? Had Hij Zelf niet uitgeroepen aan het kruis: het is genoeg, het is voldaan, "Het is vol­bracht!" (Joh.19:30). Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waar­heid Gods niet an­ders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods. Het gaat er om, dat God recht­vaardig is ten opzichte van alle men­sen, ook ten opzichte van Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. De dood van de zondaar is recht­vaar­dig, de dood van de Zoon evengoed!

We moeten er goed van doordron­gen zijn, dat ge­rech­tigheid pas gerechtigheid is, als we geen uitzon­derin­gen ma­ken. Als God Zijn Zoon gespaard had, dan zou er niet gezegd kun­nen worden: God is rechtvaardig. Dat staat ook zo schoon in het avond­maalsformulier: dat Hij de zonde, eer dat Hij die onge­straft liet blijven, aan Zijn lieven Zoon, de Heere Jezus Chris­tus, gestraft heeft.

Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten vernederen? Hier wordt eigenlijk niet over het sterven van de Heere Jezus gespro­ken zoals men spreekt over het sterven van een mens.

Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten verne­deren? Wanneer een mens sterft, dan sterft een mens pas­sief. Daar doe je niks aan, geliefde gemeente! We kun­nen proberen in uiterste angst om nog één keer onze longen vol te zuigen, om te leven, maar we moeten sterven. Maar het sterven van Jezus is niet passief ge­weest.

Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten verne­deren? Men heeft bij het kruis geroepen: "In­dien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons" (Luk.­23:39), "Dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven" (Matt.27:42).

Het gaat om de vrijwillig­heid van Zijn offer. God heeft alleen het vrijwilli­ge offer lief, dàt alleen kan Hem behagen. Zo gaat het ook in het sterven van onze Heere Jezus Christus om de oneindi­ge waardij die ligt in Zijn vrijwil­lig­heid. We moeten heel goed weten wat de Heere Jezus dienaan­gaande Zelf verklaard heeft: "Niemand neemt Mijn leven van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen" (Joh.10:18). Zo gaat het ook in Zijn sterven.

Waarom heeft Chris­tus Zich tot in de dood, tot in die huiveringwek­kende diepte, moeten vernederen? O, dan zit daar een stuk Evange­lie in, geliefde gemeente, om zondaren op te halen uit de dood! En wat hebben we u er vanaf deze plaats al vele malen op gewezen, dat Jezus de broe­de­ren in alles is gelijk geworden, uitge­nomen de zon­de. Maar goddelijk wonder, niet uitgeno­men de dood.

Nu lezen we in dat tweede hoofd­stuk van die kos­telijke Hebre­nbrief: "Over­mits dan de kin­deren des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desge­lijks derzelve deelachtig gewor­den". Kinde­ren des vleses en bloeds, stervelingen, broze stervelingen waarvan we zingen:

 

      Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

      Gelijk een bloem, die, op het veld verheven,

      Wel sierlijk pronkt, maar kracht'loos is en teêr; (Ps.103­:8 ber.).

 

Dat wordt hier bedoeld met vlees en bloed. Over­mits dan de kinde­ren, die ellendige zondaren, des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden.

Dan gaat het om dit grote wonder, dat Jezus Christus in Bethlehem in de wereld gekomen is, om in deze wereld te leven.

Het is al een mysterie, dat Jezus gekomen is om te leven! Maar Bethlehem betekende dat Jezus in dezelfde tragiek gekomen is, omdat Hij vlees en bloed deelachtig werd. Zoals er een tragiek is in iedere wieg, zoals er een tragiek is bij ieder kind dat gebo­ren wordt, omdat wij weten: het is vlees en bloed deel­achtig. Het moge zeven­tig jaar worden, het moge zeer sterk zijn en tachtig jaar wor­den, maar sterven zal het, want het is vlees en bloed deelachtig. Zo is de Heere Jezus ook vlees en bloed deelachtig geworden om te sterven. In de wereld geko­men om te sterven, niet om ten hemel te varen in de eerste plaat­s­, maar om te sterven, "opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des dood had, dat is, den duivel". Daarom!

Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten verne­deren? Dan wordt daar het woordje vernederen ge­schreven, want het ìs toch immers een vernedering, dat de mens sterft. We mogen hem netjes verzor­gen, maar zodra de ziel uit het lichaam uitgegaan is, begint de totale ontluistering van de mens. En wat dan de zonde teweeg gebracht heeft, wordt voor onze ogen verborgen in het graf. Het is niet gepast dat een mens inzicht zal hebben, dat de mens het be­schouwen zal, dat de mens aanzien zal, wat de dood is. Het is de huiveringwekkende ontluiste­ring van de mens, van zijn lichaam waar hij zo trots op geweest is. Het lichaam dat we zo verzorgd heb­ben, het is overgege­ven aan de totale ontluistering.

Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten vernederen? Want de dood, geliefde gemeen­te, is inder­daad een zeer diepe vernedering. Laat ik er slechts dit van mogen zeggen: een kind van God lag zo ruim op zijn sterfbed, dat er in zijn stervensnacht nog gezon­gen moest worden:

 

      Ja waarlijk, God is Isrel goed,

      Voor hen, die rein zijn van gemoed;

      Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen,

      Hij ziet in gunst op die Hem vrezen (Ps.73:­1 ber.).

 

O, die stervende man leed zo, maar het was niet alléén lij­den, het was nochtans verblijden, want hij sprak: 'ik heb zo'n kostelijke kwaal', en menselijker­wijs gespro­ken had hij een afschuwelijke kwaal, maar hij zei: 'ik heb zo'n koste­lijke kwaal, ik kom er zo van lieverlee mee Thuis'. Ruim sterven! Maar hij heeft toch ook gezegd: er kleeft scha­nde aan, er kleeft vernedering aan, want nu gaat er toch met mij gebeuren, wat God gesproken heeft: "De bezol­diging der zonde is de dood" (Rom.­6:23).

Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten vernederen? Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon be­taald worden, dan door den dood des Zoons Gods.

Ik kan nog wel even praktisch zijn gemeente, en ik kan het mis­schien nog wel heel nauw­keurig zeggen met mijn eigen woor­den. Ware Jezus Christus niet gestor­ven, hoe zouden wij moeten ster­ven? Hoe zou een kind van God zelfs, moeten sterven, geliefde gemeen­te?

Want denk er om dat het veel inhoudt hoor, om te weten dat je ziel ontbonden wordt van je lichaam. Een mens is zo'n geweldig uniek schepsel, denk er om dat sterven wat inhoudt, als die twee-eenheid, die een leven lang met elkaar verkeerd heeft gescheiden wordt. De mens is zo'n uniek schepsel, God heeft ieder mens zo apart ge­maakt, Hij heeft die ene ziel en dat ene lichaam op deze wereld samenge­voegd. Dat laat zich bij wijze van spreken nooit ver­wisse­len, zo bijzonder hoort dat bij elkaar. Al zou onze ziel veran­deren, verhui­zen bij wijze van spreken, in een ander lichaam, dan zou­den we doodon­geluk­kig zijn. Zo is er zo'n unieke eigenheid tussen die ene ziel en dat ene li­chaam, dat samen één persoon vormt, die ù bent of ìk. Denk er om dat het sterven vreselijk is, wan­neer God los gaat maken, wat Hij Zelf zo hecht heeft samen­ge­voegd.

Laat ik dan heel praktisch mogen zijn: wanneer we kennis hebben aan het bloed en de wonden van de Heere Christus, wanneer we er weet van hebben dat onze zonden vergeven zijn. Wanneer we geleerd hebben om uit genade te leven van uur tot uur, van stap tot stap en van dag tot dag. O, waar zou ik moeten blijven gemeente, waar zou ik moeten blijven, als ik moest sterven en Jezus ware ook niet voor mìj gestorven? Dan ligt er zo'n ver­kwikking in het sterven van de Heere Christus.

Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten vernederen? Om zo volledig te betalen, omdat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald wor­den, dan door den dood des Zoons Gods. Wat zit er dan een ver­troosting in. Ver­troost u in uw leven uit het leven des Heeren, en zo gij lijdt, ver­troost u uit het lijden van de Heere Christus. Maar zo het dan ooit sterven wordt, vertroost u dan uit het sterven van de Heere Christus. Zo is er over de dood en over het ster­ven, hoe huive­ring­wekkend het ook moge zijn, een licht gevallen van Golgotha, waar Jezus Christus Zelf gestor­ven is.

Dan zullen we straks, als we zèlf moeten sterven, een kruimeltje geloof nodig hebben. Om het dan toch maar aan te dur­ven, om je ogen te slui­ten, om je handen te vouwen. Om dan te weten: nu wordt het sterven, nu komt het nader, nu is het haast zo ver. O, wat een troost ligt er dan in het sterven van de Heere Jezus Christus. Ik heb eens aan iemand ge­vraagd: kunt u sterven? Hij kon sterven! Ik heb toen ook gevraagd: durft u te sterven? Toen was dit het prakti­sche ant­woord: ik durf het, omdat Hij het ge­durfd heeft, in mijn plaats.

Daar ligt zo'n kostelijke vertroosting in, maar denk er om, dat het aangevoch­ten kan liggen in het leven. Maar dan ligt er desondanks zo'n koste­lijke vertroosting in, dat het niet tevergeefs geschre­ven is, maar dat het ook nagesproken is in het geloof: "Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw over­winning?" (1 Kor.15:55). Dan gaat het hier om, geliefde ge­meente, dat Jezus Christus de zonde vernietigd heeft. "De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus" (1 Kor.15:56-57). Jezus Chris­tus is Borg en Middelaar ge­wor­den en in Zijn sterven ligt ruimte, opdat Gods kinderen zouden kun­nen sterven, Jezus achterna.

U moet deze catechismus maar uit het hoofd leren. Misschien zult u dit antwoord nog eens nodig hebben tot uw troost.

Ik weet dat er velen zijn die hopen op stervens­gena­de. Is er dan geen stervensge­nade nodig? Jazeker, maar laat ik u nog mogen vragen: u maakt toch geen mis­bruik van het woordje 'stervens­gena­de'? Hoe be­doelt u dat? Wel, er wordt veel misbruik gemaakt van het woor­dje 'ster­vensgenade'. Dan bedoelt men eigen­lijk te zeggen: dominee, ik heb nog geen levens­gena­de, het is nog niet in orde in mijn leven, het ligt nog niet vlak met de Heere. Ik hèb geen genade of, ik ben zo vrese­lijk verachterd in de genade. En dan hopen we dat ster­vensgena­de dit is: dat de Heere ons in dat laatste uurtje, in dat allerlaatste uurtje nog zal schen­ken, wat we in het leven moesten missen; maar wat we in het leven ook zo goed konden missen. Maak geen mis­bruik van dat woordje 'stervens­genade', geliefde ge­meente!

Ster­vensgenade is dat God de levensgenade, die Hij ons verleend heeft, vernieuwt. Geheel vernieuwt. Ik heb het aan menig sterfbed mogen zien, dat de levens­gena­de zo vernieuwd werd, dat er een geloofskracht was om daar­op te sterven, waarop men geleefd had.

En nu ga ik u vragen, hoe is uw leven?

Laat uw leven sterven zijn, dan zal uw sterven leven zijn! AMEN.