Zondag 17. Vraag en antwoord 45

                                         ZONDAG 17

                                    Vraag en antwoord 45

 

        Psalm     138 : 1

        Psalm       92 : 7

        Psalm     118 : 13,14

        Psalm       16 : 5

        Psalm       16 : 6

        Romeinen   6 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte Ro­meinen 6 : 7 - 9

 

Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.

Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;

Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.

 

Zondag 17 van de Heidel­bergse Cate­chismus, vraag en antwoord 45

 

45. Vr. Wat nut ons de opstanding van Christus?

Antw. Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerech­tigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken. Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Ten derde is ons de opstanding van Chri­stus een zeker pand onzer zalige opstanding.

 

Het gaat dus over de opstanding van de Heere Jezus Christus. De catechismus is nog steeds bezig met de behandeling van de twaalf Artikelen des geloofs, waarin het gaat over de Heere Jezus Christus. Over die trap van Zijn verhoging, waarvan de Kerk belijdt in de Apos­tolische geloofsbelijdenis, dat Hij "ten derden dage wederom is opgestaan van de doden". Of zoals de belij­denis van Nicéa zegt: "Die ten derden dage opge­staan is naar de Schrif­ten".

Het gaat dus over de wederopstanding van de Heere Jezus Christus ten derden dage. U weet, dat de Heere Jezus Christus op Goede Vrijdag begraven is. Hij werd op vrijdag in het graf gelegd en is naar onze tijdre­kening op zaterdag, dat was de sabbat voor de joden, in het graf geweest. En op de dag die voor ons de zondag is, de dag na de joodse sabbat, is Hij opge­staan. Dat was dus ten derde dage!

Nu vraagt onze catechismus: Wat nut ons de op­stan­ding van Chris­tus? Dan gaat het dus over het nut van de opstanding van de Heere Jezus Christus.

In de eerste plaats, wat het voor de Heere Jezus Zelf betekende, namelijk dat Hij door Zijn op­standing de dood heeft over­wonnen. En dan volgt dat woordje 'opdat' in de catechismus, waarna dan drie zaken aan de orde komen.

In de eerste plaats: opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken.

In de tweede plaats: dat wij door Zijn kracht wor­den opgewekt tot een nieuw leven.

In de derde plaats: is ons de opstan­ding van Chris­tus een zeker pand onzer zalige opstanding.

Ik noem u die zaken apart, geliefde gemeen­te, omdat het nogal wat is, het nut van de opstanding van de Heere Jezus Christus! Want ik zou dat ook met drie heel beken­de woorden aan kunnen duiden. Wat nut ons de opstan­ding van Christus? Daar ligt álles in begre­pen:

 

      In de eerste plaats: de rechtvaardigma­king van de Kerk.

      In de tweede pla­ats: de heiligma­king van de Kerk.

      En in de derde plaats: de heerlijk­making van de Kerk.

 

Paulus heeft het in de Korinthebrief al gezegd, dat de opstanding van de Heere Jezus Christus zo belangrijk is. Daar staat of valt nou precies alles mee, wat we tot nog toe verkondigd en gepreekt hebben uit de cate­chismus. Als er dan geen opstanding der doden is, zegt Paulus in 1 Korinthe 15:14 "Indien Chris­tus niet opge­wekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof".

Dat wil zeggen: de opstanding van de Heere Jezus Christus is het 'alles of niets' voor de Kerk. Het zijn grote zaken die ik vanavond met name ge­noemd heb: rechtvaardigmaking, heilig­ma­king en heer­lijkma­king.

Onze catechismus is zeer troost­rijk, maar ook zeer pastoraal. Want er wordt niet gevraagd wat voor troost wij hebben uit de opstan­ding, maar wat het nut is van de opstanding van de Heere Jezus Christus.

Voelt u zelf het verschil al tussen nut en­ troos­t? Het is namelijk zo, wanneer we de troost moe­ten missen, door gebrek aan geloofs­ken­nis en ge­loofs­in­zicht, dat we dan tòch nog niet buiten het nut liggen van de wederop­standing van de Heere Jezus Christus.

Wanneer de catechismus spreekt over het nut van de opstanding van Christus, dan betekent het dat het nuttig geweest is, nuttig is en nuttig zijn zal voor de ganse kerk. Zelfs voor de Kerk die de direkte troost er van moet missen. Die Kerk staat Goddank, niet buiten het nut van de opstanding van de Heere Jezus Chris­tus. Maar om daar­mee te kunnen werken, is het nodig dat er bij dat nut iets van de troost mag zijn, van het weten dat wij door het ge­loof in Christus Jezus be­grepen zijn. Dan wil ik weer die tekst noemen: "Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkma­king Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding", zoals wij dit gele­zen hebben uit Romeinen 6.

Het nut is er voor ieder, die verenigd is met Jezus Christus, Die nooit laat varen het werk Zijner handen. Ook al kan het geloof er niet aankomen, het nut ligt er tòch!

Het gaat ook ditmaal weer over sterven. Hoe menig kind van God is er, die daar toch niet veel troost uit beoefent. Het nut is er nochtans voor de gehele Kerk.

Wat nut ons de opstanding van Christus? Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding den dood overwonnen. Wat is dat een geweldig gebeuren geweest, daar in de hof van Arimathéa, toen Christus ten derden dage is opgestaan uit de doden. Toen het menselijk gezien hopeloos geworden was, omdat Jezus al zolang in het graf geweest was.

Maar dan dat eeuwige wonder, dat er een grote aard­beving ge­schied­de en dat de steen afgewenteld werd. Van Lazarus lezen we dat hij uitkwam, "Gebonden aan handen en voeten met grafdoeken. En Jezus zeide: ontbindt hem" (Joh.11:44). ­Maar van Jezus lezen we dat een der discipelen het graf in ging en opgemerkt heeft dat de doeken keurig ver­zorgd op die slaap­plaats lagen: "En den zweet­doek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold" (Joh.20:7). Ik zou haast zeggen: wie ooit de bit­terheid van de dood heeft ge­peild, die moet ook hiervan de diepte peilen door het geloof.

Dan gaat het om Jezus Christus, Die gestorven is en met bloedende wonden in het graf werd gelegd. Maar in Zijn wederopstanding was het de­zelfde Jezus, echter gans verheerlijkt. "Overgeleverd om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigma­king" (Rom.4:25), zegt Paulus.

Dat betekent en dat moet goed onder­scheiden worden: op Golgotha is de hel op slot gegaan, maar in de hof van Arimathéa is de hemel opengedaan! ­Niet alleen voor Jezus Christus, maar voor Zijn ganse uitverkoren Kerk. Het is wel een beetje leerstellig, maar u moet toch onder­scheiden dat de rechtvaardig­making uit twee delen bestaat. Dat is in de eerste plaats: verge­ving der zonde, de hel op slot. Maar dat is in de tweede plaats: het recht ten eeuwi­gen leven, de hemel geopend! Op Goede Vrijdag heeft de Heere Jezus uitge­roepen: "Het is volbracht" (Joh.19:30). En op Paasmor­gen heeft de Vader gezegd: Het is vol­bracht!

Wat is dat weder levend worden van de Heere Jezus Christus nu eigenlijk geweest? Dit: de Heere Jezus had op Goede Vrijdag ge­zegd: "Vader, in Uw handen be­veel Ik Mijn Geest" (Luk.23:46). En Pasen is dat de Vader de Geest weer terugge­schonken heeft aan de Heere Jezus Christus in Zijn lichaam.

De opstanding van de Heere Jezus Christus is een daad geweest van de drieënige God. Van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Wanneer we de Schrift kennen, dan weten we dat in Handelingen 3 duidelijk geleerd wordt, dat Christus opge­wekt is door de Vader (Hand.3:26). We kunnen ook zeggen dat de Heere Jezus opgewekt is door de Heili­ge Geest. Dat lezen we in Romeinen 8: "En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opge­wekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelij­ke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont" (Rom.­ 8:11). Maar het is ook de Zoon Zelf, Die is opge­staan.

Want als hier gesproken wordt over een overwin­ning, dan is dat een overwinning van de drieënige God. Dat is met name ook een over­winning geweest van de Zoon, Die Zelf gesproken heeft: "Ik heb macht Mijn leven af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen" (Joh.10:18). Zo is het in de hof van Arimathéa een gebeu­ren ge­weest van de drieënige God, dat Jezus Chris­tus uit de doden is opgestaan.

Wat nut ons de opstanding van Christus? Dat de dood verslonden is tot overwinning. Dat het vooral in de hof van Ari­mathéa gezegd en uitgejubeld kon worden: "Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw over­win­ning?" (1 Kor.15:55). Daar deelt de gehele Kerk in.

Wat nut ons de opstanding van de Heere Christus? "Dat zo wij met hem één plant geworden zijn in de gelijkma­king Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner op­standing" (Rom.­6:5).

"En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont" (Rom.­8:11).

Wat nut ons de opstanding van Christus? Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtig­heid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken. Dan gaat het ook met Pasen om de toepassing gemeente! Opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons ver­worven had, kon deelachtig maken.

Nu moet u een klein beetje onderscheiden dat hier niet gesproken wordt over de toepassing door de Heilige Geest, maar dat hier gezegd wordt, dat de Heere Jezus Christus, omdat Hij leeft, ons de verworven gerechtig­heid kon deelachtig maken.

Dan gaat het om deze zaak, dat de toepassing naar de zijde van het geloof, door de Heili­ge Geest gewerkt wordt. De Heilige Geest werkt het geloof door het Woord en ster­kt het geloof in onze harten door de sacramen­ten. Het is dus door de Heilige Geest, dat ons de welda­den van de Heere Christus deelach­tig gemaakt worden, in de toepassing, in een weg van geloof. Maar het is Christus, Die de weldaden verworven heeft.

Het is geweldig zoals zondag 17 ons laat zien, dat het geloof niets te geloven heeft, zo het niet in Chris­tus geschonken wordt. Ik hoop dat u het ziet!

En daarom staat hier: opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons ver­worven had, kon deel­achtig maken. Dan wil dat zeggen dat in de opstan­ding, de gerechtig­heid van de Heere Christus in het licht is getre­den. Want de dood die Jezus Christus gestorven is, wees op zonde. "De bezoldiging der zonde is de dood" (Rom.­ 6:23). Maar Pasen betekent dat de schuld ver­zoend is door voldoe­ning. Dat er een nieuwe ge­rechtig­heid verwor­ven is, een nieuw leven in de Heere Chris­tus.

Dat geloof gemeente, omhelst een levende Jezus, een verheerlijkte Jezus. Zoals het geschreven staat van de Heere Jezus Christus: "Hij had geen ge­daante noch heerlijkheid, dat wij Hem zouden begeerd hebben" (Jes.53:2). Zo zijn dat de kenmerken ge­weest van de ongerechtig­heid der Kerk, die zelf geen ge­daan­te of heerlijk­heid meer had door haar val, door haar onge­rechtig­heid en door haar schuld.

Alle zaken hebben een gedaante, een wezen. Zo heeft de zonde, de ongerechtigheid en de schuld van de Kerk ook een gedaante gekre­gen, een wezen gekregen in de verne­derde Heere Jezus Christus. Hij, Die de broederen in alles gelijk geworden is, uitgeno­men de zonde, heeft de ge­daante gedragen van onge­rech­tig­heid, zodat Jesaja ver­won­derd moet zeggen: "Wij acht­ten Hem, dat Hij ge­plaagd, van God geslagen en ver­drukt was" (Jes.53:4).

Nu gaat het in de wederopstanding en in zondag 17 om de gedaante van de gerechtigheid. Om het wezen, niet van de dood, maar van het leven! Gerechtigheid en leven hoort bij elkaar! Die gedaante van gerechtig­heid en van het werkelijke leven, van het kunnen-bestaan-voor-God, dìe gedaante heeft de ver­heerlijkte Chris­tus. Zodat het hier geldt: "Al wat aan Hem is, is gans be­geerlijk" (Hoogl.5:16).

Dat is het belang van de hof van Arimathéa, dat Jezus Christus geworden is, de Eersteling, de nieuwe Mens, opgewekt uit de doden. Hij is ook de geheel Ver­heerlijkte, de geheel Leven­de en de geheel Rechtvaar­di­ge, zodat Hij een en al gerechtigheid was. Dat wordt hier nu bedoeld wanneer er geantwoord wordt: opdat Hij ons de gerech­tigheid, die Hij door Zijn dood ons ver­worven had, kon deelachtig maken. Dat gaat niet buiten de Heilige Geest om. Het is de Heilige Geest, Die het geloof werkt in een zondaarshart, maar dat geloof strekt zich uit naar de opgestane Heere Jezus Chris­tus, naar de verheerlijkte Christus.

Het is de Heilige Geest, de Geest des geloofs, Die mij geleerd heeft mijn armen te slaan om die Man van smarten en verzocht in krank­he­den. Maar het is ook de Heilige Geest Die ons nu leert om de ver­heerlijkte Christus in onze armen te sluiten. Zoals Thomas zijn gerechtig­heid vond in de Heere Christus en gezegd heeft: "Mijn Heere en mijn God!" (Joh.20:28), ook door de Heilige Geest. "Want niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest" (1 Kor.­12:3).

Zo staan we voor een heerlijke zaak, wanneer we iets mogen doorleven van dat één plante geworden te zijn met Jezus Chris­tus in de gelijkmaking Zijns doods. Met Jezus Christus begra­ven te zijn, door de doop in de dood.

Wanneer we daarvan iets mogen kennen in onze levens, dan is niet alleen Jezus gestorven, maar dan zegt Paulus ook: "Ik ben met Christus gekruist", maar daar houdt het niet mee op, want Paulus kan ook zeg­gen: "En ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal.­2:20). Opdat wij ook één plant zouden zijn in de ge­lijkma­king Zijner op­standing.

Pasen, pasen... Dat betekent dat we vrede vinden in een verheer­lijkte Christus. Dat niet alleen Jezus is opge­wekt, maar dat ook Zijn Kerk is opge­wekt in een nieu­we gerechtigheid, maar ook in een nieuwe heilig­heid. Dat hoort bij elkaar.

Dan zegt de catechismus: Opdat Hij ons de gerech­tig­heid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deel­achtig maken. Zoals nu dat nieuwe leven­ Jezus Christus verheerlijk­te, zo gaat dat nieuwe leven ook de Kerk ver­heerlijken in een weg van heiligma­king.

Ik hoor Paulus immers zeggen: "Dat Hij ons geworden is rechtvaar­digheid, en heiligmaking, en verlos­sing" (1 Kor.1:­30). Dan wil dat zeggen dat die zaak nog door­gaat in uw en mijn leven, want dat ìs toch immers leven?

 

Ten andere worden wij ook door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Dan gaat het er om, dat wie zijn gerechtig­heid in Jezus Christus gevonden heeft, totaal buiten zichzelf, die vindt ook nog iets anders van Christus in zijn leven.

De catechismus houdt die zaken altijd zo dicht bij elkaar: het bloed van de Heere Jezus Christus tot rechtvaardigmaking. Maar waar dat bloed toegepast wordt, daar wordt geen antinomiaan geboren, maar daar wordt ook de Geest van Christus gevonden.

Twee dingen: het bloed en de Geest van de Heere Jezus Christus, recht­vaardigmaking en heiligmaking. Daar zou eigenlijk niet eens over gepraat moeten wor­den. Paulus vraagt: Als dan de voldoening van Chris­tus zó volledig is, zullen wij dan zeggen: "(gelijk sommi­gen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is" (Rom.­ 3:8). Het ant­woord van Paulus klinkt verontwaardigd, hij slaat als het ware met de vuist op tafel: geens­zins! Dat zij verre!

Waar er hoop is op het bloed van Jezus Christus, daar wordt ook altijd iets gevonden van de Geest van Jezus Christus.

Nu wordt het moeilijk om u duidelijk te maken wat ik bedoel. Maar wanneer we iets weten van een ster­vend leven, Jezus Christus achter­na, en wan­neer we in waarheid enigszins van die opstandings­mensen ge­wor­den zijn, dan zijn we ook wer­kelijk opge­staan in een nieuwe gehoor­zaam­heid, ook daarin Jezus Christus achterna. Dan kunnen we nooit een antinomi­aan wor­den, maar dan staan we in de vrijheid. Dat is een christe­lijke vrijheid, waar later over gespro­ken zal worden in de Heidel­bergse Cate­chismus, zondag 24.

Zon­de en ongerechtigheid, dat is een stukje sterven. Maar door Christus' kracht opgewekt te zijn tot een nieuw leven, dat is een hartelijke begeerte om ècht Gode te leven! En lukt dat dan? Lukt dat dan? Het is in ieder geval écht leven. Dat wil zeggen: geen kramp­toestanden. Echt leven, Christus Jezus achterna. Het is een hartelijke begeerte Hem voortaan te leven. "Want dit is de wil van God, uw heiligma­king" (1 Thess.4:3).

Dan is er een geweldig gevaar, geliefde gemeente, een geweldig gevaar dat we de heiligmaking los gaan maken van de Heere Jezus Christus. Dat we het zèlf in han­den gaan nemen. Maar dan zullen we altijd mislukken aan de ene kant, of mislukken aan de andere kant. Het gaat om de Geest van de Heere Christus. Dat is geen juk van slavernij, maar dat is kinderlijke vreze des Heeren.

Ten andere worden wij ook door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Dat nieuwe leven is een uitziend leven naar het eeuwi­ge leven toe. Een uitzien van heiligmaking naar heerlijkmaking. Dat is een beleving van het gebrek in onszelf en dat is daarom een uit­zien naar de voltooiing. Niet dat ìk iets voltooien zal, maar dat Hìj het voltooi­en zal, Die mij gegeven is tot recht­vaardigheid, tot heiligma­king en tot een volkomen verlossing.

Heerlijkmaking, daarmee wordt bedoeld de voltooiing van de heilig­making. We worden geen antinomianen die de zonde doen, omdat de genade toch zo overvloe­dig is. Maar weet u wat Gods kind ook nooit wordt? Een per­fectio­nist, die denkt dat hij het bereikt heeft in dit leven.

O, wat liggen daar ook een praktische bezwaren ge­meente! Te denken, dat we het zèlf wel kunnen redden voor Gods aangezicht. Maar het zal niet gaan, het zal niet gaan.

Ik hoor die twee zaken ook in het leven van Paulus doorklin­ken. Naar de rechtvaardigmaking richt hij het hoofd op en geeft hij een vrijmoedig en blijmoedig getuigenis. Dan kan hij tòch zeggen op grond van het bloed en de wonden van de Heere Chris­tus: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods­?" (Rom.­ 8:33).

Maar naar de heiligmaking: hoe is dat met u gesteld? Hebt u er al iets van geleerd? Van dat stervend leven en van dat levend sterven. "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkore­nen Gods", dat durft Paulus te zeggen op grond van het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden. Maar diezelfde Paulus, die zo vrijmoe­dig is in de Schrift, o hoor hem ook klagen naar de heilig­making: "Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens; Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is" (Rom.­7:21-23).

Dan komt er een verlangen in het leven van Paulus naar de heerlijk­making, waar de heiligmaking ooit voltooid zal worden. Paulus die roemt naar de recht­vaardigmaking, moet klagen naar de heilig­ma­king: "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (Rom.7:24).

Dan is het juist Paulus, die weet waar zijn gerechtig­heid ligt, alleen in het bloed en in de wonden van de Heere Jezus Christus. Paulus, die geleerd heeft om te zeggen: "Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd" (1 Kor.­ 2:2). Ik wens geen andere preek meer te houden, dan Jezus Christus en Dien gekruisigd.

Eens had de Heere Jezus moeten klagen: "Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?" (Hand.9:4). En nu gaat het dag en nacht door, dat Pau­lus, de dienst­knecht van Chris­tus Jezus, de verworpeling Saul in zich om moet dra­gen, zodat hij klaagt: "Wie zal mij verlossen uit het li­chaam dezes doods?".

Wat heeft die klagende Kerk dan een heerlijke toe­komst. Want de heiligmaking zal voltooid worden in de heerlijkmaking. Dan zal zelfs het lichaam dat door de Heere Jezus Christus gekocht is, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed, gereinigd worden door het graf. Opdat de mens weer leem zij, opdat God hem weer herscheppen zal.

Die heerlijkmaking waarvan Johannes schrijft: "Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij zullen Hem gelijk wezen" (1 Joh.3:2). De Heere Christus Zelf gelijk, dàt is de toe­komst van de levende Kerk.

Nu wordt er gevraagd: Wat nut ons de opstanding van Christus? Dan is het geloof dikwijls te klein, dan is het geloof dikwijls te aange­vochten. Zodat hier niet staat: Wat troost u de opstanding van Christus, maar er staat heel terecht: Wat nut u de opstanding van Christus?

 

Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding. Dan gaat de Kerk naar de glorificatie, naar de heerlijkmaking. Dat is, dat ze eenmaal verlost zal zijn van de zonde, verlost zal zijn van de ongerechtigheid. Paulus zal van Sau­lus verlost zijn om eeuwig, niet alleen bij de Heere te zijn, maar eeuwig Hem gelijk te zijn. Een nieuw schep­sel geworden in een weg van bekering hier op aarde. Een nieuw schepsel geworden door dood en graf. Een­maal Jezus Christus gelijkvormig geworden door aan­schou­wen. Dat is het grote wonder, dat de welda­den van Christus worden toegepast in een weg van geloof. Schenke de Heilige Geest u en mij geloof en vermeerdere Hij ons het geloof.

Er is echter één weldaad die ons niet zal gewor­den door het geloof, maar door het aanschouwen. En dat is de verheerlijking, Christus Jezus achter­na. Dat zal ons niet door geloof geworden, maar door aanschou­wen.

Zo leert Paulus het ons in de Korin­the­brief, dat de ganse levende Kerk van heer­lijkheid tot heerlijk­heid veranderd zal worden. Dat wil zeggen, zoals Psalm 84 het uitdrukt: van kracht tot kracht steeds voort zal gaan.

Dat zó de Kerk, in de dag van de wederop­stan­ding, "Met ongedek­ten aangezichte de heerlijkheid des Hee­ren als in een spiegel aan­schou­wende, naar hetzelf­de beeld in gedaante veranderd zal worden, van heer­lijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).

Eén plant met Christus Jezus geworden in de gelijk­making Zijns doods, dat zal ook inhouden, één plant met Jezus Christus te worden in de gelijkma­king Zijner wederopstanding. Dan zal dat een boeket zijn, met eerbied gesproken, die schare die niemand tellen kan uit alle geslachten, natiën en volkeren. Zij zullen zin­gen: "Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en prieste­ren; en wij zullen als koningen heersen op de aarde" (Openb.­5:9-10).

Dan zal die Kerk een volmaaktheid bezitten, niet alleen innerlijk in geloof, hoop en liefde. Gewassen door het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dat reinigt van alle zonden. Niet alleen zo heilig, dat zij tot in der eeuwigheid heilig zal blijven, vast in Jezus Christus. Maar ook ganselijk verheerlijkt voor het aange­zicht van de Vader, Die deze nieuwe schep­selen vervullen zal, niet met één druppel genade, niet met twee druppels heerlijkheid, maar gans en al! Tot­dat God zal zijn alles en in allen.

Dat is het wonder van Jezus Christus, Die de zondige mens gelijk gewor­den is, opdat zondaren de Zoon van God gelijk zouden wor­den. Daar krijgen we hier al iets van naar de geest, zodat Petrus durft te zeggen, dat wij de goddelijke natuur deel­ach­tig zouden worden (2 Petr.1:4).

Dan zal de mens, die eenmaal ook in die heerlij­ke staat hersteld zal zijn (ik moet het er toch nog even bijzeg­gen) ook een wezen krij­gen, ook een gedaante krijgen, gelijkvormig aan de zaak die God drieënig inwendig heeft verricht. Een gedaante door God drie­nig ge­schonken, die in volle overeen­stemming zal zijn met de innerlijke zaak. Dat is de heerlijkma­king van de Kerk.

Johannes schrijft: "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zich­zelven, gelijk Hij rein is" (1 Joh.­3:2-3).

Schenke de Heilige Geest ons geloof. AMEN.