Zondag 16. Vraag en antwoord 41 - 42 - 43

                                         ZONDAG 16

                            Vraag en antwoord 41, 42 en 43

 

        Psalm     119 : 65,66

        Psalm       25 : 6

        Psalm     115 : 7,8,9

        Psalm       68 : 10

        Psalm       74 : 2

        Johannes   5 : 19-29

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Johannes 5 : 24

 

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.

 

Onze catechismus, vraag en antwoord 41, 42 en 43

 

41. Vr. Waarom is Hij begraven geworden?

Antw. Om daarmede te betuigen dat Hij waarach­tiglijk ge­stor­ven was.

42. Vr. Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?

Antw. Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zon­den en een doorgang tot het eeuwige leven.

43. Vr. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offe­ran­de en den dood van Christus aan het kruis?

Antw. Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekrui­sigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer rege­ren, maar dat wij onszelven Hem tot een offe­rande der dankbaarheid  opofferen.

 

Het is de realiteit, geliefde gemeente, dat een mens zo ongeveer leeft op het stof en in het stof van zijn voorgeslacht. De wereld is vervuld met graven. Zelfs in het kleinste dorpje in Nederland, in het klein­ste ge­hucht vind je nog wel een begraafplaats. En kom je in die eeuwen­oude kerken, dan sta je letterlijk, ècht letter­lijk, op het stof van het voorgeslacht. Wat een ont­roe­rende ge­dachte is dat. Dan liggen daar in die stenen kerkvloer soms zerken. Zo lag daar een zerk waar was  ingebei­teld:

     

      Als ghij nu sijt, zijn wij gewest;

      Keert u tot Godt, dat is u best,

      Als wij nu zijn, soo moet ghij wordden;

      Verlaet de sonden, het sijn sware bordden;

      Bereyt uw huijs ende leert nu sterven,

      Soo moeght ghij het Rijke Gods beërven.

 

Wat kan daar een sprake van uit­gaan.

Ik stond eens op de grafsteen van een oude man, in die steen stond gebeiteld: Op Uw zalig­heid wacht ik, HEERE. Toen was het als het ware, alsof ik die grijsaard zag liggen met gevouwen handen. Op een ander oud kerkhof, lag ook zo'n brokje steen, een paar honderd jaar oud, daarop stond: 'Hier leit Maria'. Dat is de mens! Hij leeft, om eenmaal begraven te worden.

Het is een ontroerende gedachte, dat een mens niet alleen sterft, maar dat hij ook begraven wordt. In het Oosten had men een andere wijze van begraven dan bij ons. Men werd in een rotsholte bijgezet en dat ge­deelte van de rots werd helder witgepleisterd. Want we lezen toch immers in de Schrift van witge­pleis­terde graven (Matt.­ 23:27). Maar waarom deed men dat? Was dat om de schoonheid van het graf te verhogen? Die gra­ven moesten ieder jaar opnieuw gepleisterd wor­den. Witgemaakt worden, geliefde gemeente, niet om ze te versieren, maar met de bedoeling dat je ze zelfs in het donker nog kon zien, zodat je er niet mee in aanraking zou komen, want dan was je onrein.

Zo probeerde iedere Israëliet, om niet met een graf in aanraking te komen. Men nam zijn kleed bijeen als men er dicht langs moest lopen. Misschien is het wel gelukt in het leven van menig Israëliet om nooit een graf, nooit die pleisterlaag  aan te raken, maar toch kwam men eenmaal aan de andere kant van die rotsingang: men werd begra­ven.

Een ontroerende zaak gemeente! Zo lezen wij in onze catechismus: Waarom is Hij begraven geworden? Dan gaat het om de ontroerende zaak, dat ook de Heere Jezus Christus begra­ven is geworden. Als onze cate­chismus daar een antwoord op moet geven:­ waarom toch is de Heere Jezus begraven gewor­den? Dan krijgen we daar een heel kort en heel duidelijk antwoord op: Om daar­mede te betui­gen dat Hij waarachtig­lijk gestor­ven was.

Als je dat zo leest dan denk je: is dat niet een beetje een simpel antwoord? Want we weten toch immers alle­maal dat de Heere Jezus gestorven is. Is het echt waar, gemeente? Of huist in ons àller hart ten diepste toch deze gedachte: dat het allemaal niet ècht was bij de Heere Jezus. Catechisanten kunnen dat zo heel eerlijk uit­spreken. Eens heeft mij een kind gevraagd, en ik weet zeker dat veel ouderen daar niet ver boven ver­heven zijn: "Ja maar dominee, was dat nou echt wel zo erg voor de Heere Jezus, want Hij was toch immers de Zoon van God, Hij kon toch alles?"

Waarom is Hij begraven geworden? Er is een ketterij geweest die nog voortleeft in menig hart, alsof het leven, het sterven en het begraven worden van de Heere Jezus Christus, maar een heilig to­neelspel was. Dan brengt de catechismus ons aan de hand van de Schrift bij de volle werkelijk­heid, ook van het begra­ven worden van de Heere Jezus Christus. Om daarmede te betuigen dat Hij waarach­tig­lijk gestor­ven was, ook Zìjn ziel ontbonden van Zijn lichaam. Jesaja 53: "En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest". Daar zit de ernsti­ge prediking in, dat Jezus gestorven is en dat Hij begraven is. Vergeef me, als ik het oneerbiedig zeg om het duidelijk te maken: de Heere Jezus is ècht gestorven, Hij was niet schij­ndood, want onze zonden zijn ook geen schijnzonden, maar werke­lijkheid.

En zo is Jezus Zelf ook begraven. Dat hoort er bij, geliefde gemeen­te, want de Heere Jezus was in de plaats van een mens gaan staan. En zo goed als Hij bij de kribbe begonnen is, is Hij geëin­digd in het graf om alles te volbrengen, wat er te volbrengen was. De doeken, niet alleen van Bethlehem, van het nieuwe leven, maar ook de doeken, de windselen van het graf heeft Hij gedragen. En zoals we lezen in het begin van de Schr­ift: "en Adam stierf" (Gen.5:5). De man die gegeten had, die het verbond verbroken had, is ge­storven. Zo zit er iets geweldig troostrijks in het sterven en begraven worden van Jezus Christus. Het is zo'n heerlijke volmaking van Christus' Borgwerk, de volkomen boetedoening voor de zonden.

Je aarzelt weleens op catechisatie, als het gaat over de trappen van vernedering: waar de trappen van verne­dering ophouden en waar de trappen van verhoging van de Heere Christus beginnen. Zijn begra­fe­nis is een punt, waar als het ware de verho­ging tòch reeds in het zicht komt. Als alle gerech­tig­heid ver­vuld is, dan komt het loon op de arbeid. Dat staat zo schoon in Jesaja 53: "En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld", voor­waar een diepe verne­dering voor de Heere Chris­tus, Die uit de schoot des Vaders gekomen is, om aan de schoot der aarde toebe­trouwd te worden.

"Want gelijk Jonas drie dagen en drie nach­ten was in den buik van den walvis (dat is het teken), alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde" (Matt.12:40). Daar zit zo'n kracht in, zo'n kracht dat, als de Farizeën een teken bege­ren de Heere Jezus zegt: "Het boos en over­spe­lig ge­slacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven wor­den, dan het teken van Jonas, den pro­feet" (Matt.12:39).

Zo is Christus' graf bij de goddelozen gesteld, maar er komt ook iets van de verdienste van Zijn werk in zicht: "En Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest" (Jes.53:9). Jozef van Arimathéa en Nicodémus heb­ben de Heere Jezus begraven. Nu houd ik er niet van, om àl te praktisch te zijn, maar ik wil er toch op wijzen dat dit punt wèl beslis­send zou moeten zijn, in de vraag of een christen begra­ven of gecre­meerd moet worden. Meer wil ik er hier niet van zeggen.

Ik weet niet of u weleens over de zaak van ster­ven en begraven worden doorgedacht hebt? Die zaak ligt beslist onderschei­den. Sterven is een ontza­glijk iets, maar denk er om, dat ook begraven worden, iets ont­zaglijks is! Als dat als een realiteit op je af komt, ook op een kind van God, dan kan het zelfs nog zo zijn, dat we meer moeite hebben met het begraven wor­den, dan met het sterven. En als dat echt in de be­proeving komt van ons leven, gemeente, dan zullen we pas goed voelen hoe lief of we ons eigen vlees hebben. En dat is ook helemaal geen won­der, want er zijn geen grotere vrienden ooit gescha­pen, door God samenge­voegd, dan de ziel van de mens en zijn lichaam.

Dan ligt er zo'n heerlijke vertroosting in, dat Jezus Christus niet alleen gestorven is en het ook heeft uitgeroepen: "Het is vol­brac­ht­". Maar wat een dierbaar werk heeft de Heere Christus gedaan, ik zeg het op een heel mense­lijke wijze, door niet terstond weer op te staan. Want we moe­ten héél goed weten, dat de Vader de Zoon macht gegeven had om het leven af te leggen, maar ook om het leven weer op te nemen.

Wanneer we dan zien dat het Hem behaagd heeft om ook dat uiterste van een mens door te maken, om be­graven te zijn: drie dagen en drie nachten te verkeren in het hart der aarde. Dan zegt mijn ziel: dui­zend, duizend­maal o Heere, zij U daarvoor dank en eer! Dan kan er iets van ge­proefd en gesmaakt wor­den, dat Hij precies alles gedaan heeft voor arme zondaren. Van de wieg niet tot het graf, maar van de wieg tot en met het graf, tot en met het opgewekt worden op Pasen. En zo is Jezus Chris­tus een zondaar, die huivert voor zijn eigen graf, vóórgegaan om te rusten in hope. Zodat het ook over een zondaars­graf zal klin­ken: "Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lich­ten" (Ef.5:14). Christus Zelf is voorge­gaan om alles te volbrengen.

Wat zit daar dan een praktische troost in gemeen­te, als we op het punt staan onze ziel uit te blazen, als het zo heel erg dichtbij komt, dat we in het graf zullen dalen. Welk een ver­troosting, dat het geloof dan toch weleens mag zeggen: omdat Jezus het gedaan heeft, zal ik het dur­ven, niet in eigen kracht. Wat ligt hier een stof voor het geloof, om niet alleen maar te sterven en terstond bij de Heere te zijn, maar om dan ook dat koste­lijke li­chaam, dat ge­liefde li­chaam, hier achter te laten en toe te doen vertrou­wen, zoals dat genoemd wordt, aan de groeve der ver­tering.

Zo staat er van de Heere Jezus Christus: Waarom is Hij begraven geworden? Om daarmede te betuigen dat Hij waarachtiglijk gestor­ven was. Daarom mag ik heel vrijmoedig alle kinderen Gods een beetje moed geven, om Hem na te volgen over de weg die Hij gegaan is, de gang die Hij gemaakt heeft. Dan is het heerlijk, dat Zijn graf wel bij de godde­lozen gesteld werd, maar dat Hij bij den rijke in Zijn dood geweest is!

Doordat de Heere Jezus Christus in het graf geweest is, is er niet alleen een doodsreuk aan het graf, maar waait er een Geest des levens uit de hof van Arimathé­a­ naar de graven van Zijn kinderen. Als het geloof dan maar aanwe­zig mag zijn in de kinde­ren Gods, dan mogen ze met Pau­lus zeggen: "Dood, waar is uw prik­kel? Hel, waar is uw overwinning?" (1 Kor.15:55).

 

Dan gaat de catechismus verder vragen. Want we zou­den dat graf, waarin een mens totaal ontluisterd wordt, tòch zo graag willen ontgaan.

En omdat je dat huiveringwekkende graf zo graag wil ontgaan, daarom volgt hier zo'n praktische vraag, misschien wel de vraag van uw ziel: Zo dan Christus voor ons gestor­ven is­, hoe komt het dat wij ook moe­ten sterven? Dan is het antwoord: Onze dood is geen beta­ling voor onze zonden, maar alleen een af­ster­ving van de zonden en een door­gang tot het eeu­wi­ge leven.

Dan vraagt u misschien: is dat niet licht­zinnig? Dat ant­woord gaat nog wel, maar dan moet u eens letten op dat woordje 'alleen', is dat niet erg lichtzinnig? Onze dood is geen betaling voor onze zon­den, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

Ja, geliefde gemeente, maar zo ìs het! En dat is rijk, dat is zeer rijk. Onze dood is geen beta­ling voor de zonden. God is zo eerlijk, Hij schrijft, om het menselijk te zeggen, geen dubbele rekening uit. Onze dood is geen betaling voor de zonden. Dan mogen en moeten we weten dat, wanneer Jezus voor onze zonden betaald heeft, er niets bij hoeft van een mens zelf. Er ook niets bij hoeft van een kind van God. 'Ik ben zo blij', zei die man, die sterven­de man, 'dat er geen na­gel­schrap van mezelf bij hoeft'. Het moet goed verstaan worden, dat Christus alles heeft volbracht wat nodig was om voor onze zonden te beta­len.

Maar als Christus dan voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven? Dan wordt dat woordje 'betaling' genoemd. Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

Wat is dan de bedoeling van het graf, zouden we kun­nen vragen. Wat is de bedoeling van het graf, voor een kind van God? Laat ik het zo mogen zeggen: een kind van God vindt zijn rechtvaar­digheid in Christus en een kind van God wordt gezet in de heiligmaking, geestelijk: "Want dit is de wil van God, uw heiligma­king" (1 Thess.4:3). Gods kind zal dat nooit uit zichzelf bereiken. "Maar Jezus­ Christus is ons geworden wijsheid van God, en recht­vaar­digheid, en heiligmaking, en ver­lossing" (1 Kor.1:30). Houdt dat goed vast, gelief­de gemeente. Dat Jezus Christus ons gegeven is tot rechtvaar­digheid. Maar als een chris­ten denkt, dat hij de heiligma­king zèlf in handen zou heb­ben, dan kan het maar op één manier gaan in het leven: verkeerd, verkeerd! Jezus Chris­tus is gege­ven tot rechtvaar­digheid, tot heilig­making en tot volko­men verlossing.

De allerheiligste heeft in dit leven nog maar een klein beginsel van die heiligmaking. En al zou die heiligma­king ooit,­ het is ongerijmd om het te denken, vol­maakt zijn voor God, ik zeg nog eens: het is onge­rijmd om te denken, dat onze heiligmaking volmaakt zou zijn voor God, maar dan is nòg dat vlees door de zonden besmet! En nu is dit de winst van het graf, ik spre­ek niet met mijn eigen woorden, maar ik spreek die stervende man weer na, die gezegd heeft: 'zo zie ik dan ook nog een beetje winst liggen in het graf, want daar zal mijn heilig­making voltooid en volmaakt wor­den'.

Wat ons lichaam betreft gaat het hierom, dat God de Pottenbakker is en dat Hij mij zò niet kan gebrui­ken! Ik moet weer leem worden naar het lichaam, in Zijn Godshan­den. Dan is het een eeuwig wonder dat een mens weer terugke­ren kan, weer ont­binden kan,­ weer uiteen­vallen kan, om weer leem te worden voor God. Om een gans nieuw schepsel gemaakt te worden, door God opge­raapt te worden, zoals de eerste Adam in de sche­pping­ is opgeraapt en als het ware de ziel inge­blazen kreeg door een heilige godde­lijke mond-op-mond bea­deming des Heeren. God maakt ons tot onschul­dig stof! Het wordt gereinigd in het graf, opdat we gans nieuwe schepselen zouden zijn in Chris­tus naar de rechtvaar­digmaking, in Chris­tus naar de heiligma­king. En die heiligmaking zal vol­tooid wor­den door de heer­lijk­ma­king.

Zoals er in de bekering geen nagelschrap van mij bij kan, zo moet ook mijn materie uiteenvallen, wil ik weer materie zijn voor God, wil ik weer handelbaar zijn voor God. Dat geldt voor diegenen, die de wederkomst van Christus niet mee zullen maken, zij zullen gerei­nigd worden door het graf. Want immers onze handen heb­ben gezon­digd, onze voeten hebben gezon­digd, ons hoofd heeft gezon­digd en het hart is zo be­smet, dat de Heere Jezus zegt: "Uit het hart komen voort boze beden­kingen, doodsla­gen, overspelen, hoere­rijen, dieverijen, valse getuige­nissen, lasteringen" (Matt.15:19) en ga zo maar door.

Dat lichaam heeft mee gezondigd met mijn geest. Mijn geest heeft mee gezondigd met mijn lichaam en daarom zal het naar het graf gaan. Dan zal het graf voor het lichaam zijn, wat een smeltkroes is voor het goud. Het schuim van de zonde zal de Heere wegdoen. Wan­neer we dan weer stof zullen zijn, stof dat je op kunt rapen zonder dat het je beschadigen zal, zonder dat het u leed berokkenen zal, dan pas zijn we weer ge­schikt om door God opgeraapt te worden voor de nieu­we schep­ping. Om herschapen te worden, achter Chris­tus Jezus aan, ten eeuwigen leven. En daarom heeft Christus géén verder­ving gezien, omdat Zìjn handen niet gezon­digd hebben, Zìjn voeten niet gezon­digd hebben, Zìjn hoofd en Zìjn hart rein gebleven waren. Maar wij... Voor ons zal het graf zijn als de smelt­kroes voor het goud.

Waarom moeten wij nog sterven? Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

 

Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offe­rande en den dood van Christus aan het kruis? Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begra­ven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszel­ven Hem tot een offe­rande der dankbaar­heid opofferen.

Laat ik nog weinig van vraag en ant­woord 43 mogen zeggen, want deze zaak komt straks volledig aan de orde in zondag 33, waar wordt gevraagd: In hoeveel stukken bestaat de waarachti­ge bekering des mensen? Die bestaat uit twee zaken: de afsterving van onze oude mens en de op­standing van de nieuwe mens. Die afster­ving van de oude mens is een hartelijke droef­heid over de zonde en een haten en vlieden daarvan. En de op­stan­ding van de nieuwe mens is een hartelij­ke liefde tot God en een hartelijke liefde om naar al Zijn gebo­den te leven.

Maar ditmaal wordt ons gevraagd: Wat verkrij­gen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en den dood van Christus aan het kruis? Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelven Hem tot een offerande der dank­baar­heid opofferen. Wil er dan die zalige verwachting zijn van een zalige wederopstanding, waarin het nog niet geopenbaard is wat we zijn zullen, maar waarin we Jezus Christus zullen gelijk wezen, gelijk Hij is (1 Joh.3:2). Dan begint dat in dit leven, door een ster­vend leven te krij­gen, een ster­vend leven achter Christus aan. Dat door Zijn kracht onze oude mens sterft, voordat het li­chaam sterft: dat mijn ziel, mijn begeer­lijkheid, dat mijn gevallen­heid gaat ster­ven.

En dat sterven wordt hier beschreven, dat is pijnlijk, geliefden: dat is met Hem ge­krui­sigd, gedood en begra­ven te worden. Dat is ten diep­ste het eigen 'ik', het verwaande, het hoogmoedige 'ik', dat moet sterven. Het is niet alleen hoogmoed, maar het is schuldige hoog­moed, dat is hoogmoed die zó tegen God en Zijn Gods­regering ingaat, dat het gekruisigd moet worden, moet sterven en begra­ven zal wor­den. Daarvan zal iets open­baar komen in ons leven van alledag. Paulus be­lijdt: "Ik sterf alle dag" (1 Kor.15:31).

Maar Paulus kan ook zeggen: "Ik ben door de wet der wet gestor­ven, ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal.2:19-20). Dat is, dat het hoogmoe­dige 'ik' sterft, ge­kruisigd wordt en be­graven zal worden, opdat de boze lusten des vleses ons niet meer regeren. Dat is werke­lijkheid, hallelujah!

Maar er is ook veel te klagen, Paulus ach­terna: "Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den in­wendigen mens" (Rom.7:21-22). We krijgen een lust, niet om naar sommige, maar om naar al de geboden Gods te leven.

En lukt dat dan? Zo zegt de catechismus dat niet. De catechismus spreekt over de boze lusten des vleses, en daar wordt dat gehele hoogmoedige 'ik' in begrepen. Het gaat beslist niet alleen over het zevende gebod hoor, als hier gesproken wordt over boze lusten des vleses. Dan gaat het over alles wat God mishaagt, alles wat God wederstaat. Dan gaat het over de gehele wet des Heeren; opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer rege­ren.

O, dan kan Gods' kind, wanneer hij iets ervaart van het bederf van zijn eigen hart, Paulus naklagen: "Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij ver­lossen uit het lichaam dezes dood­s?" (Rom.7:19-24).

Maar hier wordt het woord 're­geren' gebruikt en dàt moeten we elkaar kunnen vragen: worden wij nog geregeerd door ons eigen 'ik', of is God aan­vanke­lijk Koning geworden in onze levens? Welge­lukza­lig is hij, die Jezus Christus als zijn Borg heeft leren kennen, die voor Zijn rekening ligt. Dan kan er veel strui­kelen zijn, zelfs in de Kerk, zodat we het wel dagelijks mogen bid­den: "Wil mij voor struikelen be­vrijden, en ga mij met Uw heillicht voor" (Ps.­17:3 ber.).

Maar hallelujah, de Kerk mag dan struikelen, maar vallen kan ze niet meer, als ze in Christus is vastge­maakt. Dat ster­vende leven, God achterna, Christus achter­na, dat houdt metterdaad in dat we weer klein worden, kleine schepse­len voor God. Dat we meer en meer verwaardigd wor­den om beelddra­gers van Chris­tus te zijn. Waarom? Om het grote wonder, dat God zondaren ver­kiest om Bruid van Chri­stus te zijn.

En als het nu goed is in uw leven, naar de rechtvaar­digmaking, als het nu goed is in uw leven naar de heiligmaking, dan zal er een begeerte zijn om inder­daad, Bruid van Christus te zijn. Om Hem meer en meer gelijkvormig te worden, hier in dit leven al. Je ziet het vaak als sommige mensen gelukkig aan elkaar verbon­den zijn, dat ze door de jaren heen op elkaar gaan lijken. Zo worden ook Gods kinderen meer en meer aan Chri­stus gelijkvormig. Door welke kracht, door welke macht? Want de hel zal ons niet van de zonde afhou­den; de verdoemenis zal ons de tien gebo­den niet leren. Eén zaak is het, die ons leren kan om te gaan hijgen, om te gaan zeg­gen: "Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook ge­grepen ben" (Fil.3:12).

Die ene zaak is de liefde! Zondedodende genade is zo'n kostelijke zaak gemeente! We willen er in de aanvang de hemel mee verdie­nen, door een paar zonden na te laten. Maar dat zal niet gaan, want het is Mozes­dienst, er is geen liefde in. Maar daar, waar ons hart meer geneigd wordt tot de liefde, ziende op het Borg­werk van Christus, dat het Hem de prijs van Zijn ziel en de prijs van Zijn lichaam gekost heeft, dáár wordt ons zondebe­staan ge­dood. Niets is zo moeilijk, dan betaalde zonde te doen!

En in die liefde wordt ook een uit­zien geboren naar de volmaakt­heid, om Bruid van de Heere Christus te zijn. Dat betekent: vervuld te zijn met een heilige onrust, met een heilig verlangen. Bruid van Christus te zijn is geen eindstadium. We spreken, als het in dit leven niet tot een huwelijk komt, weleens van een eeuwi­ge bruid. Maar Bruid van Christus te zijn bete­kent: al hopend, al wachtend en heilig popelend iedere dag één dag op te schuiven naar de grote dag, de dag van de bruiloft des Lams.

Liefde, veel liefde Gods in onze harten, omdat Hij ons liefheeft en omdat wij daarom God lief gaan hebben, zodat we Johannes nazeg­gen: "Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft" (1 Joh.4:19).

Hebt u er zin in, om God lief te hebben? U mag er om bidden hoor dat uw hart geneigd zou worden. We bidden soms zo veel om bekering, we bidden soms zo veel om zus en om zo. Maar bidt toch vooral om liefde, om die ontfermende liefde. Ook de Kerk, die iets kent van de levende Christus: bidt om liefde! Opdat we waarlijk Bruid van Christus mogen zijn: verwach­tende Bruid.

En als we dat werkelijk in het oog hebben, dan zijn er ook tijden in onze levens, dat we popelen, dat we uitzien, wachten en verwach­ten. Niet in lijdelijkheid gemeente, maar wel in lijdzaam­heid. Zo harte­lijk popelend, dat "de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort zegge: Kom! Ja, kom, Heere Jezus!" Kom haas­tig­lijk­ (Openb.22:17-20). Dan kan het in het per­soon­lijk leven zo liggen, dat het kan en dat het gaan zal.

Sterven, het is een ontzaglijke zaak; begraven te worden, het is een ontzaglijke zaak, maar het kan door de liefde, zodat het niet alleen meer sterven is, zodat het niet alleen meer begraven worden is, maar zo, dat het na­volgen is. Christus Jezus navolgen, Die als Brui­de­gom het pad is gegaan, het pad begaanbaar gemaakt heeft voor Zijn Bruid. AMEN