Zondag 16. Vraag en antwoord 44

                                         ZONDAG 16

                                    Vraag en antwoord 44

 

        Psalm    63 : 3

        Psalm    95 : 4

        Psalm    42 : 2,4

        Psalm    42 : 5

        Psalm    94 : 8

        Psalm    42 

 

Onze tekstwoorden bij ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Psalm 42 : 12

 

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

 

Voor vanavond vraag en antwoord 44 van de Heidel­bergse Cate­chismus

 

44. Vr. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?

Antw. Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitspreke­lijke benauwdheid, smarten, verschrik­king en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzon­derheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helse be­nauwdheid en pijn verlost heeft.

 

Het gaat deze keer, geliefde gemeente, over wat wel genoemd wordt: de laatste trap van vernedering. Wat wij ook met recht zouden kunnen noemen: de laagste trap van vernedering van de Heere Jezus Christus. Dat wordt dan onder woorden gebracht in de twaalf Artikelen des geloofs met: nedergedaald ter helle.

Nu zit daar een moeilijkheid in, want dat Jezus Chris­tus is nederge­daald ter helle, dat stelt ons voor de vraag of de Heere Jezus werke­lijk in de hel ge­weest is, zoals ie­mand die om zijn zonde verloren gaat en in de hel terechtkomt. Zoals Jezus dat Zelf ook genoemd heeft: De plaats van "de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden" (Matt.8:12). Is Jezus in dìe plaats geweest? Dat is een vraag die reëel gesteld kan worden. Dat is een vraag die wèl opgewor­pen wordt, maar niet door de Schrift, gemeen­te.

U moet maar goed luisteren. Dit is een vraag die niet opge­worpen wordt door de Schrift, want in de Schrift lezen we nergens dat Jezus in die plaats, die wij hel noemen, geweest is. Maar we lezen het wel in de twaalf Artike­len des geloofs: nederge­daald ter helle.

Als ik daar Van der Groe in volg, dan zegt hij zelfs dat men dit niet in de twaalf Artikelen op had moeten ne­men. En in zijn catechis­mus zegt Van der Groe dat men het eigenlijk ook niet in de catechismus op had moeten nemen. Omdat Jezus, en nu ga ik het zeg­gen, in die zin niet in de hel geweest is. Elke gedachte moet ons vreemd zijn, als zou Jezus in de hel van de ver­doemde verworpelin­gen geweest zijn. In die zin is Jezus niet in de hel geweest, want dat is met­een de plaats ge­meente, de plaats van onboet­vaardig­heid, de hel van de onboetvaardigheid.

Maar de inhoud die de catechismus er aan geeft, dat is dat Jezus ge­weest is, niet in de hel van de ver­worpe­nen, maar dat Hij is neder­ge­daald ter helle, namelijk in de plaats van de uitver­ko­renen. Jezus is geweest, niet in de hel van de straf, maar in de hel van de schuld, van de benauwd­heid en van de angst.

Zo lees ik dat ook in vraag en antwoord 44: Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle? Opdat ik in mijn hoogste aan­vechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, ver­schrik­king en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonder­heid aan het kruis, gezonken was, mij van de helse be­nauwdheid en pijn verlost heeft.

U vraagt misschien: hoe is dat dan in de twaalf Arti­kelen terechtge­komen? Dat is in de vijfde eeuw ge­weest, toen was het spraakge­bruik nog zoveel anders. Waarschijn­lijk is er mee bedoeld dat Jezus begra­ven is en in een rots­graf gelegd werd. Luther heeft vertaald dat Jezus is nedergedaald "zur Höhle". Dat wil zeg­gen: in een rots­spelonk in het graf gelegd is.

Wanneer er dan nu gesproken wordt over 'ne­dergedaald ter helle' dan wordt daar mee aan­gegeven, de diepte van het lijden van onze Heere Christus, de diepte van het lijden naar Zijn lichaam en naar Zijn ziel.

Nedergedaald ter helle. Uit dit geloofsartikel zijn di­ver­se kette­rijen voortgekomen. De Room­se kerk leert, dat Jezus in de hel geweest is. Jezus zou dan in die plaats geweest zijn omdat zij, die ge­storven waren in het geloof, nog niet verlost waren. Volgens de roomse leer waren zij gevangen in het voorge­borchte van de hel en zijn de gelovi­gen van het Oude Verbond pas vrijgelaten, nadat de Heere Jezus Christus Zijn Borg­werk had volbracht. Maar dat de Heere Jezus Chris­tus in Zijn nederdaling ter helle de gelovi­gen van het Oude Ver­bond, als het ware bevrijd zou hebben uit die plaats, is een zeer onge­rijmde gedachte ge­weest.

De Luthersen hebben verklaard dat de Heere Jezus Christus in de hel geweest zou zijn om er te triomfe­ren. Om het voor de verlore­nen en voor de duivel uit te spreken dat de zaak volbracht was. Maar ook dat is ongerijmd, al beroepen de Luthersen zich op 1 Petrus­ 3:19, "dat Hij den geesten, die in de gevangenis zijn, gepre­dikt heeft".

Het is ongerijmd, want als de twaalf Artike­len belijden dat Hij is nedergedaald ter helle, dan wordt daarmee een trap van de vernede­ring van de Heere Jezus geschil­derd. Maar als het geweest was om de oud­testa­mentische gelovigen vrij te laten, of zoals de Luther­sen leren om Zijn over­win­ning af te kondigen in de hel, om daar als een triomfator te staan in de hel, dan was het geen trap van vernedering, maar dan was het een trap van ver­hoging geweest. Dat heeft de catechismus zeer goed begrepen.

 

Waar­om volgt daar: Nedergedaald ter helle? Dan wordt hier geen plaats bedoeld, maar een situatie. Dan wordt hier niet de hel be­doeld van de verworpe­nen, maar als ik het zo mag zeggen, de hel van aan­vech­ting. De hel van onuitspreke­lijke benauwdheid, de hel van smart, de hel van ver­schrikking, de hel van be­nauwdheid en de hel van pijn, niet van de verwor­penen, maar van Gods kinderen.

Dan wordt hier een mate aangegeven van het lijden van de Heere Jezus Christus, opdat wij ons ganselijk zouden vertroosten, gemeen­te! Dat wij ons ganselijk zouden vertroosten, want onze angsten, onze benauwd­heden, onze aanvechtingen mogen diep gaan. Maar Eén is er geweest, Die nog dieper gegaan is dan ooit een kind van God gegaan is in enige be­proe­ving, in enige benauwdheid of in enige verzoeking van wat voor aard dan ook.

En als u mij dan vraagt, of ik dat Artikel ook zou willen schrappen, liever niet zou willen plaatsen, dan zeg ik: nee, laat het maar staan. Maar begrijp het goed en begrijp het gelovig!

Waarom volgt daar: Neder­ge­daald ter helle? Opdat ik in mijn hoog­ste aanvech­tingen verzekerd zij en mij gan­se­lijk vertrooste. Dan ligt er ook een stuk toeëige­ning in, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuit­spre­kelijke benauwdheid, smar­ten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzon­der­heid aan het kruis, gezon­ken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

Dan zou ik willen vragen, waar is één kind van God, die niet enigs­zins de strijd kent? Die niet enigszins de aan­vechting kent, die niet enigs­zins de benauwdheid kent. Waar is zo'n kind van God?

Ik geloof niet, dat er één kind van God is, die door de Heilige Geest in het leven des geloofs is gezet, die alle kennis zou ontbreken van beproe­vingen. Daar spre­ken ook de Psal­men zo kos­telijk over, over de beproe­vin­gen. En in de Psalmen kijken we de levende Kerk in het hart. Die dichters hebben hun Psalmen zèlf niet tot Bijbel gemaakt, om hun bevin­ding eens door te geven. Maar het heeft de Heilige Geest behaagd, om de bevin­ding van de Kerk in 150 Psal­men op te tekenen.

Zo lezen we ook in Psalm 42 iets van die helse be­nauwdheid, van die angsten en van die smar­ten. Dat moeten we als het ware proe­ven, zoals het er staat in de oertaal, in de oerwoorden zou ik haast zeg­gen. Ik geef geen trap en geen mate aan, maar het is wel nood­zake­lijk dat we iets kennen van de inhoud van die Psalm. Waar de dichter het uit­roept: "Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstro­men", dat kan een hel van benauwdheid zijn, van Gods­gemis, "alzo dorst mijn ziel naar God, naar den leven­den God".

Wanneer de psalm­dichter zegt: "De afgrond roept tot den af­grond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan". Wat is Psalm 42 een geliefde Psalm niet­waar? O, wie proeft er niet iets van in zijn hart? "Ik gedenk daar­aan, en stort mijn ziel uit in mij". "Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij?".

Hebt u dat ook gemeente, wanneer we onze ziel ver­klaard vinden in het Woord, bijvoor­beeld in Psalm 42, dat er zoveel troost in kan liggen. Wat kan er veel hoop in zo'n Psalm liggen, als de ziel in een situatie is gekomen, dat we vragen: "is 't waar, zou God, ook weten van mijn droevig lot? Zou d' Allerhoogste van mijn klagen en bitt're rampen kennis dragen?" (Ps.7­3:6 ber.).

Wat een ver­kwikking is het dan om je hart ver­klaard te weten in de Schrift. Wat voel je dan een liefde tot zo'n dichter, die dat zo'n 3000 jaar van tevoren uit­geschre­ven heeft. Waarom? Omdat hij het zelf ook uitgebruld heeft voor God.

Laten we het vanavond maar gewoon bij zijn naam noemen, uitge­bruld voor God: "Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heenge­gaan". Wat kan dat dan kostelijk zijn gemeente, om als het ware een por­tret van jezelf te vinden in de Schrift. Dan mogen we in de vreemdelingschap van ons bestaan, toch weleens voelen géén vreem­deling te zijn van het goddelijke werk. Dat is een kostelijke zaak!

Maar waar het om gaat in het bevindelijke leven is dit: de mens zal zelf geen nagelschrap toebrengen aan de verwerving van de zalig­heid. Maar de toepassing van de zaligheid gaat in dezelfde weg, waarin de zaligheid ver­wor­ven is.

Dan is Psalm 42 niet alleen een lied van een zon­daar, die worstelt met zijn God: "Wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?"

 

      'k Heb mijn tranen, onder 't klagen,

      Tot mijn spijze, dag en nacht;

      Daar mij spotters durven vragen:

      Waar is God, dien gij verwacht?

 

Als we in de hel verke­ren van: "Met een doodsteek in mijn beende­ren honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?"

Als we in de hel van de beproevingen leven, geliefde gemeente, dan is er een voorrecht dat uitstijgt boven het eerderge­noemde voorrecht. Het is zalig wanneer we ons beeld vin­den in de Schrift, maar nog zaliger is het wanneer we ons beeld vinden in Jezus Christus.

Daar­van wil zondag 16, vraag en antwoord 44 iets laten zien. Wat Paulus ook onder woorden brengt: "één plant gemaakt te worden met de Heere Jezus Christus in de gelijkma­king Zijns doods". Dat is geen 'waarheid krij­gen', maar gekruisigd en genageld te worden in dìt leven! Om dan ook "één plant met Hem te worden in de ge­lijk­making Zijner opstan­ding" (Rom.6:5).

Dan gaat het er om dat ik in mijn hoog­ste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk ver­troos­te, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuit­spre­kelijke benauwdheid, smarten, ver­schrik­king en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzon­der­heid aan het kruis, gezonken was, mij van de helse be­nauwdheid en pijn verlost heeft.

Dan worden er voor die hel van de Heere Jezus, heel wat woorden gebruikt: benauwdheid, smarten, ver­schrik­king en helse kwelling. We gaan al die woorden niet na, maar het wijst ons op de volko­men­heid van het lijden van de Heere Jezus Chris­tus, niet alleen in zijn diepte, maar ook in zijn uitge­strekt­heid. Zodat er zoveel troost in ligt, dat ik u uit­daag gemeente, om iets te noemen, één aan­vechting, één helse be­nauwd­heid, één helse smart, één helse kwaal, één helse ver­schrikking waarin de Heere Jezus Chris­tus niet geweest is.

En dat is nu toch het zalige van dit geloofsartikel, dat ons zegt dat Hij is nedergedaald ter helle. Het heeft ons te zeggen dat er nu nooit één gang van smart, van aan­vechting, van benauwdheid kan zijn waarin Gods kin­deren ooit terecht komen, of Jezus is daar ook al in ge­weest, "De broederen in alles gelijk geworden, opdat Hij een barm­hartig en een getrouw Hogepriester zou zijn" (Hebr.2:17), opdat wij ons daarin zouden ver­troos­ten.

Nedergedaald ter helle, dat laat ons nog iets zien. Gods kinderen kennen allemaal een stukje van de zaak. Niet ieder kent de hele zaak, maar ieder van Gods kinderen kent wel een stukje van de zaak. Nu laat dit geloofsar­tikel, 'nederge­daald ter helle', ons zien dat Jezus Christus alles teza­men vol­bracht heeft. Dan heeft ieder van Gods kinde­ren wel een stukje lijden, ieder van Gods kinde­ren heeft wel een stukje aanvechting, maar Jezus Chri­stus heeft alles gehad.

Nedergedaald ter helle wil zeggen, dat Hij daarin ook de onwaardig­ste van alle mensen geworden is. Er zit hier zo'n vertroosting in.

Waarom volgt daar: Nederge­daald ter helle? O, dan mag ik me daar ook mee troos­ten, door het geloof, in de dieptepunten van mijn leven. Dan mag ik het als het ware op mijn sterfbed nog fluiste­ren: nederge­daald ter helle. Opdat ik zou weten dat wat ik lijd, óók al door Hem gele­den is, zodat er niets uitge­zonderd is geble­ven, of de Heere Jezus Christus heeft het geleden.

Wanneer Jezus Christus dan mijn Borg geworden is, wan­neer Jezus Christus dan mijn Midde­laar geworden is, wan­neer Jezus Chris­tus dan mijn Zaligmaker is, o, dan vertroost ik mij soms aan de Schrift. Maar er ligt geen betere troost, dan de recht­streekse troost aan de Heere Jezus Christus en aan Zijn lijden zelf.

Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganse­lijk vertrooste in mijn Heere Jezus Chris­tus. Ik kan gerust zeggen, dat daar in de praktijk van het leven de troost ligt. Als ik in mìjn aan­vech­ting, als ik in mìjn helse benauwd­heid, als ik in mìjn smart, 'mìjn Heere Jezus Chris­tus' mag zeggen. Mij Hem mag toeëigenen.

Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganse­lijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Chris­tus door Zijn onuitspreke­lijke benauwdheid... Als ik dat dan maar mag zien, hè lieve kind, als ik dat dan maar mag zien, dat mijn Heere Jezus Christus onuit­spreke­lijke benauwdheid, smarten, verschrikkingen en helse kwel­ling gedragen heeft. Dan is dàt het medicijn in doodsnood, in doodsge­vaar, in helse aanvechtingen, waarvan hier geschreven staat, dat ze bij de Heere Jezus onuit­sprekelijk waren.

Dan heb ik ervaren, ik zeg dit maar heel vrijmoedig gemeente, dat ik mijn benauwdheid uìt kon spreken: dat dus mijn benauwdheid uit­sprekelijk was, omdat de Zijne onuit­sprekelijk was. Dan was er een Toevlucht voor mijn angst, zodat mijn angst uitspreke­lijk was, omdat Chri­stus' angst onuit­sprekelijk was.

Voelt u mij een beetje aan? Ook in de bekering, wan­neer de hel werkelijkheid wordt, laat ik het maar bij zijn naam noemen, ge­meente! Dat je toch ook wel eens iets er van leert, dat als het ware je haar overeind zou gaan staan, wanneer God ons realistisch onder­wijst in de buitenste duisternis, in de wening die er zal zijn, in de knersing der tanden. Dat wat een heiden niet heeft, maar wat een chris­ten zal hebben: wroeging tot in der eeuwigheid.

Dan is dit het grote wonder, dat zelfs dàt een uitspre­kelijke helse benauwdheid wordt, omdat we het uit mo­gen spreken voor Gods aangezicht. Wanneer iemand staande gehouden wordt, dan klinkt het in zijn ziel mis­schien wel drie maal: eeuwigheid, o eeuwigheid, o eeuwig­heid! Wanneer het misschien doorklinkt in onze ziel: o verdoemenis, verdoemenis! Ik zeg het maar niet meer, geliefden, want het gaat om een werkelijk­heid van wening en van knersing der tanden.

Als u daar nu iets van voelt, dan zou ik zeggen, dan zou ik bidden: Heere schenk dat kind, schenk die man, schenk die vrouw nu eens de genade, om het uìt te spreken. En dàt ligt allemaal in de Heere Jezus Chris­tus, Die het op een onuitsprekelijke manier als Borg ondergaan heeft. Die in de hof van het ziele­lijden nog gebeden heeft: "Mijn Vader".

Toen is er een tijd geko­men dat het onuitsprekelijk was, toen kon dat lieve Kind niet meer bidden: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbij­gaan!" (Matt.26:39).

Toen is het zo on­uitsprekelijk geworden, dat Hij geroepen heeft tot Zijn eigen Vader, alsof Hij een Vreemde was: "ELI, ELI, LAMA SA­­­B­ACHTANI!­ dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verla­ten?" (Matt.27:46).

 

Laat ik het maar kort mogen houden! Die helse kwaal en die onuit­sprekelijke benauwdheid, die Jezus deed roepen: Eli, Eli, Lama Sabachtani, onuit­spre­kelijk, heeft de nood van Gods kinderen zo uit­spreke­lijk gemaakt. Zodat Gods kin­deren soms mogen roe­pen: Abba, Abba, Lama Sab­achtani! Dat is: Vader, Vader, waarom hebt Gij mij verla­ten?

Dan zit er zo'n vertroosting in het lijden. Hoe­wel ik niet van zoete woordjes hou, maar dan ligt er zo'n grote vertroosting in die lieve Heere Jezus Chris­tus, Die Gezegende des Vaders, dat je niet een béétje moed krijgt, maar dat je soms mag zeggen: "In de grootste smarten, blijven onze harten in de HEERE ge­rust" (Ps.33:10 ber.). Dan kan het soms zo zijn, dat in de allerdiep­ste aanvechtingen de duivel aan je voeten­eind staat om te zeggen: je hebt geen heil bij God. Dat je met een doodsteek in je beenderen gehoond wordt: en als je dan een God hebt, waar is nu je God?

Dat ik mij dan niet alleen vertrooste, maar dat ik mij ganselijk vertrooste. Toen lag er een man op sterven, ik heb hem zelf gekend. Het sterven was zò dichtbij, dat de zusters toesnelden, maar hij lag te lachen, ver­heugd in God. Hoe kan dat toch, hè? Opdat ik mij ganselijk vertrooste. Dan blijft er niet één smarte­traan meer over, dan is het alles liefde, liefde en nog eens liefde, vanwege die onuitspre­kelijke Zalig­maker, Die het alles gele­den heeft.

Dan is de laatste trap van vernedering, ook de laagste trap van vernedering. Dat bete­kent niet: een trede dieper; maar dat bete­kent: de begane grond. Jezus is gegaan tot de onbe­gaanbare grond, opdat het voor Gods kinderen altijd begaanbaar zou zijn, ganselijk be­gaan­baar.

En laat ik die trappen van vernedering maar zo mogen beëindigen: Jezus! laten we maar zeggen: Lieve Jezus, Uw verzoenend sterven, dat is het nou net, dat is het rustpunt van mijn hart. Al heb ik dan ook niets meer, al ligt de bevinding náást mijn bed; als wij alles, alles derven, blijft Uw liefd' ons bij in smart.

Als ik in doodsnood kom, dan hoef ik niet meer te kijken naar wat God geschonken heeft in het verleden. Maar dan hoef ik slechts te zien Wie Jezus Christus is en dan kan ik alles, wanneer ik slechts een beetje geloof heb. Dan kan ik leven, dan kan ik ster­ven en dan kan ik begraven worden, want:

 

      Jezus! Uw ver­zoe­nend sterven

      Blijft het rust­punt van ons hart.

      Als wij alles, alles derven,

      Blijft Uw liefd' ons bij in smar­t.

      Och, wanneer mijn oog eens breekt,

            Het Zij­ne is ook ge­bro­k­en!

      't Angstig doodszweet van mij ­leekt,

            Het Zij­ne vlo­eide in de Hof!

      Dat Uw bloed mijn hoop dan wekke,

      En mijn sch­uld voor God bedek­ke!

 

Als we er iets van kennen, lieve gemeente, probeer er dan maar heel dicht bij te leven. Dat de Heilige Geest u maar heel dicht bij een persoon­lijke Borg en Zalig­maker, bij mijn Heere Jezus Christus mag houden.

Eigenlijk moesten we maar één zorg hebben, één zorg, dat die afstand tussen de Zaligmaker en mijn ziel maar nooit tè groot zal worden. Dat ik maar zéér dicht naast Hem mag leven, dan kan ik zelfs naast Hem ster­ven.

Dan komt er zelfs weleens verlangen in ons leven om die Zaligma­ker, Die ons zo onuitspreke­lijk heeft liefge­had, te ontmoeten. Dan zing ik Psalm 42 ook weleens na: Ach Heer', wanneer komt die dag, dat ik toch bij U zal wezen, en zien Uw Aan­schijn gepre­zen.

Dan kan er weleens een heilig onge­duld zijn om Jezus Christus te danken en de Vader en de Heilige Geest tot in der eeuwigheid. Voor Hun onuit­sprekelijke liefde voor zondaren, voor booswichten, voor moorde­naars, die zèlf aan het kruis hadden moeten hangen.

Voor zondaren, die metterdaad alle­maal de hel in had­den moeten gaan en de eeuwige verdoe­menis hadden moeten ontvangen. Maar nu krijgen zij het eeuwige leven uit de verdienste van de Heere Jezus Christus. En in dit leven krijgen zij al zulke vertroos­tingen, dat je moet zeg­gen: als het hier in dit leven al zo is, wat zal het zijn om Jezus niet meer te zien door de tralies van de Schrift. "Want het is nog niet geo­penbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopen­baard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1 Joh.3:2).

 

      O, zaligheid, niet af te meten!

      O vreugd', die alle smart verbant!

      Daar is de vreemd­'lingschap verge­ten;

      En wij, wij zijn in 't Vaderland!

 

Wie Jezus leert kennen, wordt toch een beetje wereld­vreemd. En wie Jezus grondig leert kennen, die wordt grondig wereldvreemd, die wordt zelfs vreemd van zichzelf, gemeente! Dan is Christus Jezus, de gezegende Zoon des Vaders, mij soms eigener dan mijn eigen vlees en bloed.

Ik hoop dat de Heere u bekeert lieve gemeente, dat Hij Jezus Chris­tus rijkelijk toepast door de Heilige Geest, aan uw hart. Dan kan het zo goed zijn, zelfs in de bestrijdingen. We gaan er van zingen:

 

      Maar de HEER zal uitkomst geven,

      Hij die 's daags Zijn gunst gebiedt;

      'k Zal in dit vertrouwen leven,

      En dat melden in mijn lied;

      'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht

            (van be­proe­ving, in de hel van a­ngs­t)

      Zingen, daar ik Hem verwacht;

      En mijn hart, wat mij moog' treffen,

      Tot den God mijns levens heffen.

 

AMEN.