Zondag 18. Vraag en antwoord 46 - 47 - 48

                                         ZONDAG 18

                            Vraag en antwoord 46, 47 en 48

 

        Psalm  118 : 1

        Psalm  118 : 2

        Psalm    47 : 3,4

        Psalm    20 : 4,5

        Psalm    17 : 8

        Filipp.      2 : 1-18

 

Onze tekstwoorden voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Filip­pen­sen 2 : 8 - 11

 

En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzel­ven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.

Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;

Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie derge­nen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.

En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

 

Wij zijn nu toegekomen aan zondag 18, vraag en ant­woord 46, 47 en 48

 

46. Vr. Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?

Antw. Dat Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

47. Vr. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?

Antw. Christus is waarachtig mens en waarachtig God.

Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmer­meer van ons.

48. Vr. Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?

Antw. Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal te­genwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niet­temin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

 

U begrijpt wel, geliefde gemeente, dat dit ook weer één van de twaalf Artikelen des geloofs is. Waar de Kerk belijdt, waar de Kerk spreekt en waar de Kerk gelooft dat Jezus Christus is opgevaren ten hemel.

Die zaak is uit de Schrift duidelijk genoeg. Er zijn getui­gen van geweest. Want we lezen van de discipe­len dat zij Jezus nagestaard hebben toen Hij van hen opvoer ten hemel en dat een wolk Hem wegnam voor hun ogen.

Maar dat niet alleen, de Heere Jezus heeft het Zelf ook voorzegd! Om maar één zaak te noemen: De Heere Jezus had gezegd tot Maria Magdaléna "Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God" (Joh.­20:17). En dat was niet alleen een voorzeg­ging van Zijn hemelvaart, maar daar lag reeds iets in van de troost, van wat hemelvaart bete­kent voor de Kerk.

De Heere Jezus had Zijn discipelen ook reeds onderwe­zen: "Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd heb­ben; Ik ga heen om u plaats te bereiden" (Joh. 14:1-2). En de Heere Jezus heeft er bij gezegd: "En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid heb­ben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben" (Joh.­ 14:3).

Dat was ook de boodschap van de engelen: "Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenva­ren" (Hand.1:11).

Het is heel merkwaardig dat men niet heeft gezocht, waar Jezus gebleven was. De hemelvaart is zo duide­lijk geweest, dat er na de hemelvaartsdag, noch door vriend, noch door vijand ge­zocht werd waar Jezus toch wel mocht zijn.

Nu is de hemelvaart van de Heere Jezus Christus in de eerste plaats een geloofszaak. En die heeft geen bewij­zen en ook geen argumen­ten nodig. Doch geloof maar, dat­ het nooit nagelaten zou zijn, als men er iets aan had kunnen doen om de feite­lijkheid van de hemel­vaart te verleugenen en te verloo­chenen. Zoals we immers ook weten van de poging om de opstanding te looche­nen, "Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen" (Matt.28:13).

Jezus is ten hemel gevaren. Nu kunnen we vragen: waar is de hemel? Dat is de plaats waar Mozes en Elia zijn, die vanuit de hemel op de berg der ver­heerlij­king geweest zijn, om met Christus te spreken over Zijn uitgang uit Jeruzalem.

Waar is Jezus heengegaan? Naar die plaats, waarvan Hij gezegd heeft: "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt" (Joh.17:24). De hemel is de plaats waar de gezaligde zielen zijn.

Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel? Dat Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven. Ik zie een kind denken: o, wat erg! En kinderen hebben het weleens ge­zegd: 'was Jezus nog maar in deze wereld'. Ze zouden zo graag naar Jezus toe gaan, zoals men ook ten tijde van de omwandeling van de Heere Jezus naar Hem toe kon gaan. Zo spreken kinderen, en zo spreekt misschien ook het volwassen hart. Och, waar kan ik Jezus vin­den?

We lezen echter niet dat de discipelen getreurd hebben, ge­meente. De discipelen hebben niet getreurd, want ze hebben zo heel goed begre­pen, wat hier in de cate­chis­mus staat.

U moet er goed op letten: Dat Christus voor de ogen Zijner jonge­ren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is. Dat is het ons van de levende Kerk, van het geloof.

Dan gaat het om een heerlijke zaak! Wanneer wij den­ken aan het Middelaarswerk van Jezus Christus, wat denken wij dan vaak alleen aan het werk dat Hij hier op aarde heeft volbracht. Dat Hij gestre­den heeft, dat Hij geleden heeft, dat Hij gestorven is en ne­derge­daald is ter helle. Noodzakelijk voor de zaligheid van onze zielen, maar even noodzake­lijk was het dat Jezus Chri­­stus op zou varen ten hemel.

Het is ook een heerlijke zaak, dat Hij opgeva­ren is ten hemel, dat Hij zit ter rechterhand Gods des al­machtigen Vaders, waar Hij ook voor ons bidt, zoals de apostel dat zegt. Johannes zegt van de ver­hoogde Chris­tus: "Wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaar­dige; en Hij is een ver­zoening voor onze zonden" (1 Joh.2:1-2).

Weet u, wanneer wij denken aan God de Vader, wat voelen we dan een afstand. Hij, Die zo vol­maakt heilig is, Hij, Die zo volmaakt recht­vaardig is. Wij voelen dat de volmaakte recht­vaar­digheid en volmaakte heiligheid van God ons verhin­dert om zon­der Midde­laar tot God te gaan. Dat heeft Jezus Zelf ook ge­zegd; "Nie­mand komt tot den Vader, dan door Mij" (Joh.14:6).

Dan moet u eens nagaan, wie de Heere Jezus Christus is! Hij is van gelijke Godheid als de Vader. Dat wil zeggen: even rechtvaardig, even heilig als de Vader, eenswezens met de Vader. Maar toch kan het geloof door Hem tot God genaken. Die een mens gewor­den is, zoals de geloofsbelijdenis van Nicéa het zegt. Hij is God geble­ven en Mens gewor­den, opdat er een Heili­ge en Recht­vaardige zou zijn, door Wien we kunnen te­rugkeren tot onze Schep­per en Formeer­der.

Toen het ging over de gerechtigheid Gods en wat een mens is, heeft Job gezegd: "Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht" (Job 9:33).

Nu moet u goed zien gemeente, tot uw troos­t, dat Beth­le­hem inhoudt, dat God op de aarde kwam en dat het Woord vlees gewor­den is. Maar nu omgekeerd. Hemel­vaart houdt in dat het vlees naar de hemel is gegaan. De men­selijke Per­soon, de Zoon van Maria is naar de hemel gevaren om Middelaar te zijn voor het Aange­zicht van God de Vader, van dag tot dag en van uur tot uur. Want als het daar één ogen­blik aan zou ontbreken, ik hoop dat u dat beseft, dan zou­den we er uit vallen met eerbied ge­sproken.

Opgevaren ten hemel en Hij is ons ten goede daar! Het aardse werk heeft Hij voleindigd (Johan­nes 17). Laat ik het u eens heel evange­lisch voor mogen leggen. Het aardse werk heeft Jezus voleindigd, Hij heeft dat tot een volbrachte zaak gemaakt. Waar is de behoef­ti­ge ziel in ons midden? Wat de Vader Hem gege­ven had om te doen op aarde, dat is volbracht. "Komt daarom herwaarts tot Hem, allen die vermoeid en belast zijt, en Hij zal u rust geven" (Matt.­11:28).

En nu is dat geen afgelopen zaak geworden na hemel­vaartsdag. De prediking van het volbrachte werk van Jezus Christus gaat nog door en klopt ook nù aan uw hart. Jezus Christus is gestorven, overge­leverd om onze zonden, zegt Paulus. Wat ligt er dan een verant­woordelijk­heid op ons gemeente. Het volk van het Oude Testa­ment heeft het slechts van verre gezien in de belofte. Maar wij...

Twee zaken: het werk, dat Gij Mij gegeven hebt te doen op aarde en ook het werk in de hemel voor het aangezicht van de Vader. Daarin is het Evangelie vol­maakt en komt het in zijn volmaakt­heid tot u. Jezus Christus zou in het gericht kunnen vragen: "Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb?" (Jes.5:4). "Hij is geko­men tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aange­nomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinde­ren Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam gelo­ven" (Joh.1:11-12).

Als het dan nu over hemelvaart gaat, is daar iets aan verbonden. De engelen hebben het al gezegd, hemel­vaart is ook altijd een waar­schu­wende preek: "Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren" (Hand.1:11).

Dat verband hebben de opstellers van de catechismus ook gelegd: totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden. Dat wil zeggen: Jezus komt terug in deze wereld en dan zullen er niet alleen levenden zijn, maar ook zij die ontslapen zijn, zullen uit de graven verrijzen. Dat is een ontroerende ge­dachte! Dan zullen we daar voor Christus staan met al onze ja-maars, onze goddeloze ja-maars of onze recht­zinnige ja-maars. Dan zal het van ons afgeëist worden ge­meente, wat we met het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus gedaan hebben in onze levens.

Wat zal die wederkomst ontroerend zijn. Het staat beschreven in Openbaring: "Alle oog zal Hem zien", dat wil zeggen: uw ogen, mijn ogen, "Ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven" (Openb.1:7).

Wat zal het dan een vreselijk verschil zijn, welke tranen u storten zult in de eeuwigheid, geliefde ge­meente. Zullen het smartetranen zijn? Want dan zal ook Gods kind haarscherp zien, wie Hem door­stoken heeft. Dan wordt het: ìk, door mijn zonden. Maar wat zal het dan vreselijk zijn om Jezus Chris­tus doorsto­ken te hebben en vrij gebleven te zijn van dat koste­lijke bloed. Ik ben geen remon­strant, maar kom dan toch:

 

      Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

      Gelooft Zijn heil- en troostrijk woo­rd;

      Verhardt u niet, maar laat u lei­den" (Ps.95:4 ber.).

 

Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel? Dat Hij zeker terug zal komen! Wat zal dat vrese­lijk zijn, om op zo'n grote zalig­heid geen acht geslagen te heb­ben. Ik kan het me zo goed voorstel­len, dat we dan zullen bidden: "tot de bergen en tot de steen­rotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aange­zicht Desge­nen, Die op den troon zit" (Openb.6:16).

Hoe zal dat nu uitvallen met u? Zal het dan tòch mis­schien gelden: "Het zal Tyrus en Sidon ver­drage­lijker zijn in den dag des oordeels, dan ulie­den" (Matt.11:22).

Jezus Christus is ten hemel gevaren en de catechismus spreekt daarover vanuit het geloof, vanuit het leven­de geloof.

 

Dan sla ik nu een andere bladzijde op: maar zo de mens­heid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Chris­tus niet van elkander geschei­den? En daar tussenin die vraag: Is dan Chris­tus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft? Christus is waarachtig mens en waarach­tig God. Naar Zijn mense­lijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmer­meer van ons.

Kijk, en dan die vraag: Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, dat is een vraag die speciaal bedoeld is tegen Lutherse invloe­den. Luther leerde dat niet alleen de Godheid van de Heere Jezus alomtegenwoordig was, maar ook de mensheid.

Het gaat in de hemelvaart over de Heere Jezus Chris­tus; dat Hij, Die uit de maagd Maria geboren is, het Woord dat Vlees geworden is, dat dìt vleesgeworden Woord is opgevaren ten hemel.

Dan luidt die andere vraag aan de Kerk: Is dan Chris­tus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft? Maar dat kan knellen! Dat is niet zomaar een vraag. Want de Heere Jezus Christus heeft Zelf gezegd: "En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de vol­einding der wereld" (Matt.28:20).

Is dan Christus tòch niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij beloofd heeft? Dan laat de catechis­mus zien, dat de mens Jezus, als ik het zo eens mag zeggen, opgevaren is naar de hemel. Dat Hij werkelijk op één plaats verkeert met Mozes en Elia. De plaats waarvan Hij gesproken heeft: "Ik ga heen om u plaats te berei­den" (Joh. 14:2). Waar Hij bidt: "Va­der, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gege­ven hebt" (Joh.17:24).

Maar dit is de grote troost, dat Hij ook God was, dat Hij ook God gebleven is. Bethlehem: mens geworden, maar ook God gebleven. Hemelvaart, als mens ten hemel gevaren, maar als God gebleven.

Dan noemt de catechismus een aantal troostrijke zaken: naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Naar Zijn Godheid, ik zeg het nog een keer, naar Zijn majesteit, Zijn genade en Zijn Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Dan gaat het er om dat de leven­de Kerk verla­tingen en armoe­de kent. Maar nooit de geestelij­ke verla­ting in absolute zin, alsof Christus ooit werkelijk geweken is van de Zijnen. Dat moet ons ook troos­ten in dagen van Godsverla­ting. Dat Hij wel naar het lichaam ten hemel gevaren is, maar dat Hij met Zijn Godheid, Zijn maje­steit, Zijn genade en Zijn Geest nimmermeer van ons wijkt.

Ook al voel ik het niet, al moet ik zeggen: "Ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of ach­terwaarts, zo ver­neem ik Hem niet" (Job 23:8). Dan wil dat nog niet zeggen: Hij ìs er niet. Job zegt juist; ik zie Hem niet en ik bemerk Hem niet, maar Hij is er wel. Dat is de troost! Naar Zijn Godheid, naar Zijn majesteit, naar Zijn gena­de en Zijn Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Dan kan Hij soms zo ver weg zijn, zo ver weg dat ik Hem niet meer zie en dat ik Hem niet meer bemerk. Maar ik heb de belofte: "Gij zult van Mij niet verge­ten worden" (Jes.44:21).

Dan gaat het niet meer om mijn waarneming als mijn geloofs-verre­kijker beslagen is. Maar het gaat er over dat Hij gezegd heeft: "Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld". Dat Jezus Chris­tus aan de rechterhand des Vaders is, ook voor ons bidt, ons meteen vasthoudt hier op aarde met Zijn God­heid, maje­steit, Zijn genade en Zijn Geest. Vier zaken ge­meente, waar het geloof in geoefend moet worden.

In Zijn Godheid: dat we nooit uit het oog zouden ver­liezen Wie Hij geweest is van eeuwigheid: God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet gemaakt, van hetzelfde Wezen met den Vader, door Wien alle dingen gemaakt zijn (Nicéa).

Niet van Zijn mense­lijke natuur, maar van Zijn Goddelijke natuur kan Luther zingen: "Ons staat een sterke Held terzij". Wanneer het gaat spannen in het leven, wan­neer het gaat span­nen in het persoon­lij­ke leven en wan­neer het gaat span­nen in deze wereld, vanwege Zijn Goddelijke openbaringen. Dat we mogen geloven: "Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode" (Ps.62:6). Of het nu in dat ene hart is, of in die duizenden harten van de Kerk:

 

      Doch gij, mijn ziel, het ga zo 't wil,

      Stel u gerust, zwijg Gode stil;

      Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blij­ken (Ps.62:4 ber.).

 

Naar Zijn God­heid. Dan zegt de ziel op zulke mo­menten weleens: Hallelujah Heere, dat Gij met mij zijt, dat Gij naar Uw Godheid met ons zijt, want anders wa­ren wij in onze druk allang ver­gaan.

Naar Zijn majesteit, waar denkt u dan aan? Dan denk ik er aan hoe Jezus Christus tijdens Zijn rondwan­de­ling, Zijn majesteit bewezen heeft voor Zijn discipelen. Zoals de Heere Jezus ook Zijn majesteit bewijst in het persoonlijke leven des geloofs, in de beproevingen van het geloof. Wanneer mijn ziel roept: "Heere, behoud mij!" (Matt.­14:30), want ik verga.

O, dan is het op aarde te merken dat er niets vermin­dert van de maje­steit van de Heere Christus. Dat Hij Dezelfde is, Die de stor­men doet bedaren, Die de golven bestraft en ze zijn stil. Dan zegt de ziel op zulke momenten: Hallelujah, dat Gij met Uw majes­teit bij ons wilt wonen.

De catechismus noemt nog iets noodzakelijks: dat Hij met Zijn genade nimmermeer van ons wijkt. Wan­neer je het niet meer bekij­ken kunt, als je het wéér verzon­digd hebt gemeente, als je wéér in je goddeloos­heid terecht­komt. Als je niets meer in jezelf bekijken kunt en moet zeggen: ik heb alles ver­zondigd! Zulke tijden zijn er in het leven, dat we daardoor zouden zeggen: "Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens" (Luk.5:8). Wanneer je gaat bemerken, niet alleen dat je onbekeerd bent, maar nog veel erger: dat je onbe­keer­lijk bent. Dat er geen vruc­ht uit u zal gevon­den wor­den tot in der eeu­wigheid.

Maar dan die kostelijke genade, gemeente: "Jezus, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde" (Joh.13:1). Dan zou ik haast zeggen dat, hoe meer we daar van smaken, hoe meer we onszelf leren ken­nen, ons­zelf tegen leren vallen, hoe meer de Heere Christus mee gaat vallen in Zijn genade.

Wat is dat een geweldig leerstuk: "Niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken" (Joh.10:28). Wie door de Heere Jezus Christus bege­na­digd is, zal zichzelf ook nooit uit Zijn hand kunnen rukken. Laat ik het heel gewaagd mogen zeggen, niet voor de zorgelozen: maar het is niet mogelijk u ooit uìt die genade te kunnen zondi­gen. Omdat het niet vastligt in ons gemeente, maar in de Heere Jezus Christus. Anders was Petrus allang ver­gaan na ontvangen gena­de en dan was ik al voor de zoveelste keer vergaan, na ont­vangen genade.

Maar dan die bijblijvende, die voortdurende genade: "Simon, Si­mon, ziet, de satan heeft ulieden zeer be­geerd om te ziften als de tarwe" (Luk.22:31). Heeft de satan ook ù weleens begeerd te ziften, gelijk de tarwe? En dan tòch die koste­lijke Zoon van God, die Geze­gende des Vaders, het vleesge­worden Woord verloochend. "Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet op­hou­de" (Luk.­ 22:32).

Er wordt nog een vierde zaak genoemd: Zijn Geest. Wanneer we goed gelezen hebben in Filippen­sen dan kan het duidelijk zijn, en op vol­gende plaat­sen zal de catechismus dat nader gaan verklaren, wat nu de rijkdom van de Geest van Chris­tus is.

Laat ik dit mogen zeggen van de Geest van de Heere Christus, dat die Geest ons meer en meer met Hem verenigt. De band, om het eens heel menselijk te zeggen, wordt door de Geest steeds strakker aange­haald. Zoals je ook kunt zeggen in het mense­lij­ke vlak: die twee, die zijn ééns­geestes. Wat ook opgesloten ligt in die tekst: "Eén plant met Hem te worden in de ge­lijk­making Zijns doods". Dat is niet alleen hetzelfde onder­gaan, maar ook een beetje hetzelfde onder gaan.

Wanneer twee mensen ontzaglijk veel van elkaar hou­den, dan ge­beurt het weleens dat men vraagt: zijn jullie broer en zus? Dat is de geest, die van de één over­gaat in de ander, die van de ander over­gaat in de één. Zo is Christus met Zijn Geest in de Kerk werk­zaam, in de Kerk aanwezig.

Er staat dat Hij nimmer­meer van ons wijkt. Die Geest brengt de grote veran­dering teweeg in onze levens, waar we zelf niet op kunnen roemen. Het is een voor­uitgang, die zich ach­terwaarts verplaatst. Het is: "Hij moet wassen, maar ik minder worden" (Joh.­ 3:30). Voor iedere gelovi­ge: Hij moet wassen en ik moet kwij­nen.

Zijn Geest is ook een Geest van liefde, een Geest Die doorwerkt in de gemeenschap. Ik ga mijn tekst­woorden niet herlezen, u kunt dat vinden in Filippen­sen 2.

Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft? Christus is waar­ach­tig mens en waarachtig God. Naar Zijn menselijke na­tuur is Hij niet meer op aarde, maar naar Zijn God­heid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Dat wil zeggen: Christus werkt in de gelovige. Dat wil ook zeggen: Christus werkt door in de gelovi­ge. En wat werkt dat nou uit in de gelovige? Dit, geliefde gemeente, dat er nu ook een liefde wakker wordt in het geloof, tot de menselijke natuur van Jezus Chris­tus.

We moeten de zaken héél zuiver houden. We weten dat Christus Jezus aangebeden wordt, niet naar Zijn mens­heid, Hij wordt aange­be­den naar Zijn Godheid. Maar als we nu iets gesmaakt hebben van dat kostelij­ke sittim­hout van Zijn menselijke Persoon, als we iets ge­leerd hebben van dat kostelijke goud van Zijn godde­lijke Persoon. En als we dan iets geproefd en gesmaakt hebben van die vereniging van die twee naturen? O, dan aanbidden we Christus naar Zijn God­heid, maar naar Zijn mensheid mogen wij Hem ook onuit­sprekelijk lief­hebben.

Wist u dat? Dan mogen we Hem naar Zijn menselijke natuur, dat vleesgeworden Woord, onuit­sprekelijk liefhebben. En dat gebeurt ook! Er komt een liefde in het hart, waarvan het Hooglied spreekt: "De liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vuri­ge kolen, vlammen des HEEREN" dat voel je aan je hart, "Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblus­sen" (Hoogl.8:6-7).

Wanneer nu de catechismus zegt dat Christus naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest nimmer­meer van ons wijkt, dan ga ik u toch vragen: kunt u Hem missen naar Zijn mensheid? U, die hoop op genade hebt? Of mag Hij de hemel wel houden, als u de aarde maar mag hebben? Het gaat om de vereniging met Hem, om Hem te aanschou­wen, om Hem te zien gelijk Hij is.

Dat dit geen ketterse leer is, die ik breng zal ik be­wijzen. De Heere Jezus begeert hetzelfde, want Hij bidt in het Hogepriester­lijk gebed: "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grond­leg­ging der we­reld" (Joh.17:24).

Nu word ik bevindelijk hoor. Als Jezus dan bidt: "Op­dat zij Mijn heerlijkheid mogen aan­schouwen", dan gaat het er om, dat een mens nooit echt gelukkig kan zijn in zichzelf. Ik hoop dat u mij vatten kunt. God is volzalig in Zichzelf, maar een mens kan nooit zalig worden in zichzelf, de mens heeft iets nodig. De mens heeft het nodig om die heerlijkheid te aan­schou­wen van de Zoon, wat gestalte krijgt in de liefde. En de liefde krijgt gestalte in de heerlijk­heid.

Kijk, dat is dus niet abstract meer, m­aar dat is de hoogste concreet­heid. "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggebo­ren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet ver­derve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh.3:16).

Als dan die dierbare Borg en Middelaar, dat sittimhout en dat kostelijke goud van het verzoendeksel, als dàt mijn levende Midde­laar is, dan gaat mijn aanbidding dus uit naar de Christus, maar mijn liefde gaat ook uit naar de menselijke na­tuur, Jezus. Daarom zegt Hij, "Opdat zij Mijn heer­lijkheid mogen aan­schouwen, want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld".

Geloof, hoop en liefde is geen theorie, maar dan komt er een tijd in de Kerk, dan komt er een tijd in het individuele geloof, zo God het geeft, dat de Geest en de Bruid gaan roepen. Hoewel Hij met Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest er ìs en nimmermeer van ons wijkt, dat toch de Geest en mijn hart gaan schreien.

Dat de Geest en de Bruid gaan bidden, "Kom! Ja, kom, Heere Jezus!" Kom haastiglijk (Openb.22:17,20). Niet om van de werel­del­lende af te zijn, maar om ver­enigd te zijn met Dien, Die mij zo onuitspreke­lijk heeft lief­ge­had. Om Hem dan onuitsprekelijk lief te hebben tot in der eeuwig­heid, Die God en Mens is, in enigheid des Persoons.

Och, dan gaat het hart soms open met de Bruid van het Hooglied: "Mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde" (Hoogl.5:6-8).

Daar is de Kerk op zijn beste, daar raken onze wortels een beetje los uit deze wereld en dan gaan de knopjes een beetje hemel­waarts wijzen. Naar de volma­king van alle dingen, naar de voltooiing van alle din­gen, tot het één kudde zal zijn, en één Herder. Als Hij dan Brui­degom is en ik bru­id, dan is er een levende ver­wach­ting en een levende hoop. Dan stel ik me heel veel van de brui­loft voor, de bruiloft des Lams.

"Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aan­schou­wen".

Een mens alleen is niets, een mens alleen kan slechts zalig zijn in de liefde en de liefde is volmaakt in het aanschouwen. Zullen we er nu eindelijk eens overheen zien, over dood en over graf? Zullen we nu die Psalm nazingen:

 

      Maar (blij voor­uitzicht, dat mij streelt!)

      Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvou­wen,

      U in gerechtig­heid aanschou­wen,

      Verzadigd met Uw Godd'lijk beeld (Ps.17:8 ber.).

 

Dan is er hoop in de ziel dat, zoals Johannes eenmaal aan Zijn boezem gelegen heeft, zo de ganse Kerk eenmaal aan Zijn hart gedrukt zal wor­den. Dan is de zaligheid volmaakt, als ziel en lichaam verenigd is, om te aanschouwen de heerlijkheid van de Heere Christus. Om meteen ook te aanschou­wen, de eeuwige liefde van de Vader, Die niet alleen de Zoon heeft liefgehad, maar ook allen die Hij heeft uitverko­ren en die Hij aan Chris­tus Jezus gege­ven heeft. Van hen heeft Jezus gesproken: "En nie­mand zal ze uit Mijn hand ruk­ken". "En ziet, Ik ben met ulieden tot aan het einde der wereld". Dat heeft Hij bezworen met twee door­boorde Midde­laarshanden.

Hij zàl ook eindelijk wederkomen op het gebed van de Kerk, wan­neer de Geest de Kerk gaat voorbidden en de Kerk de nabidder mag zijn: "Ja, kom, Heere Jezus! Kom haastig­lijk". AMEN.